Chapter 7
"En wat heeft 'em gemankeerd?" vroeg een derde, een kolossale hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. "Ik moet je zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan."
"God weet 't," zeide de eerste geeuwend.
"En wat heeft ie met zijn geld gedaan?" vroeg een heer met een erg rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.
"Dat heb ik niet gehoord," zei de man met de groote onderkin, weder geeuwend. "Wellicht aan zijn Gilde vermaakt. 't Eenige wat ik weet, is, dat hij 't niet aan mij heeft nagelaten."
Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.
"'t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn," zei dezelfde spreker; "want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden om mee te gaan?"
"O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen," merkte de heer met den uitwas aan zijn neus op. "Maar ik moet goed te eten hebben, als ik meedoe."
Weder gelach.
"Nou, ik ben bij slot van rekening de minst geïnteresseerde van jelui," zeide de eerste spreker, "want ik draag nooit zwarte handschoenen [7] en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog meer voor te vinden zijn. Als ik 't wel beschouw, ben ik heelemaal zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een praatje te maken. Saluut heeren!"
Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om een uitlegging.
Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend dat de uitleg hier zou liggen.
Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het waren mannen van zaken; heel rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.
"Hoe gaat 't je?" zeide de een.
"Hoe gaat 't jou?" antwoordde de ander.
"Dus," zeide de eerste, "de oude Schraap heeft dan toch eindelijk gekregen wat hem toekomt, he?"
"Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?"
"Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!"
Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele gesprek.
Scrooge's eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben, begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond, en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden, nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag, zorgvuldig te vergâren; en in 't bijzonder zijn eigen schim, zoo hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim, doch een ander man stond nu op de plaats waar hij vroeger placht te staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.
Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.
Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend, onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken en leelijk.
Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.
Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen, beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen, weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen, waarin slechts weinigen den moed zouden hebben door te dringen, werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen, hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte met al de weelde van een rustig rentenierschap.
Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag, dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten zij alle drie in lachen uit.
"Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer één is!" riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. "Laat de waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje, ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder 't te wille!"
"Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen," zeide Oude Jan, zijn pijp uit den mond nemend. "Kom maar in de voorkamer. 't Is al 'n heele tijd geleje dat je daar voor 't éérst binnenkwam, en de twee andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D'r is geen roestiger stuk ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik weet zeker dat d'r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha, ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen."
De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe, en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed, wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. "Wat zou 't! Wat zou 't, juffrouw Dilber?" zei het mensch. "Iedereen heeft het recht voor z'n eige te zorge... Dat dee hìj ook!"
"Dat zeg uwes wel!" zei de waschvrouw. "Geen loer draaie, zou 'k denke?"
"Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou 'k denken?"
"Nee, dat geloof 'k ook niet!" zei juffrouw Dilber en de man tegelijk. "Dat denke we ook niet!"
"Nou, goed dan!" riep de vrouw. "Wie mist een paar dinge als die wij hier brenge? Zoo'n dooje man zéker niet."
"Nee, daar kun je van op an!" lachte juffrouw Dilber.
"Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z'n lijf? Als ie dat gehad had, dan zou d'r wel iemand geweest zijn om voor 'em te zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te ligge sterve heelemaal alleen."
"Dat is 't waarste woord dat je ooit gesproke hebt," zeide juffrouw Dilber. "Nou heeft ie net wat ie verdiend heit."
"Ik wou dat 't wat zwaarder was," antwoordde de vrouw, "en dat zou 't, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d'r voor geeft. Zeg 't maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te zijn, en ook niet dat zij 't zien. Voor we mekaar hier ontmoetten, wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!"
Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder, een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.
"Dat is jouw rekening," zei Jan, "en al werd ik levend gekookt, geen schelling doe 'k er bovenop. Wie volgt?"
Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op den muur geschreven.
"Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is 'n zwak van me en ik weet dat 'k me zelf d'r mee ruweneer," zei ouwe Jan. "Dat is jouw bedrag. Als je me d'r een stuiver meer voor vroeg, zou 't me spijte zoo vrijgevig geweest te zijn en zou 'k er een daalder afdoen."
"En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan," zei de eerste vrouw.
Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere stof uit.
"Hoe noem je dit?" zei Jan. "Bed-gordijnen!"
"Ha, ha!" antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen vooroverbuigend, "bed-gordijnen!"
"Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb genome, terwijl hij d'r nog leit?" zei Jan.
"Jawel zeker," antwoordde de vrouw. "Waarom zou 'k niet?"
"Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken," zeide Jan, "en dat zul je zonder mankeere."
"Ik zal vást m'n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan winne met ze uit te steke, naar 't goed van 'n man als hij, dat kan 'k je wel vertelle, ouwe Jan," antwoordde de vrouw bedaard. "Toe nou, laat die olie niet op de dekens valle."
"Zijn dekens?" vroeg Jan.
"Van wie anders, denk je?" vroeg het wijf. "Hìj zal geen kou vatten, al heeft ie ze nou niet meer."
"Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke ziekte, he?" zeide de oude Jan, even opkijkend.
"Daar hoef je niet bang voor te zijn," antwoordde het wijf. "Ik ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d'r pijn van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale steê. 't Is het beste hemd dat ie had en 't is fijn, hoor. Ze zouen 't eenvoudig weggegooid hebbe als ik d'r niet tussche gekomme was."
"Wat bedoel je met "weggooien?"" vroeg de oude Jan.
