Elsje

Part 16

Chapter 16 4,075 words Public domain Markdown

Dus Frits zou ze toch wèl zien! Dat vond Elsje nogal prettig en toen de vacantie eindelijk daar was en mevrouw d'Ablong haar het aardige slaapkamertje toonde, dat zij voor zich alleen zou hebben en haar een paar vriendelijke woorden zei, omdat zij op school zoo goed haar best had gedaan en toen Cécile zich verwaardigde ook vrij aardig jegens haar te wezen,--trok het denkbeeld in het hotel zes weken door te brengen, haar meer aan.

Er waren verscheidene gasten en men at aan table d'hôte. Het trof toevallig dat Elsje een paar plaatsen van hare tante en Cécile af een stoel kreeg naast een vriendelijken, ouden heer, die al heel gauw een praatje met haar begon. Elsje antwoordde vroolijk en ongedwongen. Zij had er nogal tegenop gezien met zooveel vreemde menschen aan tafel te zitten, maar nu de maaltijd even aan den gang was, viel het haar erg mee. Hare tante keek telkens eens tersluiks langs de tafel heen, of Elsje netjes at en netjes zat en bemerkte tot haar voldoening dat het meisje erg "aangeleerd" was in het verloopen jaar. Alles ging goed tot het dessert, toen de oude heer allerlei grappen met zijn buurmeisje begon te maken over een schoteltje pralines en flikjes, waarvan hij haar zeer overvloedig had bediend. Elsje's oogen begonnen te schitteren van pret. Zij had een kleur gekregen, eerst van een beetje agitatie, later van het drukke praten en van het plezier en zij zag er zoo aardig en aantrekkelijk uit in haar frissche jeugd, dat haar buurman hoe langer hoe meer welbehagen in haar kreeg. Toevallig was het juist een oogenblik heel stil aan tafel, toen de vroolijke, oude heer iets zeide, dat Elsje in een luiden, helderen lach deed uitbarsten, die echter plotseling verstomde, toen men haar verbaasd aanzag en hare tante met een gezicht vol strenge berisping haar kant uitkeek. Het was gedaan met Elsje's zorgelooze vroolijkheid. De oude heer fluisterde haar toe dat zij niet zoo verlegen moest zijn en dat hij nog wel eens veel luider gelachen had, maar dat troostte Elsje niet en zij was blij toen het tijd was om van tafel op te staan, ook al vreesde zij dat haar nu van haar tante een strafpredikatie wachtte, die dan ook niet uitbleef.

Den volgenden dag was haar plaats veranderd en zat ze naast mevrouw d'Ablong aan een hoek der tafel. Haar vroegere buurman knikte haar vriendelijk toe uit de verte en maakte 's avonds een praatje met haar, maar Elsje was toen zoo bedaard en antwoordde zoo _einsilbig_, dat hij nauwelijks wist, hoe hij het met haar had. Eenige dagen later was hij vertrokken--eigenlijk maar een rust, dacht Elsje met een zucht, terwijl ze zich telkens afvroeg, waarom het toch deftiger was om op gemaakt zachten toon te spreken en zijne vreugde en droefheid weinig te toonen, dan om zich precies voor te doen zooals men werkelijk was en zich voelde.

