Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 4
De wind begint ook minder hevig te worden. Eene nieuwe onweersbui komt opzetten en vangt den fellen luchtstroom achter hare dikke wolken.
Krek-krek-krek-krek!
Eene vuurzee stijgt omhoog! Ze lijkt wel een’ Vesuvius!
Het rieten dak is ingestort;--de vlammen dalen neer!
Pieter heeft er zijn aandeel van gehad, en als hij niet juist op het oogenblik, dat het dak instortte, zich opnieuw een’ emmer water over het geheele lijf gesmeten had, dan zouden de wilde vlammen hem zeker hebben aangetast. Nu is hij alleen maar op een paar plaatsen een weinig gebrand. Maar gelijkt zijn gezicht, door rook en houtskool, ook veel op dat van een’ neger, die uit schoorsteenvegen geweest is,--zijn de lange, wilde haren hem ook ten deele van het hoofd geschroeid,--voelt hij hier en daar aan handen en aangezicht een plekje, dat pijn doet,--toch verlaat hij het dak zonder ernstige wonden verkregen te hebben, en daalt, nu het gevaar geweken is, onder het gejuich van eene menigte mannen en vrouwen, naar beneden.
Zou soms het gebed der goede Moeder den „kwajongen” beschermd en behoed hebben?
Maar het volk heeft geen tijd, onderzoek te doen, hoe het kwam, dat de jonge waaghals, de ferme knaap, zoo behouden bleef, want.....
Als bij eene algemeene volksopwinding de zenuwen van streek zijn, dan is eene kleine gebeurtenis, die in kalme oogenblikken, ons zou doen lachen of doen zeggen: „Maak het je niet druk! Het is niemendal!” in staat om eene heele menigte in eene nieuwe beroering te brengen. Zoo iets heeft nu plaats. Boven het wilde rumoer van donderslagen, huilenden storm, krakende balken, instortende muren en zolders, schreeuwende menschenstemmen, hoort men in de verte iets, dat een nieuw, een nog onbekend geluid is. Wat het is? Men vraagt het elkander, doch de een weet den ander geen antwoord te geven.
Het komt nader, steeds nader, dat geluid, dat men niet zoo dadelijk een naam weet te geven.
Eene gillende vrouw is het, die komt toesnellen.
Wie? Wie? Een ongeluk gebeurd soms? Wie is het?....
Lang had Pieters Moeder zich goed gehouden en met kracht en geweld hare drie jongens belet, de deur uit te loopen. Maar eene gedienstige buurvrouw was gekomen, had op het venster geklopt en geroepen: „Vrouw Heyn, je zoon Pieter zit boven op een brandend dak. Je man zit ook bij hem, en ze kunnen ieder oogenblik in de vlammen omkomen!”
Dat was te veel voor haar! Ze dacht er geen oogenblik aan, dat buurvrouw het gevaar, dat Vader en zoon liepen, misschien erger gemaakt had dan het was. Ze sprong met een’ gil op, snelde, gevolgd door Jacob, Simon en Cornelis naar buiten, en juist op het oogenblik, dat al het volk zich om Pieter Pieterszoon Heyn verdrong, kwam zij aan, zij, de goede Moeder!
Daar zag zij haar’ man.
„Waar, waar is onze jongen? Vader, waar is mijn Pieter?” riep ze in onbeschrijfelijken angst.
„Daar, Moeder, daar! Pieter is een held geweest! Hij....”
Zij zag hem en liet haar’ man niet uitspreken.
„Pieter, Pieter, kind!” klonk het, en opeens baande zich door de opgepakte menigte eene vrouw met loshangende haren en verwilderd gelaat een’ weg.
„Moeder,” riep Pieter, die niet begreep, wat er in het hart van de vrouw, die zich altijd zoo stug hield, moest omgaan, dat zij zich zoo vreemd aanstelde. „Moeder, zoekt u Vader?”
„Neen, jou, jou, kindlief, jou, mijn jongen, mijn besten, besten, lieven jongen, jou zoek ik! O, God, heb dank, heb dank!”
