Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 5

Chapter 54,183 wordsPublic domain

„Laat mij met haar redeneeren, vriend Heyn,” sprak Meester, en haalde een pennemes in een lederen kokertje uit zijn’ zak, en dit bij Moeder Heyn leggende, vervolgde hij: „Maak van dit pennemes eens eene stoof of eenig ander voorwerp, Moeder Heyn!”

De Moeder zag Meester vreemd lachend aan en zeide op wel wat spijtigen en snibbigen toon: „Ik en ben geen tooverkol of heks, Meester, en bezondigde mij nooit aan de zwarte kunst. Houdt gij me nu voor den mal, of .... of .... of hoe heb ik het met u?”

„Toch niet, Moeder Heyn, mijne vraag lijkt wel dwaas, maar toch is ze ernstig gemeend. Er steekt heel geen jokkernij en nog veel minder ars atracia of zwarte kunst achter. Ik verzoek u alleen om van dit pennemes eene stoof of zoo iets te maken.”

„Maar, Meester, dat kan immers niet? Men maakt geen hout uit staal!”

„En dat wilt gij toch, vrouwtje!”

„Ik, Meester? Ik?”

„Ja, gij, vrouw Heyn! Gij wilt uit uw’ Pieter een’ timmerman maken. Maar evenmin, als ge uit een pennemes eene stoof kunt maken, evenmin maakt ge uit dezen knaap een’ timmerman, of, zooals uw echtgenoot zoude zeggen: eene „landrot”! De zinnen van dien jongen, vrouw Heyn, staan nu eenmaal op varen. Houd hem aan den wal, ja, leg hem vast aan nieuwe touwen, waarmede nog geen’ arbeid verricht is, of bind hem met versche boogsnaren, die nog niet verdroogd zijn,--als een tweede zoon van Manoach, als een tweede Simson, zal hij zich losrukken van dezelve, en naar zee gaan!”

„De banden der liefde, Meester, zijn sterker dan boogsnaren of nieuwe touwen!” antwoordde Moeder bedaard.

Meester Zegers was getroffen door de schoone woorden, die daar eene eenvoudige vrouw uit de volksklasse sprak, waar ze zich Moeder gevoelde. Maar de oude man liet zich niet zoo heel gauw uit het veld slaan, en vervolgde: „Zeker, Moeder Heyn, de banden der liefde zijn sterker dan boogsnaren en nieuwe touwen! Met die banden der liefde zoudt gij hem ook aan den wal binden, maar uw jongen zou vergaan als sneeuw voor de zon. De landziekte zou hem al zijne krachten ontnemen en oud en zwak doen worden voor zijn’ tijd!”

„Vrouw, Meester Zegers spreekt als Dominee Jansz.! Zeg er eens wat tegen, als gij kunt?” riep Vader Heyn opgetogen van ingenomenheid bij het hooren van woorden, die hem, als het ware, uit het hart gegrepen waren.

Moeder Heyn zweeg en Meester zag, dat hij overwonnen had, hoewel ze nog aarzelde, toe te geven. Maar daar kwam opeens de jonge Pieter naar haar toe en haar om den hals vallende, zei hij: „Och toe, Moedertje, laat me maar naar zee gaan! Ik zal goed oppassen, Moedertje lief! Ik zal stellig geen Watergeus worden, maar een eerlijk zeeman blijven.”

„Hebt gij het dan bij ons zoo kwaad, Pieter?” vroeg Moeder snikkend.

„Neen, Moedertje, neen, ik heb het hier niet kwaad; maar ik verlang naar zee! Och, toe, laat me toch maar gaan! Ik zal inderdaad goed oppassen, en ik kan hier zoo maar niet in huis meeleven en niemendal doen. Ik moet den kost toch helpen verdienen.”

„Nu, jongen, als je de zinnen zóó op de zee gezet hebt, ga dan! Ik zal u niet langer tegenhouden,” sprak Moeder, doch men behoefde geen toovenaar te zijn om uit de wijze, waarop ze dat zeide, af te leiden, hoeveel het haar kostte om haar’ oudsten jongen naar zee te laten gaan.