Toch had zij geen onaangename vacantie. Hare tante en Cécile waren vriendelijker dan vroeger en zij bemerkte wel dat zij meer met haar op hadden en zich veel minder over haar schaamden en ergerden dan een jaar geleden. Cécile had echter een wonderlijke manier om Elsje achteraf te houden en zichzelf op den voorgrond te brengen, als zij met andere loges in aanraking kwamen. Heel veel kon dit Elsje nu wel niet schelen, maar het was toch een eigenaardig prettige gewaarwording voor haar, toen Frits kwam en minstens evenveel notitie van haar nam als van Cécile. Hij bleef haar hardnekkig "Roodkapje" noemen en toen in het dorp het bericht de ronde deed dat de koninginnen een bezoek zouden komen brengen, raadde hij Elsje sterk aan, zich op den grooten dag als Roodkapje te verkleeden en in dit kostuum aan de jonge koningin een mandje met wafels te overhandigen. Nu, daaraan dacht Elsje niet, maar zij had wel een gevoel, alsof ze zichzelf niet was, toen zij op den feestdag na het ontbijt op de duin voor het hotel stond en in de kronkelende dorpsstraat beneden, tusschen de hooge linden, de vroolijke vlaggen zag wapperen, die helder beschenen werden door de volle, rijke zon. Koningin Wilhelmina zien! Het was iets, waarvan ze had gedroomd en waarnaar ze had gehunkerd jaren lang en toen Frits haar den vorigen avond de versieringen in het dorp had laten kijken, was het haar plotseling zoo vreemd week geworden om het hart, dat het haar benauwde en zij angstig had uitgeroepen: "Als zij nu opeens eens niet kwamen!"

Wat had Frits haar toen uitgelachen--gelukkig was Cécile er niet bij geweest! Die was veel kalmer bij het vooruitzicht; zij had de koninginnen al zoo verbazend vaak gezien!

De vorstelijke rijtuigen zouden langs het hotel voorbijkomen en de gasten behoefden dus in 't geheel geen moeite te doen. Dat vond Elsje eigenlijk een beetje jammer en o, wat moest het nog lang duren, eer zij kwamen! Het was nu half tien en zij konden niet vóór elf uur komen, had Frits gezegd. Hoe zou ze den tijd klein krijgen!

"je bent te laat, zij zijn al weer weg! Ik moest je wel de groeten doen van koningin Wilhelmina," klonk de stem van Frits achter haar. Elsje keerde zich lachend om.

"Dan hebben zij wel een _bizonder_ kort bezoek aan het dorp gebracht," zei ze. "Hoe is het mogelijk dat zij dan toch nog tijd hebben gevonden om met jou te spreken?"

"Lieve tijd, hoe brutaal! Bedenk een beetje wie je voor je hebt, jonge dame! Vergeet niet dat ik heel gauw Mr. Frits d'Ablong zal zijn en spoedig beroemd en bekend in het buitenland, zoowel als in ons eigen kleine landje."

"In het buitenland?" vroeg Elsje verbaasd.

"Ja zeker, want zoodra ik gepromoveerd ben, ga ik een poosje naar Duitschland en als ik dan terugkom, probeer ik een plaats als rentmeester te krijgen op een groot buiten in Gelderland. Dat is altijd grootmama's wensch geweest en als die nu werkelijk eenmaal vervuld wordt, ben ik natuurlijk heel wat meer waard dan nu. Ik wed dat je me dan heelemaal niet meer Frits durft te noemen."

"Misschien wel niet," zei Elsje zacht.

"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" vroeg hij lachend. "Kom, kijk mij eens recht in de oogen en zeg eens gauw dat je me nooit anders dan Frits zult noemen."

Wat had Elsje opeens? Zij begreep het zelf niet. Confuus voor Frits was zij eigenlijk nog nooit geweest, maar op dit oogenblik kwam er eensklaps een vreemde verlegenheid over haar, waartegen zij zich te vergeefs poogde te verzetten, terwijl ze hare oogen opsloeg, hem aanzag en zei:

"Ik wil heel graag altijd Frits zeggen."

"Wel natuurlijk," zei hij vroolijk. "O, daar komen tante en Cilly aan. Hierheen dames, als 't je blieft; er is hier voor allen plaats." En hij ging de anderen voor naar een groote veranda, waar de vorstelijke stoet langs zou rijden en stoelen waren neergezet.

