Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 8
„Wel neen, Moeder, de lust vermindert er niet door; integendeel, de lust wordt er door aangewakkerd om zoo spoedig mogelijk die verre landen te gaan bezoeken.”
„Dus je hebt dan nog altijd lust om....”
Pieter liet zijne Moeder niet uitspreken. Hij sloot het boek en haar aanziende, zeide hij: „Moeder, er zit u wat op het gemoed. Waarom spreekt u niet open en rond met mij?”
„Wel, jongen, doe ik dat niet?”
„Neen, Moeder! Er is wat, dat niet in orde is, en ge durft het mij niet ronduit zeggen!”
„Maar, Pieter!!”
„Ja, Moeder, doe maar zoo vreemd niet, alsof ik den bal geheel missla. Er zit u wat onaangenaams in den weg, Moeder!”
„Och, jongen, dat verbeeldt gij uzelven maar!”
„Neen, Moeder! Ik ben geen kind meer! Ik heb met mijne oogen leeren zien, en ik wil eens raden, wat ge op het hart hebt!”
„Dat kan-je toch niet! Zoo knap ben jij niet en is niemand.”
„Nu, we zullen zien! Omdat ik hier zit en geen’ penning in huis breng, ben ik hier zooveel, als het vijfde wiel aan den wagen.”
„Pieter, zwijg!” riep Moeder, terwijl haar de tranen uit de oogen sprongen.
„Luister, Moeder! Ik heb nog niet alles gezegd. Als het van u afhing, dan bleef ik mijn leven lang hier, al voerde ik geen slag werk uit. Dat weet ik, Moedertje! En zoo er sprake is, dat ik hier te veel ben, dan geldt dat u niet, dan geldt dat Vader en mijne broeders!”
„Uw Vader meent het zoo kwaad niet, jongen!”
„Dat weet ik wel, Moedertje, dat weet ik wel! En Jacob, Simon en Cornelis meenen het óók zoo kwaad niet. Maar de verdiensten zijn tegenwoordig zoo luttel, dat het hun wel ergeren moet, dat ik hier zit en niets doe om ook een stuk brood thuis te brengen. Ik wil eerlijk zijn en ronduit zeggen, dat ik als mijne broers zou doen, als één van de drie in mijne en ik in zijne plaats was. Ik heb al lang en breed gezien, hoe er gerekend en nog eens gerekend moet worden om den schralen pot betaald te krijgen, en daarom, ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een schip, en ga-je weer als tweede stuurman uit?”
„Een schip heb ik nog niet. Moeder! Het is hier alles doodstroom. Ik ga ten oorlog varen!”
„Ten oorlog, jongen? Doe dat niet, neen, doe dat niet! Je kunt niet beseffen, hoe ik in gestadige vreeze zal verkeeren, als ik weet hoe je dan telkens in gevaar zijt, doodgeschoten te worden!”
„Gekheid, Moeder! Niets dan overdreven vreeze. Heb ik het dan niet moeten ondervinden, dat iemand, die ter koopvaart uitgaat, zijn leven en zijne vrijheid ook niet zeker is? Een koopvaarder, al kan deze zich ook verweren, loopt altijd veel meer gevaar, in handen van den vijand te vallen, dan een welbemand en goed uitgerust schip van oorlog.”
„Ja, jongen, dat weet ik wel. Maar wie ten oorlog vaart, is genoodzaakt de gevaren op te zoeken. Een koopvaarder ontwijkt ze uit vrees voor de lading!”
Moeder Heyn was in al hare eenvoudigheid toch uitgeslapen, en Pieter zag geen kans dit tegen te spreken. Daarom zei hij dan ook: „Jawel, Moeder, dat is zoo. Maar ik verveel mij hier aan den wal, en ik neem maar, wat ik krijgen kan. Ik beloof u, dat ik, als ik anders kán, niet ten oorlog zal blijven varen. Ik laat mij slechts aanmonsteren voor één jaar, en is er dan een plaatsje op een’ koopvaarder, dan zal ik er naar mededingen. Het is dus maar voor tijd en wijl.”
„Nu, Pieter, als je mij dát belooft, ja, dan! Want het is, zooals je zegt, mijn jongen, de verdiensten zijn zoo gering, dat wij je niet dan met opoffering van een en ander, dat we toch moeielijk missen kunnen, voor niemendal den kost kunnen geven. Maar....”
Vrouw Heyn hield hare woorden eensklaps in, alsof ze vreesde iets te zullen zeggen, dat haar’ oudsten minder aangenaam zou wezen.
„Nu, moeder, spreek gerust uit, wat gij te zeggen hebt en maak van uw hart geen moordkuil, en al is het nu voor mij niet pleizierig om aan te hooren, dat doet er niet toe. Ik weet immers, dat uw goed hart er geen deel aan neemt?”
„Overhaast-je niet, meende ik te zeggen, doch .... een beetje haast maken zou toch geen kwaad kunnen. Dat kon er moeielijk uit, maar nu is het er uit. Je gelooft immers niet, dat Vader en--en--ik je wegjagen?”
„Wegjagen, Moeder? Wegjagen? Wat is dát voor praat? Gaat het dan aan, dat ik het brood, dat een ander in het zweet zijns aanschijns verdient, in luiheid help opeten? Ben ik niet vierentwintig jaar? Ben ik niet sterk, niet gezond, niet kloek? Wees gerust, lieve Moeder! Mijn eigen geweten jaagt mij de deur uit!”
„Zoo, Piet, zoo, mijn jongen! Nu ben ik gerust,” sprak Moeder en ze viel haar’ lieveling om den hals.
Nog dien eigen middag zocht Piet stuurman Nelissen op. Hij vond hem thuis.
„Zoo, Heyn, ben-je daar, jongen? Ik zie je tegenwoordig in het geheel niet! Is er averij aan boord, dat je mij komt praaien? Kom aan, leg dan aan stuurboordszij aan. Mijn bakboord is door de slagen van den Spanjool onklaar gemaakt!”
De Spanjaarden hadden onzen Nelissen zoo mishandeld, dat hij met het linkeroor niet al te best hooren kon. Kwam dus iemand aan dien kant zitten, dan verzocht hij zulk een, als hij ten minste op zijn gezelschap gesteld was, van plaats te veranderen en aan zijne rechterzijde te komen.
Pieter voldeed er dus ook aan en zette zich aan zijne rechterzijde neer.
„Verbeeld u, Moeder,” dus begon Nelissen tot eene oude vrouw, die zich ook in het vertrek bevond, „verbeeld u, dat deze jonkman met een’ haarbos als een leeuw, een half jaar geleden nog een kaal hoofd had.”
De stokoude vrouw, die wel van Nelissen alles van die galeien had hooren vertellen, doch die erg vergeetachtig was, lachte en vroeg of hij dan eene ziekte gehad had.
„Neen, Moeder, neen! Dat hebben de Spanjolen ons gebakken. Hebben we daar niet meer dan twee jaar met een kaal hoofd gezeten? Telkens als er een haartje te zien was, kwam er zoo een knul en begon ons hoofd te scheren. Ik geloof, dat ze van ons haar kabels gemaakt hebben, waaraan de heele Spaansche vloot voor jaren genoeg heeft. Maar alle gekheid terzijde, Heyn, dat lange haar staat je heel niet netjes. Je mag den barbier wel eens een paar duiten laten verdienen, anders gaan alle Delftshavensche meisjes voor je aan den haal, als ze je in de verte maar zien aankomen.”
„Dat is minder, Stuur! Ik heb nu heel wat anders in het hoofd om er aan te denken. Stel-je gerust! En zoodra ik weer een scheepsdek onder de voeten voel, laat ik weer stoppeltjes maken!”
„Een goed voornemen, maar, heb-je dan een schip?”
„Nu nog niet, maar, als het maar een beetje wil, zal ik er toch een hebben eer het avond is!”
„Papperlepap, wat eene verbeelding! Denk-je, dat de schepen tegenwoordig zoo maar voor het oprapen of grijpen liggen? Als dat waar was, dan zat ik hier niet als een baliekluiver bij moeder de vrouw. Je zult lang kunnen zoeken, eer je een schip hebt, maat!”
„Toch niet; ik ga ten oorlog varen. De verdiensten zijn er thuis niet naar om nog langer den luibak te spelen. Ik moet er uit, ten oorlog of ter koopvaart.”
„Jongen, je zegt daar zoo wat! Wacht even, ik ga mijne vrouw roepen; ze staat bij buurvrouw aan de waschkuip.”
Nelissen stond op en kwam een oogenblik later met zijne vrouw terug.
„Ga zitten, vrouw, ga zitten,” sprak Nelissen, en toen ze dat gedaan had, hernam hij: „Het is maar voor een oogenblik. Ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een gelukje gehad en ben-je weer aangemonsterd?”
„Neen, vrouw, nog niet! Maar hier, mijn makker Pieter, gaat zich voor één’ zeetocht ten oorlog verhuren. Dat ga ik ook doen! Ja, trek nu maar geen gezicht, alsof je een stuk van den zwabber in de gort vindt. Ik zeg maar, Pieter heeft gelijk. Beter blauwe boonen geblazen en messenvet uit te deelen, dan hier als een dooddoener van een’ slampamper aan den wal armoede en gebrek lijden. Dat had ik te zeggen, vrouw! We gaan samen naar Rotterdam en van avond komen we thuis, als mannen van oorlog.”
„Is je dat nu heusch ernst, man?” klonk de verwonderde vraag: „Ik kan het niet gelooven!”
„Waarom niet, wijfke? Denk-je, dat het mij niet hindert, als ik zie, dat je bij anderen uit het werken gaat om niet alleen onzen kinderen en onze oude Moeder, maar ook mij den kost te geven?”
„Toch hindert het mij, man! Er wordt ter koopvaart altijd meer verdiend!”
„Dat weet ik wel, maar als men nu maar niet op een’ koopvaarder klaar kan komen, dan zeg ik toch: beter wat dan niemendal. Verdien ik niet genoeg om het huisgezin te onderhouden, welnu, ga dan twee, desnoods drie dagen in de week uit werken. Als ik je van de zeven dagen er maar vier in huis houd, dan ben ik tevreden. Moeder kan ook niet goed meer weg, en alles doen, wat noodig is. Bovendien, als de Moeder niet thuis is, zijn de kinderen niet gelukkig. Dus, afgesproken. Na den noen ga ik naar Rotterdam en laat mij op een oorlogsschip aanmonsteren.”
Nelissen en Pieter begaven zich des middags samen op weg en toen ze hun’ ouden kameraad Willem Adriaansz. Blokmaker ontmoetten, haalden ze ook dezen over om dienst op de oorlogsvloot te nemen.
Nog voor het vallen van den avond kwamen ze thuis. Nelissen was eerste, Pieter tweede stuurman en Willem Blokmaker bootsman op „de Samson”, een schip van twintig stukken. De Kapitein van dien bodem was Gerbrandt Jansz. Sael, een wakker burger van Hoorn. Eene week later waren ze reeds aan boord, en eer men het jaar 1602 telde, kruisten ze al op de Noordzee, met het oogmerk, Spaansche oorlogsbodems op te pikken. Ieder oogenblik toch was Spanje genoodzaakt nieuwe manschappen naar de Nederlanden te zenden, en niet alleen de Staten, maar ook Engeland, trachtten dit zooveel mogelijk te beletten. Engeland deed dit niet, omdat het zooveel van de Republiek hield, maar omdat het er belang bij had, dat Spanje door den oorlog met de Nederlandsche gewesten steeds van zijne macht verloor. De Engelschen konden toen ook al rekenen. Nu liep er bovendien opnieuw een gerucht, dat in Spanje eene groote vloot uitgerust werd om het doel van de „Onoverwinlijke vloot” beter te bereiken dan deze gedaan had. Wat hiervan aan was, zegt de geschiedenis niet rechtstreeks, maar wel is het waar, dat Koningin Elizabeth van Engeland op grond van gemaakte overeenkomsten, de Staten uitnoodigde, ook eene vloot in zee te zenden om bij mogelijk gevaar niet overvallen te worden, maar bij de hand te zijn, evenals in 1588. De Staten voldeden hieraan, en zoo geschiedde het, dat omstreeks half April van het jaar 1602, Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde met een tiental oorlogsbodems zich naar Engeland begaf en te Duins tweehonderd Staatsche soldaten ten dienste der Koningin aan wal zette. De „Samson” kreeg met andere schepen van de vloot, die onder van Duyvenvoorde stond, eene andere bestemming, doch de Admiraal zette met de hoofdvloot koers naar Spanje en vereenigde zich daar met de Engelsche vloot, onder bevel van Admiraal Levison. In het gezicht van Lissabon werd de Spaansche vloot onverschrokken aangetast, zoodat de Spanjaarden genoodzaakt waren, hun heil in de vlucht te zoeken. Zes Spaansche galeien onder bevel van Don Frederik Spinola wisten echter te ontsnappen naar het Kanaal, en reeds waren ze in de Noordzee, niet ver van Duinkerken, waar ze in veiligheid zouden zijn, toen ze stuitten op eene andere Engelsch-Nederlandsche vloot van zeven schepen. Een dezer zeven schepen was de „Samson” met volk aan boord, waarvan enkelen belust waren en hunkerden om met den Spanjaard een appeltje te schillen.
Dus, zooveel als wraak nemen?
Ja! Wat anders?
Dat is slecht!
Best mogelijk, dat het niet goed is, doch wat doet hij, die een den oorlog verklaart, ooit anders dan wraak nemen. Oog om oog, tand om tand, wonde om wonde, buile om buile, dat is oorlog nu, dat was hij, dat zal hij zijn en blijven.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mensch of tijger?
„Weet-je, wat ik nu toch wel zou willen?” had Pieter een paar dagen geleden aan Nelissen gevraagd toen ze, misschien voor de zesde of zevende maal in eene week of drie tijds, de Vlaamsche en Fransche kust weer in het gezicht kregen.
„Je kunt wel zooveel willen,” meende Nelissen. „Ik zou ook wel wat willen.”
„En dat is?”
„Dat we een’ flinken koopvaarder onder de voeten hadden.”
„Valt de dienst je dan tegen?”
„De dienst niet!”
„Wat dan?”
„Vraag-je nog: wat dan? Vat-je dan niet dat het de vaart en alleen de vaart is?”
„Ik snap het toch niet!”
„Ben jij dan een zeeman? Spring zoo gauw mogelijk in een’ komenijs-winkel en weeg stroop af! Is dat eene manier van doen zoo dag aan dag, week uit, week in wat heen en weer kuieren, alsof er op den heelen aardbol geen ander zout water is dan de Noordzee! Bah! Dat is straatslijperswerk! Neen, duizendmaal liever hup, vooruit, als een koopvaarder, desnoods met eene vermolmde kast over het „Matrozen-kerkhof” om de Kaap! Dat is pas het echte zeemans-leven! Wat zou jij dan willen?”
„Precies hetzelfde, maar eer ik dat deed, wat anders doen!”
„Wat anders doen? En wat zou dat zijn?”
„Vraag jij dat nog? Jij, Nelissen?”
„Ik, en geen mensch anders!”
„Welnu dan, eer ik met eene vermolmde kast naar je zoogenaamd „Matrozen-kerkhof” ging, zou ik de „Lucera” met onzen beul eerst te pakken willen gehad hebben!”
„Stel dat uit het hoofd! Zoover van honk kuiert die man niet. De „Lucera” is geen galei voor de Noordzee.”
„Jawel, maar we zullen toch wel verder komen dan de Noordzee, denk ik. Ik heb er ten minste zoo een paar woorden van opgevangen.”
„Och, het volk, dat zich evenzeer verveelt, als wij ons vervelen, vertelt voor waarheid, wat het zoo gaarne gelooft!”
„Ik heb het niet van het volk. Ik hoorde het den Kapitein tot den schipper zeggen. En als ik wel gehoord heb, dan is het heen en weer kuieren op de Noordzee nu zelfs gedaan en gaan we al verder. Dat bevel moet gisteren gekomen zijn van den Admiraal. Mij dunkt, ik zie nu Duinkerken al liggen, en kijk, daar ginder ligt het Engelsche schip de „Hope”, Kapitein Robert Mansel.”