„Gij zijt een braaf, lief, best, goed Moedertje,” riep Pieter en kuste haar de tranen van de wangen, en zich hierop van haar losmakende, ging hij naar Meester Zegers en zei: „Heeft u het gehoord, Meester, ik mag, ja, ik mag! Heerlijk!”

„Zoo, wildzang, vindt gij dat zoo heerlijk? Maar wie het doel wil, moet ook de middelen willen, die tot dat doel leiden, en .... die middelen zijn nu juist niet zoo gemakkelijk, vooral niet voor een’ knaap, die als gij, de schooljaren al achter den rug heeft. Gij hebt echter in uwe schooljaren al bitter weinig geleerd, Pieter, bitter weinig!”

Onze Piet had een paar brutale kijkers in het hoofd, en er moest heel wat gebeuren, als hij ze neersloeg. Nu evenwel schenen die kijkers opeens al hun’ overmoed afgelegd te hebben, want hij sloeg ze neer, en een hoog schaamrood vloog hem over de verbruinde wangen.

Meester Zegers scheen het niet te zien of wilde het niet zien, en vervolgde op denzelfden deftigen toon: „Gij hebt den kostbaren tijd van uwe leerjaren vermorst, en als ik op het zwarte bord de woorden van mijn’ vriend Valcoogh, schoolmeester tot Barsigherhorn, geschreven had:

„Ghy jonge kynders wilt op mijn leer mercken, Verlaet rabbouwen ende boose wercken,”

dan staakt gij er den draak mede, o, jongeling!”

Vader knikte met het hoofd en bromde, toen de jonge Pieter nog meer verlegen werd: „Pieter, mijn jongen, Meester verstaat de kunst om iemand ongezouten de waarheid te zeggen.”

De waardige schoolmeester scheen dat nu ook niet te hooren, of er geen aandacht aan te verleenen, en ging op denzelfden preektoon voort: „Een zeeman, die wat meer wil worden dan matroos, moet wat in het hoofd hebben. Een, die ter nauwernood lezen en schrijven kan, zooals gij, Pieter, en die van de stuurmanskunst zooveel weet, als een Heiden van den Bijbel, gaat, als jong-matroos naar zee, en als hij niet vóór dien tijd sterft, als oud-matroos het graf in! Weet gij dat wel, o, jongeling? Verstaat gij mijne tale, jeugdige vriend?”

„Ja, Meester, ik voel wel, wat u zeggen wil,” antwoordde Pieter. „Een zeeman, die niet meer weet dan ik, komt niet vooruit. Wat hij is, als hij aan boord komt, dat is hij zestig jaar later nog, als hij het boord verlaat.”

„Juist, juist,” vervolgde Meester, tevreden, dat Piet hem zoo goed begrepen had. „Het is nu de vraag, de groote vraag maar, of gij lust hebt om aan boord heel uw leven lang matroos te blijven, dan wel of ge vooruitkomen wilt!”

Thans pas scheen de jonge Pieter wat op dreef te komen. De schaamteblos maakte op de wangen voor jongensvuur plaats, en eenigszins gejaagd kwam er uit: „Ik zou niet graag op zee altijd de oude knecht blijven. Ik zou willen vooruitkomen, Meester! En ik zou er mijn best voor doen ook om wat meer te worden dan matroos. En als ik wil, kan ik wel!”

„Dat is een goed voornemen, jonge vriend, maar, niet ten onrechte heeft iemand eens gezegd: „Met goede voornemens is de weg naar de hel geplaveid.” Ik hoop dat voornemens bij u daden zullen worden, en dat zult ge veel gauwer kunnen bewijzen dan gij denkt. Luister naar het plan, dat ik gemaakt heb. Ik heb een’ broeder, die schipper is geweest op een’ Levantvaarder. Hij krijgt nu een nieuw schip, dat over een paar maanden klaar zal zijn. Dan gaat hij er mede naar Lissabon en Venetië. Die broeder is een zeer knap zeeman, die de stuurmanskunst en de zeevaartkunde uitmuntend verstaat. Hij woont te Rotterdam in de Hoogstraat, en zoo lang, als hij nu nog niet uitgezeild is, gaat gij iederen dag, behalve op Zon- en feestdagen, des middags om drie uur naar hem toe, dan zal hij u de stuurmanskunst en zeevaartkunde leeren. Wilt gij dat?”