"Niet waar, mevrouw, wij staan allen op en maken eenvoudig een buiging, als zij komen? U doet toch zeker ook niet mee aan dat luide roepen der dorpsbewoners? Die kunnen hier trouwens ook moeilijk komen bij het hotel; de weg is smal. Maar u bent het toch met mij eens, nietwaar, dat het veel deftiger en welstandiger is om eerbiedig te buigen dan zoo oorverdoovend te juichen?"

Het was een der gasten uit het hotel, die deze vragen tot mevrouw d'Ablong richtte, die met Cécile, Frits en Elsje onder de veranda had plaats genomen.

"O ja, zeker, zeker," haastte zij zich te antwoorden, terwijl het overige gezelschap eerbiedig toeluisterde. "Dat spreekt van zelf. Ik ben het volkomen met u eens."

Elsje alleen had niet naar het gesprek geluisterd. Met een kloppend hart zat zij het plechtige oogenblik af te wachten. Frits keek haar nu en dan van ter zijde aan, glimlachend over haar jonge geestdrift.

Eindelijk, eindelijk, daar naderden zij. Langzaam en statig kwamen de rijtuigen dichter bij. Elsje's hart klopte nu bijna hoorbaar en als in een droom volgde zij het voorbeeld der anderen en stond op van haar stoel. Daar was het rijtuig der koninginnen vlak voor haar. Hare blijde oogen zagen een jeugdige, blonde verschijning, die met een innemend lachje en een bevallige buiging het eerbiedig nijgen der hotelgasten beantwoordde, en uiting gevend aan het warme gevoel van liefde en bewondering, dat haar bezielde, wuifde Elsje met hare beide handen en riep met bevende lippen, luid en juichend:

"O koningin, koningin, koningin!"

Er gleed een vroolijk lachje over het gelaat van haar, wie deze uitroep gold en met stralende oogen zag Elsje het rijtuig na, toen zij de hand harer tante op haar arm voelde.

"Stil toch kind, stil toch, je hoort toch dat niemand anders wat roept!" klonk het verdrietig.

"Vreeselijk aanstellerig van je, Elsje," fluisterde Cécile, die haar sierlijkste buiging ten beste had gegeven.

"Kom tante, zij was zoo erg blij!" bracht Frits verontschuldigend in het midden. "Ik zou dolgraag meegeroepen hebben met Elsje, als ik maar gedurfd had. Koningin Wilhelmina zal je nu natuurlijk nooit vergeten, Roodkapje. Hadt je nu nog maar een mandje wafels bij je gehad en je kapje op!"

Maar mevrouw d'Ablong was niets gesticht over Elsje's uiting van geestdrift. "Zulke dingen doen deftige menschen niet, dat behoort niet zoo," zei ze 's avonds tot haar, toen ze haar nog eens onder handen nam. "Ik ben anders wel tevreden over je tegenwoordig, maar je moet heusch wat meer op Cécile letten, die weet altijd precies, hoe zij zich gedragen moet. De andere gasten keken zoo verbaasd en vreemd op, toen jij daar opeens zoo hard aan 't roepen gingt!"

Het was misschien niet goed van Elsje, maar _deze_ berisping trok zij zich heel weinig aan. Zij was zóó blij dat zij de koningin gezien had en zoo opgetogen over haar, dat er voor 't oogenblik althans, geen plaats was in haar hart voor spijt over hetgeen ze in haar groote vreugde had gedaan. Zij luisterde beleefd naar wat hare tante zeide, maar dacht er verder niet over na.

En wie beschrijft hare verrukking, toen ze op een der eerste ochtenden na de vacantie, de eetkamer op school inkwam en op haar bord een pakje vond liggen, dat een groot kabinetportret der jonge koningin bleek te bevatten. Met groote ingenomenheid bekeek zij het en zag toen dat achter op het karton geschreven stond:

"_Met hartelijke groeten van Frits d'Ablong. Ter herinnering aan_ 18 _Augustus._"

Hoofdstuk XIV.

"Kindersproke."

