Een Droom

Part 5

Chapter 54,302 wordsPublic domain

En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan, zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten, zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die lucht in zeeë-horizon vergaan, door koelen winde-adem gedreven!

Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm en benauwd.

„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar versche lucht.”

En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar broer.

Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.

„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.

Maar nu den weg te vinden in het donker!

Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit, en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.

Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr, daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig lichtje. Zacht metaal-gezang van wind in duistere dennen....

Een krekel neuriet wat....

En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den nacht....

We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne in den nacht....

We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm, het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die perkenvormen en dien tuinmans-smaak.

„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die perken zoo genoemd.”

Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!

Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze hoofden....

Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.

„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb je ’t niet koud? Wil je niet een stukje van mijn shawl hebben?”

En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt, bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar. Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.

Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó, steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard, en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?

O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je geven mag in kuischheid!

Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk ziet zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven. Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik zal sterk blijven, en een reine ridder zijn....

De droom, de droom is òver ons gekomen....

Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve lichtjes branden, en de duistere menschen zijn....

Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.

„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag wel van je houën, zeg?”

Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.

En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in teederen, kuischen kus.

Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid ontstegen, en voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde leven....

Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.... het leven mág geen zoete wonne zijn van liefde.... het Leven is lijden, lijden, lijden, en eenzaam weenen....

Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:

„Ik hoû van je, ik hoû van je”....

Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:

Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren, tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van het wegje.

Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras, heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t grazen, scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter, grazend....

Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede, zacht intiem gepraat..

De man staat stil, roept weêr de koeien....

De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in de lucht.... De andere komt langzaam, zoo langzaam.... De man roept niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet, vergeet.... Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens héél hoog in de lucht, van vreugde.... De koe met opgeheven kop, staart droomerig.... De ander komt zoo langzaam.... De heel stille man.... Alles zoo stil, zoo stil.... Ruischt zoo rustig het water.... Zachtjes, zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge....

Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo lang hebt gezocht....

Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief wezentje vond.

„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”

„Hoe bedoel je dat: zwak?”

„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”

„Ik begrijp je nog niet goed.”

„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is. Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag niet boos worden?”

„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”

„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie geweest bent op het terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk van haar.”

Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:

„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat lieve, teêre wezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”

„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je doen voelen, dat ze het prettig vond.”

„Maar waaròm dan toch, zusje?”

„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je laten zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”

O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!

En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:

„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”

Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”

„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn, als een mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten, ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft, maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen....”

Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.

Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord heel gelaten:

„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me zoo eenzaam gevoeld, dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige, dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”

Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je zult je zelf altijd ongelukkig maken.”

En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan zeggen:

„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n zachte, teêre ziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar het allermooiste van haar heb ik toch gehad. Ik heb haar lieve ziel gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind. Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk véél te lief en te broos voor iets anders. Noem ’t maar een beetje ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen. Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat een ander krijgen.”

Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze eens bij mij was.

En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat, stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte, zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi het wel is. Ze zit maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet, zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare lieve ziel en zachte gratie....

Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de vriendelijkheid, waarmeê ze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en hoe ze dan melodieus „Dág!.... Dág!....” kan roepen, lang uitgehaald, en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan voorzichtig in haar ceinture steekt!

In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw woont onbewust de ziele van een serafijn.

Ze weet het niet, ze weet het niet.... En dit is wel juist het mooiste.... Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb vermoed....

Door ’t leven hier en dáár gedreven, door hartstocht heen en barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn....

Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer....

Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij, en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te zijn....

Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in ’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien van uw zacht hoofd aan mijnen schouder....

En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.

Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten staat....

Van de hôtel-gasten wil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De heerlijke berglucht waait hier al het ridicule poeha en de larie weg, en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?

Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens over.... in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.

Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier slenteren er een paar van rond.

En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van levenslustig, gezond vrouwtje!

Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.

En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo heelemaal nog als een kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat....

Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de mooiste wandelingen, die hier zijn.

Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van het Hôtel, den weg naar Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld aan den voet, waar koeien grazen.

Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om ’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap houdt.

Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit, onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht, lucht zwevende in het April-blauw van de hemelen....

Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele, lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar beneden, in eene diepe ravijnkloof.

Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een groote, rose kapel.... Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite. Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél, héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte, warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.

Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in een diepe valeikloof. De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven. We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.

Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder, dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!

En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus....