Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 7
Een troost is het vaak voor een lijdend mensch aan een ander mensch zijn leed te klagen. Ook dát mochten de galeislaven niet. Ze moesten stom naast elkander zitten en geen woord spreken. Gebeurde dat, zooals nu gebeurd was toen de mannen van „de Maze” op de galei kwamen, en ze door de slaven, die er al waren, vervloekt en uitgescholden werden, dan vond de man met de zweep dit wel aardig, en dat spreken liet hij lachend toe, doch ander spreken niet, en toen de eerste stuurman tot Pieter zeide: „Wel, nu nog mooier! Je zult zien, Heyn, dat wij zelf nu zullen moeten medewerken om onze landgenooten ook op de galeien te brengen,” daalde de zweep neer en striemde de nauwelijks met wat vodden bedekte huid van den arme, die het waagde een woord te spreken.
„Leelijke schildpad, mogen wij hier met elkander niet praten?” vroeg Pieter op brutalen toon.
Een tweede zweepslag, heviger dan de eerste, doch nu op Pieters schouders, was het eenige antwoord.
Pieter verkropte zijn leed zoo goed mogelijk en deed, alsof de slag hem geen pijn gedaan had.
Ondertusschen hadden de schipper en Dirksz. al eens beproefd of ze, ter stilling van den dorst, want nog altijd hadden ze geen druppel drinken gehad, niet wat zeewater met de hand konden scheppen. Doch pas hadden ze hiertoe pogingen aangewend, of er daalden op de handen, nog rood van de koorden, waarmede ze gebonden waren geweest, ook zweepslagen neer. Jan Dirksz. gaf een’ gil van pijn, en toen Pieter eens even omkeek, ontving hij weer een’ slag en ditmaal vlak over de wang. De tranen sprongen hem uit de oogen, doch al zwol de wang ook op, al was de pijn snerpend en fel, geen klacht kwam over zijne lippen.
Eindelijk werden eenige kruiken met drabbig water en een paar hompen droog brood gebracht.
Als honger rauwe boonen zoet maakt, dan werd het hier bewezen; want de arme mannen deden, na zooveel honger en dorst geleden te hebben, een koningsmaal.
Men roeide dien dag gestadig heen en weer, en hoewel iedere slaaf zeer goed aan de beweging der galei bemerkte, dat men niet meer in de haven, maar in volle zee was, zoo kon hij toch niet ontdekken, waar ergens hij zich bevond. De roeibanken waren veel te laag om in zee te kunnen zien. Men vermoedde evenwel, dat Don Calliado op den uitkijk was of hij nog niet een tweede Nederlandsch schip zag. Hij kruiste evenwel tevergeefs rond en toen het avondschot, van een nabijgelegen fort aan den wal, viel, roeiden ze de Taag op en werden ze, in de nabijheid van het schip, in een hok gebracht om daar den nacht door te brengen, of te wachten tot men hen riep om opnieuw de galei voort te roeien.
Gelukkig was dit hok veel grooter dan het andere, en het dak was voor een gedeelte open, zoodat ze over gebrek aan versche lucht ook niet te klagen zouden hebben. Eenige bossen stroo en riet lagen daar op den kalen grond, en hierop konden zij zich uitstrekken om in den slaap te vergeten, dat ze ellendige galei-slaven waren, en te droomen van .... ja, waarvan zoo al? Eigenlijk van alles.
En ook Pieter had een’ droom. Hij zag zijne Moeder het huis uitgaan en spoedig daarop terugkeeren met een’ vollen geldbuidel. Op dien zak stond wat geschreven; maar wat, dat kon hij niet lezen. Zij lachte hem vriendelijk tegen en kwam met een’ doek, met koud water bevochtigd, om hem de gloeiende wang te verkoelen.
„Houd maar moed, mijn jongen,” dus hoorde hij haar zeggen, „over een paar maanden ben-je vrij. Wij zullen je loskoopen!”
Toen ze dit gezegd had, keerde ze den zak hem zóó toe, dat hij lezen kon, wat er opstond. Hij las: „Matroozen-troost.”
