Chapter 3
"Wel heb ik van m'n leven, 't is toch niet mogelijk dat ik een heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben," zei Scrooge. "Er zal toch niets met de zon wezen, zoodat dit twaalf uur 's middags kan zijn?"
Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met den mouw van zijn chambercloak af te wrijven voor hij iets kon zien, en zag toen nòg maar heel weinig. 't Eenige dat hij zien kon was, dat het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote verlichting, omdat "na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief" enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.
Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen, en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.
Marley's Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: "Was het een droom of niet?"
Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat de Geest hem een bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan, was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.
Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn luisterend oor:
"Bim-bam!"
"Kwartier over!" telde Scrooge.
"Bim-bam!"
"Half slag!" zei Scrooge.
"Bim-bam!"
"Kwartier vóór," zei Scrooge.
"Bim-bam!"
"Volslag," zeide Scrooge, triomfantelijk, "en er komt niks."
Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde, evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge, die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte, zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof, zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan uwe elboog.
Het was een vreemde gedaante--gelijkend op een kind; en toch weer niet zoozeer op een kind, als wel op een oud man, gezien door de een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat, en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter, was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.
En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van al deze verdwijnende ledematen was geen omlijning zichtbaar door de dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk en helder als altijd.
"Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?" vroeg Scrooge.
"Die ben ik!"
De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.
"Wie, en wat ben je?" vroeg Scrooge.
"Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden."
"Van làng verledene?" vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw opmerkte.
"Neen, van ùw verleden."
Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.
"Wat!" riep de Geest uit, "wilt gij met wereldsche handen reeds zoo gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?"
Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.
"Uw welzijn!" zeide de Geest.
Scrooge betuigde zijn' dank, doch kon niet nalaten te denken dat een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijk voor dit doel geweest zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij zeide onmiddellijk:
"Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!"
Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.
"Sta op! en ga met mij mee!"
Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand, was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.
"Ik ben maar een sterveling," zeide Scrooge, "en zou licht kunnen vallen."
"Laat mijne hand u slechts dáár raken," zeide de Geest, zijn hand op Scrooge's hart leggend, "en gij zult gesteund worden in meer dan dit!"
Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.
"Goeie hemel!" zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij om zich heen keek. "Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik jong was."
De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden, elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en zorgen die lang, lang vergeten waren.
"Uw lip beeft," zeide de Geest. "En wat is dat daar op uw wang?"
Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij maar wilde.
"Herinnert gij u den weg nog?" vroeg de Geest.
"Of ik!" riep Scrooge met vuur.--"Ik zou hem blindelings kunnen loopen."--
"Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!" merkte de Geest op. "Laten we voortgaan."
Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde, met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.
"Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn," zeide de Geest. "Zij beseffen niet dat wij hier staan."
De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onder het aankomen herkende Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen, naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om "een vroolijke Kerstmis?" Weg met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?
"De school is nog niet geheel verlaten," zei de Geest. "Een eenzaam kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven."
Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had; want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen; en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.
Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht, een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen.
De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren schoolbanken en lessenaars.
Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.
Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn verteederenden invloed op Scrooge's hart en gaf vrijer loop aan zijne tranen.
De Geest raakte zijn' arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.
"Wel heb ik van m'n leven, dat's Ali Baba!" riep Scrooge verrukt uit. "'t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als nu. Arme jongen! En Valentijn," zeide Scrooge, "en zijn wilde broeder Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet, ziet ge hem niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik ben er tòch blij om, wat moest hij ook met de Prinses trouwen?"
Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge's zakenkennissen uit de City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen, te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde kleur en opgewonden gezicht te zien.
"Daar heb je de Papegaai ook!" riep Scrooge. "Groen lijf en gele staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. "Arme Robinson Crusoë," noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart om zijn eiland heen. "Arme Robinson Crusoë," waar zijt ge geweest, Robinson Crusoë?" De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch niet zoo: Het was de papegaai die 't zei, weet je. Daar gaat Vrijdag, loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te redden. "Hallo, hoep, hallo!"
En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, "arme jongen!" en weende weder.
"Ik wou," mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord: "maar 't is nu te laat."
"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.
"Niets," zeide Scrooge. "Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat's al!"--
De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaide met de hand, zeggend terwijl hij dit deed: "Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien."
Bij deze woorden werd Scrooge's vroeger eigen ik grooter, en de kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in, de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde, wist Scrooge evenmin als gij of ik.--Hij wist alleen dat het precies zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.
Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend angstig naar de deur.
Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk kussend, noemde zij hem haar "lieve, lieve broertje."
"Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!" zei het kind, in hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen, "om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!"
"Naar huis, kleine Fan?" antwoordde de jongen.
"Ja!" zeide het kind, dol van vreugde. "Naar huis, en voor goed. Vader is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op 'n heerlijken avond toen ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!" zei het kind, haar oogen openend, "en hier kom je nooit meer terug; maar eerst moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd hebben dien je je denken kunt."
"Je bent al 'n heele meid, kleine Fan!" riep de jongen uit. Zij klapte in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken, ging met haar mede.
Een barsche stem in den gang riep: "Hei daar, breng de koffer van jongenheer Scrooge es naar beneden!" en in den gang verscheen de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het alleroudste gat van een kille "mooie kamer" dat ge ooit gezien hebt, waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht naar buiten sturend om den postrijder een glas van "'t een of ander" aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer's aanbod dankbaar aannam, maar dat als het 't zelfde was wat hij al meer gehad had, dan had hij 't liever niet. Daar de koffer van jongenheer Scrooge nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; de sneldraaiende raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen der coniferen.
"Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen blazen," zei de Geest. "Maar ze had een ruim hart."
"Dàt had ze," riep Scrooge uit. "Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!"
"Ze stierf toen ze 'n vrouw was," zei de Geest, "en had, geloof ik, kinderen."
"Eén kind," antwoordde Scrooge.
"'t Is waar ook," zeide de Geest, "uw neef."
Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: "Ja."
Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden, bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar schimmige passagiers heen en weder liepen; waar schimmige karren en koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij het kende.
"Of ik!" zeide Scrooge. "Ik was hier immers leerling!"
Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:
"Wel heb ik van m'n leven, 't is de ouwe Fezziwig! God zegen hem; het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is."
De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette, joviale stem:
"Hallo daar! Ebenezer! Dick!"
Scrooge's vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.
"Dick Wilkins, waarachtig!" zei Scrooge tegen den Geest. "Waarachtig 't is 'em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!"
"Yo ho, jongens!" zeide Fezziwig. "Voor vandaag genoeg gewerkt, hoor. Avond vóór Kerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er vóór, hoor," riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen, "vóór je tot tien kunt tellen!"
Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken--een, twee, drie--en ze zaten al op hun plaats--vier, vijf, zes--de boomen en pennen erop--zeven, acht, negen--en daar waren ze al weer terug voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.
"Hilli-ho!" riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met merkwaardige vlugheid. "Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant zetten!" Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen, als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werd geveegd en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt kunnen wenschen.
Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend, den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist dat haar meesteres haar aan 'r ooren getrokken had. Binnen kwamen ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur, sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen, hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los, twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond in verschillende houdingen van verliefdheid, het oude eerste paar dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: "Goed zoo!" en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier, die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht, die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.
Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst, en er was tulband en "negus," en er was een groot stuk koud vleesch en een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch, rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt, toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen) Sir Roger de Coverley [4] begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig aan om te dansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners; allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.