Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 6
Hij wuifde met de wollen muts, deed het nog eens en nog eens, en zij, die daar binnen stond en wie die laatste groet gold, knikte hem zoo lang vriendelijk tegen, tot ze voor elkander verdwenen....
En de wind, die de zeilen van de „Westland” deed zwellen, en haar langs het gerimpelde watervlak der Maas naar zee bracht, diezelfde wind sloeg het deurtje van Moeders huisje toe, toen zij er intrad om nog eens in alle stilte, door niemand gezien en door Één slechts gehoord, te stamelen: „Goede God, bewaar mijn’ jongen! Behoed mijn’ zoon, mijn’ oudste.”
ZESDE HOOFDSTUK.
Geketend en het hoofd geschoren.
Acht jaren lang had Pieter met wisselvallig geluk gevaren. Op zijn’ eersten tocht leed hij met „de Westland” schipbreuk in de Middellandsche Zee en kwam hij weer aan boord van een ander schip in het Vaderland terug, arm en berooid. De uitrusting, waaraan zijne lieve Moeder zooveel ten koste had gelegd, lag op den bodem der zee, en alleen dat, wat in het pakje zat, hetwelk zij hem bij het heengaan gegeven had, was behouden gebleven. Dat had hij, zelfs met levensgevaar, nog uit het zinkende schip gehaald. Het was een tamelijk versleten en beduimeld Bijbeltje, doch met geen enkele bladzijde te weinig, al lagen er ook bladen los in.
Niet afgeschrikt door den ongelukkigen afloop van dien eersten tocht, ging hij met schipper Zegers, die op een ander schip voor Rotterdam was gaan varen, mede naar de Oostzee. Maar ook deze tocht was niet gelukkig; want een zeer vroeg invallende winter sloot het schip met nog enkele andere Hollandsche vaartuigen bijna vijf maanden in de haven van Danzig op. Schipper Zegers, door dezen nieuwen tegenspoed erg korzelig en onverschillig geworden, gaf onzen Pieter weinig of geen les meer in stuurmanskunst en zeevaartkunde, hoewel er in die vijf lange wintermaanden anders gelegenheid genoeg toe zou geweest zijn. Boeken waren toen nog verre van algemeen, zoodat er aan boord ook geen te vinden waren. De tijd werd dus doorgebracht met wat in de stad te slenteren, wat op het verkeer- en dambord spelen, zingen, vertellen of zich vervelen. Ter eere van Pieter moet evenwel gezegd worden, dat hij geen dag voorbij liet gaan zonder een hoofdstuk uit zijn’ Bijbel, of wat in een boek over zeevaartkunde gelezen te hebben.
Eerst half Mei kwam hij weder te Delftshaven aan en daar hij op dat oogenblik geen schip krijgen kon, nam hij dienst op eene schuit voor de vaart naar Antwerpen. Dat gedurig heen- en weervaren beviel hem echter in het geheel niet, hoewel zijne Moeder het niet ongaarne zag. Zij had hem dan om de veertien dagen zeker eenmaal thuis. Van de binnenvaart ging hij op de haringvloot, en van de haringvloot alweer op een schip, dat naar de Middellandsche Zee moest. En zoo ging het af en aan, nu eens op dit, dan op dat schip. Nu eens op Spanje, dan op de Oostzee. In 1599 evenwel was hij zoo gelukkig, zich, als tweeden stuurman, te laten aanmonsteren op de „Maze”. De schipper was zijn oude bekende, Zegers, en behalve Willem Adriaensz. Blokmaker, die, als bootsman, dienst deed, en Jan Dirksz. die voor kok aangenomen was geworden, bevonden zich ook thans aan boord Govert en Steven, de neven van Meester Zegers. Zij hadden zich als gewoon matroos laten aanmonsteren. De reis van de „Maze” was naar Lissabon. Vroolijk en vol blijde verwachting ging men het zeegat andermaal uit. Men zou toch eindelijk wel eens eene gelukkige reis maken!