Pieter werd van blijdschap wakker en voelde nu, dat de regen, die door de openingen van het dak viel, hem het gelaat verkoeld had. Dat was dan de doek met koud water van zijne lieve Moeder geweest. Maar over dien doek dacht hij niet meer. Hij dacht alleen aan „Matroozen-troost” en aan het geld, dat in den zak was, om hem vrij te koopen.
Thans stond hem alles klaar voor den geest. Hoe dom was het van hem geweest, dat hij er niet reeds dadelijk aan gedacht had, dat hij lid was van eene vereeniging, die zich ten doel had gesteld, gevangengenomen varensgezellen vrij te koopen! Ja, hij herinnerde zich wel, dat er altijd gesproken was van gevangengenomen worden door Duinkerksche kapers, maar hij meende, dat de hulp van „Matroozen-troost” zich ook wel uitstrekken zou tot hen, die nu op de Spaansche galeien zaten. Vol blijdschap en hoop, dat hij althans niet gedoemd zou zijn, lang die martelingen te ondergaan, viel hij opnieuw in slaap en werd eerst wakker toen zijn kameraad hem aanstootte en zeide: „Als je soms nog wat te zeggen hebt, doe het dan nu! Als we straks aan boord zijn, wordt ieder woord, dat wij spreken, met een’ zweepslag gestraft.”
Pieter vertelde hem thans zijn’ droom, en de hoop, die hij had, vrijgekocht te zullen worden.
„Hoop doet zelfs een’ galeislaaf leven,” antwoordde Nelissen, „maar die hoop bestaat voor ons niet. „Matroozen-troost”, waarvan ik ook lid ben, koopt alleen mannen vrij, die door Duinkerkers gevangengenomen worden. Dat er ook zoo iets met onze matrozen in Spanje en Portugal zou kunnen gebeuren, hieraan heeft men nooit gedacht en daarom is de jaarlijksche bijdrage ook zoo laag. Een schat van geld zou er te kort komen, als „Matroozen-troost” ook ons moest loskoopen. Voor mijzelven heb ik dus hierop heelemaal geen hoop, en als ik ze toch nog heb, dan is het om wat anders. Aan de Algerijnsche slavernij wist ik door de vlucht te ontkomen en dat ook hier eens te kunnen doen, is mijn eenige troost, hoewel de kansen veel geringer zijn, want vergeleken bij de behandeling hier, hadden we in Algiers een prinsen-leventje. Het kan evenwel zijn, dat Don Calliado de wreedste van alle Spaansche Scheepskapiteins is, en dat we er later een’ krijgen, die minder tijger en meer mensch heet, want ook onder de Spanjaarden zijn mannen met edele harten. Denk maar eens aan den nobelen, dapperen, eerlijken en braven Mondragon.”
„En als die Calliado nu hier blijft en we geen Mondragon krijgen?”
„Ja, dan is het eindje de dood. Maar misschien heeft je Moeder of je Vader een’ vetten spaarpot of een’ vriend met eene goedgespekte beurs. Als dat zoo is, ja, dan is er hoop om losgekocht te worden voor jou, maar ook voor jou alleen!”
Pieter was ineens ternedergeslagen.
Wat had hij zich in die enkele oogenblikken niet al verheugd! En nu?
„Moeder heeft geen geld!” zeide hij met groote tranen in de oogen.
„Welnu, dan is je lot, evenals het onze, ook beslist! Dan blijf-je hier tot aan je dood!”
„O, lieve Heer! Zóó lang! Zóó lang!” kermde Pieter.
„Welneen, vriend, niet lang! Of, laat ik vragen: wat noem-je wel lang? Laat hooren!”
„Wat lang is? Wel, veertig jaar bijvoorbeeld!”
Stuurman Nelissen begon te lachen.
„Dus,” hervatte hij op eenigszins spottenden toon, „je denkt dat iemand op de galeiën twee-en-zestig jaar oud wordt?”
„Gisteren zat er vlak voor ons één, die zeker ouder was!”
