Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 3

Chapter 34,214 wordsPublic domain

„Ieder zijn’ meug! Ik blijf hier!”

De man, die achter bleef, had nu het droge plaatsje geheel voor zich alleen en wilde het zich juist eens „lekker” maken, toen hij zijn maat, die er op uit was om eens te kijken, met luide stem: „Brand! Brand! Brand!” hoorde roepen.

Nu was de ander ook niet meer op zijne schuilplaats te houden. Hij sprong te voorschijn en beiden liepen, wat ze loopen konden, de een naar het wachthuis, en de ander naar het huis, dat in brand stond. Het was dat, waar wij met de bewoners al een vlammetje door den zolder zagen te voorschijn komen. En terwijl daar allen in de weer waren en, zooals dat gewoonlijk gaat, niemand recht wist, wat hij deed, bonsde de nachtwacht met het uiteinde van den stok aan den hellebaard op de deur, en schreeuwde uit alle macht: „Brand! Brand! Red leven en goed! Brand! Brand!”

Zijn akelig geroep werd niet alleen gehoord door hen, die waren in het huis, waarvan het heele dak reeds in brand stond, maar het joeg ook de bewoners van de naastgelegen woningen angst en schrik aan. Daar had men binnen nog niets bemerkt, en toch werd het meer dan tijd, dat zij zich repten om te redden, wat nog te redden was, want de wapperende, zwalpende vlammen hadden hunne daken ook reeds in brand gestoken.

En wat die ééne waker bij het brandende huis gedaan had, dat deed de andere waker met al de mannen, die in het wachthuis zoo in hun schik geweest waren, dat de bui losbrak, als zij binnen zaten.

Bij: „Brand! Brand! Brand!” of „Water! Water! Water!” was er geen sprake van om onder dak te blijven. Naar buiten moesten ze om .... och, om niet veel anders te doen dan vreeselijk lawaai maken, wat ze dan ook trouw deden. Dat sloeg met de vuisten op de luiken, dat bonsde met de hellebaardstokken op de deuren, dat schreeuwde om er schor van te worden: „Brand! Brand!” Dat bracht heel het goede Delftshaven van het eene punt der open buurt tot het andere, in rep en roer, en in eene beweging, die aan razernij deed denken.

Wie geen gevaar liep, dat zijn eigen huisje in brand vloog, omdat het van den wind lag, snelde te hulp. Maar hier was bijna geen hulp te brengen. Er viel niet veel meer te doen dan toe te zien, hoe jammer het was, dat verreweg de meeste huizen met riet gedekt waren. Enkele pannendaken stonden daar immers te midden van andere brandende huizen nog ongeschonden, en boden langen tijd weerstand. Maar ten laatste werden de vlammen te machtig en ook de steenen daken bezweken.

Natuurlijk werd dat geroep van: „Brand! Brand!” ook gehoord in het huisje in de Kerkhofsteeg, waar een paar uren geleden vier jongens voor straf van bedreven kwaad met eene maag, gevuld met vuistensoep, naar bed gezonden waren.

Ook deze jongens hadden, bij het uitbreken van het onweder het bed moeten verlaten. Tijd om zich te kleeden hadden ze niet noodig, want broeken en buizen waren beneden om door Moeder weer „opgekalefaat” te worden, zooals Vader „verstellen” gewoon was te noemen. Het bed uit, de kousen aan, de muilen aangeschoten, de ladder af, daar waren ze beneden, waar ze Moeder, die nog niet naar bed geweest was, juist bezig zagen met een verschoten fluweelen lap op Pieters bombazijnen broek te zetten.

„Trekt je goed aan, bengels! Het is weer klaar en ligt daar op een’ stoel,” zeide zij, terwijl de naald roef-roef door het stevige en stugge bombazijn ging om er den fluweelen lap aan vast te hechten. Den draad afgebeten, dan de broek Pieter toegeworpen met een: „Trek aan, dan kan je weer gaan vechten!” en--geluisterd naar het kletteren en rommelen van den donder, het loeien en bulderen van den storm en het neerplassen van den regen.

„Wat een weer! Wat een noodweer!” zuchtte Moeder, die van de breede schoorsteenlijst den zwaren huisbijbel nam om, bij het walmend licht der kleine vetkaars, een op het onweder toepasselijken psalm te gaan lezen.

„Ja,” zeide Vader, „het is bijna even erg als in ’72 (1572) toen we alweer op de Noordzee rondzwierven om Spanjolen op te pikken.”

