Een Kerstlied in Proza

Chapter 6

Chapter 64,105 wordsPublic domain

En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa's ongehouwen steen in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde--of liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had gehouden--en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten, die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.

"Wat is dit voor een plaats?" vroeg Scrooge.

"Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde werken," antwoordde de Geest. "Doch zij kennen mij. Kijk maar!"

Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw, met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na, allen in feestdos.

Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied, van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne plotselinge energie weder.

De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijn kleed vast te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar zéé. Tot Scrooge's ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen aanwendde om de aarde te ondermijnen.

Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame vuurtoren. Groote massa's zeewier hadden zich aan zijn voet vastgehecht, en stormvogels--door den wind gebaard, kon men denken, zooals het zeewier door het water--rezen en daalden er rondom, als de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.

Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht, zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.

En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee, voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naast de officieren die de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen, goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen, en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.

Het was tot Scrooge's groote verbazing dat hij, terwijl hij nog luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het was tot Scrooge's groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog, prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.

"Ha, ha!" lachte Scrooge's neef. "Ha, ha, ha!"

Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een vroolijker lach dan Scrooge's neef, dan is het eenige wat ik zeggen kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor, en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.

Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo aanstekelijk is als lachen en goedgehumeurdheid. Als Scrooge's neef aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge's aangetrouwde nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets bij hen achter en brulden lustig mede.

"Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!"

"Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef, dat zei hij!" riep Scrooge's neef. "En hij geloofde 't zelf!"

"Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!" zeide Scrooge's nicht verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt scheen gekust te worden--wat het zonder twijfel dan ook werd; en het zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo'n klein schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk, en sympathiek!"

"Een grappige oude man," zeide Scrooge's neef, "dat is een feit; en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van hem spreken, hoor!"

"Hij zit er erg warmpjes in, Fred," zeide Scrooge's nicht. "Tenminste dat zeg jij altijd."

"Nu, en wat zou dat, lieve!" zeide Scrooge's neef. "Hij kan toch geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed mede. En ook zichzelf maakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha, ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens goed mee zal doen."

"Ik kan hem niet uitstaan," merkte Scrooge's nicht op.

De zusters van Scrooge's nicht en al de andere dames waren van dezelfde meening.

"Och, ik wel!" zeide Scrooge's neef. "Ik heb medelijden met hem; ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet, is toch niet veel zaaks."

"Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet," viel Scrooge's nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp om den haard zaten.

"Nou, 't doet me pleizier dat te hooren," zeide Scrooge's neef, "omdat ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat zeg jij er van, Topper?"

Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van Scrooge's nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge's nicht, de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.

"Ga nu door Fred," zeide Scrooge's nicht in hare handen klappend, "Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo'n rare jongen!"

Scrooge's neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.

"Ik wou maar zeggen," zei Scrooge's neef, "dat het gevolg van zijn hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: "Oom Scrooge, hoe gaat het?" Al bracht 't hem alleen maar in de stemming van zijn armen klerk vijftig pond na te laten, dan zou 't toch wàt gegeven hebben, en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb."

Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de flesch door.

Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale familie en ze wisten wel wat ze deden, toen ze een lied met een canon [5] zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper, die met z'n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van werd. Scrooge's nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind, dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had, hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd, en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.

Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was, dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is, dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge's neef, en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat, zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen, ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben alsof hij trachtte u te grijpen--wat een beleediging zou zijn geweest van uw inzicht--en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht, toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk achter de overgordijnen zaten. Scrooge's nicht deed niet mee aan 't blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet, met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de Geest en Scrooge vlak achter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was, met al de letters van het alphabet. [6] En zeer bedreven, en versloeg hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge's neef; en toch waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.

Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien, en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.

"Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen," zeide Scrooge. "Nog één klein half uurtje, Geest, nog maar één!"

Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge's neef aan iets denken moest, en de overigen moesten zien te vinden waaraan hij dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde, naar het geval vereischte.

Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel, of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken, of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd, barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken staat als hij geraakt was, uit:

"Ik heb 't! Ik weet wat 't is, Fred! Ik weet wat 't is!"

"Nou wat is 't dan?" riep Fred.

"'t Is je oom Scro-o-o-o-ge!"

En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen, hoewel sommigen opperden dat het antwoord op "is het een beer?" "ja" behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige neiging dien kant uit gehad hadden.

"Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft," zei Fred, "en het zou ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink hier op hem met een glas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat hij: Oom Scrooge!"

"Nu goed dan, oom Scrooge!" riepen allen.

"Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man toegewenscht, wat hij ook zijn moge!" zeide Scrooge's neef. "Hij wilde mijn wensch niet aannemen, maar 't is hem tòch gegund. Oom Scrooge; daar ga je!"

Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden, dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds weder op reis.

Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij, doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden, en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen, en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.

Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd, dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd, klaarblijkelijk ouder. Scrooge was deze verandering niet ontgaan, doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het haar van den Geest grijs was.

"Is het leven van Geesten zóó kort?" vroeg Scrooge.

"Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort," antwoordde de Geest. "Vanavond loopt het af."

"Vanavond!" riep Scrooge.

"Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert."

De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.

"Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag," zeide Scrooge, aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, "maar ik zie iets vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed uitsteken. Is het een voet of een klauw?"

"Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch dat er opzit," antwoordde de Geest pijnlijk. "Zie hier."

Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige, vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.

"O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!" riep de Geest uit. Het waren een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des ouderdoms, hen geknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje en meisje.

Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren, doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.

"Geest, zijn dit uwe kinderen?" was alles wat Scrooge kon uitbrengen.

"Zij zijn Menschen-kinderen," zeide de Geest op hen neerziend. "En zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis, tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg," riep de Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. "Beschimp hen die 't u verzekeren. Geef 't toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!"

"Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?" riep Scrooge uit.

"Zijn er geen gevangenissen?" zei de Geest, zich voor de laatste maal tot hem wendend met Scrooge's eigen woorden. "Zijn er geen werkhuizen?"

De klok sloeg twaalf.

Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend, op zich toe komen.

VIERDE ZANG.

DE LAATSTE DER GEESTEN.

Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.

"Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?" zeide Scrooge.

De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit.

"Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?"

De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het eenige antwoord dat hij ontving.

Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap, was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven zich te herstellen.

Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij, hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage onbestemde angst.

"Geest der Toekomst!" riep hij uit. "Ik vrees u meer dan eenig ander Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge niet tegen mij spreken?"

Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.

"Ga mij voor!" zeide Scrooge. "Ga voor! De nacht gaat snel voorbij en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!"

Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende hij, hem staande hield en hem voortdroeg.

Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen, en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo dikwerf gezien had.

De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar wat zij zeiden.

"Neen," zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. "Ik kan je d'er niet veel van vertellen, hoe dan ook. 't Eenige wat ik wéét, is, dat hij dood is.

"En wanneer heeft hij 't afgelegd?" vroeg een ander.

"Gisterenavond, geloof ik."