„Goed; maar wanneer is die man hier gekomen? Niet ieder wordt jong al galeislaaf. Dat gaat hier als met den dood. De menschen sterven op alle leeftijden; de galei-boeven komen hier met alle mogelijke jaren achter den rug. Ik ben straks vijftig!”
Pieter ontroerde. Wat was die Nelissen vreeselijk hard en koud in zijn spreken. Maar....
„Misschien heb-je in het geheel geen familie, dat je er zoo koud over praten kunt!” sprak Pieter.
„Geen familie?” zeide Nelissen nu opeens bijna snikkend. „Geen familie? Ik heb eene oude, lieve Moeder, die ik onderhoud. Ik heb eene vrouw en vijf, nog jonge, kinderen. Heb ik geen familie?”
„Ja, Nelissen, dat heb-je, man! Maar hoe kan-je dan toch zoo onverschillig spreken?”
„Dat is zoo mijne manier, Pieter! Maar nog altijd ben-je het antwoord op mijne vraag schuldig gebleven. Wat noem-je lang?”
„Nu, dat heb ik gezegd: veertig jaren!”
„Veertig jaren? Pieter, Pieter, wat ben-je nog onnoozel! Eer we vier of vijf jaar verder zijn, dan zijn we geen galeislaven meer! Dan is alle leed, dan is alle smart vergeten! Dan zijn we dood!”
„Maar dat meen-je toch niet?” riep Pieter, voor wien het leven nog zooveel heerlijks had. „Neen, neen, dat is bangmakerij! Dat kan-je niet meenen!”
„Volstrekt geen bangmakerij, mijn jongen! Ik meen het wel en ik ben er van overtuigd, dat het zóó is en niet anders. Maar wat ik zeggen wil: Ik heb zooeven verteld, dat „Matroozen-troost” hier niet helpt! Heb ik niet?”
„Ja, en....”
„Maar ~troost~ is er voor arme ~matrozen~, die aan de galei-banken geklonken zijn, toch.”
„O ja, de troost, dat hij ontvluchten kan. Wanneer zullen we dat eens beproeven?”
„Zeker, dat is een troost, maar .... het is een schrale troost, mijn jongen! Men ontvlucht, als er eene gunstige gelegenheid is, en die doet zich maar zelden voor. Neen, als de zeeman op de baren rondzwalkt, te midden van den storm, zonder roer, en ieder oogenblik in gevaar op eene klip het schip te bersten zien stooten, dan blijft hem altijd nog één troost over, en die is, dat de Groote Man daarboven,--neem me niet kwalijk, dat ik Hem zoo noem; Hijzelf zal dat ook wel niet kwalijk nemen,--dat de Groote Man daarboven ook een Vader is voor arme zeelui, die in nood en in doodsangst verkeeren! En zoo, Pieter, denk ik er hier ook maar over. Dat is nu mijn „Matroozen-troost”. Een mensch kan zijn lot niet ontloopen, en dat lot te dragen, in het volle vertrouwen op den Grooten Man, dat geeft kracht om in het leven te blijven, zoolang men kan. Dat geeft lust om te hopen, zoolang men leeft!”
Pieter voelde zich door de woorden van den zeeman, die op het oog zoo ruw en onverschillig leek, heel wat opgeruimder gestemd. En al ontving hij dien dag ook bij slecht water en droog brood menigen onverdienden zweepslag, hij bleef vrij kalm en gelaten in zijn lot.
Zoo gingen weken, ja, maanden voorbij.
De helft der manschappen had de roeispaan al voorgoed nedergelegd, met andere woorden, was onder nameloos lijden bezweken. Tot dezen behoorden Jan Dirkz., Govert en de schipper. Langzamerhand hadden al de Spaansche galei-slaven plaats gemaakt voor gevangengenomen Nederlanders; maar al duurde het ook nóg zoo lang, de tienduizend slagen van Don Calliado schenen nooit uitgeteld te zijn. Dag aan dag daalden ze striemend neer; dag aan dag was het drinkwater slecht en het brood bijna oneetbaar. De dunne kleederen hingen er aan lappen en vellen bij, en de gevolgen van de gedwongen onreinheid, neen, die verzwijg ik liever maar. Ze passen niet voor een jong oor.