Hare armen omstrengelden den knaap, die nu toch gevoelde, hoe diep, hoe innig zijne Moeder hem liefhad.
Het volk werd onder die ontmoeting tusschen Moeder en zoon bewogen, en de ruwste man onder den hoop, de oude Watergeus, Pieter Heyn, veegde met de mouw van zijn buis een’ traan van zijne wang, en bromde met een vreemd hokken in zijne stem: „Wat stom, gaan mijne oogen regenen? Dat is mij te machtig! Wat zou mijn oude Kapitein, Dirk Duivel, wel zeggen, als hij zag, dat ik grijnde? Hij zou zich eerst een ongeluk lachen en me dan een’ opstopper geven, dat ik Noord lag! Grijnen! Ik! Ik!”
En waar waren Simon, Jacob en Cornelis?
Moeder had niet aan hen gedacht, och, in het geheel niet, doch nu de angst geweken was, bedacht ze, dat zij de deur uitgeloopen was zonder die gesloten te hebben, en ze begreep wel, dat de jongens nu wel niet meer thuis zouden zijn. Ze begon dus met haar’ man en Pieter naar de drie anderen te zoeken. Simon en Cornelis werden vrij spoedig gevonden, doch Jacob was nergens te zien. Inmiddels was de nieuwe onweersbui losgebarsten en viel de regen in stroomen neer. De wind was echter bedaard en het gevaar volkomen geweken. Velen besloten dus naar huis te gaan, en Heyn met vrouw en drie zoons vonden het op straat nu ook zoo heel pleizierig niet, en zeker zouden zij ook naar hunne woning gegaan zijn, als ze Jacob maar gevonden hadden.
„Maar is Jacob wel meegegaan?” vroeg de oude Heyn.
„Ja, Vader, hij was het eerst van ons op straat; maar toen we de steeg uit waren, konden we hem al niet meer zien; zoo hard had hij geloopen!” zeide Cornelis.
„Weet-je, wat we doen moesten?” sprak Vader.
„Neen, man! Ik weet het niet! Hadde ik mijn’ jongen maar!” klaagde Moeder.
„We zullen hem zoeken en vinden ook. Hij is toch waarlijk geen kind meer, dat nog met den valhoed, of achter den steekwagen loopt! Maar eerst gaan we naar huis. Vooral voor Pieter zal het goed zijn, als hij binnen is; want weet je wel, Moeder, dat ze geen avondboterham gehad hebben? De jongens zullen dus wel hongerig zijn!” antwoordde Vader.
De goede vrouw begreep dat ook, en daarom verdubbelde men de schreden om ras binnen te zijn. Toen ze bij hun huisje kwamen, vonden ze de deur open en hoorden ze al heel gauw, dat er een kind in de kamer was, dat schreeuwde.
Daarvan begrepen de Ouders niets. Wat zou dat zijn?
Moeder liep naar binnen en, kijk eens aan, Jacob was alleen thuis en liep, in zijn ondergoed gekleed, met een klein kind op den arm. Dat kind huilde zoo, hoewel Jacob alles deed, wat hij kon om het tot bedaren te brengen. Op den grond, zoo maar op de vloermat, lag nog een jongsken van een jaar of twee, toegedekt met Jacobs buis en borstrok!
Als het moedervogeltje, dat zich het lijfje van vederen kaal plukt om het teedere vogeljong te verwarmen, zoo had Jacob gedaan! De Liefde woont soms in zoo’n raar, zoo’n onooglijk huisje!
„Wat zal dat?” riep Vader.
„O, Vader en Moeder, ik ben zoo blij, dat ge komt! Ik kon Mietje niet tot bedaren krijgen. Als ze maar een dotje had, zou ze wel zoet zijn!”
„Maar van wie zijn die kinderen dan toch en hoe komen die hier?” vroeg Moeder.
„Wel, toen ik naar den brand liep,” hernam Jacob, „zag ik in de Olyphants-steeg eene kribbe staan met een schreeuwend kind er in, en een schreeuwend kind er naast. Ik kende ze wel. Het waren Mietje en Jantje van den sluiswachter. Zijn huis is zeker ook verbrand, want het stond in de Kolk, en de kinderen waren zeker zóó maar naar buiten gebracht en daar door den een of ander neergezet. Maar de zieltjes werden doornat van den regen, en toen ik dat zag, heb ik Mietje met krib en al naar hier gedragen, en Jantje moest me maar aan mijn buisje vasthouden. Zoo kwamen we in huis. Ik stak gauw licht op en legde Jantje op de mat. Maar omdat hij zoo koud was, heb ik mijne bovenkleeren uitgetrokken en er hem mee toegedekt. Hier, Moeder, pak Mietje eens aan, dan zal ik den sluiswachter gaan opzoeken en zeggen, dat zijne kindertjes goed bezorgd zijn!”
„Ben-je dwaas, jongen?” sprak Vader. „Dat zal ik wel doen! Je kunt in dit weer zoo niet naar buiten!”
Pieter Heyn stapte nu terstond de deur uit en begon al heel gauw te roepen: „Gerrit de sluiswachter! Gerrit de sluiswachter!”
„Wat moet ge van dien man hebben, vriendlief?” vroeg Dominee Jansz., die blijkbaar erg opgewonden was, en hem op straat tegenkwam. „O, dat is een vreeselijk geval; zijne twee kindertjes zijn in den brand omgekomen. De Ouders zijn radeloos van verdriet!”
„Neen, ze zijn geen van beiden verbrand!” antwoordde Heyn. „Ze zijn....”
Maar eer hij verder kon gaan, kwam er eene oude vrouw bij, die zeide: „In hun eigen huis zijn ze stellig en zeker niet verbrand. Ik heb het met mijne eigene oogen gezien, dat Joriaan Dirksz., de diaken, ze naar buiten gedragen heeft. Ik zou er een’ eed op willen doen!”
„Dan naar Joriaan Dirksz.,” hernam Dominee. „Het is de vraag maar, waar hem te vinden, want zijn huis is ook al verbrand! Mee, vrouwtje! Mee, man!”
Pieter Heyn hield hem evenwel tegen en zei: „Maar wat kallen de luiden toch? De kindertjes zijn allebei bij ons in huis. Mijn jongen heeft ze meegenomen en binnen gebracht, omdat de bloedjes zoo doornat werden en in de Olyphant-steeg zoo moederziel alleen stonden.”
„Die Pieter is me toch een jongen van het bovenste plankje!” riep de vrouw.
„Neen, Pieter heeft het nu niet eens gedaan. Jacob kan ook wel wat, al zeg ik het zelf! Jakob is ook een zoon van me, weet-je!” sprak Heyn en begon weer maar te schreeuwen: „Gerrit de sluiswachter! Ger--rit!!!”
Daar kwam midden uit een’ hoop menschen eene vrouw, die radeloos scheen en haveloos gekleed was, met hangende en rondfladderende haren, te voorschijn, en met wat wilds, wat schrils en wat vreeselijks in hare stem, riep ze: „Wie roept mijn’ man? Wie zoekt hem? Wat wil men van hem? Zeg het mij maar! Ik ben zijne vrouw!”
„Ho, vrouwtje, dat is er al vast eene! Den ander zal ik ook wel opsnorren! Weet-je de Kerkhof-steeg?”
„Ja, ja! O, mijne lieve kinderen!”
„Nu, stil maar, stil maar! Weet-je daar Pieter Heyn, den haringvisscher, wonen?”
„Och ja, dat weet ik wel!”
„Goed, goed, daar zijn je twee kindertjes, levend en wel! Ga er maar heen!”
Dat laatste hoorde de vrouw al niet meer; want nauwelijks had Heyn gezegd: „Daar zijn je twee kindertjes,” of ze snelde als een pijl uit den boog henen.
Een half uurtje later kwamen Heyn en de sluiswachter ook binnen.
Dat was daar in die nederige woning een heerlijk tooneel! De hoogste Liefde en de reinste Vreugde vierden daar samen feest!
