Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 9

Chapter 94,117 wordsPublic domain

Eigen schuld, dat ze die duldelooze pijnen op den vermagerden en gekorven rug, of op welk ander lichaamsdeel ook, zoo voelen! Waarom willen ze maar niet begrijpen, dat ze geen levende wezens meer zijn? Zullen ze dan ook nooit leeren inzien, dat ze van hout of van ijzer zijn en dat hout en ijzer geen pijn voelen? Dat wil Don Calliado immers?

O, domme, domme kaalhoofden! Uw drilmeester Don Calliado spant toch zijne uiterste krachten zoo in om u zoo knap te maken, dat gij niets meer voelt, niets, niets meer!

Hij is zoo’n edele beul, die Don Calliado!

Maar weg met alle gedachten! Daar is de werkelijkheid!

De Hollanders winnen den afstand; ze winnen den wind.

Nog één, één oogenblik!

Men heeft de „Lucera” bereikt!

Een gil, een akelige gil van zoogenaamde vreugde wordt aan het roer gehoord. Pieter stoot dien uit: hij kan zich niet langer bedwingen.

Het Hollandsche bootsvolk schreeuwt mede.

Nog één oogenblik, nog twee seconden!

Nog één!

Een vreeselijk gekraak wordt vernomen en het angstgeschreeuw der arme galei-slaven klinkt akelig uit het schip. De „Samson” is met volle vaart de „Lucera” tegen bakboordszij geloopen. De riemen zijn verbrijzeld; het achterschip en de koker van het roer zijn stuk geslagen, en de gehavende galei helt zóó over, dat de arme slaven tot hun middel in het water zitten.

Maar het werk der wraak is nog niet voltooid.

Als razenden loopen de Hollanders naar de kanonnen en vuren deze tweemaal af.

„Misericordia! Misericordia!” roepen de Spanjaarden.

En beneden uit het schip klinkt uit andere monden, maar nog veel rauwer, huilender en angstiger: „Misericordia! Misericordia!”

Nelissen en Pieter behoeven niet te vragen wie dat vreeselijk hulpgeroep letterlijk uitbrullen! Zij weten het goed, al te goed, en toch .... toch geen medelijden, geen deernis!

Kapitein Sael kan het moeielijk langer aanhooren. Redden wil hij niet, maar moorden, zóó moorden, neen, dat wil hij toch ook niet; hij kan het niet ook. Daarom: „Afhouden!”

Ze houden af, maar dat baat de „Lucera” niet, want ze wordt door andere Hollanders aangevallen. De Spanjaarden houden stand. Don Calliado weet van geen wijken of zich overgeven. Hij verdedigt zich tot hij van al zijn volk alleen overschiet. Daar treft hem een kogel en stervend valt hij neer.

De Hollanders springen vlug op het zinkende schip. De plundering begint. Als of ze geboren roovers en niets anders zijn, breken ze alles open en reppen zich om met hun’ roof te ontkomen, als ze bemerken, dat de „Lucera” steeds dieper zinkt, want .... verdrinken willen de roovers niet. Verdrinken mogen zij, de boeven daar beneden op de galei-banken.

[Illustratie]

Daar komt de „Samson” weer aan.

Wie heeft er berouw gekregen, dat de bodem niet geheel en al vernietigd werd?

Pieter soms? Of Nelissen? Of Kapitein Sael? Blokmaker?

Wie weet het?

Bons! Een nieuwe stoot treft het ontredderde schip.

Sneller begint nu de „Lucera” te zinken.

Sael ligt in hare onmiddellijke nabijheid, doch geen mensch, die de hand tot redden der arme slaven uitsteekt.

Hoort, hoort, wat verschrikkelijke kreten stijgen uit het hol van het vaartuig op!

Het zijn de arme kaalhoofden, die aan de roeibanken vastgeketend zijn. Het zijn de niet levenlooze onderdeelen van het schip, die deze kreten laten hooren.

Hoort, hoort, Pieter, Nelissen, Blokmaker! Hoort, mannen! Eens waart ge als zij! Als gij daar nog eens op die banken geklonken waart!

Erbarming! Erbarming! O, hebt gij dan een Don Calliado’s hart? Een koud, ijskoud steenen hart soms, als de man uit het sprookje?

„Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vloeken! Bidt voor hen, die u geweld aandoen!” Gij leest het in uw’ Bijbel, die u, zooals gij zegt, zoo dierbaar is!

En die arme kaalhoofden zijn uwe vijanden niet eens! Zij haten u niet! Zij deden u nooit geweld aan!

Hebt medelijden, o, hebt medelijden! Slaat hunne ketenen stuk! Neemt ze op, die mannen! Draagt ze aan boord! Kleedt en voedt ze!

Harten van menschen, die u Christenen noemt, hebt lief, o, hebt lief! Redt, redt die armen! Eens waart gij als zij!

Tevergeefs! Men hoort niet. Het medelijden is doof.

Mannen, mannen dan! Wie weet, hebben die arme slaven geen vrouwen, die langs het heerlijke Oosterstrand troosteloos zullen uitzien naar de terugkomst van hare echtgenooten, van wie ze niet weten, waar zij zijn! Wie weet hoeveel arme kindertjes daar ginds aan het strand der zee staan om aan de stoeiende golfjes te vragen: „Wanneer brengt gij ons lief Vadertje weer? Wij verlangen zoo naar hem! Ons hartje vraagt zoo telkens naar hem! Zegt, golfjes, wanneer? Wanneer?”

Tevergeefs! Geen traan rolt langs de wangen dier geharde zeelieden, als de laatste flauwe kreet gesmoord wordt door de golven, waarin de „Lucera” thans verdwijnt.

Het is stil aan boord van de „Samson”.

„De rekening is betaald met den interest er bij!” zegt Pieter tot Nelissen.

Doch zie, het was alsof op het eigen oogenblik Moeder Heyn hem terzijde trad en hem in het oor fluisterde: „Pieter, mijn jongen, de rekening was met den dood van Don Calliado immers al vereffend? Wat hadden die ongelukkige galei-slaven u dan toch misdaan? Zeg, jongen?”

De stem van Kapitein Sael roept weer tot den arbeid. De stilte is voorbij. Er valt nog veel meer te doen.

De Spaansche vloot werd verslagen, en alleen Spinola was zoo gelukkig, na door de Staatschen tot voorbij Westkapelle gejaagd te zijn, eindelijk te Duinkerken binnen te loopen. Hij redde hierdoor voor Spanje eene waarde van tweemaal honderdduizend dukaten van goud en zilver, eene groote som voor dien tijd. Maar dat was alles, wat van de Spaansche vloot overgebleven was.

De Nederlandsche schepen keerden naar hunne havens weder, en voor het volk, dat er op diende, was voor dat jaar het gewerk gedaan.

Nelissen, Pieter Heyn, Blokmaker, en al gij anderen van de „Samson”, de handen op het hart en met de geroemde zeemans-rondheid antwoord gegeven op de vragen: „Zijt gij tevreden over uw werk? En zegt, wat waart gij daar op zee: Mensch of tijger?”

TIENDE HOOFDSTUK.

Een heele profeet.

In het voorjaar van 1608 lag op de Maas te Rotterdam de kloeke koopvaarder de „Muskaatboom” gereed om uit te zeilen. Het was een der schoonste schepen, die de Oost-Indische Compagnie, welke in 1602 opgericht was, in de vaart had. En op dat schoone schip was eene bemanning, die genoemd mocht worden. Het was een uitgelezen manschap van den schipper tot den pluimgraaf.

De schipper was een stevige veertiger, die Huygens had kunnen helpen om dezen in zijne „Scheepspraet” de regels te geven:

„’k Hebb te veel gesnor van buyen Over deuze muts sien gaen. ’k Selt hun lichtelick soo klaeren, Dat ick vlaggen, schut en touw, En de maets die met mij vaeren Vryen sel van dutt en rouw.”

Hij heette Rogiersz., en had reeds twee reizen naar Amboina gemaakt en telkens met bijzonder geluk.

De eerste stuurman was Pieter Pietersz. Heyn. Na zijn’ zeetocht onder Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde, had hij met Nelissen de vaart ten oorlog vaarwel gezegd. En zulks niet zoo geheel ten onrechte. De Oost-Indische Compagnie toch bood veel meer kansen van gewin aan, dan de oorlogsvaart, en ieder matroos droeg in dien tijd, als hij maar wilde, de verzekering met zich om, dat hij door moed en beleid zeker schipper op een’ koopvaarder kon worden, zoo niet heel wat meer. Wel had Pieter Heyn zoo tusschenbeide weer eens dienst gedaan op verschillende oorlogsbodems, en had hij zelfs den zeeslag bij Gibraltar nog mee helpen winnen, doch dat was dan ook maar bij die gelegenheden, dat het Vaderland door den bedreigden handel, in gevaar gebracht werd, en koopvaardij-bodems tijdelijk dienst doen moesten, als schepen van oorlog. Zoo iets had dikwijls, nog heel lang na dezen tijd, plaats.

Er had met Pieter evenwel nog eene andere verandering plaats gegrepen. Te Rotterdam had hij kennis gekregen met een’ zekeren Claes De Reus, een’ schipper, die zeer gelukkig gevaren had, en die nu terwille van zijne vrouw, die, evenals hij, bejaard begon te worden, den zuidwester aan den kapstok gehangen had, om er hem niet meer af te nemen.

Deze Claes De Reus had slechts twee kinderen, beiden meisjes. Eene van deze heette Annetje, en Pieter zag in haar zijne Moeder, zoo hij meende, verjongd terug. Ze was stil, vlijtig, zuinig en vroom. Dit laatste niet in schijn, zooals, ongelukkig genoeg, ook toen het geval wel eens was, neen, ze was het inderdaad.

Onze Pieter bracht zijne Moeder eens in kennis met haar, en daar die goede vrouw in Annetje werkelijk veel van zichzelve terugvond, zoo had ze er niets tegen, dat heur Pieter haar tot vrouw nam.

En Vader Heyn dan? Deze had toch ook wel wat te zeggen in zulk eene zaak?

Neen, Vader Heyn’s goed- of afkeuring vroeg men niet. Zoo langzamerhand was hij lichamelijk gaan aftakelen, en kon hij zelfs niet meer uit visschen gaan. Pieter was de aangewezen man om voor hem en zijne Moeder te zorgen, want zijne broeders, die al gehuwd waren, hadden voor hun eigen klein gezin het dagelijksch brood, doch meer ook niet.

Gelukkig had Piet ruime verdiensten en kon hij zijne Ouders best onderhouden, doch zie, toen Vader aan den wal stilletjes kwam leven en hij niet meer werkte, hield het aftakelen van het lichaam zoo goed als op, terwijl de geestelijke vermogens verminderden, en vrij sterk ook, zoodat hij ten laatste begon te suffen en alles best vond, onverschillig, of het goed of kwaad was. Van de zee, eens zijn lust en leven, scheen hij niets meer te weten.

Heel anders was het met Claes De Reus, doch deze was heel wat jaren jonger dan de oude Heyn, die al half de veertig was eer hij aan trouwen dacht. Dit was met De Reus het geval niet geweest en hij was op pas twee en twintigjarigen leeftijd al gehuwd. Heel goed had hij nog verscheidene jaren kunnen varen, doch daar hij zijne schaapjes op het droge had en Annetje zijn eenig kind was, had hij, ter wille van die twee, den zuidwester aan den kapstok gehangen en was hij bij honk gebleven.

Bij honk, dat is, steeds thuis, dat was hij, maar met zijn hart en al zijne gedachten was hij nog altijd op zee, en het verheugde hem, dat een flink zeeman, als Pieter Pietersz. Heyn, om de hand van zijne lieve Annetje vroeg. Ze werd hem dan ook niet geweigerd, en, eer de „Muskaatboom” uitliep, waren Pieter en Annetje een paar geworden.