Nu was Pieter niet klein meer; nu waren zijne wangen niet schaamrood meer! Neen, het vuur der blijdschap straalde uit zijne oogen en vol geestdrift riep hij uit: „Of ik wil, Meester? O, graag, heel graag! U zal zien, dat ik wil!”

„Best, best, knaap! Maar wij zijn nog niet ten einde! Gij kunt slecht lezen en schrijven, en dat moet ook niet zoo wezen. Daarom komt gij iederen morgen tusschen zeven en acht uren bij mij aan huis om ook dat te leeren. Hebt ge het verstaan?”

„Maar, Meester,” zeide eindelijk de oude Heyn, „wij zijn geen vermogende lieden. Wij hebben geen penning om al dat onderwijs te bekostigen!”

[Illustratie: „Wie spreekt er van geld?” (Bladz. 56).]

„Wie spreekt er van geld? Ik immers niet? Mijn broeder doet het om Godswil en ik ook. Maar als Pieter later opklimt en iemand wordt, die het betalen kan, dan zal hij aan ons, of, als wij dan niet meer in leven mochten zijn, aan de armen vergoeden, wat wij aan hem ten koste gelegd hebben!”

„Nu, als het zóó is, dan heb ik er vrede meê. Dan zal het schip wel in eene goede haven komen, zooals onze Watergeuzen-hopman Dirk Duivel, een man van zessen klaar, gewoon was te zeggen, als het hem naar den zin ging,” zeide Vader Pieter.

Thans scheen Moeder ook uit hare verbazing te bekomen, want opstaande ging ze naar Meester Zegers en zeide: „Meester, gij slaat wonden, maar gij heelt ze ook! Hoe komt het toch, dat u zooveel voor onzen Pieter, die u eens zoo mishandeld heeft, doen wilt?”

„Wel, vrouw Heyn, dat is gauw gezegd. Pieters gedrag bij den verschrikkelijken brand verdient nog meer loon, dan hij reeds kreeg. Het eerste loon kreeg hij van den goeden God, die zegenend op hem nederzag. Het tweede loon ontving hij van zijne Ouders, die vol vreugde en trots op hun’ oudsten jongen wijzen. Het derde loon kreeg hij in een dankbaar hart van de lieden, wier huizen en bezittingen hij hielp beschermen. Het vierde loon vond hij in alle Delftshavenaars, die na dien tijd met lof van hem spreken. Ik kom hem, omdat mijn hart voor zulke jongens warm klopt, het vijfde loon brengen, en dat vijfde loon zal zijn, hem te helpen om in de wereld vooruit te komen. Die begeerte om hem te beloonen, heeft al lang bij mij bestaan. Toen ik hem daar zoo zag boven op dat pannendak, te midden van de vlammen, die naar alle kanten uitsloegen, en hem zelfs de haren zengden, vergaf ik hem terstond de pijn en de schande, die hij mij eenmaal in eene booze bui aandeed, en ik besloot al mijne zwakke krachten in te spannen ten einde hem iets voor zijn’ moed te geven. Ziet ge, daarom en dáárom alleen is het, dat ik uw’ Pieter helpen wil, opdat er iets meer uit hem groeie dan een simpel matroos. En nu ik mijne boodschap gedaan heb, en alles naar genoegen is afgeloopen, zoo wensch ik u allen een’ goeden avond en wel te rusten! Pieter, morgenochtend om zeven uren in de Groenendaal, hoort ge?”

Zoodra Meester Zegers vertrokken was, raakten alle banden der tongen los. Wat al gepraat en gesnap! Men zou dit; men zou dat; men wilde hier; men wilde daar! Ieder had wat te zeggen en Pieter wel het meest. Alleen Moeder zweeg en dacht stil voor zichzelve na, terwijl Vader vergenoegd de handen wreef en maar ieder oogenblik mompelde: „Ja, ja, het is waarheid: Het muist graag, wat van katten komt.”