Wat dachten die Vader en die Moeder aan alles, wat de brand vernield had? Niets! Ze dachten niet aan iets, dat ze verloren hadden! Ze hadden alleen gedachten voor dat, wat ze behouden mochten! Van droefheid, van zorgen, van treurigheid, geen sprake! Feest, heerlijk feest was het daar binnen! Ze hadden behouden, wat hun meer waard was dan de schat eens Konings! Hunne lieve, lieve kinderen! Wat wilden ze meer?
Die Gerrit was ook een oude Watergeus, en toen vrouw Heyn zag hoe hij Mientje en Jantje beetpakte, terwijl hem de tranen langs de wangen liepen, toen zag ze, dat sommige Watergeuzen toch óók menschen waren, en van dien dag begon ze haar’ man ook van een’ anderen kant te bekijken, en weldra kwam ze tot de overtuiging, dat die ruwe, harde Pieter, die oude Spanjolen-dooder, toch wezenlijk zoo kwaad niet was, als zij nog wel eens meende.
Gerrit bleef dien nacht natuurlijk met vrouw en kinderen bij Heyn. Ze moesten maar in het kleine zijvertrekje op het pronkbed slapen. En dat deden die luidjes gaarne; want het was nog maar halfvier in den morgen en het onweder was afgedreven.
De vier jongens hadden hun hart aan de boterhammen opgehaald, en waren ook nog maar ter kooi gekropen. En toen alles in dat kleine huisje in de Kerkhof-steeg in rust was, behalve de oude Heyn en zijne vrouw, zeide Vader Pieter heel stil: „Wel, vrouw, wensch-je nu nog, dat je vier meisjes in stede van vier jongens hadt?”
Moeder zweeg; haar hart was te vol. Zij was zoo over-dankbaar, zoo in-gelukkig, dat ze geene woorden vinden kon om haar’ man te antwoorden.
Heyn bleef een poosje op antwoord wachten, en toen dat niet kwam, vroeg hij nog eens: „Zeg, Moeder, zou-je die vier belhamels niet gaarne willen verruilen voor vier meisjes?”
„Och, Vader, zwijg daar nu toch van!” klonk het op een’ toon, die meer dan duizend woorden zeide.
De Vader had er evenwel het zijne nog niet van en fluisterde haar in het oor: „Jawel, maar jongens, zie-je, Moeder, zijn toch maar jongens, hé?”
„Maar jongens met nobele harten! O, ik verruil ze voor geen koningsdochters!” sprak Moeder vurig en drukte haar’ man innig de handen. „Het is me net, alsof ik na een’ stikdonkeren nacht de zon zie opkomen!”
„Zoo, zoo, daar heb ik je gehoord. Daarheen wilde ik het gestuurd hebben. En nu ik dat weet, wel te rusten, vrouw! Droom gelukkig van je jongens, van ~onze~ jongens, en, als je er soms een goed woord voor doen wilt, Hij, daar boven, Moeder, zal je verstaan.”
Zoo sprak Vader Pieter en terwijl hij dat zeide, dacht de vrouw in alle stilte: „Ja, dat goede woordje zal ik nu ook wel doen, eer ik ga slapen! Maar heel mijn leven zal één goed woord zijn tot den Heere om mijn’ man en onze vier jongens te zegenen!”
Te zeven uren werd Moeder eerst wakker. Ze schrikte, dat het al zoo laat was en wekte ook haar’ man. Deze stond op, en terwijl hij zich aankleedde, zei Moeder: „Man, ik heb zulk een’ mooien droom gehad!”
„Zoo, wat heb-je dan gedroomd?”
„Wel, ik droomde, dat ik te Rotterdam bij de Maas stond. Er kwam een schip aan. Zeker een oorlogsschip; want de leelijke kanonnen lagen naar buiten te kijken. En boven op dat schip stond de Kapitein in mooie kleeren en met eene sabel op zijde met gouden kwasten eraan. En weet-je wie die Kapitein was? Dat was onze Pieter! Onze Pieter in levenden lijve, geen mensch anders. Maar juist toen hij langs de loopplank kwam om mij goeden dag te zeggen, werd ik wakker. Wat zeg-je van dien droom, man?”
„Wat ik er van zeg?”
„Ja, ja, van dien droom?”
