Chapter 8
"En ik weet ook zeker," zei Bob, "ik weet ook zeker, dat als we er aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en terwijl we het doen kleine Tim vergeten."
"Nee, nooit, vader!" riepen allen weder uit.
"Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig," zei kleine Bob.
Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.
Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!
"Spook!" zei Scrooge, "iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de man was, dien ik dood zag liggen?"
De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te voren--hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen--naar plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken, doch toonde hem niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan, doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te blijven staan.
"Deze plaats," zeide Scrooge, "waarover wij nu zoo snel loopen, is mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat mij zien wat ik in komende dagen zijn zal."
De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.
"Het huis is ginds," riep Scrooge uit. "Waarom wijst gij een anderen kant uit?"
De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.
Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was hij ook niet.
Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.
Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken vóór hij binnentrad.
Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een waardige plaats.
De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.
Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige gestalte te zullen zien.
"Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader," zeide Scrooge, "verzoek ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen van dingen die kùnnen worden?"
Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.
"De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet," zei Scrooge. "Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!"
De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.
Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen naam, "Ebenezer Scrooge."
"Ben ik dan die man, die op dat bed lag?" riep hij op de knieën vallend uit.
De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.
"Neen, Geest, o, neen, dàt niet!"
Doch de vinger bleef wijzen.
"Geest," riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen geleider, "hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles mij niet getoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn geval hopeloos was?"
Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.
"Goede Geest," vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den grond wierp. "Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven."
De vriendelijke hand beefde.
"Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het 't geheele jaar door trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O, zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan uitwisschen."
In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.
Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar, en werd... een beddepost.
VIJFDE ZANG.
HET EINDE.
Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien tijd tekort geschoten was!
"Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!" herhaalde Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. "En de Geesten, al deze drie, zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!" Hij was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens, dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.
"Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!" riep Scrooge uit, een zijner bedgordijnen in zijn arm nemend, "ze zijn dus toch nog niet neergehaald met ringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!"
Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend, ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.
"Ik weet niet wat ik beginnen moet!" zei Scrooge tegelijkertijd lachend en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij volkomen op Laokoön geleek. "Ik voel me zoo licht als een veêr en ben zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep, hallo!"
Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten adem.
"Daar staat de sauskom, waar de pap in was!" riep Scrooge, opnieuw beginnend en om den haard dansend. "Daar is de deur waardoor de Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en 't is allemaal zoo gebeurd. Ha, ha, ha!"
Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had, was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!
"Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!" zeide Scrooge. "Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!"
Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim, bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.
Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende koude; 'n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke klokken. O, heerlijk, heerlijk!
"Wat voor 'n dag is 't vandaag?" riep Scrooge een jongen, die op zijn Zondags gekleed was, toe.
"Hè?" antwoordde de jongen, "wel Kerstdag natuurlijk!"
"Kerstdag zegt ie!" zeide Scrooge bij zichzelven. "Dan heb ik 't tòch niet gemist. De Geesten hebben 't alles in één nacht gedaan. Zij kunnen alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen."
"Hallo!" antwoordde de jongen.
"Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den hoek?" vroeg Scrooge.
"Dat zou 'k gelooven," antwoordde de jongen.
"Knappe jongen!" zei Scrooge. "'n Merkwaardig gladde jongen! Weet je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine, maar de groote die bekroond is?"
"Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?" antwoordde de jongen.
"Wat een engel van een jongen!" zei Scrooge. "'t Is een genot op zichzelf met dièn jongen te praten.--Jawel, kerel, die bedoel ik."
"Nee, die hangt d'r nog," antwoordde de jongen.
"Is 't waar?" zei Scrooge. "Ga hem dan dadelijk halen."
"Mot je mèìn hebbe?" antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem voor den gek hield.
"Nee, nee," zei Scrooge. "Ik meen 't. Ga 'em dadelijk voor me koopen, en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent, krijg je een daalder."
De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. 't Moest al een flinke schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had kunnen krijgen.
"Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!" fluisterde Scrooge, zich in de handen wrijvend en innerlijk lachend. "Hij zal niet weten wie hem stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!"