Maar onderwijl de reis voorspoedig werd voortgezet, gebeurde er iets in Spanje, waarvan de bemanning van de „Maze” niets te weten kwam vóór het te laat was.
Wat was het?
In 1580 had Koning Filips II door Alva Portugal laten veroveren, zoodat dit kleine land met zijne uitgestrekte bezittingen in Oost en West, vooral in Oost-Indië, ook tot het Spaansche rijk behoorde. Voor de Indische voortbrengselen waren eerst Venetië en Genua de stapelplaatsen geweest, doch toen de koene en ondernemende Portugeezen, om Kaap de Goede Hoop heen, den weg naar Oost-Indië gevonden hadden, werd Lissabon de stapelplaats van de Indische voortbrengselen, en voor heel Europa kwam men ze hier uit de tweede hand koopen. Dat deden vooral de Nederlanders, en hoewel Koning Filips II met zijne Nederlandsche gewesten in oorlog was, en menigmaal op het punt gestaan had om de Spaansche en Portugeesche havens voor de Nederlandsche schepen te sluiten, hadden de kooplieden in Portugal en Spanje dat nog altijd weten te voorkomen, want zij vreesden, dat de Nederlanders, als ze de Indische waren niet meer in Portugal uit de tweede hand konden koopen, niet rusten zouden, voor ze die uit de eerste hand in Oost-Indië zelve zouden kunnen koopen. De Nederlanders wisten den weg wel niet om Kaap de Goede Hoop heen, doch men kende hun’ ondernemingsgeest genoeg om te begrijpen, dat zij zóó lang zoeken zouden, tot ze den weg gevonden hadden, en dan zouden ze niet rusten voor ze ook vasten voet in de Indiën hadden. Om dat zoeken en vinden van dien weg, met al wat er op volgen zou, te voorkomen, wist men Koning Filips II te bewegen om den Nederlanders de vrije handelsvaart op de Spaansche havens te blijven toestaan. In 1598 stierf Koning Filips II, en onder den naam van Filips III, volgde zijn zoon hem op. Deze luisterde niet naar de raadgevingen en verzoeken van de Portugeesche kooplieden, en in het sluiten van al de havens in zijn gebied voor de Nederlandsche schepen zag hij juist het middel om de oproerige gewesten, die het Spaansche gezag reeds afgezworen hadden, tot onderwerping te dwingen. Van dien kloeken ondernemingsgeest der Nederlanders, om niet te rusten vóór ze den weg naar de Oost-Indië gevonden hadden, geloofde hij, jammer genoeg voor Portugal en Spanje, niets.
Hij wist, dat de Nederlanders niet al de goederen, die ze in Lissabon of eene andere haven van het Spaansche grondgebied kochten, voor zich zelven aanschaften, maar dat het grootste deel van die goederen alweer door hen verkocht werd aan de bewoners van de Oostzee-landen, en dat ze hiermede groote winsten wisten te behalen. Dat die winsten alweer voor een groot deel besteed werden om er krijgsvolk voor te werven, dat bestemd was om tegen de Spanjaarden te strijden, wist hij ook. Het was genoeg bekend, dat de legers der oproerige Nederlanders voor het grootste deel uit vreemde huurbenden bestonden. Nu meende Koning Filips III, dat hij door het openlaten van de Spaansche havens zelf oorzaak was, dat de Nederlanders den strijd tegen hem konden volhouden, en hij redeneerde daarbij zoo ongeveer aldus:
„Hieraan moet, hoe eer hoe beter, voorgoed een einde komen. Ik wil niet langer toestaan, dat die rebellen met hunne schepen in mijne havens komen. Zij verrijken zich ten koste van mijne onderdanen, die eigenlijk de vrachtvaarders op heel Europa moesten zijn! Voortaan worde elk Nederlandsch schip, dat mijne havens binnenloopt, verbeurdverklaard en de bemanning naar de galeiën gebracht. Als ik dat doe, snijdt het mes aan twee kanten. Aan den eenen kant ga ik de vermeerdering der rijkdommen van de oproerige kooplieden tegen, en aan den anderen kant breng ik stilstand in den zeehandel, waardoor ginds honderden matrozen zonder verdiensten zullen komen. Deze laatsten zullen met hun’ ledigen tijd geen’ raad weten, en uit ontevredenheid over het gemis aan verdiensten, oproer maken. „In troebel water is het goed visschen,” zeggen de luiden daar! Best, ze zullen ondervinden, dat ik Hollandsche spreekwoorden weet toe te passen.”