Het duurde niet lang of er kwam een boot van de „Hope”, waarin de Engelsche Kapitein zelf zat om Kapitein Sael te verzoeken, met hem en nog een paar andere Engelsche en Hollandsche schepen de wacht te houden op de Spaansche galeiën van Don Frederik Spinola. Admiraal Levison, die bij hem aan boord was, had dit bevolen.
„Zie-je nu toch wel, Nelissen,” zeide Pieter, „dat de galeiën wel in het Kanaal durven komen!”
„Dat ze het durven? Nu, als het er op aankomt, zou ik wel willen vragen: „Wat durft de Spanjaard niet?” De Spanjaarden mogen trotschaards zijn, doch laf zijn ze niet. Maar nu er dan toch Spaansche galeiën hier zullen komen, zou ik wel willen om een’ zak vol dukaten, als ik ze maar had, dat de „Lucera” er bij was. Jongen, Pieter, wat zou ik hem van laken geven! De wol zou er afstuiven, reken er op!”
„Wie weet wat gebeurt. Maar ik ga nu ter kooi, want ik heb de hondewacht. Gegroet! Als hij komt, je weet wel wien ik bedoel, dan laten roepen, hoor! Samen geleden, samen afrekening houden! Dat klopt!”
„Slaap er gerust op, Pieter! Als hij komt, dan zullen we het er samen van hebben. Den zegen, maat!”
Dien nacht was er evenwel nog niets van de Spanjaarden ontdekt, doch tegen den middag zei Pieter opeens tot Nelissen: „Heb ik het wel, dan komt ginder wat. De Engelschman schijnt ook wat in de doppen te krijgen. Maar die mist, die mist! Er valt zoo goed als niets te zien, en als wij niet heel goed op onze tellen passen, dan kuiert de Spanjool ons zoo netjes voorbij, als je het nog nooit gezien hebt. Wij zullen er dan niets van bemerken!”
„Tut-tut! Ongemerkt voorbijkomen? Een zeilschip mogelijk, maar eene galei niet. Zoo’n groote honderd riemen maken daarvoor immers veel te veel geweld, en....”
Hij zweeg eensklaps en hield de holle hand achter het rechteroor en luisterde blijkbaar scherp.
„Wat is er te hooren?” vroeg Pieter.
Nelissen’s gezicht, dat er zoo ontevreden uitgezien had, helderde op, en met oogen, die van blijdschap straalden, zeide hij: „Het zijn galeien, die naderen. Ze zijn zelfs al dichtbij, maar om ons te pieren hebben ze de roeidollen alweer met leder bekleed. Je kent dat kunstje van ouds!”
„Wat te hooren, stuurman?” vroeg Kapitein Sael nu op Nelissen toetredend.
„Spaansche galeiën, Kapitein! Ze zijn al dichtbij! Als de galei er nu maar bij is, die ik bedoel!”
„Zoo? Zijn er galeiën waaraan je kennis hebt?”
„Of ik, Kapitein! Ik heb meer dan twee jaar op de „Lucera”, als galei-slaaf, moeten roeien, en ik ben er met mijne makkers behandeld geworden, als een dolle hond!”
„En denk-je, dat de „Lucera” er bij is?”
„Ik weet het niet zeker, Kapitein! Ik hoop het!”
„Ei, ei, liggen zijne boontjes in de week?”
„Of ze, Kapitein! Ik zal....”
„Stil, stuurman! Er komt een koeltje! Kijk de mist eens optrekken! Daar zijn de galeiën!”
„Hoezee! Hoezee!” riep Nelissen, en naar Pieter loopende, die even tusschendeks gegaan was, klonk het: „Pieter, onze bekende is er! Kom, jongen, kom! Hoezee!”
Daarop liep hij weer naar het dek.
„Is de „Lucera” erbij, Nelissen?” vroeg de Kapitein. „Ik ken ze niet.”
„Ja, ja, Kapitein, die middelste is het. Ze zal immers onze partij zijn, Kapitein?”
„Misschien, stuurman, misschien! Dat hangt van omstandigheden af.”
„En van den Engelschman?”
„Ook al!”
„Als die dan maar niet bang is!”
„Sir Mansel bang? Evenmin als de beste Hollander, stuurman! Reken er op, als het van hem afhangt, dat we werk aan den winkel krijgen.”
„Het is te hopen! Mijne handen jeuken om aan den slag te gaan.”
„En de mijne ook,” liet Pieter zich hooren.
„Best, mannen, best! Maar, Nelissen, ga nu eens met die jeukende handen aan het roer! Houd eene streek meer Noord, ééne streek is genoeg.”
Weldra was Nelissen aan het roer.
„Het gaat goed! Het gaat best,” sprak de Kapitein, die bij zijn’ eersten stuurman stond. „We steken den luî prachtig de loef af. Niets beter toch dan een zeilschip, als er wind is. Wat beduidt zoo’n logge galei dan? Hoort me die riemen eens slaan! Ze zetten het op alle haren en snaren om het van ons te winnen!”
„Arme menschen,” zeide Pieter, die toch nu een oogenblik van medelijden had, „elk voetje terug kost-je een zweepslag! Nu, stakkerds, je zult gauw genoeg uit je lijden zijn! Rekent er op!”
„Een vreeselijk lot toch! Geketend aan de roeibanken, worden ze eenvoudig, als onderdeelen van het schip beschouwd. Geen mensch, die eene hand uitsteekt om hen te redden, als de schuit naar den kelder gaat! Maar, daar gaat de Engelschman den Franschen wal halen. Goed gedaan! Duinkerken is te dicht bij, en vijf minuten mist, hup, ze zijn in veiligheid,” sprak de Kapitein.
„Mag ik raad geven, Kapitein?” vroeg Nelissen.
„Jawel! Wat zou-je willen?”
„Wat ik wil, Kapitein? Ik wil met de „Samson” die kast in den grond zeilen. Ons schip heet niet voor niemendal naar dien ouden Richter van Israël!”
„Doe wat je kunt! Ik geef vergunning! Ten minste zoo lang we den boêl niet in de war sturen!”
De Bevelhebber der Spaansche vloot, die aanvankelijk plan scheen te hebben, met zijne overmacht zich op de Engelschen en Nederlanders te werpen, gaf, het groote Engelsche Admiraalsschip ziende, last om terstond de zeilen te geien, en begon tegen den wind in terug te roeien, om vervolgens, onder begunstiging van het nachtelijk donker of den mist, zich stil uit de voeten te maken en dan vervolgens te trachten, de havens van Duinkerken of Nieuwpoort te bereiken. Sir Levison, de Engelsche Opper-bevelhebber, die een ervaren zeeman was, begreep evenwel terstond de bedoeling van Spinola, en gaf Kapitein Jones van de „Advantage” last, naar Sluis te loopen en daar de Staatsche schepen te waarschuwen voor de plannen, die de vijand duidelijk toonde te hebben. Spinola scheen in het eerst niet te vermoeden, dat men hem begrepen had, doch het gestadig vuren van het Engelsche Admiraalsschip, zonder dat de kogels hem konden bereiken, benevens de lantaarns, die Sir Levison in de stengetoppen voerde, maakten het hem ten laatste duidelijk, dat dit alles slechts eene waarschuwing voor andere vijandelijke schepen was, en dat het niet lang zou duren, of hij zou zich tusschen twee vuren bevinden. Hij veranderde derhalve van koers, en tegen den avond was hij zoo dicht onder de Engelsche kust, dat verscheidene Turksche galei-slaven, na hunne boeien doorgevijld te hebben, zich in zee wierpen en zwemmende den oever bereikten.
Hadden al die arme mannen dat maar kunnen doen! Ingeval er gevochten zou worden, waren zij immers geheel weerloos en werden door vriend noch vijand ontzien.
Intusschen begon de wind te liggen. Dat was iets in het voordeel der galeien, die er een goed gebruik van maakten ook.