En geen berichten uit het lieve Vaderland! Hoe zouden die er ook komen? De Nederlanders, die op „de Lucera” de Spanjaarden vervingen, waren omstreeks denzelfden tijd als zij, gevangengenomen. Hun nieuws was dus voor hen geen nieuws, maar wat ouds.
Hoorden ze maar eens wat! Het was wel niet nobel en goed, maar bijna verlangden ze naar een andermans leed, en hoopten ze, dat er weer eens een Nederlandsch schip zou genomen worden, en dat de bemanning dan hun lot op „de Lucera” kwam deelen. Konden ze op de roeibanken ook al niet met elkander spreken, des nachts was er toch wel gelegenheid voor. Wie weet, wat men dan vernemen zou, want dat de zaak voor Spanje in Nederland slecht stond, slechter dan toen ze het Vaderland verlieten, dat stond bij allen zoo vast, als een paal boven water.
Maar--hunne hoop werd niet vervuld, want toen men in de Republiek wist, wat er in Spanje met de Nederlandsche schepen en de bemanning gebeurde, kwamen er geen schepen uit het Vaderland meer.
„Zouden Vader en Moeder Heyn, Simon, Jacob en Cornelis nog leven?” dacht Pieter vaak.
Och, kon hij hun maar eens wat, al was het nog zoo weinig, van zich laten hooren! Hoe hard de slavernij ook ware, hij zou tevreden geweest zijn.
Maar zij daar in het Vaderland, hoorden niets! Ze wisten niets, en ook hij, hij hoorde niets en wist niets!
Arme menschen!
Zoo waren ze reeds meer dan twee jaren op de galeiën. Nog altijd bevond stuurman Nelissen zich goed bij zijn’ „Troost der Matrozen”. Nog altijd bleef hij hopen! En als Pieter eens dreigde moedeloos te worden, dan zeide Nelissen: „Hoor eens, kompeer, je kunt lezen, en je Bijbeltje, dat je nu al zóó lang en zóó handig voor het oog van de Spanjolen hebt kunnen verbergen, geeft je, naar het schijnt, ook al niet veel. Ik heb geen Bijbel en kan er dus des morgens niet in lezen, maar zonder Bijbel breng ik het verder dan jij met een. Je leest zeker niet goed, anders zou-je niet zoo neerslachtig en hopeloos wezen.”
„Wat valt er dan te hopen?” vroeg Pieter korzelig. „Het komt me voor, dat jij het meer doet dan ik!”
„Wel, dat doe ik ook. Is er in de laatste dagen niet eene groote verandering ten goede gekomen? Hebben we, als Capitano van de nachtwacht, in Don Fernando niet iemand gekregen van het goede soort, als Mondragon was? Mogen we ons niet iederen avond en morgen flink wasschen? Kregen we geen beter stroo om op te slapen? Zorgt hij niet dat ons brood goed en ons drinkwater zuiver en frisch is? Heeft hij ons ooit onverdiend laten slaan? Moet hij ons den eersten snauw nog niet geven? Toe, antwoord hier eens op!”
Misschien dat Pieter dit zou gedaan hebben, doch een vreemd geluid buiten de deur in de gang deed niet alleen Pieter en Nelissen, maar ook al de anderen opspringen, en een: „Wat zou dat zijn?” klonk uit aller mond.
[Illustratie: „Hop, hop, mannen! Ik heb je wat goeds mede te deelen!” (Bladz. 85).]
De deur werd geopend en vóór hen stond een Officier, een ander dan Don Calliado, en deze riep: „Hop, hop, mannen! Hop, ik heb je allen, voor zoover gij Nederlanders zijt, iets mede te deelen!”