De verstandig denkende Spanjaarden en Portugeezen, die aan het Hof verkeerden en wisten, wat de Koning van plan was, trachtten hem wel duidelijk te maken, dat hij zichzelf en zijne onderdanen met dat aan twee kanten snijdende mes het eerst wonden en hevig wonden zou ook, maar Koning Filips III meende de wijsheid in pacht te hebben, en luisterde niet naar den goeden raad, zoodat hij den domsten streek beging, dien een Vorst maar begaan kon, en oorzaak zou zijn van Spanje’s ondergang en de opkomst van eene Republiek, die eens zoo machtig worden zou, dat Spanje zich in een bondgenootschap met haar verheugen zou. Van de voorspelde wonden, die de Koning zichzelf en zijn land toebrengen zou, zullen we in dit verhaal nog genoeg te weten komen en te zien krijgen. Keeren we daarom terug aan boord van de „Maze”, die we voor dit uitstapje in de geschiedenis een oogenblik verlaten hebben.
Terstond, na het nemen van dit besluit, werden ijlboden naar alle Spaansche en Portugeesche kuststeden afgezonden, met het bevel aan de bestuurders dier plaatsen, dat men alle Nederlandsche schepen, die er binnenvielen, prijs verklaren en het volk ervan, als slaven, naar de galeiën zenden zou.
Voor den mond van de Taag kruiste de Spaansche oorlogsgalei „de Lucera”.
De Kapitein van dat schip heette Don Calliado. Hij was een tiran voor zijne eigen landslieden en altijd even grimmig als een Noorsche beer. De roeiers van zijne galei, allen veroordeelden, werden door hem nog erger dan wilde dieren behandeld, en als er een paar onder de martelingen bezweken, zei hij: „O, er is in Spanje nog meer van dat tuig te vinden!”
Met scherpen en geoefenden zeemansblik zag hij uit, of hij in de verte geen zeil zag naderen. Hij toch ook had het bevel van Koning Filips ontvangen, en hij verheugde zich al bij voorbaat in de kwellingen, die hij den Nederlanders zou aandoen, en genoot in gedachten al van het voordeel, dat het nemen van een Nederlandsch schip hem aanbrengen zou.
Eindelijk ontdekte hij een zeil; maar het was nog te ver om te zien welke landsman het was. Met een goed gezeilden wind naderde het evenwel spoedig, en kwam het zóó dichtbij, dat men op de „Lucera” alles onderscheiden kon.
Calliado lachte; het was een Hollander.
„Daar kruist eene oorlogsgalei voor de rivier, schipper!” zeide Pieter.
„Dat zie ik ook!” was het antwoord.
„Liggen hier altijd oorlogsbodems?” vroeg Willem Blokmaker.
„Nooit gezien! Maar waarom?”
„Wel, schipper, ze konden het wel eens op ons verzien hebben. Men kan het niet weten.”
„Ben-je mal? Waarom zouden ze dat? We zijn nu wel met Spanje in oorlog, maar zelfs ten tijde van Alva kwamen wij hier rustig aan. Na Alva zijn de zaken heel wat veranderd, en Filips III is Filips II niet!”
„Ze zeggen, dat hij dom is!” waagde Pieter zoo terloops aan te merken. „Zou het waar zijn?”
