Part 6
Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige, prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed vol plooien en deuken! Wat licht en glanzend blij, zoo’n stralend jong vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!
Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke, zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.
Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.
Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel, klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.
En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur, en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in zaligheid tegen elkaar bevende harten.... O! een groot, groot verlangen om al het verleden en het leed met één forschen zwaai van me àf te schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het van jonge liefde hamerend hart te prangen....
Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen. Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog....
En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.... Mijn zachte, lichte lieveling.... Mijn blijde, blozende bloem..
Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig, zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning breekt.... Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel, ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien, waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem, rustig-rijzende naar ’t licht....
Dat was mooi van avond!
Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten zonsondergang.
In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen, fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware, witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is rood-donkere sombernis daar vóór mij....
Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.
Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt de vage vlakte.
Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven, één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer....
Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde licht vèr en vèr door de lucht....
Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle, blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.
En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen schitterlicht, wuivend vèr door de hemelen, als gewaden van droomende engelen.
De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in zilveren schijn.
En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een vèr visioen.... Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf, maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik....
Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil....
Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich niet wel en kon niet meê.
Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend van kool-velden, met hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!
Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een keizerlijk heerscher van de wereld rondom.
Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door, tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens, in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.
Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas, naar Nongko Djadjar.
Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan weerszijden te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár, maar het loeit en brult en klatert langs je heen.
De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas, waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg, zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche, zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en je bent blij, te ademen in dit reine schoon.
Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudige hôtel van Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare, koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en de droevige gedachten?.... Leven, leven, en de lucht te drinken in de bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere licht glanst over de vòl-schoone wereld!
Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.
O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr terug.
Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland! In de plechtige vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog stiller—roept de koekkoek.
Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk, daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak. Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de verte, en de specht de stammen tikt.
Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar huis te gaan,—wijl de avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen....
Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling in Nongko Djadjar.
O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een kind geworden?
Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde, veilig leven in de kalme contemplatie!
Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe. Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.
’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn roos vaststeken tusschen haar ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.
Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary, Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel, dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel, het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.... ik wéét, dat is het verlangen.... O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte, donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren! Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in zalig zwijmelen snikkend te vergaan!
Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine ridder zijn.... het mag niet breken.... zij hoort een ander toe.... alleen haar ziel is je van God gegeven.... bedenk dat wèl.”
Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch. Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet vleien om bescherming.
Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof, als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.
Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen, en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn zachte kind was, dat ik beschutten moest tegen koû. Zoo is ze heel stil blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.
Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten, zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.
Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.
En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!
Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft nog even lief goênacht gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht....
Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij toegedekt, en tegen koû beschut.
Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen, en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en al het lieve, teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal vergeten zijn....
Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht van hare lieve voeten....
En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.... een wijze, ál-gerechte God, die enkel ’t goede wil....
Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust maakte. Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende, door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren. Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels, wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen, kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.
Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr, den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den krater-muur.
Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe Zandzee....
Maar het plotselinge gezicht beneden was niet zoo immens overweldigend als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken, en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten, wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het slijkgrauw van de Zandzee.
Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen, treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.
Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn....
Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon, maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara. De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.
Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen, ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen verspreid.
Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet van broeiing....
Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot aan den rand.
Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.... Beneden, diep, diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken solfataren, en een dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden, eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als van woedende machines onder te zwaren druk....
Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en het valsch geglim van gele zwavel.... Het beklemde mij met een angst alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing, als van zonde, en nacht, en negatie.... hoe haat ik hem!....
Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid; hier is woestenij, en droefenis, en dood....