Er waren onder deze galei-slaven geen andere dan Nederlanders, zoodat allen op dat geroep voor hem kwamen staan, nieuwsgierig om te weten, wat de Capitano, die er op het oog zoo grimmig en bar uitzag, doch die innerlijk zulk een nobel en goedhartig man was, te zeggen had. Hier was het werkelijk: „de schijn bedriegt.” Hoe vele Spanjaarden ook al door deze arme Nederlanders verwenscht waren, hem hadden ze nog nooit verwenscht, ja, als ze maar geen galei-slaven van de Spanjaarden geweest waren, dan zouden ze hem inderdaad liefgehad hebben.
„Mannen,” dus begon hij, toen allen stonden, „ik heb u een heuglijk nieuws mede te deelen. Gij allen zijt vrij!”
Tot zijne verwondering gaven de slaven geen enkel bewijs, dat zij er verheugd over waren.
„Hoe nu? Wilt gij liever hier blijven dan dat gij naar uw Vaderland wederkeert?” vroeg hij hartelijk.
„Wij kunnen het niet gelooven, Senor!” zeide Nelissen.
„Nu, ik kan u het geloof niet anders geven dan u nogmaals te zeggen: „Gij zijt allen, allen, niet één uitgezonderd, vrij!”
„Senor,” hernam Nelissen, „wees niet boos, dat we u nog niet gelooven! Zeg ons hoe het komt, dat we vrij zijn!”
Don Fernando lachte en zei: „Waarom zou ik boos zijn, man? Ik wil u met alle genoegen uitleg geven. Verleden jaar heeft Prins Maurits,--een kranig veldoverste, dat moet ik bekennen,--eene schitterende overwinning op de onzen behaald bij zeker stedeke Nieuwpoort, in Vlaanderen. Tot hen, die gevangengenomen zijn geworden, behoorden vele aanzienlijke mannen. De aanzienlijkste van allen evenwel is de Admirant van Aragon, onze dappere en knappe Mendoza. Hij is tegen u allen in de schaal gelegd, en weegt zooveel als gijlieden te zamen. Ge wordt tegen hem uitgewisseld!”
Thans steeg er een oorverdoovend gejuich onder de gevangenen op, en toen ze van hunne voetboeien bevrijd waren, begonnen sommigen van louter blijdschap zich aan te stellen, als halve krankzinnigen.
Pieter stond van vreugde in een’ hoek te weenen. Toen kwam Nelissen bij hem en fluisterde hem in het oor: „Wel, is de „Troost der Matrozen” goed of niet? Wat zegt gij nu van dien Grooten Man daarboven?”
„Dat ik Hem mijn leven lang dankbaar zal zijn, Nelissen, voor Zijne hulp in nood! Dat zàl ik!”
„Goed, en .... dat ge voortaan ook op Hem vertrouwen wilt, nietwaar? Niets maakt een mensch in ongeluk, in leed en in ramp zóó sterk, als dat vertrouwen op den goeden God. Wij zijn altijd en overal Zijne kinderen,” zeide Nelissen, waarop beiden de anderen volgden, die onder geleide van Don Fernando naar de haven gebracht werden, waar men hun op zijn bevel, misschien wel op zijne kosten, niet alleen van eten en drinken, maar ook van geschikte kleederen voorzag. Een tegenvaller was het echter, dat er geen schip lag, dat hen naar het Vaderland kon brengen, zoodat ze meer dan eene maand lang geduldig moesten wachten. Gelukkig bleef Don Fernando uitstekend voor hen zorgen, dat ze aan niets gebrek leden, en in een der vertrekken van het arsenaal door niemand werden lastig gevallen. Trouwens, de Portugeezen waren zoo kwaad niet, want ze waren ook geen vrienden van de Spanjaarden en hoopten maar, dat zij eens zoo gelukkig zouden wezen, als de Nederlanders, die hun Vaderland van de Spaansche overheersching hadden bevrijd. De Portugeezen ondervonden ook hoe zwaar de Spaansche verdrukking woog.
Eindelijk, na meer dan eene maand wachtens, kwam er een Antwerpensche koopvaarder, die, na lading ingenomen te hebben, ook de Nederlandsche vrijverklaarden aan boord nam.