„Nu ja, het buskruit zou hij nooit uitgevonden hebben. Maar wat geeft dat? Mij dunkt, dat is juist in ons voordeel!”
„Of in ons nadeel, schipper! Hoewel Spanje en Portugal veel voordeel trekken uit onzen handel op hunne havens, kon de nieuwe Koning er wel eens anders over denken. Domme menschen doen soms domme dingen!”
„Ei, Pieter Pietersz. Heyn, de tweede stuurman op de „Maze” begint zoo wat aan de regeerderij te doen? Een slecht baantje, vriendlief! Voor een’ zeeman geldt het in de eerste plaats: „Schoenmaker, blijf bij uwe leest!”
Pieter en Willem zwegen. Ze dorsten niet langer voortgaan met ook maar met een enkel woord, den schipper, die nooit eenige tegenspraak verdragen kon, uit zijn humeur te brengen.
Ondertusschen kwam de oorlogsgalei wat nader, en het was duidelijk, dat ze iets met de „Maze” te maken had.
„Hoe vreemd toch, dat die galei ons zoo tegemoet komt,” zeide Pieter tot Willem.
„Misschien denken ze wel, dat we de kinderpokjes of eene andere ziekte aan boord hebben, en dat wij de besmetting in Lissabon brengen zullen!”
„Kwamen ze daarnaar vroeger ook onderzoek doen?”
„Weet ik het? Ik ben hier voor den eersten keer!”
Nu werd er eene roeiboot van de galei uitgezet en deze legde aan bakboordszijde aan.
„Aan stuurboord, man aan het roer!” riep schipper Zegers. „Nobel gezelschap ontvangen we nooit aan bakboord. Dat is alleen voor de kadraaiers en uitventers van vruchten.”[3]
[3] Deze uitdrukking van schipper Zegers zal denkelijk voor velen eenige opheldering behoeven. Wanneer men op het dek van een schip staat met den rug naar het roer en dus met het gelaat naar den boeg, dan heet dat deel van den scheepswand, hetwelk men aan de rechterhand heeft, „stuurboord”. Het deel, dat links ligt, draagt den naam van „bakboord”. En evenals ieder wellevend mensch zijn meerdere of oudere aan zijne rechterzijde laat loopen, zoo laat men ook aan boord van schepen menschen, die men eeren wil, aan stuurboordszij op het schip komen. Met stoombooten, die aanleggen, kan dat niet in acht genomen worden, omdat men dan vaak zou moeten wenden en dat houdt niet alleen op, maar valt voor een’ steiger ook niet altijd zoo gemakkelijk te doen. Dat eerbewijs van iemand aan stuurboordszij aan boord nemen geldt dan ook meer voor een schip in volle zee.
De Spaansche Bevelhebber scheen zich evenwel niet aan deze woorden te storen en klom, gevolgd door een tiental matrozen, tegen den valreep van de „Maze” op en betrad het dek.
Schipper Zegers en de manschappen, voor zoover deze op het dek waren, stonden verwonderd op te kijken, en wisten niet, wat zij van dat vreemde bezoek maken moesten.
„Wie is de schipper?” vroeg Calliado, die in persoon met de boot medegegaan was, voorwaarts tredende.
„Die ben ik, Senor!” antwoordde Schipper Zegers beleefd, en ook in het Spaansch.
„Welnu, dan! In naam van Z. M. den Koning van Spanje, Heer der Nederlanden en Oppermachtig gebieder van Amerika verklaar ik dezen bodem prijs en de bemanning gevangen!” Schipper Zegers, zoowel als al de schepelingen, stonden op dat bericht geheel verslagen.
Eindelijk vatte de schipper moed en zei: „Maar dat is schenden van alle volkenrecht!”
„Als je dat denkt, zeg het dan den Koning zelf, als je hem ooit in je leven te spreken krijgt. Ik denk er anders over!”