"Nou, dat ze 't hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde, natuurlijk," antwoordde de vrouw lachend. "D'r was 't er een gek genoeg om 't te doen, maar ik heb 't hem weer uitgetrokke. Als katoen niet goed genoeg is voor zoo iets, dan is 't nergens goed genoeg voor. 't Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan ie toch al deed."
Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin, die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.
"Ha, ha!" lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen op den grond aftelde. "Zie je, zoo loopt 't nou met hem af. Bij z'n leven schrikte hij iedereen af, om ons d'r van te late profiteeren nou dat ie dood is! ha ha!"
"Geest!" zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. "Ik begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou het mijne kunnen worden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant uit. Genadige Hemel, wat is dit!"
Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd, en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen, waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was, zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.
Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend, lag het lichaam van een man.
Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen, en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.
"O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslag die van een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien."
Geen stem zei deze woorden aan Scrooge's oor, en toch hoorde hij ze toen hij naar het bed keek.
Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid, geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde gebracht!
Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind bij zich, om van hem te getuigen: "hij was vriendelijk en goed jegens mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal ìk nù goed voor hem zijn." Er krabde een kat aan de deur en Scrooge hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en waarom zij zoo rusteloos waren.
"Geest!" zeide hij, "dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal achterlaten."
Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.
"Ik begrijp u," antwoordde Scrooge, "en zoo ik kon, zou ik het doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet."
Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.
"Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van dezen man, smeek ik u mij hem te toonen," zeide Scrooge zeer ontroerd.
Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten.
Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde, en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht (wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te weten hoe hij haar antwoorden zou.
"Is het goed of slecht nieuws?" vroeg zij, om hem op gang te helpen.
"Slecht!" antwoordde hij.
"Zijn we dan heelemaal geruïneerd?"
"Neen, er is nog hoop, Caroline."
"Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt, dan is er nièts hopeloos."
"Hij kàn niet meer vermurwd worden," zeide haar echtgenoot. "Hij is dood."
Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht, geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was dat wat haar hart haar ingaf.
"Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel ziek, maar al stervende."
"Aan wien zal je schuld overgaan?"
"Dat weet ik niet. Maar vóór 't zoover is, zullen we 't geld al hebben; en zelfs al hadden we 't niet, dan zou 't toch al heel erg zijn als wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan slapen, Caroline."
Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.
"Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval," zeide Scrooge; "of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen."
De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had, en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.
Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook zij hielden zich wel heel stil!
"En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen."
Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben, toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?
De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.
"Die kleur doet mijn oogen pijn," zei zij.
De kleur? Och, arme kleine Tim!
"Nu is 't al weer over," zei Cratchits vrouw. "Bij kaarslicht zijn ze een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld zwakke oogen willen laten zien. 't Zal zoowat tijd zijn dat hij komt."
"'t Is er al over," antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. "Maar ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de laatste paar avonden, moeder!"
Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke stem, die slechts éénmaal haperde:
"Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog wel hard ook."
"Ik ook," riep Peter. "Zoo vaak!"
"En ik," riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.
"Maar hij was ook erg licht om te dragen," ging zij voort, ijverig doorwerkend, "en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte heelemaal niet voelde--heelemaal niet. En daar is je vader net aan de deur!"
Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante om--en hij had hem wèl noodig, arme drommel--kwam binnen. Zijn thee stond klaar voor hem op de plaat en allen vochten om 't hardst wie hem 't eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof zij zeggen wilden: "Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees maar niet bedroefd."
Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij bekeek het werk op tafel en prees den ijver en 't vlugge werken van juffrouw Cratchit en de meisjes.
"De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn," meende hij.
"Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?" vroeg zijne vrouw.
"Ja, beste," antwoordde Bob. "Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!" zeide Bob. "Mijn kleine jongen!"
Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.
Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht was en met hulst behangen.
Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten, en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging weder gelukkig naar beneden.
Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten, terwijl de meisjes en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone vriendelijkheid van meneer Scrooge's neef, dien hij slechts eenmaal gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat tegenkomend en ziend dat hij er een beetje--"een heel klein beetje neerslachtig uitzag," zei Bob,--hem gevraagd had wat er gebeurd was dat hem zoo hinderde. "Waarop," zei Bob, "want hij is de minzaamste meneer die je ooit gezien hebt,--ik 't hem vertelde. "Dat spijt me van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit," zeide hij, "en ook voor uw goede vrouw." Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet ik nog niet."
"Wàt wist, lieve?"
"Wel, dat jij een goede vrouw was," antwoordde Bob.
"Maar dat weet iedereen!" zeide Pieter.
"Heel goed gezegd, m'n jongen!" riep Bob. "Ik hoop dat ze 't allemaal weten. "'t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw," zeide hij. "Als ik u met iets van dienst kan zijn," zeide hij, mij zijn kaartje overhandigend, "dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even aan te komen." Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen, dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen Tim gekend had en hij met ons meevoelde."
"Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!" zei juffrouw Cratchit.
"Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. 't Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter een betere betrekking bezorgde."
"Hoor nu eens aan, Pieter," zei juffrouw Cratchit.
"En dan," riep een van de meisjes, "gaat Pieter verkeering houden met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen."
"Och loop heen!" antwoordde Pieter grijnzend.
"O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren," zei Bob, "hoewel dáár nog tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine Tim zullen vergeten--wel?--of deze eerste scheiding die er onder ons plaats vond?"
"Nooit, vader," riepen allen.