Toch liep Spinola, die door het wijken van den Engelschen Admiraal naar de Fransche kust in den waan gebracht was, dat men van het vervolgen afgezien had, leelijk in de fuik, en de Engelsche en Nederlandsche schepen, die bij Duins lagen, in den boeg. Deze ontvingen hem niet heel malsch, zoodat Spinola genoodzaakt was, af te houden. Thans zou hij mogelijk den dans ontkomen zijn, ware niet de wind opgestoken. Levison maakte hiervan gebruik en sneed den Spanjaard den koers af. Het werd aardedonker, en reeds meende Spinola op weg naar Sluis te zijn, toen Levisons schip de „Hope,” hem ontdekte en de volle laag gaf. Hoewel hoofdzakelijk op goed geluk af was gevuurd, werd van de vijandelijke galei de groote ra afgeschoten en de schuit zelve, dat is de romp van het schip, werd zoo doorboord, dat men de galei-slaven en de bemanning om genade en hulp hoorde schreeuwen. Terwijl men deze galei naderde en de gevangenen wilde overnemen, naderden de vijf andere galeiën. De Engelschen lieten nu het gehavende schip aan zijn lot over en vielen de overige vijandelijke vaartuigen aan, die schielijk ter zijde weken.
Om tien uren evenwel verdeelden zich de donkere wolken, die in het Zuiden en Zuidoosten opeengepakt waren en de maan goot haar licht over het watervlak.
„Daar is de „Lucera”! Daar is de „Lucera”!” juichte Pieter, die nu aan het roer stond.
„Kijk, kijk, die beul Calliado staat bevelen uit te deelen,” riep Blokmaker. „Ik herken hem! Hij is het, en geen mensch anders!”
De „Lucera” scheen op de „Samson” te winnen.
„Zet alle zeilen bij!” beval Kapitein Sael.
„Wil ik je helpen, Pieter, mijn jongen?” vroeg Nelissen.
„Dank-je! Kan het wel alleen af!” bromde Pieter en geloofde in alle eenvoudigheid, dat God hem zijn’ beul in handen had geleverd, om hem de wreede mishandelingen betaald te zetten.
Dat Pieter zijn’ Bijbel trouw las, wil ik gaarne gelooven; dat hij zijn’ Bijbel begreep, betwijfel ik.
Maar men valle den jongen man niet te hard. Het is gemakkelijk gezegd: „Men mag geen kwaad met kwaad vergelden,” als men niet in de gelegenheid komt om zich te wreken. Maar komt die gelegenheid, nu, de groote Spreukschrijver zeide het al: „Wie zichzelven overwint, is sterker dan hij, die steden verwoest.” Bovendien was Pieter niet alleen baas. Al had hijzelf het schip eene andere richting willen geven om zijn’ vijand te laten ontkomen, het volk zou hem het roer uit de handen gerukt hebben, en trots zijn tegenstreven, wraak hebben uitgeoefend. Maar Pieter behoefde de manschappen niet aan te vuren, en er was geen oogenblik sprake van om hem het roer uit de handen te rukken. Hijzelf wilde wraak nemen en hij knarsetandde van woede en spijt, als hij zag, dat de „Lucera” ook maar iets op de „Samson” won. Zonder twijfel werden de arme galei-slaven met vreeselijke slagen aangedreven, zoo krachtig te roeien, als slechts in hunne macht was.
Maar zweepslagen belett’en den wind niet, te doen, wat deze kan. Zie, de zeilen van de „Samson” zwellen weer!
„Hoezee, dat gaat er op los! Hoezee!”
Het daverend gejuich der rauwe, Hollandsche varensgezellen wordt op de „Lucera” gehoord.
Hoort die zweepslagen eens neerkomen!
Hoort die riemen zich met verbazende snelheid in het water bewegen!
Het leder springt door de krachtige wrijving uit de dollen!
Men hoort op den Hollander de slagen, die op de ruggen, vol bloedige wonden, nederdalen, striemend neerkomen. Men hoort het brullen van pijn en van woede, dat de weerlooze, geketende kaalhoofden na elken zweepslag laten hooren.