Toch had hij aan hare Moeder wat moeten beloven. En dat was, zóó zuinig te leven, als hem mogelijk was; alle eerlijke middelen in het werk te stellen om gauw schipper te worden, en dan een spaarpotje zien te maken, dat groot genoeg was om zoo spoedig mogelijk ook zijn zeemanspak in de kast te bergen.

Willem Adriaensz. Blokmaker was tweede stuurman en Steven, bootsman op hetzelfde schip.

Aan boord van het schip bevond zich ook een koopman, Evertsz. geheeten. Zulk een koopman ging meestal mede, als zaakgelastigde van de Compagnie, en aan hem was het handeldrijven en het koopen der lading toevertrouwd. Wilde hij bijvoorbeeld op de heen- en terugreis nog andere plaatsen aandoen om daar het een of ander te koopen, dan geschiedde dit, als de schipper het goed vond, want boven dezen stond hij niet, en hij had aan boord zelfs niets te bevelen en moest zich onderwerpen aan het gezag van den schipper, die hem dan ook meer als passagier beschouwde, hoewel hij uit den aard der zaak, als de verhouding tusschen beiden goed was, hem zeker nogal dikwijls raadpleegde. Later echter kreeg zulk een koopman nogal wat voor het zeggen.

De „Muskaatboom” was uitgerust met bestemming naar Amboina, op welk eiland van den Molukschen Archipel, in dien tijd door de Compagnie de voornaamste handel gedreven werd.

Op het oogenblik dat wij, in gedachten, op de „Muskaatboom” aan dek stappen om, in gedachten, de reis mede te maken, vinden we er nog vele vrouwen, die gereedstaan om van hare mannen afscheid te nemen. Onder die vrouwen zijn ook Pieters vrouw en Moeder.

Schipper Rogiersz., die niet getrouwd was, en ook al sinds lang geen Ouders meer had, kon niet begrijpen, dat groote mannen zoo klein konden worden op het oogenblik, dat ze van vrouw, Moeder of Vader afscheid namen, en daar de gelegenheid nu gunstig was om te vertrekken, zoo naderde hij het afscheidnemende hoopje en zeide: „Gansbloed, zou men niet zeggen, dat hier eene stortzee overdek geslagen is? Wat beduidt al dat gehuil, al dat gelamenteer toch? Fij, en dat voor mannen! Komtaan, gij daar met uwe witte huiven, den valreep af, of ik neem allen mee om je in de Oost-Indiën tegen peper te verruilen.”

Hierop wenkte hij een’ sloeproeier, die, in de hoop van een vrachtje te krijgen, met zijne jol aan den wal lag.

De man begreep dat wenken best, maakte de jol los en roeide ze naar de „Muskaatboom”. Niet zoodra lag hij bij den nog uithangenden valreep, of schipper Rogiersz. riep hem schaterlachend toe: „Krijn, een hoop sliknatte, witte zeilen. Hallo, man, er is een mooie duit aan te verdienen. Breng ze naar den wal, dan kunnen ze droog zijn tegen den tijd, dat we terugkomen.”

De „witte zeilen” waarmede de vrouwen bedoeld werden, waren niet zoo goed, of ze moesten in de jol overstappen, en nauwelijks was dat geschied, of Pieter naderde den schipper, veegde zich met een’ zijner vuisten een paar tranen van de wang en sprak: „Tot uw’ dienst, schipper! Ik ben klaar. Wat wil u?”

„Wat ik wil? Bij mijne ziel, vraag-je dat nog? Ik wil onderzeil! Hoe eer hoe liever!”

„Goed, schipper!” luidde het antwoord, en onze wakkere eerste stuurman liet alles in orde brengen, en toen dit geschied was, werd de „Muskaatboom” van zijne ankers losgemaakt en--vooruit ging ze!