Tot op dit oogenblik hadden de matrozen geen woord gesproken, doch plotseling trad één hunner vooruit en riep: „Op, mannen, zullen we ons door deze Spaansche bloedhonden, als slachtvee, laten knevelen? Op, op, slaat ze dood! Slaat ze dood!”
En de daad bij het woord voegend, greep hij eene bijl en vloog op Don Calliado en zijne manschappen in. De overigen volgden dit voorbeeld, en zeker zouden de Spanjaarden het onderspit gedolven hebben, als er niet twee sloepen van de galei hulp gebracht hadden.
[Illustratie: Schipper Zegers en al de zijnen werden gekneveld. (Bladz. 73).]
Nu werden schipper Zegers en al de zijnen gekneveld, en op den matroos, die het eerst aangevallen was, toetredende, zeide Don Calliado, op eene buil aan het hoofd wijzende, hem door een’ vuistslag toegebracht: „Ééne buil heb-je mij toegebracht, oproerig gespuis, tienduizend zal ik er je allen teruggeven. Don Calliado heeft altijd woord gehouden! Reken er dus op, dat de tienduizend meer dan vol zullen gemaakt worden! Mannen, voert hen weg!”
De geknevelde Hollanders werden nu onder het gejuich der straatjongens van Lissabon, als een troep slachtvee naar een’ donkeren kelder van de gevangenis gebracht. De deur werd gesloten, doch aan het losmaken der banden en touwen werd niet gedacht. Heel den tijd, dat ze in dat donkere hol zaten, hoe lang wisten ze niet, liep er een schildwacht voor de deur met eentonigen tred op en neder.
„Schipper, waar is u?” riep Pieter na eenigen tijd.
„Hier ben ik. Wat moet gij van mij hebben?”
„Hoe lang moeten we hier blijven?”
„Weet ik het, jongmensch? Heb ik het bevel gegeven om ons te laten opsluiten en behandelen als honden?”
„Ik heb ergen dorst!” klaagde Jan Dirksz.
„Jongen, als je ons niet allen razend wilt maken, spreek dan niet van dorst, van water, of van wijn! Hoe meer men daarover praat, hoe meer men den dorst opwekt,” sprak de eerste stuurman.
Op dit bevel zwegen allen, hoewel de vijf kameraads elkander hadden opgezocht om, ware het dan ook maar fluisterend, malkander hun’ nood te klagen.
En er was nood! Het hok was te nauw voor één’ man om er, zonder toevoer van versche lucht, vierentwintig uren in opgesloten te blijven, hoe veel te nauw was het dan niet voor de twaalf personen, waaruit de bemanning van de „Maze” bestaan had!
Het werd er snikheet, en naarmate de hitte toenam, begonnen de meesten ook woelig te worden, niettegenstaande de eerste stuurman, die nog eens in Algiers gevangengezeten had, en er dus alles van wist, hen aanmaande, toch zoo bedaard mogelijk te blijven.
„O, eer de dag een uur ouder is, ben ik toch al van de hitte gestorven! Een half uur later of vroeger doet er niets aan af of toe,” klaagde Govert.
„Zwijg, lummel, gij moogt niet met uw leven spotten! Wie weet of er niet binnen het uur redding opdaagt. Ik voor mij denk altijd nog, dat het eene vergissing geweest is, en dat we weldra allen zoo vrij zullen zijn, als een vogel in de lucht,” hernam de stuurman.
„Vrij zijn!” Hoe weinig men ook aan zijne woorden geloofde, men hoopte er toch op.
Maar de tijd ging voorbij, liever, de tijd kroop voort.
Ééne minuut in dit akelige hol scheen een uur.
De hitte en de benauwdheid namen hand over hand toe.
„Water! Water!” klaagde Steven, die nu onmogelijk langer zwijgen kon, daar hem de tong aan het gehemelte kleefde van dorst.
Nauwelijks had één dat geroep laten hooren, of „Water! Water!” werd van alle kanten geroepen.
Maar geen vriendelijke hand opende een luik om versche lucht te brengen. Geen vriendelijke hand kwam en bood den gemartelden mannen één’ dronk waters!
