Part 17
Heel erg geneerden zij zich trouwens niet, toen zij na het ontbijt met Elsje in het bosch liepen. Elsje deed eerst haar best mee te praten, maar toen het gesprek langzamerhand uitsluitend over de bals liep, die Cécile en Louise den vorigen winter hadden bijgewoond en toen de laatste Cilly voortdurend plagend _madame la baronne_ noemde en allerlei geheimzinnige toespelingen maakte op iemand, die ook wel dolgraag naast Cilly zou hebben willen loopen, begon het Elsje te vervelen en liep zij zwijgend voort, zooveel mogelijk de plechtige schoonheid van het bosch genietend. Maar het gefluister en gegiegel naast haar hinderde haar toch en zij was blij, toen het tijd werd om naar huis te gaan. Grootmama kwam de meisjes uit de veranda tegemoet, toen zij hen zag aankomen. "Een telegram! Een telegram van Frits!" riep ze. "Hij komt morgen al thuis."
"O, hoe vreeselijk gezellig!" riep Cécile terug, terwijl Elsje haar snel aankeek. Wat nam Cécile het bericht eigenlijk gewoon op! Zij praatte er niet eens verder over, toen zij in huis waren, maar greep gretig naar twee brieven, die de post juist voor haar had gebracht. Hoe vreemd! Zij moest toch wel heel blij zijn, dat hij nu al zoo gauw kwam. Het engagement werd dan zeker dadelijk publiek, al was het nog geen najaar. Foei, wat was zijzelf weinig kalm! Wat had zij toch? Het zou heel aardig wezen, Frits eens weer te zien, maar daarom behoefde haar hart nu toch niet zoo dwaas onstuimig te kloppen en was het volstrekt niet noodig dat hare wangen zoo gloeiden! "Wel, kindje, wat staan je oogen helder, bevalt het luie leventje je al goed?" vroeg grootmama, en Elsje knikte een beetje verlegen, zij voelde zich zoo vreemd en o, ze zag zoo tegen morgen op. Ze zou dan natuurlijk heel verheugd moeten kijken, als men haar vertelde dat Cécile en Frits geëngageerd waren en ze was er in werkelijkheid niets mee ingenomen. Ze kon het niet helpen, het was misschien heel leelijk van haar, maar ze vond het in 't geheel geen prettig vooruitzicht, om die twee zoo heel intiem samen te zien. "Ik ben een akelig, onuitstaanbaar, ondankbaar schepsel!" zei ze tot zichzelf, toen ze 's avonds alleen op haar kamer was en in een alles behalve kalme stemming. "En ik _moet_ morgen blij kijken en heel vroolijk zijn, maar och, ik wou ... ik wou dat ik Frits verschrikkelijk naar vond!"
Met dezen onvriendelijken wensch in haar hart viel zij in slaap.
Ze was wonderlijk kalm, toen het uur naderde, waarop Frits thuis komen zou. Zij zag er nu niets tegenop, heelemaal niet en dat was erg gelukkig, vond ze, maar och lieve tijd, al hare kalmte verdween als sneeuw voor de zon, toen zij Frits voor zich zag. En hij was zelf nog wel zoo stil, ja zelfs een beetje verlegen, toen hij haar goedendag zeide. "Je bent zoo veranderd," zei hij, terwijl hij met iets eerbiedigs in zijne oogen keek naar de slanke, bevallige gestalte en het frissche meisjesgezicht, waarover een eigenaardig bekoorlijke beschroomdheid lag. Elsje _kon_ niet anders dan ernstig kijken op dit oogenblik. Zonder een woord te spreken, legde zij hare hand in die van Frits en keek hem aan. Toen voelde zij zich opeens zoo onrustig en gejaagd, dat ze het een verademing vond, toen hij zich van haar afwendde, omdat grootmama hem iets vroeg.