Die geschiedenis van dat onweer en dien storm op zee, waarbij, volgens Vader, die zijne oude zeemanstermen niet vergeten kon, wel vier schepen naar de „grondvergadering” gingen, hadden de jongens hem al meer dan eens hooren vertellen, maar zóó dikwijls kon hij dat niet doen, of met alle aandacht luisterden zijne zoontjes naar dat verhaal. Vooral nu zou het mooi zijn, waar de Natuur, die in opstand scheen, aan de woorden dubbele kracht gaf, en reeds zett’en zij zich om Vader van dat noodweer op zee te hooren vertellen, toen Moeder zeide: „Ja, ja, man, dat weten we immers al lang. Vertel het maar niet en luister liever naar wat ik je voorlees!”

En zonder af te wachten of Vader het goed vond, begon ze te lezen: „De stemme des Heeren is op de wateren; de Godt der eeren dondert. De stemme des Heeren is met kracht; de stemme des Heeren is met de heerlickheyt. De stemme des Heeren breekt de cederen, ja....”

„Brand! Brand! Brand!” klonk het in de verte van den eenen kant.

„Brand! Brand! Brand!” hoorde men van den anderen kant, maar nu dicht bij hunne deur.

Eerbied hadden ze allen, de Vader, de ruwe „zeebonk” en de jongens, de echte schavuiten, voor het Woord. De Bijbel droeg toen bijna geen anderen naam dan het „Woord” en geen hunner zou het ooit gewaagd hebben, om Moeder, als ze wat uit dat „Woord” voorlas, in de rede te vallen. Wagen? Er was geen wagen aan, heelemaal niet! De zilveren stem van Moeder dwong tot luisteren. Ze dwong er ook toe, als ze Vader belette te vertellen van dat noodweer in ’72 op zee!

Maar dat galmende, onheilspellende: „Brand! Brand! Brand!” deed nu allen opeens opspringen en--het deed ook verstommen het liefelijk geklank van Moedertjes zilveren klokje.

In een oogenblik waren allen opgesprongen en was jonge Pieter aan de voordeur.

„Waar is de brand?” vroeg hij aan een’ brandwacht, die met een paar emmers in de hand voorbijholde.

„Aan de Oude Haven!” was het antwoord.

Pieter naar binnen!

„Aan de Oude Haven, Vader, Moeder! Heel de lucht is rood! Het is net of de wolken in brand staan!” riep hij, binnenkomend, uit.

„Vrouw, ik ga zien of ik wat helpen kan,” sprak Vader. „Geen der jongens er uit! Ze zouden meer in den weg loopen dan helpen. En wie weet in het gedrang,--brandende balken, die neervielen,--muren, die instorten,--heele bossen brandend riet, die huizenver door den wind weggevoerd worden!--Neen, neen, een groot mensch moet naar alle kanten uitzien om geen gevaar te loopen zijn leven te verliezen, hoeveel te meer dan een knaap. Dus, Moeder, zorg dat de jongens binnen blijven!”

Het kwam er uit op een’ toon, die duidelijk genoeg zeide, wat hij wilde, dat gebeuren zou.

Bons! De voordeur viel toe; Moeder was met hare kinderen alleen.

Wat moest ze doen?

In huis blijven? Zou ze ook niet eens even, heel even aan de deur kijken naar die wolken, die wel in brand leken te staan?

Waarom zou ze dat niet doen? Hoorde ze daar buiten niet de stem van hare naaste buurvrouwen? Hoorde ze niet boven het loeien en bulderen van den wind, boven het ratelen en kletteren van den donder, boven het neerplassen van den regen uit, dat holle en gerekte geschreeuw van „Brand! Brand!” en het „Bom! Bom! Bom!” van de zware torenklok?

Even, heel even buiten kijken en over de onderdeur heen een paar woordjes met de buurvrouwen gewisseld.

Naar de buitendeur en--de jongens haar na.

„Hier moet je staan, bure, hier, dan kan je de vlammen zien,” riep haar eene buurvrouw toe.

Moeder dacht niet aan de jongens, die achter haar stonden. Ze stapte de straat over om bij buren de vlam te zien....

Klos-klos klos! achter haar.

Even omgekeken!

Het is haar oudste, het is Pieter, die, met de schoenen maar los aan de voeten, de deur uit- en de steeg inloopt.