Alleen het eentonig: „stap stap,” van den schildwacht en het klagend gesteun van de opgeslotenen werd gehoord, meer niet.
De ellende werd onbeschrijflijk.
„Pieter, Pieter, waar ben-je?” klonk nu op eenmaal eene zwakke stem.
Het was die van Jan Dirksz.
Pieter kroop op het geluid toe en een’ arm grijpende, vroeg hij: „Is dat de arm van Jan Dirksz.?”
„Dat is de arm van mij, van schipper Zegers, jongmensch! Wat wil-je van mij hebben?”
„Ik zoek Jan Dirksz. Hij heeft mij geroepen!”
„Er ligt hier wat op den grond; misschien is hij dat wel, dien je zoekt!”
Pieter, die toch werkelijk geen jongen meer was, stoorde zich op dit oogenblik niet aan dat barsche „jongmensch” van den schipper, die hem heel dikwijls zoo toesprak, meer uit gewoonte, omdat hij hem als knaap gekend had, dan met eenig oogmerk om Pieter te beleedigen.
„Ben-je hier, Jan?” vroeg Pieter nu, terwijl hij zich bukte en met de halfvrije hand rondtastte.
„Ja,” klonk het zwak, „hier ben ik! O, ik ga sterven! Wat wa-water, Pieter! Vraag, vraag het eens aan den schild-schildwacht!”
„Die geeft het toch niet!”
„Dat- weet- je- niet! Vr-aag ma-maar!”
Pieter stond op en zocht de plek, waar de deur moest zijn. Zien kon hij haar niet; maar de schildwacht liep er voor. Zoodra hij meende de deur gevonden te hebben, klopte hij er tegen.
„Wat wilst doe?” vroeg de soldaat in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch.
„Och, als je een landsman van ons bent, geef ons dan wat water!” schreeuwde Pieter, zoo hard hij kon, om goed gehoord te worden.
„Ikkik ’eb keen waoter, neen ik. Waor zou ik het ’aolen, jao? Ikkik kan ook niet van main’ post. De koegel zit er op jao, als ikkik main’ post verlaot. Maor ’ebbe gai maor patientie, jao! Over een uurken komen ze, en dan gaot ge allemaol naor de galaien. Ebbe maar patientie, zegge ik oe,” antwoordde de soldaat, die blijkbaar een Vlaming in Spaanschen dienst was.
„Vraag eens hoe laat het is, Pieter!” zei Steven.
Pieter deed dat en het antwoord was: „Het is nog geen vier uren in den naonoen! Bel neen, ikkik zegge oe, het is nog zoo ’eel laot niet!”
Opnieuw wilde Pieter wat vragen, doch opeens fluisterde de schildwacht door het sleutelgat: „Stille, wees stille, zegge ik oe; want daor komt onze Kapitaono Don Calliado. Het en is mai niet toegestaon met oe te praoten. Zwaig en ’oude oe koest!”
Pieter zweeg en ieder luisterde of Don Calliado ook in de gang komen zou, en zoo ja, dan moest men weten wat hij zei.
Maar in plaats van één’ man te hooren aankomen, hoorden ze er meer dan één’, benevens het rammelen van kettingen.
„Let op,” sprak de eerste stuurman; „ze gaan ons opschikken. We krijgen kettingen aan de voeten!”
De deur ging open en bij het daglicht, dat in de gang viel, zag men uit den kelder een’ damp opstijgen, alsof van een’ grooten ketel met kokend water het deksel even opgelicht werd.
Twee mannen traden binnen en begonnen onze zeelieden twee aan twee, de voeten aan elkander te ketenen.
