Part 2
Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer aanhield.
Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun lezen.
Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar wat wandelen op het terras....
Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen, zoo één uurtje maar.
Wat zou er komen?.... wat zou er komen?.... o! zou er nog iets voor mij kunnen komen?....
Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:
Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.
De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze, droomende maar ijl en éven, als een essence. De ziel van zijn zwaar massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen....
Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..
De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den jongen morgen....
Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.... hoe licht voel ik mijn eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde ruimten....
En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee....
Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in het rijk der wonderen te zijn aangeland.
Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is op de menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.
„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze, simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije, natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met een verbeterd, hooger soort menschen te doen hebt dan beneden. En dit is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben, spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”
—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en in spanning.
—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis. Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want het is niet die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was. En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veel au sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld toch goed, en wat zijn de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk, en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.
„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt aanzien in de uitgelaten vroolijkheid is au fond niets dan overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd een goed ding.”
Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht....
In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland, waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven, ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben te winnen!....
Ik ben benieuwd wat daar van komen zal....
’s Ochtends op het terras.
De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.
De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste, die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts, met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in de lucht....
Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden.... Waarheen?.... Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als een broze droom, die breekt in ’t niets....
De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.
Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een schok van warmte door de wijd-bevende lucht....
De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende, donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van den Ardjoenå ligt nog weifeling van wolkennevel, sombere drooming.
Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht. Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de zon, zijn toppen rood-vergulden.
Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij blauw-grijze droomende omhoog rijst, uit waduwe wade van morgendauw.
Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs en velden door de wijkende nevelen.
De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.
De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.
En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het licht....
Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer Mehrmann gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer, allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.
Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht, met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander buurvrouwtje willen hebben aan tafel.
Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs aan haar is, en dat ze haar graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar, en bewijs haar attenties aan tafel.
Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief zijn, mijn goede, zachte zuster....
’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.
Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de wereld in de zon.
Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden, de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.
De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen, droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het niet. Hier en daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.
Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden....
Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des doods....
Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep gezonken.
Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en wemelend, met stuivenden damp.
Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.
Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk....
Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij dan de wijde, wilde chaos van duister Niets....
Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het achtergalerijtje gaan kijken in den nacht....
De nevelen hadden de bergen weêr genomen. Ik staarde, staarde, maar niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van een paar tjemårås, weifelend en onreëel.
Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren....
Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.
Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind in dennen.
De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.
Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de lucht zoo wreedelijk koud....
Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd, zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost, zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.... alles komt in orde,.... blijf maar vást vertrouwen”....
En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te droomen in het zachte bed.
Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.
Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik later natuurlijk óók ga maken. Er zijn hier overal mooie plekjes en wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig, net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland blijkbaar weêr even mooi terug.
Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,” [3] en het Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.
Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den Semeroe zelf, maar dat zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik vooreerst wel niet aan mogen denken....
Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te wachten staat.
Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is. Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over de rotsblokken en beekjes heenspringt.
Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs, levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.
En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.
Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine, zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel verdriet gehad, zegt Mary.
Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een echte jonge-meisjes verliefdheid.
Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes en gebaartjes aan hem herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.
Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend leven in haar.
Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst, zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan, dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.
Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen, en een beetje deftig te zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.
En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.
Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen, hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.
Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.
’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste jeugd zijn.
En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die „artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd, „American Post.”
Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!
Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder vogeltje. [4] Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en vlamt boven de andere kleuren uit.
Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van louter vreugde opeens opjubelen in de lucht....
Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart, pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat de lichte bloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht....
23 October.
Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr over de wereld beneden mij.
Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs. Een wijde schittering van kleuren, geel, en groen, en goud, van dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.
Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie. Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.
Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam, langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar de horizonnen van de zee.
Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van liefde....
’s Avonds.