De anderen willen zijn voorbeeld volgen, maar Moeder laat de buren naar de vlammen en de rood gekleurde lucht kijken, springt naar hare deur, duwt de drie, die al op de stoep staan, in de gang, en met een: „Naar binnen! Je Vader wil niet, dat je er uit gaat! Wat kunnen jongskens bij zulk eene gelegenheid anders doen dan iedereen in den weg loopen om ten slotte nog een ongeluk te krijgen?” binnen.

Mokkend, tegenpruttelend, zooals alleen ontevreden jongens dat kunnen, gaan ze met looden voetjes naar binnen en ze hooren Moeder den bovengrendel voor de bovendeur schuiven.

Ze hooren meer, veel meer!

Regen, storm en onweder nemen toe!

Het geloop, geschreeuw, geraas en gejoel worden met elk oogenblik als verdubbeld.

Daar buiten lijkt het wel Heksen-sabbat! Hu, Heksen-sabbat, waarvan Vader zoo mooi vertellen kon, dat ze er des nachts niet van slapen konden, omdat ze op den donkeren zolder niets anders zagen dan heksen, afschuwelijk leelijke vrouwmenschen, die op bezemstelen door de lucht vlogen, of onhoorbaar op den zolder dansten.

Het wordt Jacob te machtig. Hij wipt op zijn houten zitbankje op en neer, alsof duizend naalden en spelden hem prikjes geven.

„Zit dan toch stil, jongen,” zegt Moeder, die alweer den Bijbel voor zich heeft om wat te gaan lezen. „Het licht staat van je gewiemel te dansen.”

„Moeder, mag ik ook naar den brand gaan kijken?” vraagt Jacob.

„Ik ook? Ik ook?” vragen de andere twee.

„Neen, hier blijven! Je Vader heeft het immers gezegd, dat je niet op straat moogt! En hij heeft gelijk ook, groot gelijk!”

Jacob pruttelt wat; Simon en Cornelis pruttelen mee. Moeder begint te lezen, denzelfden psalm van zooeven, want die past zoo bij dit vreeselijke weer.

„Een Psalm Davids. Hm-hm!”

Ze schraapt zich de keel. Er zit haar daar achterin wat in den weg. Net eene prop, die slikken, spreken en ademhalen belet, die aan de stem wat geeft, dat rauw krast.

Nog eens!

„Een Psalm Davids. Gevet den Heere, ghy kinderen der machtigen, gevet den Heere eere ende sterckte. Gevet ... hm, hm, hm... Gevet den Heere de eere sijns naems ... hm, hm, hm, ... syns naems, ... hm, hm, hm, ... aenbiddet den ... hm, hm, hm, ... aenbiddet, ... hm, hm, hm!...”

Het gaat niet! Die prop in de keel ook, die...

De Bijbel wordt dicht geslagen en op de schoorsteenlijst gelegd.

Zes gloeiende, stralende, vonkenschietende oogen kijken haar aan.

Zes ongeduldige voeten trippelen op den steenen vloer.

„Moeder, mogen we gaan? Mogen we?” vraagt Jacob weer.

„Neen, jongen, neen! Je mag niet!”

„En Pieter mocht wel,” bromt Jacob.

„Neen, jongens,” zegt Moeder, „Pieter mocht óók niet. Hij is stil weggesnapt, de bengel!”

Jawel, zulk een bengel zouden ze dan nu op het oogenblik toch ook wel willen zijn. Moeder zeide altijd, dat Pieter een kwajongen of een bengel was, en als het op stuk van zaken aankwam, dan had hij toch steeds een schreefje voor.

„Hij is de oudste,” was Moeder dan gewoon te zeggen.

De oudste? Jawel, Jacob was juist op den kop dertien maanden jonger dan hij, en Simon wat meer dan twee jaar. Dat „oudste” zijn beteekende dus zoo heel veel niet.

Zoo op deze wijze zaten de jongens weer onder elkander te brommen.

En Moeder? Wat had zij toch tegen haar’ oudsten zoon, dat zij hem altijd „kwajongen” of „bengel”, soms wel „luie slampamper” noemde, en hem zoo dikwijls voorspelde, dat dat hij voor galg en rad opgroeide?

Wat ze tegen hem had? Wel niets, heusch, ze had niets tegen hem.