„Wel, wat anders dan: „droomen zijn bedrog?” Dat is geen droom geweest. Weet-je niet meer dat gisteren Kapitein Jansz., de broeder van Dominee, verteld heeft, hoe hij voor veertien dagen te Rotterdam aankwam, en dat de eerste, die hij zag, zijne Moeder was? Die vertelling heeft je door het hoofd gemaald, en omdat je zóó veel aan Pieters flink gedrag hebt gedacht, maakte-je van Kapitein Jansz. eenvoudig Kapitein Heyn. Dat is alles. Het moederhart is zoo groot, vrouw, o, zoo groot!”
Dat viel Moeder tegen. Ze had zoo gaarne gewild, dat haar man gezegd had: „Dat kan best gebeuren, dat Pieter Kapitein wordt!” Maar nu, „droomen zijn bedrog!” Bedrog! Ja, ze geloofde dat ook wel, zeker, zeker, maar toch....
Met den vollen dag kon men eerst de verwoesting zien, die door den brand aangericht was. Het was akelig om te aanschouwen. Gelukkig, dat de Regeering van Delft, op last van den Hove van Holland, tegen den interest van vijf ten honderd, gelden voorschoot om de verbrande huizen weer te kunnen opbouwen. En was het ook weer hier: „Als het kalf verdronken is, dempt men den put,” het was toch een goed bevel, dat er tevens gegeven werd: „De nijeuwe huysen sullen met hard deck ofte pannen gedeckt worden.”
VIERDE HOOFDSTUK.
Het muist graag, wat van katten komt.
Na den brand bleef Pieter eenige dagen thuis. De kloppartij, het moeielijke en zware nachtwerk zonder avond-boterhammen in de maag, het natte pak, dat hij zichzelven gegeven had en de vreeselijke hitte boven op het pannendak waren hem niet te best bekomen. Hij was eerst erg verkouden geworden en had toen de koorts gekregen, en in dien tijd was het met de geneeskunde nog treurig gesteld, en een groot geluk, dat toen over het algemeen de menschen wat sterker van lichaamsgestel waren dan ze nu zijn. Ze konden beter tegen een stootje, en tegen een hard stootje ook. Dat sterker zijn van onze voorouders was heel natuurlijk. Een kind, dat zwak was, kon in de meeste gevallen niet blijven leven, zoodat alleen de sterken overbleven. In dien tijd was de kindersterfte heel groot, veel grooter althans dan tegenwoordig. Van versterkende middelen wist men toen zoo goed, als niets, en zij, die als „dokters” dienst deden, waren veel meer gebrekkige chirurgen, of liever kervers en snijders, dan geneeskundigen. Barbiers in steden en op dorpen waren toen meteen „dokters” voor de zieken en „dokters” voor de gewonden. Zij trachtten de menschen zoowat op dezelfde manier te genezen, als nu op de kleine dorpen sommige hoefsmeden de paarden en het rundvee probeeren „op te knappen”. Alles ging geheel volgens een receptenboek, waarin soms de vreemdste middelen werden opgegeven, gewoonlijk met de stellige verzekering er bij, dat het voor deze of die ziekte, en voor dit en dat gebrek, het heilzaamste middel was, dat er ooit gevonden werd.
Zoo had de barbier, om Pieters verkoudheid te verdrijven, hem eerst een mengsel van vlier, kamillen en jeneverbessen laten slikken, met het bevel er bij: „Twee dagen lang niet van onder vier dikke dekens komen!” Er is wel eens wat vermakelijkere in de Hondsdagen dan achtenveertig uren lang onder vier dekens te liggen met om het uur een’ paplepel van dat keurige drankje in het lijf. Maar Pieter hield het die twee dagen moedig uit, doch toen hij den derden dag opstond, waren zijne poriën door het vreeselijk zweeten zóó geopend, dat hij, toen de deur even openging, opnieuw eene koude vatte, die hem de derdendaagsche koorts bezorgde. Toen begon het slikken andermaal. Eerst een mengsel van pimpernel, salie, mosterd en azijn. Wel mocht het hem bekomen; maar de koorts gaf er niet om en kwam terug. Toen moest hij bladeren van brandnetels op zijne polsen leggen, en eindelijk om het half uur twee paplepels vol van een drankje, dat gemaakt was van negen wortels van weegbladen, negen roemers wijn en achttien roemers water. En toch bleef de koorts niet weg.