"Nu komt het, nu komt het!" dacht Elsje, toen het geheele gezelschap na de koffie bij elkaar in de veranda stond en Frits Cécile plaagde, omdat zij hem niet met een kus welkom had geheeten. "Je hebt snood de belofte gebroken, die je me jaren geleden gedaan hebt," zei hij, waarop Cécile beweerde dat zij nooit beloofd had, dat zij hem altijd "zoo overdreven hartelijk" zou begroeten, als zij hem zag. "Dat zou ook heelemaal niet _comme il faut_ zijn," fluisterde Louise haar in, waarop Frits absoluut weten wilde, wat zij gezegd had en Elsje maar al op heete kolen stond, omdat zij ieder oogenblik verwachtte dat mevrouw d'Ablong of grootmama over het engagement van Frits en Cécile zou gaan spreken. Dien dag gebeurde dit echter niet en tot Elsje's verwondering ook den volgenden niet en den daarop volgenden en toen er een week voorbij was gegaan, zonder dat iemand ook maar een enkele toespeling op het bewuste engagement had gemaakt, kwam zij tot de overtuiging dat men het toch niet eerder bekend wenschte te maken dan in het najaar.
Deze gedachte moest haar kalmer hebben gestemd, maar tot haar schrik was dit het geval niet. Het was ook zoo vreemd dat Cécile en Frits elkaar betrekkelijk zoo weinig zochten en dat de eerste telkens lange wandelingen met Louise ging maken, zonder dat men wist, waar de beide meisjes gebleven waren. Na den eten waren zij telkens spoorloos verdwenen en het was nu al een paar malen gebeurd dat Elsje haar op het tennisveld achter het huis had gezocht en daar Frits aangetroffen had. Hij had dan telkens verrast opgekeken, als hij haar zag en eenmaal waren zij heel prettig samen gewandeld naar de heide, naar de plek, waar hij Elsje eens in liggende houding had aangetroffen. Hij was toen erg vriendelijk en zeide dat hij zoo blij was geweest, haar weer te zien en te kunnen denken dat zij zich nu veel gelukkiger voelde, dan toen zij voor 't eerst die plek had bezocht en zij had toen maar even geknikt--zij _kon_ niet spreken; o, als hij eens geweten had, hoe onrustig en bang het was in haar hart!
Zij wilde en durfde zich niet afvragen, wat dit wonderlijke gevoel veroorzaakte in haar binnenste, maar het maakte haar ongelukkig en opgewonden tegelijk en toen zij dien avond weer op haar kamer naar buiten stond te kijken, wendde zij zich opeens woest af van het vredige schouwspel daar buiten en riep uit: "O, ik wil het niet, ik wil het niet! Het zou schande zijn, ik _mag_ niet!" En in een diep bedroefde stemming, overstelpt door een gevoel van schaamte en weemoed, knielde zij neer en bad vurig en smeekend:
"Heer, neem die liefde weg uit mijn hart. O, ik smeek U, neem haar weg en help mij, help mij!"
Maar haar strijd werd haar niet gemakkelijk gemaakt. "Ik wou dat hij maar minder vriendelijk was," dacht ze, telkens als Frits een gesprek met haar aanknoopte en haar op allerlei wijzen toonde dat hij haar aardig vond en van haar hield. "Waar is Roodkapje? Gaat Roodkapje niet mee?" hoorde zij hem steeds roepen, als er questie was van een wandeltocht of iets dergelijks. "Ik mag je toch immers nog wel Roodkapje noemen?" had hij gevraagd. "Ik vind het zoo aardig, zoo'n naampje voor mij apart!" En zij had toen een beetje stroef "ja" gezegd, boos op zichzelf, omdat de laatste woorden haar zoo welkom waren.
Als zij ten minste uiterlijk maar heel kalm had kunnen zijn, dan zou het nog niet zoo erg zijn geweest, maar het kostte haar groote moeite, zich bedaard voor te doen, vooral als zij telkens de spottende oogen van Cécile en Louise op zich zag gevestigd, wanneer Frits haar een beleefdheid bewees of met haar praatte. Zij vond het bepaald een verademing, toen er, na een droogte van eenige weken, plotseling een dag kwam, waarop het zoo hevig regende dat er van uitgaan geen sprake kon zijn. Zij besloot nu rustig den geheelen middag op hare kamer te gaan zitten schrijven, aan een langen brief aan Line. Gelukkig werd zij niet in haar voornemen verhinderd, maar moeite kostte haar de brief wel--het was zoo vreemd om over koetjes en kalfjes te schrijven aan hare vriendin, terwijl haar hart vol strijd en droefheid was. "Zóó is het toch maar het beste," zei ze, toen ze den brief met een zucht sloot. Toen kwam er een lachje op haar gezicht. Wat was zij toch eigenlijk dwaas! Kom, zij zou er wel overheen komen; zij moest er vooral maar niet te veel aan denken; als Frits en Cécile eenmaal getrouwd waren, kwam alles wel weer in orde. Bij die gedachte zuchtte ze echter weer, alsof dat "in orde zijn" toch maar betrekkelijk zou wezen.
"Komt Cilly en Loulou, vroolijkt ons eens wat op door een beetje muziek," zei grootmama 's avonds onder theetijd. "Ik word heelemaal somber door dien aanhoudenden stortregen vandaag. Wil je eens wat zingen, Louise, en heeft Cilly moed, je te accompagneeren?"
"O ja zeker," riepen de beide meisjes tegelijk uit. Frits deed de piano open en even later klonken de vroolijke tonen van een Fransch liedje door de kamer.
"Alleraardigst!" riep grootmama, toen het uit was. "Zingt nu nog eens een paar duetten, ik hoor jullie zoo graag samen."
De meisjes waren onvermoeid en zongen met lust en volharding door, totdat de schemering inviel en Cécile beweerde dat zij nu "heusch onmogelijk een noot meer kon lezen."
"Het spijt me toch wel, dat ik Elsje in 't geheel geen muziek heb laten leeren," zei mevrouw d'Ablong tot grootmama. "Zij scheen er echter weinig aanleg voor te hebben, maar nu mist ze het toch, dunkt me."
"Ze moet haast wel aanleg tot zingen hebben met die welluidende stem," zei Frits opeens.
Elsje werd verlegen en Louise en Cécile stootten elkaar aan.
"Elsje kan zoo fraai reciteeren," zei Cécile, "misschien wil zij dat nu wel eens voor ons doen. Wij zitten nu net zoo poëtisch in schemerdonker en daar heeft ze geen licht voor noodig."
"Ik weet niet of Elsje er lust in heeft," zei grootmama langzaam en een weinig bevreesd dat Elsje er tegenop zou zien, in dit gezelschap iets voor te dragen.
"Dat denk ik wel," zei mevrouw d'Ablong beslist, terwijl Elsje zwijgend voor zich keek, onzeker wat zij zeggen zou.
"Wil je, Roodkapje?" vroeg Frits dringend. "Het behoeft maar een kleinigheid te wezen."
"Komaan, Elsje, ik weet dat je het heel goed doet," zei mevrouw d'Ablong snel. "Je hebt het zoo uitmuntend geleerd op school en het al zoo dikwijls gedaan, wees nu niet laf."
"Nu begin ik nog meer te verlangen. Ik heb je nog nooit hooren reciteeren, Roodkapje," zei Frits weer.
"Ik wil wel, tante," zei Elsje zacht, "als ik maar wist wat."
"Kijk, je kunt door het raam de sterren zien schijnen; het wordt beter weer, inspireert je dat niet?" vroeg Louise lachend.
En de flonkerende sterren schenen Elsje werkelijk op een inval te brengen.
"Wij hebben de laatste weken op school iets geleerd, dat ik bizonder mooi vond," zei ze. "Zal ik dat nemen? Maar het is heel eenvoudig. _Kindersproke_ heet het; misschien kent u het, grootmama?"