„Eén geluk, maat,” zeide Piet, terwijl hij met de hand langs zijn hoofd streek, „ik kan weer stoppeltjes aanpakken. Ik zou verlegen geweest zijn om met zulk een’ vollemaans-knikkerbol in Delftshaven te komen. Wie weet welk een’ leelijken bijnaam ik zou gekregen hebben.”
Hij streek hierop met de hand langs het hoofd en vervolgde: „Het is nog wel geen wildernis, zooals Moeder het wel eens noemde, maar ik kan toch alweer stoppeltjes voelen, weet-je!”
In den Herfst van het jaar 1601 werden al de voormalige galei-slaven te Vlissingen aan den wal gebracht en ieder repte zich om zoo spoedig mogelijk tot de zijnen terug te keeren. Stuurman Nelissen vond Moeder, vrouw en kinderen wel doodarm, doch gelukkig gezond weder. Ook Pieter was even gelukkig, en toen de eerste vreugde over de behouden terugkomst wat over was, en Pieter in korte woorden zijn lijden verteld had, streek Moeder hem de hand over het hoofd en zeide lachend: „Kind, dat korte haar staat je vrij wat beter dan het verwaaide vlasveld van vroeger.”
Misschien meende Pieter dat ook wel, want wie een zijner portretten ziet, zal bemerken, dat hij zeer kort haar droeg.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Wat oorlog is.
Toen Pieter eenige weken thuis was geweest, zag Moeder wel, dat het haar’ man niet naar den zin was, dat een sterk jongmensch van vierentwintig jaar, zonder iets ingebracht te hebben en zonder ook iets te verdienen, zijn’ Ouders zoo lang tot last was. De voormalige Watergeus toch, eens een man, die niet wist wat ziekten en gebreken waren, begon af te takelen en kon niet meer doen, wat hij vroeger deed. Hij bemerkte het aan alles: de ouderdom komt met gebreken. En die gebreken zouden te dragen geweest zijn, als de verdiensten er niet onder leden, doch dat was juist het geval. Wel kon hij nog voor zichzelf en zijne vrouw den kost verdienen en waren Simon, Jacob en Cornelis hem niet meer tot last, omdat dezen hun eigen kost en kleeren konden betalen, maar Pieter scheen in Portugal uitgehongerd te zijn of wel, hij had er, zooals de oude man wel eens spottend zeî: den bodem van zijne maag laten liggen, en met hem in huis ging het ophalen van het kostje niet zoo best meer. Jacob, Simon en Cornelis, die nog alle drie thuis waren, ontdekten al heel spoedig, dat Moeder Heyn vier zoons had, waarvan er één Pieter heette, welke Pieter nooit uit hare gedachten was. Ze ging met Pieter naar bed; ze stond met Pieter op; ze werkte met Pieter den heelen, lieven dag; kortom, Pieter lag in haar hart opgesloten, als een edelsteen in gouden rand. Met Jacob ging het op het timmeren vrij goed, en Simon en Cornelis, die kaaigasten geworden waren, verdienden nu eens veel, dan eens weinig. Dat hing geheel en al af van de meerdere of mindere scheepvaart. En die scheepvaart was in de laatste jaren door de handelwijze van den Spaanschen Koning niet zoo heel aanzienlijk geweest. Toch verdienden ze altijd nog genoeg om zichzelf te onderhouden en Vader en Moeder zoo nu en dan eens wat te helpen, maar ..... dan moest hunne Moeder ook niet doen, alsof ze maar één’ zoon had. Voor haar en voor Vader wilden ze wel werken, ze wilden dat ook wel doen voor broer Piet, want zijne schuld was het niet, dat hij buiten de verdiensten was, maar ..... nu, ge begrijpt me wel: ze wilden in Moeders hart dan ook hetzelfde aandeel van het liefdeplaatsje hebben. Nu en dan lieten zij zich woorden ontvallen, waaruit Moeder opmaken kon, hoe Piet’s drie jongere broeders er over dachten. Ook Piet bemerkte dat heel goed, en het voornemen om hierin verandering te brengen bestond reeds bij hem, doch om de waarheid te zeggen: hij zag er tegen op om er over te beginnen.