„Weet-je wat, Moeder, die barbier weet precies zooveel van zieken genezen, als de Turk van onzen Bijbel. Ik houd het er voor, dat Pieter best beter zal worden, als hij maar begint met vasten!” zeide de oude Heyn toen het hem begon te vervelen, dat hij iederen dag zulk een’ ziekenverknoeier over den vloer kreeg. Moeder vond het goed en de koorts bleef eindelijk heelemaal weg.
„Ze is vanzelf weggegaan,” zeiden Pieters Ouders.
„Het mocht wat,” antwoordde de barbier, „het mocht wat! Ik zeg, het is een gevolg van mijn laatste geneesmiddel! Dat verzeker ik, en ik wil je groeten!”
Na dien tijd gaf de barbier elken koortslijder, dien hij in zijne macht kreeg, niets anders te drinken dan een aftreksel van weegbladen in water en wijn. Stierven de zieken, dan was het: „Hun tijd was er geweest! Verzet-je daar eens tegen! Voor den dood is geen kruid gewassen!”--Herstelden ze, dan hoorde men: „Dacht-je dan, dat ik niet weet, wat zieken noodig hebben om weer beter te worden? Zag-je me voor zóó min aan?”
Door dat gedwongen thuisblijven had de schipper, bij wien Pieter, als jongen, aan boord was, omdat hij niet wachten kon, een’ anderen knaap genomen en Pieter moest maar zien, dat hij wat kreeg.
Eens op een’ avond in het begin van September zaten Pieters Ouders te schemeren en de oude Heyn vertelde geschiedenissen van de Watergeuzen. Midden in de vertelling werd er echter op de deur geklopt. Moeder deed open en .... Meester Zegers trad binnen.
Meester, die de bespottelijke gewoonte had aangenomen om altijd boekentaal te spreken, om zoo doende, naar hij meende, zijn’ scholieren een exempel te geven, er niet aan denkend, dat juist dit gemaakte spreken hem in den weg was om een plaatsje te vinden in het hart zijner leerlingen, wat jammer genoeg was, want meester Zegers meende het zoo goed, begon dadelijk met een: „Ik wensch ulieden een’ goeden avond!”
„Van hetzelfde, Meester! Ga zitten!” antwoordde Vader.
Pieter was niet op zijn gemak.
„Ik kom den vrede teekenen, oude Watergeus!” hervatte de Meester met iets hartelijks in zijne stem.
„Den vrede teekenen? We leven, naar ik hoop, toch niet met elkander in oorlog, is het wel?” dus liet de Vader zich hooren.
„Dat is te zeggen, Vader Heyn, met u leef ik niet in oorlog, maar tusschen uw’ oudsten zoon en mij is de verhouding toch niet van zulk een’ uitnemenden aard, zou ik denken. Wie weet hoe dikwijls onze maat me al wat leelijks heeft toegewenscht!”
„Meester, daar is geen steek van aan,” riep Pieter, in zijne platte jongenstaal en geraakt, uit. „Ik heb u nog nooit wat kwaads toegewenscht, en dat mag u niet maar zoo zeggen. Ik heb u na dien dag, u weet wel, nooit weer iets in den weg gelegd!”
„Dat weet ik, Pieter! Daarom, en ook nog om wat anders, kom ik vrede met u maken!”
Ineens was Pieters drift over en vol verwondering riep hij: „Vrede maken, Meester? Vrede maken met mij?”
„Ja, mijn jongen, ik kom vrede maken met u. Tot den zevenden Augustus van het jaar onzes Heeren 1591, altijd Nieuwe Stijl, leefde ik met u in vijandschap. Als ik tot dien tijd aan u dacht, o, jongeling, kreeg ik geregeld pijn in het lichaamsdeel, dat de ongeletterde luiden knieschijf noemen, doch hetwelk door de geleerden met den beteren naam van „patella” wordt aangeduid.”