Neen, niemand kende het. "Begin maar gauw, dan zijn wij even ver als jij," zei Cécile.
En met een heldere stem, eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid, begon Elsje te reciteeren:
KINDERSPROKE.
Nacht is niet boos... Als hij komt de nacht, Maakt hij den hemel open, En veel sterren en sterretjes komen zacht Op gouden voetjes geloopen. Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneê' Zouden ze heel graag komen; Maar ze zijn bang voor de groote zee En voor de hooge boomen.
't Is boven óók donker ... maar zij hebben licht! De zon gaf ze allemaal lichtjes, Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht Bij hun gouden sterregezichtjes. Zij kijken, en lachen, en knikken goênacht, En zeggen: "je moet gauw gaan slapen." Zij worden eerst naar bed gebracht, Als de zon heeft uitgeslapen.
Ze wand'len boven den ganschen nacht Op hun kleine bloote voetjes; Dat doet geen pijn ... de wolken zijn zacht, En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes; Ze mogen nóóit leven maken; dàt zou De moede menschen hind'ren... 'k Geloof niet dat _ik_ ze hooren zou; Maar er zijn ook _zieke_ kind'ren.
'k Zou heel graag eens naar boven gaan, Als 'k wist hoe daar te komen... Vogels hebben vleugels aan, Die vliegen boven de boomen. Bouwen ze boven ook hun nest? Of zou hun dat niet bevallen? En loopen je altijd alleen?--Je zoudt best Uit je open huis kunnen vallen.
Hebben je boven ook een tuin, En bloemen ... en kersen ... en bijen, --Die brommen zoo!--en een hooge duin Waar je op en af kunt rijen? En je moeders handen, zijn ze ook zoo zacht Als ze je 's morgens komt wasschen, En de zeep zoo schuimt, en een watervracht Over je rug komt plassen?
In _mijn_ bosch woont een nachtegaal. Hebben je kleine muschjes, Die je voeren kunt?--Ben je allemaal Broertjes ... broertjes en zusjes? Ik krijg er haast ook een: 't bedje staat klaar, Hebben jullie allemaal bedjes? Maar waar zijn ze dan, ik zie er geen .. waar? 'k Hou 't mijne nu altijd netjes.
Twee, tien, twintig ... altijd meer Komen je aangeloopen... In mijn oogen strooien je prikkeltjes neer... Ik hou ze niet meer open! Tien, zes, honderd... ik ben te moe Om je allemaal te tellen... Als ik wakker word, is de hemel toe En 'k heb nog zóóveel te vertellen...
"Hoe allerliefst!" zei grootmama, toen Elsje zweeg. "Dank je wel, kind. Het is een verkwikking, zoo iets te hooren. Van wien is dat beelderige dingetje?"
"Van Marie Boddaert," zei Elsje.
"Is dat niet een freule?" riep Louise uit. "Ook van adel!" vervolgde ze fluisterend tot Cécile.
"Vervelend kind, houd je toch stil!" knorde Cilly.
"Ik vond het ook een heel aardig vers," zei Louise, "maar ik begrijp toch niet, hoe iemand zooveel kan zien in die sterren."
"O Loulou, hoe prozaïsch!" riep mevrouw d'Ablong uit. "Neen, ik vind het bizonder mooi en Elsje reciteert het ook heel goed. Vindt u niet, grootmama?"
"Ja zeker," zeide de oude dame met nadruk.
Frits zei in 't geheel niets over het vers, maar bleef stil naar buiten zitten kijken, terwijl de anderen druk aan het praten gingen. Opeens echter stond hij op en zei:
"Zouden we nu niet nog eens even een eind gaan loopen? Het is zoo mooi buiten nu en ik heb bepaald behoefte aan wat frissche lucht."
"Ik blijf heusch liever thuis," zeiden grootmama en mevrouw d'Ablong tegelijk.