Aan den wal stonden nog vrouwen. Zij wuifden met handen en zakdoeken. Pieter Heyn wuifde terug, wischte nog tersluiks een’ traan weg, en .... klaar was hij. Van top tot teen was hij een zeeman, even als zijn schipper.

Aanvankelijk kon een man, als Rogiersz. was, moeielijk gelooven, dat iemand, die bij het afscheid nemen van vrouw of Moeder zich zijne tranen niet schaamde, een flink zeeman was. Hij meende, dat zoo iemand aan boord al heel gauw door een soort van heimwee zou overvallen worden, en dat hij in tijd van nood te week- en te flauwhartig zou zijn om flink aan te pakken. Het was dus geen wonder, dat hij van Piet Heyn en al dat ander „tuig van tranenknijpers” al heel weinig verwachting had, en spijt gevoelde, dat hij bij de aanmonstering van het volk er niet op gelet had, of het was als hij, zonder Ouders, vrouw of kinderen. Heel vriendelijk werden Piet Heyn en zijne teerhartige vrienden in den beginne door den schipper dus niet behandeld. Deze tegenzin in die „tranenknijpers” duurde echter niet zoo heel lang, want zijn scherpziend oog zag gauw genoeg, dat mannen met harten ook mannen van flinke daden konden zijn, en toen hij dat eenmaal gezien had, dacht hij er heel anders over en toonde hij voor al zijn volk een uitnemend schipper te zijn.

Reeds aanstonds bewees Pieter, dat hij nog wat meer kon dan tranenknijpen, want met vaste hand bestuurde hij de roergangers, zoodat de „Muskaatboom”, onder het lossen van een paar kanonschoten tot afscheid, statig en met vasten gang de rivier afzakte.

„Goede reis!” klonk het in alle stilte van den wal uit den mond des koopmans, en dat beduidde: „Maak maar goede zaken!”

„God behoede u!” fluisterden vrouwen en Moeders, terwijl ze bij den ingang der straat nog even naar de toppen der masten zagen, en men dacht er bij: „Wat zullen we blij zijn, als je weer terugkomt!”

„Vaartwel, vaart allen wel!” was de laatste uitroep van den matroos, die deze woorden uitsprak in het gebulder van het geschut, en hij verlangde al de vreugdeschoten te hooren bij de terugkomst. Die schoten klonken mooier, vond hij.

Na eene voorspoedige reis van vier dagen zeilde de „Muskaatboom” het Kanaal uit, en den Atlantischen Oceaan in, en heel de bemanning wenschte, dat die aanvankelijk gelukkige en voordeelige tocht eene voorspelling mocht zijn van een goed einde.

Maar, niets veranderlijker dan het weder, en niets zoo wispelturig als de wind.

Men mocht wenschen, wat men wilde, er zou gebeuren, wat gebeuren moest.

„Wel, stuurman, als we zóó in de Oost komen, dan mag dat wel met een krijtje aan den balk geschreven worden,” zeide koopman Evertsz. op zekeren avond, terwijl hij zich op het achterschip bij Pieter neerzette.

„Ja, koopman, dat geloof ik ook. Wij zijn de Linie al gepasseerd en naar ik van den ouden Marten gehoord heb, gebeurt het vaak, dat een schip daar soms weken lang ronddrijft zonder maar wat vooruit te komen.”

„Geloof niet alles, wat die oude zeerob vertelt. Hij krijgt de gebreken van den ouden dag en ziet altijd leeuwen op den weg,” luidde de opmerking des koopmans, die genoemden Marten, een’ ouden zeerob, die niet heel veel ontzag en eerbied had voor een’ koopman aan boord, ja, hem maar al te vaak als een „sta-in-den-weg” beschouwde, niet goed lijden kon.

„Het moge zijn, dat Marten te veel zwarigheden ziet,” hernam Pieter, „maar hij is veel meer dan wij een man van ondervinding. Op eene leugen heb ik hem nooit betrapt.”