"O tante, zóó lang?" had Elsje gevraagd, toen mevrouw d'Ablong zeide dat zij haar tot haar achttiende jaar op kostschool wilde laten blijven en nu was ten slotte de tijd om, voordat zij het zelf haast wist. Zij zou het niet geloofd hebben als iemand het haar drie jaren geleden had voorspeld, maar toen de dag van het afscheid naderde, voelde zij zich zoo bedroefd en zag zij er zoo tegen op het gelukkige leven, dat zij op school gehad had, vaarwel te zeggen, dat zij er werkelijk een oogenblik ernstig over dacht, hare tante te smeeken, haar nog een jaar te laten blijven. Maar, zoo onhartelijk en ondankbaar wilde zij toch niet zijn. "Nu verlang ik er bepaald naar dat je voor goed thuiskomt, kind," zei mevrouw d'Ablong den laatsten keer dat zij Elsje bezocht. "Cécile gaat zoo verbazend veel uit, nu zij eenmaal gepresenteerd is en ik ben zoo bang dat ik haar gauw heelemaal zal verliezen..."

"Waarom tante?" viel Elsje haastig in. Zij wist dat de wensch van grootmama spoedig zou worden vervuld en Frits er in geslaagd was een betrekking als rentmeester te vinden. Het groote buiten, waar hij werkzaam zou wezen, lag op een klein uur afstands van de villa der oude dame en dezen zomer zou Frits voor goed uit Duitschland terug komen en zijn nieuwen werkkring aanvaarden. Elsje had hem slechts een paar malen even gezien in de laatste twee jaren; hij was dikwijls in het land geweest buiten den vacantietijd. Toen zij hem het laatst ontmoet had, in de vorige zomervacantie, buiten bij grootmama, was het haar opgevallen dat Cécile en hij zoo vertrouwelijk samen waren. Zij had toen weer sterk het onderscheid gevoeld tusschen Cilly en zichzelf, want, hoewel hare manieren nu, volgens mevrouw d'Ablong, "bijna onberispelijk" waren, overviel haar toch telkens in tegenwoordigheid van Cécile en Frits, een gevoel van linkschheid, dat haar verlegen en stil maakte. Zij had zich niets gelukkig gevoeld die dagen dat Frits buiten was en het eigenlijk een verlichting gevonden, toen hij weer vertrekken moest. Het was niet lief van haar, dat voelde ze wel, maar zij kon het niet heel goed verdragen dat hij en Cécile het zoo bizonder goed samen konden vinden, en toch, wat ging het haar eigenlijk aan, zij schaamde zich er over dat het haar zoo hinderde. Wat verbeeldde zij zich wel? Frits was immers ook altijd even vriendelijk en beleefd jegens haar; _meer_ verlangde zij toch niet? Zij werd telkens boos op zichzelf, als zij zoo redeneerde, maar.... heel veel hielpen die toorn en dat redeneeren haar niet. Zij had zich echter vast voorgenomen, het heusch heel prettig te vinden, als zij hoorde dat Frits en Cécile samen zouden trouwen; nu hare tante echter, naar zij dacht, met dit bericht voor den dag zou komen, verlangde zij er heelemaal niet naar, het te hooren. Zij kreeg een kleur, toen zij op de geheimzinnige woorden van mevrouw d'Ablong inviel met haar:

"Waarom tante?"

"Wel meisje, wat komt dat er levendig uit!" lachte hare tante. "Zoo, zoo, begin je je ook al zoo verbazend voor dergelijke dingen te interesseeren? Nu, ik heb wel hoop dat mijn aardig nichtje _ook_ nog wel eens iemand zal vinden, die heel veel van haar houdt. Je ziet er veel beter uit, Elsje. Je moet maar veel rose dragen, die blouse flatteert je bepaald. Neen, kijk mij eens even goed aan! Ik geloof heusch dat ik je bij je kin moet vasthouden; je draait telkens je hoofd om. Ziezoo, nu moet je me wel aankijken, ondeugend kind. Ik denk wezenlijk meisje, dat je met die blauwe oogen nog eens iemand betooveren zult. Wordt je nu al verlegen om zoo'n gewoon complimentje? Wat ben je toch een grappig, kinderlijk schepseltje! En wou je nu zoo dolgraag eens weten, waarop ik zoo pas doelde? Krijg je nu al weer een kleur en wat kijk je vreeselijk ernstig! Nu Elsje, ik denk.... ik denk haast wel dat Cécile gauw geëngageerd zal zijn."