De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.
"Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!" riep Scrooge uit, den klopper met zijn hand aaiend. "Vóór vandaag keek ik er nauwelijks naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een wonderbare klopper!--Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe gaat het? 'n Goeie Kerstmis, hoor!"
Wat een kalkoen was dat! 't Was niet mogelijk dat die vogel ooit fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.
"Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen," zeide Scrooge. "Daarvoor moet je een bakje hebben."
De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en lachte tot hij begon te huilen.
Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden, dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z'n Zondagsch en eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden "Goeie morgen, meneer, een prettige Kerstmis!" tegen hem zeiden. En Scrooge placht nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn ooren klonken.
Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: "Het kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?" Het gaf hem een steek in 't hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als zij elkaar ontmoetten, doch hij wist nu welken weg voor hem lag en dien volgde hij.
"M'n waarde heer," zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den ouden heer bij beide handen vattend. "Hoe gaat het? Ik hoop dat u gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een blijde Kerstmis, mijnheer!"
"Meneer Scrooge?"
"Juist," zeide Scrooge. "Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus vraag. En als u zoo goed wilt zijn"--hier fluisterde Scrooge iets aan zijn oor.
"God beware me!" riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. "M'n waarde heer Scrooge, meent u dat?"
"Zeker," zeide Scrooge. "Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u mij het genoegen doen?"
"M'n waarde heer," zeide de ander, hem de hand schuddend, "ik kan u niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......"
"Kom, het is de moeite niet waard," hernam Scrooge. "Kom mij eens opzoeken. Wilt u?"
"Zeker, dat zal ik beslist doen," riep de oude heer uit. En het was duidelijk dat hij dit meende te doen ook.
"Heel graag," zei Scrooge. "Zeer verplicht. Duizendmaal dank."
Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte. Nooit had hij gedacht, dat een wandeling--of iets anders,--hem zoo gelukkig kon maken.
Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn' neef.
Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.
"Is meneer thuis, kind?" zeide Scrooge tot het dienstmeisje, 'n knap meisje.
"Jawel meneer."
"Waar is hij, kind?" zeide Scrooge.
"Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan naar boven."
"Goed hoor, hij kent me wel," zei Scrooge, met zijn hand reeds op het slot der eetkamer. "Ik zal hier maar binnengaan, meisje."
Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke punten, en zien graag dat alles in orde is.
"Fred!" zeide Scrooge.
Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben doen ontstellen.
"Wel, heere m'n tijd!" riep Fred. "Wie hebben we hier?"
"Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is 't goed, Fred?"
Of 't goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets kon hartelijker zijn.
Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.
Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.
En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open, om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.
Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:
"Hallo!" gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij kon. "Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft aankomen?"
"'t Spijt me erg, mijnheer," zei Bob. "Ik bèn werkelijk over mijn tijd."
"Zoo?" herhaalde Scrooge. "Ja, dat zou 'k ook gelooven. Kom es even hierheen, alsjeblieft."
"Het is maar eens in 't jaar, meneer," pleitte Bob, uit het hokje komend. "Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te veel pret gemaakt, meneer."
"Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje," zei Scrooge. "Ik wil iets dergelijks niet langer dulden. En daarom," ging hij voort, van zijn kruk springend en Bob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij in het hokje terugwankelde, "en daarom ben ik van plan je salaris te verhoogen."
Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en een dwangbuis te roepen.
"Vroolijke Kerstmis, Bob!" zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. "Een vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit."
Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan; want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.
Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten, en men zei altijd van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: "God zegene ons allen!"
EINDE
AANTEEKENINGEN
[1] De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te vinden, neerkomt.
[2] Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.
[3] Kleinburgerlijke voorstad van Londen.
[4] Een oude danswijs. Over "Sir Roger de Coverley" vindt men een en ander in Prof. Knappert's aanteekeningen bij Sara Burgerhart--1e deel, pag. 287.--
[5] Meerstemmig koraal.
[6] Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.: Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem (haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden, geeft een pand.
[7] Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan het hof nog het geval.
End of Project Gutenberg's Een Kerstlied in Proza, by Charles Dickens