Chapter 2
"Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?" zeide Scrooge.
"Als 't gelegen komt, meneer."
"'t Komt nièt gelegen," zeide Scrooge, "en 't is bovendien niet billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker dat je je al heel verongelijkt zou achten."
De klerk glimlachte flauwtjes.
"En toch," zeide Scrooge, "vind je niet dat ìk benadeeld word, als ik jou een dag salaris betaal voor geen werk."
De klerk merkte op, dat 't maar eens in 't jaar was.
"Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten December te rollen!" zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin toeknoopend. "Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te vroeger bent."
De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend, (want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde toen huiswaarts naar Camden Town, [3] zoo hard zijne beenen slechts draven wilden, om blindemannetje te spelen.
Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen, en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek, ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamers die voortijds behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was, om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde, en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder begrijpend--wat een stout woord is--den raad, de schepenen en de gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper, doch Marley's gezicht.
Marley's gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen, in ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril, die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit verschijnsel keek was het weder een klopper.
Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had, draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.
Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half en half verwachtte verschrikt te worden door Marley's staartpruikje, uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij: poe, poe! en sloot de deur met een slag.
Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven, en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een eigen naklank van echo's te hebben. Doch Scrooge was er de man niet naar zich door echo's uit het veld te laten slaan. Hij grendelde de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam, onder het gaan zijn kaars snuitend.
Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet; maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed; wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.
Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals 't behoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard; lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm, oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.
Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en sloot zichzelf in; draaide den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje, van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels, die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams, Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley's gezicht te zien zijn geweest.
"Malligheid!" zei Scrooge en liep de kamer op en neer.
Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel, die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergeten doeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op, en al de schellen in het huis deden eveneens.
Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden, doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend gerommel laag beneden in 't huis, alsof iemand een zwaren ketting sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker, op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht op zijn deur aan.
"'k Hou toch vol dat het malligheid is!" zei Scrooge. "Ik wil er niet in gelooven."
Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur helder op, alsof het zeggen wilde: "die ken ik! Marley's Geest!" en toen doofde het weder.
Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje, en zijn jaspanden en het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang, slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten, grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.
Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.
Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.
Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan; hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had, was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. "Wat heeft dat nu te beteekenen!" zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. "Wat wilt ge van mij?"
"Heel veel!"--Marley's stem, daar viel niet aan te twijfelen.
"Wie zijt ge?"
"Vraag me wie ik geweest ben."
"Wie ben je dan geweest?" zeide Scrooge, zijn stem verheffend. "Je bent nog al kieskeurig--voor een schim." Hij had willen zeggen "kieskeurig tot op een haar," maar stelde het eerste ervoor in de plaats, als meer passend.
"Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley."
"Kunt ge--kunt ge gaan zitten?" vroeg Scrooge, hem twijfelachtig aanziend.
"Jawel."
"Doe dat dan."
Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.
"Ge gelooft niet aan mij," merkte de Geest op.
"Nee, dat doe ik ook niet," zeide Scrooge.
"Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat uwer zintuigen?"
"Dat weet ik niet," zeide Scrooge.
"Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?"
"Omdat," zeide Scrooge, "er maar heel weinig noodig is om ze in de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn, een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan ook zijn moogt!" Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde, dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.
Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en weer als door de heete lucht uit een oven.
"Ziet ge dezen tandestoker?" zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend, om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.
"Zeker," antwoordde het spook.
"En je kijkt er niet eens naar," zei Scrooge.
"Maar ik zie hem tòch," zei het spook.
"Nu," antwoordde Scrooge, "ik heb dezen maar door te slikken, om voor de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters, allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je--allemaal nonsens."
Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook den binddoek van zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.
Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.
"Genade!" zeide hij. "Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij lastig?"
"Wereldschgezinde man," antwoordde het spook, "gelooft ge in mij of niet?"
"Ja," zeide Scrooge, "ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over de aarde, en waarom komen zij tot mij?"
"Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen--oh, wee mij--en getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen."
Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong zijne doorschijnende handen.
"Ge zijt geboeid," zeide Scrooge bevend. "Zeg mij waarom."
"Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde," antwoordde de Geest. "Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is het model ervan ù vreemd?"
Scrooge beefde al meer en meer.
"Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!"
Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch hij zag niets.
"Jacob," zeide hij smeekend. "Oude Jacob Marley, vertel mij nòg meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob."
"Die heb ik niet voor u," antwoordde de Geest. "Die komen van andere regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren van ons kantoor--luister--gedurende mijn leven dwaalde mijn geest nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle lange reizen liggen vóór mij!"
Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of zijne knielende houding te verlaten.
"Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob," merkte Scrooge op, op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.
"Langzaam!" herhaalde de Geest.
"Zeven jaren dood!" zeide Scrooge peinzend. "En al dien tijd op reis?"
"Al dien tijd," zei het spook. "Geen rust, geen vrede en voortdurende knaging van berouw."
"Reist ge snel?" zei Scrooge.
"Op de vleugelen van den wind," antwoordde de Geest.
"Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn," zei Scrooge.
Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal van op te maken wegens burengerucht.
"O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende," riep het spook uit, "gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest, in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!"
"Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob," stamelde Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.
"Zaken!" riep de Geest uit, zijne handen wringend. "De menschheid was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde, mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!"
Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag weder op den grond.
"In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd 'k het meest," zei het spook. "Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?"
Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde voortgaan, en begon erg te beven.
"Hoor mij aan," riep de Geest. "Mijn tijd is bijna om."
"Dat wil ik," zeide Scrooge. "Maar wees niet hard tegen me en wees niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!"
"Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt, mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten."
Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte zich het zweet van het voorhoofd.
"Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening," ging de Geest voort. "Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb, Ebenezer."
"Je waart altijd een goed vriend voor mij," zeide Scrooge. "Dank je wel."
"Je zult bezocht worden," hernam het spook, "door Drie Geesten."
Scrooge's gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.
"Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?"
"Ja."
"Dan geloof ik, dat--dat ik 't toch maar liever niet wou," zeide Scrooge.
"Zonder hun bezoek," zeide de Geest, "kunt ge niet hopen het pad te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten, als de klok één slaat."
"Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan hebben, Jacob?" stelde Scrooge voor.
"Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden wat er tusschen ons is voorgevallen."
Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley's tanden maakten, toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open, zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley's geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees; want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw, onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.
Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts zweefden. Elk van hen torste ketenen zooals die van Marley's geest; een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor altijd de macht verloren hadden.
Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.
Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde om weder "nonsens!" te zeggen, doch bleef bij de eerste lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel onmiddellijk in slaap.
TWEEDE ZANG.
DE EERSTE DER DRIE GEESTEN.
Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij tot zij het volle uur zouden slaan.
Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!
Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg twaalf; en zweeg.