"O," zei Elsje met een zucht, terwijl ze haar gezicht wegtrok en haar best deed blij te kijken.

"Ik denk," vervolgde mevrouw d'Ablong met een trotsch lachje, "dat zij een allersnoeperigst bruidje zal wezen; maar zoover zijn wij nog niet, gelukkig. Ik mag je nog niet vertellen met wien Cilly trouwen gaat, dat heb ik haar stellig beloofd en je moet er haar ook nog maar niet over schrijven, dat heeft ze liever niet. Er zijn redenen waarom het engagement voorloopig nog geheim moet blijven, maar je begrijpt zeker wel dat ik nu nog meer verlang om je voor goed thuis te krijgen, he?"

"O ja, tante."

"Vooreerst zal Cécile nog wel niet trouwen, maar haar aanstaande man zal haar natuurlijk heel dikwijls van mij weghalen, dat spreekt van zelf. Ik denk dat zij een erg knap paar zullen zijn. Maar nu mag ik er je niets meer van vertellen. Cilly heeft me dat zoo op het hart gedrukt. Nu kindje, daar luidt de bel voor je lunch, ga maar gauw heen--tot Juli hoor! Wij zien elkaar dan terug bij grootmama; ik zal er voor zorgen dat er nog een paar nette, nieuwe toiletjes voor je worden gemaakt. En o ja, denk er aan dat je er niets van laat blijken, als je bij grootmama komt, dat je van Cécile's engagement afweet. Het moet bepaald nog strikt geheim blijven tot het najaar; pas dus goed op, hoor."

"Ja zeker tante."

Dit was een van de redenen, waarom Elsje er zoo tegen opzag van haar gelukkigen kostschooltijd afscheid te nemen. "Frits en Cécile geëngageerd," dacht ze, "wat zullen zij mij dan uitstekend goed kunnen missen! Ik vind het heerlijk, heerlijk, grootmama weer te zien, maar alles zal nu wel heel anders wezen dan vroeger. Grootmama zal natuurlijk, evenals tante, erg opgaan in die twee. Maar ik moet mijn best doen. Tante is zoo lief voor mij tegenwoordig en... en... misschien valt het wel mee. Ik vind het vreemd dat Frits eerst in Augustus thuiskomt, hij zal toch wel heel erg naar Cécile verlangen. Vóór dien tijd zal het dan toch wel heel prettig zijn bij grootmama; ik wou dat ik dan later nog wat bij Line mocht gaan logeeren."

Line was de dochter van den bloemist. Elsje en zij waren nu elkaars "grootste" vriendinnen en vonden het een verschrikkelijk denkbeeld dat de tijd spoedig aanstaande was, waarop zij elkaar niet meer dagelijks zouden zien. Zij namen zich echter stellig voor, elkaar trouw te schrijven en Line rekende er vast op, dat Elsje eens gauw bij haar zou komen logeeren.

"Dag Elsje, dag lieve, lieve Elsje!" zei ze, toen het uur van afscheid nemen werkelijk was gekomen en de twee vriendinnen elkaar voor het laatst omhelsden. "Je schrijft me nu heusch dadelijk, he? Ik beloof je dat ik je brief heel gauw zal beantwoorden. Ik hoop dat je het heerlijk hebben zult buiten, bij die lieve oude dame. Ik vind het verrukkelijk om naar huis te gaan, maar o, wat wou ik dolgraag dat je nu al met me mee gingt!"