Eens echter dat hij heel alleen in het kleine woonvertrek bij het raam aan tafel zat, had hij een groot boek, een’ zoogenaamden foliant voor zich.
Wie voorbij het raam ging en eens even naar binnen keek, zou zeggen: „De jonge Pieter Heyn leest!”
Wie echter wat lang bleef kijken, zou al heel gauw zeggen: „Dat is raar lezen! Ik zie geen bladen omslaan!”
Het was geen lezen en ook geen raar lezen, dat Pieter deed. Hij had wel eene reisbeschrijving van Jan Huygen van Linschoten voor zich, maar hij las in het geheel niet. Hij zag zelfs de groote, vette letters niet, waarmede dat boek gedrukt was.
Hij zag, en dat zegt nòg meer, zelfs geen boek.
De jonge Pieter Heyn dacht aan hetgeen hij in den laatsten tijd zoo dag aan dag hier in huis hoorde of waarnam. En hoe meer hij dacht, hoe meer er iets kwam, dat hem in den weg ging zitten, want nu en dan liet hij een wrevelig voetengeschuifel hooren, of schudde hij driftig het hoofd, terwijl de vingers het dunne papier van het dikke boek verfrommelden. Hij had geen vrede met zichzelf; want hij, de sterke, gezonde bul van vier en twintig jaar,--hij, die krachtig geworden was tegen de verdrukking en het lijden in,--hij, die er uitzag om heel alleen het werk van drie of vier te doen,--hij leefde ten koste van anderen, die minder konden dan hij.
Zijn eerlijk en eergierig hart kwam daar tegen op!
Wat was hij blijde geweest alweer thuis te zijn, hij, die al gedacht had, dat hij als „kaalhoofd” weldra een graf zou krijgen op den bodem van den Oceaan!
Wat waren ze blijde, innig blijde geweest toen ze hem weer zagen, Vader, Moeder, Jacob, Simon en Cornelis!
Moeder?
Ja, Moeder was nog blij, dat kon men haar zoo aanzien! Ze was zoo gelukkig haar’ Piet, haar’ lieveling weer bij zich te hebben!
Had zij hem niet te veel lief? Deelde ze haar hart wel eerlijk uit onder hare vier kinderen? Kreeg hij, Piet, niet een te groot deel en de anderen een veel te klein?
En als die anderen er nu eens niet waren, of ze gingen de wijde wereld in, ieder alleen om voor zichzelf te zorgen? Wat moest er dan van hem, van den lieveling Piet, worden? Een hongerlijder!
Doch de broeders gingen niet de wijde wereld in! Ze bleven thuis om met hunne verdiensten, zoo moeilijk bekomen en betaald met hun zweet, hunne Ouders te steunen en--den nietsdoener te voeden!
Neen, neen, Jacob, Simon en Cornelis hadden geen ongelijk, en Vader, die zeker ook dikwijls dacht, als die drie, had ook geen ongelijk.
Wat moest hij doen?
Hij wist het nog niet recht, maar dat hij verandering moest brengen, dat wist hij zeker.
Stil, daar kwam Moeder! Zij mocht niet zien, dat er hem wat in den weg zat, en daarom gedaan, alsof hij ijverig las!
Nu werden er bladen gekeerd en Moeder trad binnen.
„Wat lees-je daar, Pieter?” vroeg zij, terwijl ze met hare vingers hem den gespierden nek streelde.
„Ik lees Jan Huygens boek, Moeder!”
„Zoo! Ik wenschte wel, dat we rijk waren, jongen!”
„Waarom, Moeder?”
„Wel, dan kon ik je ongestoord laten lezen! Ik zou je al de boeken geven, die je hebben wildet!”
„Och, Moeder, in veel boeken zit het weten niet. Één goed boek, dat gelezen en nog eens gelezen wordt, doet meer nut dan honderd boeken, die zoo maar eens terloops doorbladerd of vlug en slecht gelezen worden!”
„Ja, jongen, dat geloof ik ook wel. Maar als je nu zulk een boek leest, Pieter, heb-je dan nog lust om naar zee te gaan, of vermindert die lust er door?”