Een Kerstlied in Proza

Chapter 4

Chapter 43,778 wordsPublic domain

Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel, dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is, doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den dans gegaan waren, "avancez en retirez," "geef uw partner de hand," "buig en curtsey," "kurketrekker," "doe een draad in de naald," en "weer terug naar uw plaats," sprong Fezziwig in de hoogte--sprong met de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.

Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na, wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne bedden die zich onder een toonbank achter in den winkel bevonden.

Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles, en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik, dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het licht op zijn hoofd zeer helder brandde.

"Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze luidjes!" zeide de Geest.

"Gering iets!" echoëde Scrooge.

De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen, die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden, en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: "Nu, is het niet zooals ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven, drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar al dien lof voor verdient?"

"Dàt is het niet," zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet zijn later Ik het zou gedaan hebben. "Dat is het niet, Geest. Hij heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidt is precies even groot als wanneer het een vermogen kostte."

Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.

"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.

"O, niks bijzonders," zeide Scrooge.

"Toch wel ìets, geloof ik?" hield de Geest aan.

"Neen," zeide Scrooge, "neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!" Zijn vroeger Ik draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest stonden weder naast elkaar in de open lucht.

"Mijn tijd spoedt ten einde," merkte de Geest op. "Vlug!"

Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van den groeienden boom zou vallen.

Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad, in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk uit den Geest van Verleden Kersttijden.

"Het komt er niet erg op aan," zeide ze zacht. "Voor jou al heel weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht hebben, dan heb ik geen reden om te treuren."

"Welke afgod heeft je verdrongen?" vroeg hij.

"Een gouden afgod, de mammon."

"En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld," zeide hij. "Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen van rijkdommen."

"Je bent te bang voor de wereld," antwoordde zij zacht. "Al je hoop is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de overheerschende hartstocht "winstbejag," je geheel in beslag genomen heeft. Is het niet zoo?"

"Nu, wat zou dat?" antwoordde hij. "Wat zou het dan nog, al bèn ik veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?"

Zij schudde het hoofd.

"Ben ik wèl?"

"Onze overeenkomst is al 'n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je een heel ander man."

"Toen was ik 'n jongen," zeide hij ongeduldig.

"Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent," antwoordde zij. "Ik ben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende, nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en dat ik je nu je woord kan teruggeven."

"Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?"

"Met woorden? neen, nooit."

"Waarmede dan?"

"Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in jouw oog. Zeg eens eerlijk," zeide het meisje, hem vriendelijk, doch vast aanziend, "of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was, mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet zeker van niet"--

Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: "Jìj denkt van niet."

"Ik zou er graag anders over denken als ik kón," antwoordde zij. "God weet 't! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart, terwille van hem die je eens was."

Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:

"Misschien dat dit je pijn zal doen,--en de gedachtenis aan wat voorbij is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten tijd zal dit zoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt."

Zij ging heen, en aldus scheidden zij.

"Geest," zeide Scrooge. "Laat me niet méér zien! Breng mij naar huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?"

"Nog één schim!" riep de Geest uit.

"Neen, neen, niet meer!" riep Scrooge. "Niet meer. Ik wil het niet zien. Laat dit genoeg zijn!"

Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag, nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.

Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon; en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen; integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot vermaak in, en de laatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.

Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen! ik had dat gevlochten haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen; ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben, en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.

Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen, die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul en het gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen, en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was, doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg, dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen, en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.

En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes, terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend, hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot een lente maken, werd zijn oog vochtig.

"Bella," zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach, "ik zag een oud vriend van je van-middag."

"En wie was dat?"

"Raad 'es?"

"Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet 't," voegde zij er in denzelfden adem bij, evenals hij lachend, "meneer Scrooge."

"Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor; en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde, moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt, en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik."

"Geest!" zeide Scrooge met bevende stem, "voer mij weg van deze plaats."

"Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden behooren," zeide de Geest. "Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt zij zijn."

"Breng mij hier vandaan!" riep Scrooge uit. "Ik kan het niet dragen!"

Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.

"Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!"

In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die onverwacht op zijn hoofd.

De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte bedekte; doch hoewel Scrooge uit alle macht er op drukte, kon hij het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.

DERDE ZANG.

DE TWEEDE DER DRIE GEESTEN.

Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem door Jacob Marley's tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig gemaakt worden.

Heeren die tot het genus "gladde, gewikste lui" behooren, die er zich op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen dat ze voor alles te vinden zijn, van "kruis of munt," tot manslag toe; tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.

Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven, toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang dat hij een interessant geval van "spontane verbranding" voorstelde, zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten laatste begon hij te bedenken--zooals gij of ik dit dadelijk zouden gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat, die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben ook--ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had, stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur.

Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge's hand den knop aanvatte, riep een vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit deed hij.

Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in Scrooge's tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters, heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen, lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus, grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig om de deur stak.

"Kom binnen," riep de Geest uit. "Kom binnen! en leer me wat beter kennen, menschenkind!"

Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen Geest hangen.

Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun blik toch liever niet ontmoeten.

"Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden," zei de Geest. "Bekijk me maar es goed!"

Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af; open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij was geheel doorvreten van den roest.

"Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!" riep de Geest uit.

"Nooit," antwoordde Scrooge.

"Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel (want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de laatste jaren geboren werden?" vervolgde het spook.

"Ik geloof het niet," zei Scrooge. "Ik vrees van niet. Hebt ge veel broeders, Geest?"

"Meer dan achttienhonderd," zei de Geest.

"Een geweldig gezin om te onderhouden!" mompelde Scrooge.

De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.

"Geest," zeide Scrooge onderworpen, "leid mij waarheen ge wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt."

"Raak mijn kleed aan!"

Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.

Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild, gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes, oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen, waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder, afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken, en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste straten stonden vol dikke vuile mist, half ontdooid, half bevroren, welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes, alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem te overschaduwen.