"Kom Line, nu moet Elsje heusch weg, haar koffer is al naar het station," kwam de directrice tusschenbeide. "Heb je al de andere meisjes ook al goedendag gezegd, Elsje? Het spijt iedereen dat je voor goed weggaat. Je bent mij een heel lieve leerling geweest, kind; God zegene je!"

Elsje was verbaasd te zien, hoe de anders zoo statige dame de tranen in de oogen had. Nu kon zijzelf zich ook niet langer goed houden. Tot op dit oogenblik had zij dapper tegen hare ontroering gestreden, maar thans begaf haar opeens alle zelfbeheersching en hare handen voor het gezicht slaande, riep ze snikkend uit:

"Och juffrouw, ik wou hier zoo vreeselijk graag nog wat blijven; ik heb het hier zoo heerlijk gehad..."

"Kom lieve meid, je zult het immers bij je tante ook weer heel prettig hebben! Doe maar goed je best om een lieve tweede dochter voor haar te zijn. Dag kind, dag kind! Laat mij maar eens gauw wat van je hooren."

En het rijtuig reed met Elsje en de Fransche secondante, die haar naar het station bracht, weg, terwijl zij nog maar al met hare hand uit het raampje wuifde, tot het laatste stipje van het kostschoolgebouw uit het gezicht was verdwenen.

O, wat was het heerlijk, toen zij aan het eind harer reis aankwam, terstond toen zij uit den coupé stapte, het lieve gezicht van grootmama voor zich te zien! "Welkom thuis, kind, welkom thuis!" zei de oude dame, Elsje naar zich toetrekkend en een kus gevend. "Wat heb ik naar je verlangd!"

"En ik naar u, grootmama," zei Elsje warm.

"Ja? Kom, dat is goed. Jacob staat met het rijtuig op ons te wachten. Kijk, de paardjes trappelen al van ongeduld om je thuis te brengen. Je ziet Cilly zeker ook al, he? Zij is maar heel gemakkelijk in het rijtuig blijven zitten; tante wacht je thuis op. Jammer dat Frits er nu nog niet is, die verlangt ook naar je. Kijk je zoo nieuwsgierig, omdat je niet weet wie die andere jonge dame is, die naast Cilly zit? Maar je kent haar toch heel goed! Zij logeert ook een poosje bij mij. Kom, ga maar gauw mee."

"O ja, nu zie ik het; het is Loulou van Rensen," zei Elsje, nu juist niet op verheugden toon.

"Dag Elsje, welkom hier," zei Loulou vriendelijk, zoodra ze haar zag. "Vindt je het niet verbazend prettig om voor goed van kostschool af te zijn? Wat zie je er goed uit, zeker ook van blijdschap, he?"

"Dat weet ik niet," zei Elsje lachend. "Dag Cécile."

"Dag Elsje, welkom hier," was al wat Cécile zeide, maar Elsje lette er niet op en was dadelijk druk in gesprek met grootmama, die alles weten moest van de directrice en van het afscheid en vooral van Elsje's grootste vriendin.

Mevrouw d'Ablong begroette Elsje vrij hartelijk en nam haar dadelijk mee naar hare kamer om haar de nieuwe japonnetjes te laten zien, die zij voor haar in orde had laten maken. "Dat opgestoken haar staat je bizonder goed," zei ze, "maar je moet er bepaald een schildpadden naald in steken. O, daar komt grootmama ook al weer aan. Die heeft wat naar je verlangd, kind; Cilly zou haast jaloersch geworden zijn."

"Ik kom Elsje een brief brengen, zeker van Miss Piper," zei de oude dame, die de kamer binnenkwam, gevolgd door Cécile en Louise.

"Cilly heeft _geen_ reden om jaloersch te wezen. Is het wel, _madame la baronne_?" fluisterde Loulou lachend.