„Hoe zou-je dat ook kunnen? Je bent toch, om zoo te zeggen, nog groen, want het is immers je eerste groote reis?” antwoordde de koopman. „Geloof me, ik, als koopman van de Compagnie, kan meepraten, want alle scheeps-journalen kreeg ik in handen. Ik zeg, dat Marten een groote spekschieter is, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben, omdat hij al meer reizen naar de Oost gedaan heeft. Mij kan hij althans niets wijsmaken; ik ben gelukkig wat meer belezen en zoo dom niet uitgevallen.”

Terwijl koopman Evertsz. zoo aan het grootspreken was, stond de man, over wien hij het had, tegen het achterschip, dat volgens den bouwtrant van die dagen veel hooger was dan het gewone scheepsdek. Op dat hoogere gedeelte van het schip, dat men de „Campagne” noemt, mogen alleen de Officieren komen, en aan boord van de koopvaardij-schepen behoorden stuurman en koopman daar ook bij. De mindere man mocht er alleen komen om schoon dek te maken, of als het hem bevolen werd, er werk te verrichten, en natuurlijk kwamen daar ook de roergangers, die den stuurman aan het roer moesten helpen, want sturen op zee is een veel te zwaar werk voor één’ man, vooral bij zware zeeën en als het schip de ruimte niet heeft, zoodat het veel moet uitwijken, evenals een rijtuig op een’ weg, waarop veel verkeer is.

Nu had Marten de wacht en stond dicht onder de campagne, zoodat hij alles hooren kon, wat de koopman zeide.

„Zoo’n blaaskaak,” mompelde hij. „Of hij den stuurman aan zijne zijde krijgen zal? Ik denk van neen, want die Pieter Heyn lijkt mij een flink zeeman.”

Pieter had op de grootspraak van koopman Evertsz. met geen enkel woord laten hooren, wat hij dacht.

Dat viel Evertsz. tegen en daarom zeide deze nu: „Ik hoop niet, dat gij zoo gek zult zijn als de schipper!”

„De schipper gek?” vroeg Pieter verstoord en driftig.

„Nu, gek! Ik bedoel niet, dat het hem in de bovenkamer hapert, dat niet. Ik wou hem alleen maar een beetje verstandiger en minder lichtgeloovig hebben. Ik houd het er zoo voor, dat de Compagnie eene betere keus had kunnen doen, en dat ze met hem wel wat bekocht is.”

„Maar, koopman,” riep Pieter nijdig en verontwaardigd uit, „hoe kan u zoo iets van schipper Rogiersz. vertellen? Hij te lichtgeloovig en te weinig verstandig! Hoe komt u er toch aan om dat te meenen? Maar aangenomen, dat hij die groote gebreken heeft, waarom heeft u het dan niet aan de Heeren der Compagnie gezegd vóór ze hem benoemden?”

„Nu, dat is vrij duidelijk. Toen wist ik het nog niet!”

„En weet gij het dan nu?”

„Ja! Hij luistert naar het geleuter van Marten! En wie een paar heldere oogen in een verstandig hoofd heeft, die zal het met mij eens zijn, dat Rogiersz. eigenlijk een groote sukkel is en niet verdient schipper van de „Muskaatboom” te zijn.”

„Maar, koopman, dat....”

Pieter hield zich eensklaps in.

„Nu, wat wildet gij zeggen?” vroeg Evertsz. „Ik houd van een rond en openhartig woord.”