"Wij willen wel mee. Is het niet, Loulou?" zei Cécile.
"Dolgraag."
"En jij, Elsje?" vroeg Frits.
"Ja, ik vind het heel prettig."
"Een eind den straatweg op maar, dunkt me, he?" zei Frits, toen de meisjes en hij buiten stonden. "Daar zal het 't droogst zijn."
"O ja," zei Cilly. "Kom Lou, dan gaan wij maar samen vooruit; ik moet je nog even wat zeggen."
"Over dien laatsten brief?" vroeg Louise nieuwsgierig, terwijl ze Cécile snel volgde. Frits en Elsje kwamen langzaam en zwijgend achteraan.
"Wat een heerlijke avond nog!" zei Frits eindelijk.
"Ja, heerlijk."
Weer zwegen beiden, toen zei Frits aarzelend en zacht:
"Ik vond het een genot naar je te luisteren zooeven, Roodkapje. Zou je me een genoegen willen doen?"
"Wat meen je?"
"Het is hier zoo rustig en vredig en de anderen zijn een heel eind vooruit. Niemand anders dan ik kan je hooren. Wil je het vers nu nog eens voor mij alleen opzeggen?"
"O jawel," zei Elsje dadelijk. Zij voelde zich zoo wonderlijk kalm en gelukkig op dit oogenblik--het was of de plechtige avondstilte om haar heen haar hare rust teruggegeven had.
Heel langzaam voortwandelend, zeide zij het vers nog eens op. Toen ze zweeg, bleef Frits staan, keek haar ernstig aan en zei:
"Dank je wel. Ik vind het heel lief van je dat je dat voor mij hebt willen doen."
"Zeg eens even, vergeten jullie ons heelemaal?" riep Cécile, die met Louise teruggekeerd was. "Wij gaan naar huis, hoor; het is daar verder op den weg zóó nat."
"Ja, wij gaan ook naar huis," zei Elsje snel.
Cécile ging naast Frits loopen en begon druk met hem te praten, hem plagend dat hij zooveel stiller was dan andere avonden. "Dat komt zeker door al die poëzie over de sterren," zei ze spottend, toen ze de villa hadden bereikt en toen Louise en zij later met Elsje naar boven waren gegaan, hoorde deze haar op het portaal lachend tot Loulou fluisteren:
"Het is onzinnig, maar ze heeft het gedecideerd beet, hoor!"
Hoofdstuk XV.
Cécile's Engagement.
Er gingen drie, vier weken op deze wijze voorbij en alles bleef bij het oude. Niemand maakte ook maar de geringste toespeling op een engagement tusschen Frits en Cécile en Elsje's strijd werd hoe langer hoe zwaarder. Louise zou nu spoedig vertrekken en dan zouden die fluisterende gesprekken en dat laffe gegiegel ten minste ophouden, dacht zij met een zucht van verlichting. Frits was telkens uren aaneen op de buitenplaats, waarvan hij met September den post van rentmeester op zich zou gaan nemen. Er was een aardig, vroolijk huis te zijner beschikking gesteld en grootmama en hij waren druk bezig, de kamers prettig en comfortabel in te richten en allerlei noodige veranderingen te laten aanbrengen. Cécile interesseerde zich zeer voor het huis en gaf telkens raadgevingen ten beste omtrent het schikken der meubelen en het versieren der muren. Zij had veel smaak en was daarvan zelf ook volkomen overtuigd. Door het geheele gezelschap werden herhaaldelijk tochten gemaakt naar het huis, waarbij Frits er met trots de goede hoedanigheden en de mooie ligging van aanwees.
"Nu is mijne toekomstige woning bijna klaar," zei hij, toen hij op een Zaterdagavond thuiskwam. "Ik hoop dat de dames mij de eer willen aandoen er morgenmiddag nog eens met mij heen te gaan en te zien of het geheel hare hooge goedkeuring wegdraagt."
Het was den volgenden dag prachtig weer en Elsje genoot 's ochtends met haar geheele hart de mooie wandeling naar de kleine dorpskerk, waarheen de weg voerde langs kronkelende, smalle paden tusschen het bouwland door. Zij voelde zich vredig en blijmoedig gestemd; alles om haar heen was zoo mooi, zich badend in den glans van gouden zonlicht; het was haar, alsof de natuur in al hare lieflijkheid haar toeriep om te genieten met een dankbaar, gelukkig hart. Zij was zoo klein soms in haar angstigen, eenzamen strijd, dat voelde zij wel en alles was rustig in haar, vol moed en hoop, toen ze luisterde naar de ernstige preek en met hare heldere stem de gezangen meezong. Grootmama moest telkens eens naar haar kijken, terwijl ze eenvoudig en met zekeren heiligen ernst in de oogen deel nam aan de godsdienstoefening en Frits liep zwijgend naast haar op den terugweg, als beschroomd om hare stemming te verbreken.
"Erg interessant en peinzend," zei Cécile, die met Louise achter hen liep. "Het wordt heusch te dwaas, Lou. Dat kind gaat zich allerlei dingen verbeelden, omdat Frits uit goedigheid met haar loopt en vriendelijk voor haar is."
"Ja, het is allergekst," zei Louise, "nu, ze zal het langzamerhand wel afleeren."
"Dat zal wel dienen, ten minste, maar eigenlijk moesten wij haar dan wat helpen."
"Och, laten wij haar nu maar niet plagen; ik heb toch een beetje met haar te doen."
Heel noodig scheen het anders niet te zijn dien dag, dat Louise medelijden met Elsje had, want 's middags was ze heel opgewekt en babbelde vroolijk met Frits, die haar zoo dikwijls vroeg toen zij in en bij zijn huis rondliepen: "En hoe vindt je dit nu, Roodkapje?" "Is de natuur hier nu niet nog veel mooier dan bij jouw dorp, Roodkapje?" "Moet je mijn kippenhok nu niet eens gaan bewonderen, Roodkapje?" en dergelijke dingen meer, dat grootmama tusschenbeide kwam en lachend beweerde dat hij Elsje nu eens met rust moest laten. Zij kon onmogelijk op al zijn vragen tegelijk antwoorden.
"Mag ik je nu nog even één vraag doen?" vroeg Frits een poos later, toen hij met Elsje voor het bewuste kippenhok heen en weer liep. De anderen stonden al bij het hek van den tuin op haar te wachten om terug te gaan; Frits zou veel later volgen, hij moest nog in het huis zijn.
"Ik moet nu heusch weg," zei Elsje haastig en op eens niets kalm meer, zij wist zelf nauwelijks waarom.
"Je moogt terstond gaan," zei Frits, zeer snel sprekend. "Ik wou alleen weten, of je dat aardige roode kapje nog hebt en of je het dan nog eens voor mij op zoudt willen zetten."
"O, dat is thuis, in de stad," zei Elsje lachend en blozend. "Dan moet je nog een beetje geduld hebben." En zonder af te wachten, of Frits ook nog iets te zeggen had, liep ze weg, naar de anderen toe.
"Wat ben je stil, Elsje," zei Cécile met een fijn lachje toen zij naar huis terug wandelden.
"Zeker erg boeiende gedachten!" zei Louise spottend. Mogen wij die niet weten, Elsje?"
"Ik denk dat je er niet erg nieuwsgierig naar bent," antwoordde Elsje bedaard.
"Maar dat zijn we juist wel," zei Cécile. "Je bent zoo verbazend interessant den laatsten tijd en je krijgt zoo dikwijls een lief kleurtje! Maar daar zou ik toch niet te veel een gewoonte van maken als ik jou was; het staat je niet erg."
"Dat kan mij niets schelen," zei Elsje driftig.