Pieter werd gekoppeld met den eersten stuurman, en hoewel hij liever gezien had, dat Jan Dirksz., Willem Blokmaker, Govert of Steven zijn makker ware geweest, toch dacht hij, dat er misschien nu meer kans op ontvluchten zijn zou. Hij kende Nelissen, den stuurman, en meende zeker te weten, dat hij vroeg of laat wel pogingen zou aanwenden, vrij te komen. Hij was immers in Algiers ook wel ontvlucht! En dan ging hij, Pieter, zeker mee. Waarheen?
Eenige soldaten en andere mannen traden binnen en brachten de schepelingen in een grooter vertrek, waar men hen tot op het ondergoed ontkleedde en een’ dunnen boevenkiel en een soort van broek aantrok. Kousen en schoenen werden hun ook uitgetrokken, doch hiervoor kregen ze niets anders in de plaats. Ze zouden blootsvoets moeten loopen.
En nog waren alle vernederingen niet geleden.
Een ruwe kerel knipte hun de haren af en toen dat gedaan was, kwam er een ander, die met een scheermes hun het hoofd geheel kaal schoor. Geen haartje was op hun hoofd of gelaat te zien.
Nog, neen, nog was alles niet geleden.
Men sleepte voetboeien, zware kettingen, aan en hiermede werden ze, twee aan twee aan elkander gekoppeld.
Dat er zelfs bij de ruwsten onder de bemanning der prijsverklaarde „de Maze” tranen langs de wangen biggelden, wie is er, die dat niet begrijpt? Wie, die dit niet gevoelt?
Ze waren nu klaar voor het werk, dat hen wachtte!
De galeiboeven waren in hunne uniform gestoken!
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Pieter heeft weer stoppeltjes.
Onder behoorlijk geleide en een hernieuwd geschreeuw van straatbengels werden schipper Zegers en zijne elf mannen aan boord van „de Lucera” gebracht, waar zes banken voor hen waren leeggemaakt. De overige roeiers, allen Spaansche boeven, ontvingen hunne makkers met schimpschoten, gevloek en gelach, doch daar ze dat deden in hunne platte, Spaansche boeventaal, zoo verstonden de onzen er niet alles van, en dat was maar goed ook, want hun leed was al groot genoeg.
Galeislaaf zijn, wat was dat eigenlijk in dien tijd?
Een schip heeft om op zee voort te komen en in de goede richting te varen, masten, zeilen, staand en loopend want, kortom, tuigage noodig. Een roer is ook onmisbaar. Dit alles is een onderdeel van het schip, en het wordt door de bemanning gebruikt op dezelfde manier, als een timmerman zijn gereedschap. Maar alles is dood, levenloos, zonder eenig gevoel. Het zijn machine’s. Welnu, de galeislaven waren niets anders dan machine’s, en ze behoorden tot de tuigage van het schip, tot de gevoellooze, doode tuigage. Men kon ze trappen, knijpen, slaan, branden, schroeien, wat hinderde het? Tuigage is dood en voelt tóch niets. Opdat de tuigage niet door wind of water verloren ga, is ze aan het schip vast. Ook de tuigage, die uit galeislaven bestond, was aan het schip vast. Met de ketenen, die ze aan de voeten hadden, werden ze in het schip aan de roeibanken der galeien geketend. Moest de galei in een’ storm in de diepte wegzinken, de tuigage: masten, roer, zeilen, enz. zonk mee. Ook de slaven-tuigage, die vast aan het schip was, verdween in de diepte. Toch was er onderscheid tusschen die slaven en al de andere tuigage, die werkelijk uit levenlooze voorwerpen bestond. Men beschouwde galeislaven wel als levenlooze tuigage, maar ze waren niet levenloos. Ze leefden en hadden een’ wil, en die wil kwam wel eens in verzet tegen den wil der bemanning. Als dat waar was, moest de slavenzweep den slavenwil doen verdwijnen. Eten en drinken hadden die slaven ook noodig, doch dat beduidde niets. Een zeil moest op zijn tijd getaand, een kabel geteerd, een rad in de olie gezet worden. Zie, nu weet ge wat in dien tijd galeislaven waren, of, neen, ge weet nog niet alles.