Gelukkig, dat het meer dan half donker in het vertrek en dat Meester Zegers wat slecht van gezicht, misschien ook minder scherp van gehoor was, want bij het noemen van „knieschijf” of „patella”, gingen vier vingers te gelijk tusschen de tanden van vier jongens, om, door in de vingers te bijten, het lachen te voorkomen. Zelfs Vader, maar daar was hij dan ook een oude Watergeus toe, had de grootste moeite om zijn verweerd gelaat in een’ effen plooi te houden, want van die knieschijf-geschiedenis wist hij alles af, en hij had er altijd meer vermakelijks dan ernstigs in gevonden. Alleen Moeder, die heel het leven van den ernstigen kant bekeek, die nooit eens vroolijk lachte en ten hoogste eens heel even een’ glimlach liet zien, omdat ze lachen zonde noemde, had de halve duisternis niet noodig om haar gelaat te verbergen, en zeide met een’ diepen zucht: „Het heeft mij diep gesmart, Meester!”
Meester bleef den jongen Pieter aanzien en zonder gelet te hebben op dat, wat de Moeder zeide, vervolgde hij: „Maar na den nacht van den negenden Augusti is al mijn wrok tegen u over, mijn jongen! Gij hebt toen in een enkel oogenblik heel Delftshavens hart en ook het mijne gestolen. Nu gevoel ik er behoefte aan, o, jongmensch, u te zeggen: bij de vele vrienden, die gij door uw manhaftig gedrag hier te Delftshaven verworven hebt, behoor ook ik. Alles is vergeten en vergeven! Ziedaar mijne hand erop, jeugdige vriend!”
„Van harte gaarne, Meester! Daar is mijne hand!” sprak Pieter nu zonder lachen, en stak Meester Zegers de rechterhand toe.
Nadat de oude man de hand van den knaap gedrukt had, zeide hij: „En raadt gijlieden nu eens, wat ik nog meer kom doen?”
Ja, daar was moeielijk naar te raden; dat kon men zoo maar niet weten.
„Welnu,” sprak Meester Zegers, nadat Vader, Moeder en Pieter vergeefsche pogingen aangewend hadden om de oorzaak van Meesters komst te weten, „welnu, ik kom vragen of onze Pieter de grimmige wateren van den woesten Oceaan mag gaan beploegen.”
De beeldspraak voor wat het volk eenvoudig noemt: „het zeegat uit,” ging wel wat diep, doch Moeder, die door het lezen van den Bijbel en andere ernstige boeken, zoowel als door het aanhooren van geleerde en deftige preeken, veel beter dan al de overigen in staat was om achter de beteekenis van beeldspraak te komen, begreep hem, en bijna ontsteld riep ze uit: „Maar, Meester! Mijn oudste jongen naar zee? Hij naar zee!?”
Meester Zegers wist hoe zwart de Watergeuzen bij vrouw Heyn stonden aangeschreven, en daarom zeide hij terstond op geruststellenden toon: „Zooals gij zegt, Moeder, naar zee! Maar niet als Watergeus om te stroopen, te moorden en te branden; neen, als eerlijk matroos ter koopvaart!”
„Ja, dat is wat anders, maar toch....” zuchtte Moeder.
„Stil, vrouw Heyn, stil,” hervatte Meester. „Ik weet wel, wat ge eigenlijk wilt! Gij zoudt zoo graag zien, dat Pieter den stiel van uw’ braven Vader leerde en met allerlei gereedschappen het ruwe hout tot nuttige voorwerpen ging vervormen!”
„Ja, Meester, dat zou ik zeker graag zien. De zee is zulk een gevaarlijk element, en boven op zolder staan nog al de stukken gereedschap van mijn’ lieven Vader, zaliger, zonder één roestvlekje erop!”
Vader Heyn, die er al lang geleden over gedacht had om zijn’ oudsten jongen, matroos op een zeeschip te laten worden, tikte zijne vrouw even op den schouder en sprak: „Er zijn nóg drie jongens buiten Pieter, vrouw!”