„Welnu, als gij het dan weten wilt, hoor dan! Schipper Rogiersz. staat veel te hoog bij mij aangeschreven om te dulden, dat iemand, al was hij Zijne Excellentie Prince Maurits in persoon, hem minacht en minachtend over hem spreken durft. Evenals ik, doet gij voor de eerste maal de reis naar de Oost, maar zee zonder land zag ik toch dikwijls, en u nooit. Als zeeman heb ik dus recht om van schipper Rogiersz. te zeggen, dat ik zijne eerste dwaze en onverstandige daad nog zien moet. Maar behalve dat, gij moogt zoo niet over hem spreken, want dat is niets minder dan rebellie. Ik mag die taal ook niet aanhooren, want ook ik ben verantwoordelijk ervoor, dat het gezag van den schipper door ieder, van mij af tot den pluimgraaf, gehandhaafd wordt. En wat den ouden Marten betreft, eerlijk beken ik, dat ik dikwijls de schouders ophaal, als hij wat zegt, maar dat is geen spotten, dat is bekennen, dat ik het niet weet, en voor mogelijk houden, als ik zijne ondervinding heb, dat ik het óók voor waarheid houd. En nu heb ik het gezegd, zooals ik het meen met ronde en openhartige woorden, die ge zelf wildet. Euvel duiden zult gij ze mij dus niet! Ik wensch u goeden avond, koopman! Mijn werk wacht me!”

Pieter stond op en ging bij den man aan het roer om de noodige aanwijzingen te geven, doch Marten stond beneden bij de campagne van pret in de handen te wrijven, mompelend: „Die Heyn is een man naar mijn hart! Hij verstaat de kunst om iemand de volle laag te geven!”

De koopman had geen pret. Nijdig stond hij op om naar zijne hut te gaan, terwijl hij bromde: „Met zulk dom en betwijs zeevolk is de Compagnie over een paar jaren naar de maan!”

„Koopman,” riep Marten, die nu voor den dag kwam, „als u nog meer zulk moois van mij en den „Ouwen” weet, zoek dan een’ anderen winkel op om het kwijt te raken.”

„Je bent een brutale vent, en ik zal je op staanden voet aanklagen,” zeide Evertsz.

„Bij den „grooten sukkel” zeker?” sarde Marten.

Evertsz. bromde zoo iets, dat het tegenovergestelde was van iemand wat goeds toewenschen en trad zijne hut binnen. En als hij nu dagen aaneen maar heel weinig aan dek kwam, en dan bijna niemand te woord stond, gniffelde Marten: „Hij is zeker leelijk te haring gevaren en de graten zitten hem in de keel.”

Met ongekenden voorspoed ging alles tot ze zoo ongeveer op twintig graden Zuiderbreedte tusschen de eilanden Mauritius en Madagascar gekomen waren. Hoewel deze eilanden op de heenreis gewoonlijk nooit aangedaan werden, had de schipper besloten één dezer twee, ja, als het kon, beide aan te doen, in de hoop er wel iets te vinden, dat van hunne gading zijn zou. Het eiland Mauritius zelf was onder dien naam toen nog niet zoo bekend, doch de eilandengroep, waartoe het behoorde, kende men wel.

Het was nacht en daar het nieuwe maan was, vrij donker. Men stelle zich zulk een’ nacht evenwel niet voor als een’ van onze nachten. De lucht is in die streken veel helderder. In Perzië kunnen de nachten, waarin de maan niet schijnt, nog zóó helder zijn, dat men niet al te kleine letters zeer goed, enkel bij het licht der sterren, lezen kan, en hoewel het op zee, door de vele dampen, die opstijgen, nu niet zóó helder is, als in Perzië, toch zijn de nachten tusschen de Keerkringen, ook op den Oceaan, in den regel veel minder duister dan bij ons.

Pieter had de wacht en stond wat te praten met den roerganger, die ditmaal onze Marten was. Het gesprek scheen echter niet al te best te willen vlotten en dit bevreemdde Pieter, want Marten was een echt praatvaartje.

„Praktizeer-je over wat?” vroeg Pieter eindelijk.

„Ja, Stuur! Ik praktizeer zoo een beetje over het weer. Er zit wat in de lucht, dat niet goed is. Het schip werkt meer en de zee begint hol te staan. Ik vertrouw het zaakje niet!” Met dat „werken van het schip” bedoelde de oude matroos, dat hij de onderscheidene deelen van het schip, ten gevolge van de beweging der zee, tegen elkander hoorde wrijven. De uitdrukking: „het schip werkt,” wordt nog altijd in dien zin gebruikt.

„Het is ook drukkend heet! Er kon wel eens een stoker op til zijn.”