Een Droom

Part 3

Chapter 33,869 wordsPublic domain

In de late schemering weer op het terras, en.... wonder! wonder!

Waren uchtends die witte wolken uitgevaren, in zoo kalme, blanke pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en weedom waart rondomme.

Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de een op de ander, een donkere droom.

Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam, wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen tegen donker-leiblauwe lucht.

Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven, verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam langend òp tot hooge hellingen.

En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer, de zee, in duisteren deemoed....

O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos zacht!....

Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon achter Westerbergen, hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk, schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God de Vader....

Stiller wordt het, en stiller....

Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen lijdenswolken boven het dal.

En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen....

In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet....

Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen....

En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.

Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen glans....

En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw, de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende Maagde in den nacht....

Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht....

Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart en zwarter, en zijn glans vergaat....

Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één stille ster, zéér rustig en sereen.... Het droeve wereld-leed is daar gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht, zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie....

En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid van donker lijden, waar mijn ziel van weent.

Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten....

Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand, ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn moet liggen, waar de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in Junghuhn’s werk.

De Dâsar, of Zandzee, [5] een zandvlakte van een gehééle geographische mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest, de groote krater van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in eruptie.

De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de Zandzee Dâsar.

Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.

Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn, of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.

Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe lucht, alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur brullend en broeiend onder de aarde.

Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte goede.

Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden zeide.

En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en vergankelijkheid, en zonde.

Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk, zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden, opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel der brandende aarde......

Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van teederheid.

Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.

De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend, doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.

De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte verteedering, als een vage melodie....

Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven....

Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig, droomelend weg in dommelend vervlieden.... Zóó ging het vàn mij, zachtekens verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang te wijlen.... En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder het teeder doorbreken van een milde maan....

Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de regendroppelen, met licht gerucht. De ravijnen links zijn donker, met de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.

Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!

Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods! Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken, onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê, murmelend lief mysterie, dat niemand weet....

Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in de lucht.... Dàn even stilte.... En vér beneden, in ’t ravijn, antwoordt een ander....

Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw van den avond....

Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der wereld....

En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen, onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang verloren, maar nooit vergeten..

En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen, nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr, bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet, in allerreinsten staat....

Ik begin nu kleine wandelingen te maken.

Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het Leverlaantje, maar recht door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen, plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale, zwaar-schaduwende bergen.

Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van beneden eerbiedig aan.

Hoe kalm en eenzaam hier!

Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht met zacht gepraat.... En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend geraas... Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig bescheiden....

Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.... In de verte alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard.

....Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig stappend, voorzichtig.... Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn hals!....

Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke tjemårås omhoog naar het licht!

En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende berglucht in je longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.

Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér, Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul gevloeid!.... Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje, dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht....

Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?

Niets dan dit:.... de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen....

Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon....

En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en liefelijk....

Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent, „heilzame bloem;” „bloem, [6] die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent „bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats (divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;” Proewono „reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari „gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto „heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden tegenover ’t Hôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan had aangeschaft.

De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten, voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden. Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v. in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de bergen in, is het weer beter.

Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal één zijn met de natuur.

Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes, op den weg van Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene koolvelden tegen de hellingen.

Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier, schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in dennen..

Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden, hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch onvervaard....

Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!

En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een mooi kind van den Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk. Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend, omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat natuurlijke, hartelijke, gezonde.

Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op, doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr....

En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven, van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit haar jong, onbezorgd gemoed.

Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen, trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam zwellend in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon, vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond....

En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure, reine, goddelijke natuur....

Niets dan dit:

Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat....

Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.... Zóó is het goed, zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch tevreden....

Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds dieper, stiller....

De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen maannacht-hemel....

En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer, want wel moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart. Ai! het scheurt de stille lucht....

En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog menschen zijn....

Dáár is de vreugde en ’t leven.... En Mary.... En Annie, die lieve vrouw.... Zou zij er nog wezen?.... Zou zij nog niet zijn slapen gegaan?... O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk gezichtje met den warmen, lichten lach!.... O, nu wat liefs en zachts voor mijn arm, kloppend hart!....

Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.... Het Leverlaantje.... Overal die hooge, hooge bergkammen.... Die weggetjes daar zoo zacht tegen.... In de ravijnen hangen zware nevelen, onmerkbaar langzaam stijgende.

Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in eens:

O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht, hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan! Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande, evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die kuische takjes zoo zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.... Die roerlooze vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.... Zoo hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en kalm als kinderen....

En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.... O! om een lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen, moeden zwerver....

Vreemd, vreemd.... Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te hechten.... Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en ze lacht me vriendelijk toe.... Het doet me zoo goed, in haar schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.... Ze is zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend groen... Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!

Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal worden. Ik verliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar wat is het dan?.... Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me zoo in haar aantrekt, het simpele, onbewuste, zonder denken gelukkig zijn.... En toch nog iets méér ook....

Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam....

Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen en rijtochten te maken.

Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar ik zal het er toch op wagen.

2 November....

Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken mee, voor de koû....

Om half zes reden we al uit, met een gids voorop. Dáár ergens in ’t Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder de aarde.... Daár is het, dat de sombere Bromo broeit....

Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn, en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken, en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden. Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de dennen.... En die stilte, die stemmige stilte rondom....

Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede, droeve, vallei des doods....

Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van edelweiss, en alpenkruiden, en viooltjes.... Ik zie ook de teêre, bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.... en even hoor ik het blij getjiep van vogels....

Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien, voel ik den krater. Mijn ziel voelt het sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen....

Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om mijn ooren.... Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen..... „De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den rand van den kratermuur.

Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen.... Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de lucht....

En beneden, beneden.... Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt. Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”

Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal, en des doods.... Een somber, veeg mysterie....