VIJFDE HOOFDSTUK.

Onder Moeders gebed naar zee.

Het ongewone van alweer te gaan leeren, maar bovenal zijne blijdschap, dat hij binnenkort naar zee zou mogen gaan, had Pieter den nacht, die op dit gewichtige besluit volgde, slechts eene korte rust vergund. Had het lang geduurd eer hij den slaap vatten kon, toen deze eindelijk kwam, kwamen droomen mede, en zoodra de stralen der morgenzon door het dakvenstertje vielen, was hij wakker, en moede van het droomen, wilde hij liever maar niet langer blijven liggen. Hij stond dus op, waschte en kleedde zich. Voor het kleine dakvenster gekomen, deed hij dat open, boog zich er door heen en keek naar de Maas, waarover een dunne nevel lag. De masten der schepen werden zichtbaar, doch overal aan boord was alles nog in rust. Alleen de mannen van de hondewacht, die om vier uur zouden afgelost worden door de dagwacht, keken hier en daar droomerig over de verschansing.

En daar, met de oogen naar het water en de schepen gekeerd, begon onze Pieter te denken aan de zee,--aan zijne toekomst! Er ging veel om in het hoofd van den knaap.

Dat hij bij het weinige, dat hij op school geleerd had, ook niets aan de geschiedenis gedaan had, is duidelijk, maar zonder dat de geschiedenis op school onderwezen werd, wist zelfs de geringste man in de zeegewesten de gebeurtenissen van den dag mede te deelen.

Wanneer de bakker het deeg heeft gekneed, laat hij het eene poos in den trog staan om het door gist te laten rijzen. Dan zet het deeg uit, en wat een halfvolle trog was, wordt weldra een volle, en als hij er ten laatste geen brood van ging bakken, dan zou het deeg over den trog heen komen.

Zie, de Nederlanders der zeegewesten van dien tijd, waren als het bakkersdeeg in den trog; er was werking in. Nog bijna onbewust hoe het kwam, gevoelde het volk zich tot daden geprikkeld, op de groote wateren, maar niet zoo zeer hier te lande. Althans de Hollanders, Zeeuwen en Friezen hadden met dappere daden op het land weinig op. Er stak een zeeman in hen, geen soldaat.

Leycester was een paar jaren geleden vertrokken en na diens vertrek had men de oppermacht dezer landen niet aan een’ anderen Vorst aangeboden. De Republiek was, als het ware, gevestigd, en met een’ Prins Maurits aan het hoofd van het leger en een van Oldenbarnevelt in ’s Lands raadzaal, begon de jonge Republiek al de kracht van hare jeugd te gevoelen, en evenals een gezonde knaap, die vrij gekregen heeft, denkt: „Wat zal ik toch nu eens doen? Ik moet, ik wil, ik zal wat doen,” zoo spitsten ook zoo onze Voorouders in die dagen hun brein tot het zoeken van alles, wat ze doen konden, doen, het liefst op zee en ver van honk.

Dat de jonge Pieter nu ook zoo dacht, is duidelijk. Wat zou hij aan boord van het schip doen? Waar zou hij komen? Wat zou hij worden?

De Ridders van vroegere eeuwen waren er sinds lang niet meer; de adellijke grondbezitters, mannen met aanzienlijke namen, waren er nog wel in Holland, maar het ontzag, dat het volk vroeger voor hen gehad had, bestond niet meer. Er was een andere aanzienlijke stand aan het opkomen. Het was die der „Burgerkoningen van de Republiek” en deze stand groeide op uit heel de burgerij, uit de armen zoowel als uit de aanzienlijken en rijken. Het was, alsof iedereen gevoelde, dat hij het ver in de wereld zou brengen, als hij maar van aanpakken wist. Die geest van „willen aanpakken” bezielde duizenden van hoofdstraat tot achterbuurt.

Was het nu wonder, dat de zoon van een’ matroos, die slechts ter haringvangst voer, eerzuchtige droomen kreeg en met tal van voorbeelden voor oogen, van zichzelven dacht: „Wat een ander kan, dat kan ik ook!”--Immers reeds tegen het begin der zeventiende eeuw waren, vooral in Holland en Zeeland mannen uit den minderen stand al heel wat geworden in den lande!

Het was aan Pieters gelaat te zien, dat zijn vurig hart van eerzucht klopte, en naarmate de nevelen op de Maas meer verdwenen, naarmate de zonnestralen alles meer in gloed zett’en en naarmate alles, op de rivier en in de havenbuurt, meer tot leven kwam, naar diezelfde mate stegen zijne eerzuchtige plannen, en wie weet hoe hoog ze wel gestegen waren, als Vader, die niet wist dat Pieter al lang en breed op was, beneden aan de trap niet geroepen had: „Jongens, jongens, het is halfzes! Er uit, jongens!”

Jacob, Simon en Cornelis rekten zich uit en riepen: „Ja, Vader!” waarna ze opstonden. Onder het aankleeden vertelde Pieter hun, wat hij dien morgen zoo al op de Maas gezien en welke mooie plannen hij voor zichzelven gemaakt had.

Na het ontbijt, dat steeds te zes uren gehouden werd, begaf Pieter zich naar zijn’ ouden Meester, en des middags ging hij vol blijden levensmoed naar Rotterdam om bij schipper Zegers de eerste lessen te nemen in de stuurmanskunst.

Zoo ging het den eenen dag na den anderen bijna twee maanden lang. Zoo traag in het leeren Pieter vroeger geweest was, zoo ijverig was hij nu. De tijd vloog hem om. Maar ook voor Moeder vlogen de dagen te schielijk voorbij. Ze was wel arm, en het geld moest uit alle hoekjes en gaatjes opgezocht, ja, op een paar boterhammen en een stukje kaas minder, uitgewonnen worden; maar ze wilde toch niet hebben, dat haar oudste jongen als een schooier aan boord zou komen. Oude spulletjes waren het, zeker, dat viel niet tegen te spreken. Op een koopje, van oud nieuw gemaakt, ieder zag het! Maar was dat schande? Zet eens eene vuist als ge geen hand hebt, en koop eens spiksplinternieuwe en mooie kleeren, als er zelfs niet genoeg voor oude is! Eene Moeder kan veel, maar zulke wonderen verrichten, dat gaat niet, dat kan niet. En dan, behalve die uitrusting was er nog meer noodig.

In 1580 was te Delftshaven eene vereeniging tot stand gekomen, die den naam droeg van: „Matroozen-troost”. Die vereeniging bestond uit zeelieden, die eenig geld bij elkander brachten, hetwelk door drie Regenten beheerd werd. Viel nu een der matrozen, die lid van die vereeniging was, in handen van Duinkerksche kapers, dan werd hij met geld van de bijeengebrachte som vrijgekocht. Dat lidmaatschap kostte nu wel veel geld, veel althans voor menschen, die met schrale verdiensten moesten rondkomen, maar Moeder had besloten, dat haar jongen ook lid zou worden, het mocht kosten wat het wilde. Wanneer hij in handen van die woeste zeeschuimers, niet veel beter, misschien wel erger, dan de Watergeuzen, viel, dan zou hij in harde gevangenschap moeten blijven zuchten, en wie weet of ze hem zelfs niet om het leven zouden brengen. Dus, Pieter moest lid worden van „Matroozen-troost”.

En onder die velerlei beschikkingen brak eindelijk de dag aan, dat Pieter zou vertrekken. Het schip, „de Westland” geheeten, en voor rekening van eenige Delftsche kooplieden uitgerust, lag zeilreê in Delftshaven.

Slechts een paar uren nog en dan zou het de haven verlaten. Wie wist voor hoe lang!

Pieter was nog aan boord; hij had echter geen afscheid genomen en mocht dat nog gauw gaan doen. Zijn Vader was niet thuis; deze was op de vischvangst, en hem had Pieter al vaarwel gezegd. Jacob was bij een’ timmerman te Delft in de leer, en Cornelis en Simon waren in school. Moeder was dus alleen, heel alleen thuis.

„Nu, jongens, een half uurtje, hoor, niet langer,” zeide de schipper, aan wien gevraagd werd om thuis afscheid te gaan nemen.

Hierop liepen drie jongens van boord de Haven op.

Wie dat waren?

Dat waren Willem Adriaensz. Blokmaker,--Jan Dirksz. en onze Pieter.

De eerste twee gingen met „de Westland” als licht-matrozen mede, en Pieter, als bootsmans-leerling.

„Tot straks,” klonk het thans, en de drie knapen liepen ieder naar hun eigen huis.

Maar weldra vertraagde Pieter zijne schreden. Hij wilde wel hard loopen; maar hij kon niet. Er was iets, dat hem hinderde, en hoe dichter hij bij huis kwam, des te vreemder gevoelde hij zich. Het was in zijne keel, alsof daar een stuk droog brood zat, dat hij wel doorslikken wilde, maar niet doorslikken kon.

Eindelijk kwam hij, ondanks zijne vertraagde schreden, toch thuis.

Hij deed de deur open, trad binnen en ging naar zijne Moeder, die bezig was om met de tang het vuur wat op te rakelen. Zij keerde zich om toen zij iemand hoorde binnenkomen, en Pieter in het vertrek ziende, zag ze hem verstoord aan en zeide: „Blijf staan! Wat is dát?”

Pieter stond onthutst stil en vroeg: „Wat, Moeder?”

„Vraag-je nog „wat”, jongen?”

„Ja, Moeder, ik weet niet....”

„Zoo, weet gij altemet niet, waarom daar voor de deur eene voetmat ligt?”

Pieter lachte even en zei: „Maar, Moeder! Ik....”

„Houd dat „maar” toch eindelijk voor je! Doe als altijd!”

Pieter keerde terug en veegde de lage zeemansschoenen, die niet vuil waren, aan het matje af. Hij had dat voor het eerst van zijn leven vergeten.

„Genoeg,” sprak thans Moeder, „zeg mij nu vaarwel!”

Pieter deed het; maar, koel. Moeder deed ook zoo raar!

[Illustratie: „Vergeet--je--Moeder--niet!” (Bladz. 62).]

„Hoor eens, jongen,” begon Moeder terwijl ze hem de armen om den hals bleef houden, „ik weet dat je mij al heel vreemd vindt. Goed, vind dat. Maar nu we op het punt staan, van elkander te scheiden, heb ik je nog wat ernstigs te zeggen. Tot heden heb-je altijd ons, uw’ Ouders, moeten gehoorzamen, en als je het niet deedt, dan wachtte je straf. Nu ga-je naar zee. De zee maakt een’ mensch lichtelijk vrij en ongebonden, ja, soms woest, hardvochtig en onverschillig. Zoo ze jou dat óók maakt, dan zou ik liever hebben, dat je nimmer weer een’ voet over dezen drempel zettet. Ik wil van mijne kinderen gehoorzaamheid, al werden ze zoo hoog geplaatst, dat er tusschen hen en Zijne Excellentie Prince Maurits, dien God behoede, slechts ééne schrede afstands was. Ik heb je geleerd, God en uw’ Ouders te gehoorzamen. Als ik je wederzie, moet dat nóg zoo zijn. En gehoorzaamheid zit niet enkel in het groote,--gehoorzaamheid zit ook in het kleine. Wie, als hij binnen de deur komt, begint met de voeten niet op de mat af te vegen, ofschoon hij weet, dat dit orde en regel is, die eindigt met zelfs God niet te gehoorzamen en te leven als een heiden. En nu, mijn jongen, denk altijd, je heele leven lang, in Noord of Zuid, in Oost of West, nu of over veertig jaar, als bootsmans-leerling, als schipper of als Kapitein, denk altijd aan deze ure. Vergeet je Moeder nooit, dan vergeet je ook de lessen niet, die zij je gegeven heeft; dan vergeet je den Lieven Heer niet; dan zal mijn gebed voor je welzijn niet onverhoord blijven! En nu, Pieter, lieve beste Pieter, ga, ga met God! Vergeet .... je--je Moeder---je Moeder niet!”