"Sst! Stil toch!" fluisterde Cécile terug. "En wees toch niet zoo flauw met je _madame la baronne_! Dat ben ik heelemaal niet...."

"Maar je zult er toch op lijken, als je later op het kasteel woont."

"Och wat, kasteel! Het is heelemaal geen kasteel, het is een heel gewoon huis!"

"Maar...."

"Toe, stil nu," zei Cécile op gebiedenden toon. "Is het een brief van Miss Piper, Elsje? En vindt ze het niet naar, dat ze nu al een jaar van ons weg is?"

"Zij schrijft heel hartelijk, lees maar eens," zei Elsje. "Ik vind het erg aardig dat zij er aan gedacht heeft dat ik vandaag voor goed thuis kwam."

"Nu moet je mij eens even al je aandacht schenken, kind," zei grootmama, een klein doosje te voorschijn halend. "Ik had het je al willen geven op je achttienden verjaardag, maar tante vond het aardiger, als je het nu kreegt. Kijk eens!"

En het doosje openend, liet zij Elsje een allerliefst geëmailleerd gouden horloge zien.

"Neem het er maar uit," zei ze met een vriendelijk knikje, toen Elsje er met een verbluft gezicht naar stond te kijken.

Voorzichtig en een beetje verlegen gehoorzaamde ze.

"Lees eens, wat op den rand staat," zei de oude dame weer. "Ik hoop dat het je bevalt."

"O grootmama," was al wat Elsje zeide, toen ze de kleine letters op den rand van het horloge ontcijferde. "Aan mijn lieve kleindochter," stond er en toen ze die woorden las, was het Elsje een oogenblik, alsof ze werkelijk hare eigene lieve grootmoeder terug had gekregen. Er kwam een warm, weldadig gevoel in haar hart bij het besef, hoe de oude dame ook haar geheel als hare eigene kleindochter wenschte te beschouwen en het horloge in het étui op de tafel leggend, liep ze naar grootmama toe, sloeg op hare oude, kinderlijke wijze de armen om haar hals en zei:

"O dank u, dank u hartelijk."

"Wat een roerend schouwspel!" zei Cécile zachtjes tot Louise, die met haar bij het raam stond.

"Och, ik vind het eigenlijk heel aardig dat ze zoo blij is," fluisterde Louise terug. "En wat is ze er lief gaan uitzien, Cilly. Ze heeft zoo'n mooie kleur van haar gekregen en ik heb vroeger nooit opgemerkt dat ze zulke aardige oogen had."

"Lieve tijd, Lou, ze kan best hooren wat je zegt. Houd je toch stil!"

Maar Elsje had het niet gehoord. Zij was veel te veel vervuld van het bezit van haar horloge en druk in gesprek met grootmama en mevrouw d'Ablong. "Hoe maakt Liesje het toch?" vroeg ze, toen Louise later een praatje met haar maakte, "vindt ze het nog zoo prettig op school en is ze alweer gegroeid?"

"O ja, ze is bepaald al weer grooter dan toen jij haar het laatst zaagt en ze vindt het erg deftig dat ze nu heusch acht jaar is."

"Ik verlang haar weer eens te zien," zei Elsje.

"Ik geloof dat ze ook erg naar jou verlangt, maar ze zal je nu wel niet meer bij den naam durven noemen."

"Dat zal ze wel, hoop ik," zei Elsje lachend. "En anders zal ik het haar wel leeren."

Het viel haar dien eersten dag zeer mee, dat Louise zooveel vriendelijker jegens haar was dan ze verwacht had, maar den volgenden dag scheen deze het weer noodig te vinden, Elsje wat meer op een afstand te houden. Zij was zooveel jonger en Cécile had eigenlijk wel gelijk, het was vervelend dat dat jonge kind nu telkens mee moest, als zij wandelen gingen. Zij konden nu lang zoo vrij en genoegelijk niet meer praten als zij tot hiertoe hadden gedaan.