"Dat ben ik zoo vrij niet te gelooven, meisje," zei Cécile scherp. "Het kan je wel degelijk schelen, hoe je er uitziet. Wat beduidt het anders dat je zoo vaak dien grooten hoed opzet, nadat Frits eenmaal heeft gezegd, dat die je niet onaardig staat?"
Elsje werd vuurrood en beet zich op de lippen.
"Ik geloof heusch," vervolgde de onverbiddelijke Cécile, "dat je er bizonder op let, wat Frits zegt. Louise heeft het ook opgemerkt, is het niet, Lou?"
"Ja natuurlijk," zei Louise.
Elsje zweeg, maar de kleur op hare wangen werd donkerder en hare oogen schitterden van verontwaardiging en angst. Gelukkig waren zij nu juist de villa genaderd en kon zij zich bij de twee oudere dames voegen.
"O Elsje, wat zie je er warm uit!" zei mevrouw d'Ablong. "Ga maar gauw een koelere japon aantrekken, kind. Jij verkleedt je zeker ook nog even, he Cilly?"
"Ja mama. O, zijn er brieven gekomen? Kijk eens even hoe aardig! Een voor Lou, een voor Elsje en een voor mij. Hier Elsje, zeker van je zielsvriendin!"
Elsje nam den brief aan, die werkelijk van Line bleek te zijn. Zij liep er langzaam mee naar boven, voorafgegaan door Louise en Cécile, die dolle pret samen hadden. Zij stonden nog op het portaal te lachen, toen Elsje naderde en juist wilde deze de kamer van Frits voorbijgaan, waarvan de deur op een kier stond, toen Cécile haar opeens een duw gaf, zoodat zij midden in de kamer terecht kwam.
"Mal kind, je bent verliefd!" riep Cécile. "Geniet daar maar eens heerlijk een beetje, hoor. Je hebt dan zijn kamer tenminste, al heb je hem niet."
En voordat Elsje weg kon loopen, had zij de deur gesloten en den sleutel van buiten in het slot omgedraaid. Elsje hoorde Louise nog zeggen: "Och Cilly, dat vind ik nu al te erg! Laat er haar toch weer uit! Wat zal zij beginnen, als hij straks thuis komt?" En Cécile's antwoord: "Wel neen, ze zit daar best!" Daarop verwijderden de beide meisjes zich.
Wat moest de arme Elsje nu doen? Met den brief van Line nog ongeopend in hare hand, stond ze een oogenblik strak voor zich uit te kijken, om toen naar de deur te snellen en driftig aan den knop te rukken, die natuurlijk zijn dienst weigerde. Toen liep ze naar het raam, keek naar buiten en kwam, met een trilling van schrik, tot de overtuiging dat het onmogelijk zou zijn van die hoogte naar beneden in den tuin te springen. Er zat niets anders op dan zoo rustig mogelijk te wachten, tot het Cécile zou believen den sleutel weer om te draaien en haar vrij te laten. Maar als Frits voor dien tijd thuis kwam en haar daar vond! Dat zou verschrikkelijk wezen! Zij kon dat denkbeeld in het geheel niet verdragen, liep weer naar de deur en riep luid en dringend: "Och Cécile, doe toch open, laat er mij als 't je blieft uit!" En toen ze geen antwoord kreeg: "Grootmama! Tante!"
Het bleef echter stil op het portaal. De twee oudere dames waren zeker beneden en Louise en Cécile bekommerden zich niet meer om haar. Het was verschrikkelijk, verschrikkelijk! Maar niettegenstaande haar angst en gejaagdheid, begaf ook nu hare zelfbeheersching haar niet. Zij trachtte zich tot kalmte te dwingen en bedaard af te wachten, wat er gebeuren zou. Zoodra ze iemand hoorde op het portaal of in den tuin, zou ze roepen; tot zoolang _moest_ ze geduld hebben. Om zich den tijd te korten, zou ze probeeren Line's brief te lezen.