Hier moest de strenge Moeder opeens zwijgen. Zij had zich geweld aangedaan om kalm te blijven; ze wilde tot op het laatste oogenblik den schijn aannemen, alsof er in dat kloppende en zwoegende hart geen teedere liefde te vinden was. Maar de strenge Moeder moest in dien fellen strijd voor de teedere Moeder onderdoen. Ze wierp de tang neer en krampachtig snikkend sloeg ze de armen, de trouwe Moederarmen, om den hals van haar’ oudsten en drukte hem aan het Moederhart, het trouwe Moederhart, dat zóó hevig klopte, dat Pieter de slagen wel tellen kon. Eindelijk, na zijn gelaat met kussen overdekt te hebben, maakte zij zich los, en een klein pakje, dat op de tafel lag, in de hand nemende, reikte zij het hem over en zeide: „Aan boord eerst te openen,” kuste hem nogmaals en nogmaals, en .... beval hem heen te gaan, omdat zijn tijd verstreken was.

„Een half uurtje, hoor!” had de schipper gezegd.

Het was bijna een uur geworden.

Voort, Pieter, voort! Niet begonnen met nu al te kort te doen aan zeemansplichten!

Pieter toonde thans, dat hij nog loopen kon. Den weg, waarover hij wel tien minuten gedaan had, toen hij naar zijne Moeder ging, werd nu in minder dan de helft afgelegd. Hij kwam evenwel volgens het bevel te laat, maar toch won hij het nog van zijne beide makkers, Willem en Jan.

Zoodra hij nu aan boord trad, vond hij daar Meester Zegers en zijne broeders Cornelis en Simon om afscheid te nemen, en hoewel Meester hem niet zoo weekhartig maakte, als Moeder, toch vond Pieter, dat de oude man hartelijk was, als weinig anderen. Maar eindelijk, toen Willem en Jan ook aan boord waren gekomen, verzocht de schipper zijn’ broeder vriendelijk om henen te gaan. Hij kon er op rekenen, vast en stellig, dat hij voor den jongen Pieter Pietersz. Heyn zorgen zou, alsof hij zijn eigen kind was.

Meester ging met Piets broeders aan den wal. De loopplank werd ingehaald en toen, evenals eenige jaren geleden waarin onze goede Dr. Heye zong, was het:

„De kabels los, de zeilen op, Dat gaat er op een varen: Al waren wij Sinjeurs aan wal, Ons hart lag in de baren; Een Hollandsch kind, dat is bekend, Dat vindt in zee zijn element!

Hoezee dan, jongens, in het want! De handen uit de mouwen! Laat Duitscher, Noor of Engelschman Niet klimmen in je touwen! Dàn kan je varen zonder peil, Al blies de Nikker in het zeil.”

Pieter keek naar alle kanten uit, of hij zijne Moeder nog niet eens zou zien. Hier stond een groepje mannen en vrouwen; zij was er niet bij.--Daar stonden eenige nieuwsgierigen, die van alles, wat er gebeurt, het naadje van de kous willen weten; vrouw Heyn was er niet bij. Ginds liepen eenige luierende manspersonen met een dergelijk slag van vrouwen, den tijd dooden met kallen en snappen over allerlei onbeteekenende dingen, soms ook wel over hunne buren; ook daar was ze niet bij.

Maar bij de Sluis, ja, daar bij Gerrit, den sluiswachter, die uit de Kolk verdreven werd door den brand, en die nu bijna aan het einde van de haven in een nieuw huisje woonde, daar stonden een paar vrouwen door de ruiten te kijken.

De eene was de Moeder van Mietje en Jantje.

De andere?

Zou Pieter dat nog behoeven te vragen? Neen, hij herkende haar terstond, al was haar gelaat, door eene huive gedekt, nauw zichtbaar. Die andere was zijne Moeder.