Eigenlijk hield ze juist van Pieter het meest. Hij leek, zoo zeiden al de buren, het meest van al hare zoons op haar’ Vader. En die Vader was een stil en vroom man geweest. Zij had o, zoo veel, van hem gehouden! En nu hij dood was, zou zij zoo graag willen, dat haar Pieter hem niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk geleek. Dit laatste liet veel te wenschen over. Pieter was in zijn doen en laten van top tot teen zijn Vader. Daar zat wat in dien jongen, dat een mensch aan die dolle Watergeuzen deed denken. Niet dat zij veel van de Spanjaarden hield, lieve deugd, neen! Spanjolen waren in haar oog niets anders dan kinderen van den Booze. Maar zulk een Watergeus! Als haar man aan het vertellen ging, wat hij op zee zoo al gedaan had, dan wist zij zoo precies niet, wat ze zeggen moest. Dan begon de goede ziel, die het liefst haar huis knap en netjes hield, en voor het overige met alle menschen in vrede wilde leven, als ze op Zon- en Feestdagen maar naar de kerk mocht om naar Dominee Jansz.’ preeken te luisteren, te rillen en te beven. Wilde zij zich eens een’ Spanjaard, een’ echten Spanjaard voorstellen, dan kwam er een Watergeus, en wilde ze een’ Watergeus zien, dan stond er een Spanjaard, zoodat ze ten laatste besloot met te zeggen: „Een Watergeus en een Spanjaard, ik zeg maar, lieve menschen, het is zoo potje, zoo pannetje!”

En haar Pieter wilde zoo graag een Watergeus zijn! Ze had zoo dikwijls gezien, dat zijne oogen glinsterden, als twee kolen vuurs, als haar man van die dolle jacht op Spaansche schepen en Spanjaarden vertelde. Altijd had ze gehoopt, dat Pieter een stil bedrijf aan den wal zou kiezen. Haar goede Vader was timmerman geweest, en in heel het Gilde kon men geen knapper gezel vinden. Niets was op hem aan te merken, op zijn werk niet en op zijn gedrag niet. Zij had nog al zijn gereedschap, en de withouten tafel, waaraan ze iederen dag zaten te eten, had hij gemaakt, toen ze met Pieter Heyn zou gaan trouwen. Als haar jongen, haar Pieter, toch eens timmerman werd, evenals zijn Grootvader, dan....

Maar de knaap was begonnen met zich van school te laten jagen, en was toen gaan varen. Een slecht begin om een eerzaam timmerman te worden. Aan boord leert men niet schaven, boren of timmeren. Aan boord leert men woest en wild zijn;--aan boord leert men met alle gevaren spotten;--aan boord leert men voor Watergeus, voor niets anders dan Watergeus!

En daarover had ze nu zulk een verdriet! En daarom was haar Pieter een „kwajongen”, een „bengel”, een „luie slampamper”. Dat maakte zij zichzelve tenminste wel eens was, en soms meende zij ook, dat ze er nu heelemaal overheen was en onmogelijk veel van hem houden kon.

Dat trachtte ze nu in dezen vreeselijken nacht zichzelve ook weer diets te maken, en zeker om te toonen hoe weinig ze van dien wilden knaap hield, liep ze even naar de voordeur, legde haar brandend hoofd tegen de koude, ijzeren deurklink en stamelde: „O, goede God, mijn jongen, mijn jongen! Neem hem in Uwe hoede! Ik heb hem zoo lief, Vader! Ik heb hem zoo lief! Bewaar, o, bewaar hem!”

DERDE HOOFDSTUK.

Moeder heeft gedroomd.

Het stille gebed, dat zijne Moeder, zoo innig, zoo warm voor hem opzendt, hoort de knaap niet, die daar tegen eene brandladder opklimt.

Verscheidene huizen, houten huizen met rieten daken, zijn al in de asch gelegd.

Wild loeit de storm en het onweder schijnt, als het eene poos tot bedaren kwam, alweer in kracht toe te nemen.

Wat moet er van Delftshaven worden?

Men heeft hoop om veel, heel veel te behouden, trots het onweder, trots den storm.

Het huis, dat nu bedreigd wordt, is een steenen huis met pannen dak en de brandende pakken riet, die de wind er op neersmijt, worden door den regen uitgedoofd eer ze brand gesticht hebben.

Maar de hitte zal de pannen doen barsten en het houtwerk er onder zal het niet kunnen houden en ook ontvlammen.

En dan?

Dan eene heele rij met houten of steenen huizen alle met rieten daken, en in eene nauwe steeg, waar haast geen ruimte is om er zich met een paar man te bewegen, en nog veel minder om er met eenige honderden een’ brand te blusschen.

Dat steenen huis met pannen dak moet dus behouden blijven! Delftshavens wel of wee hangt er van af.

Goed en wel, dat huis moet behouden blijven, maar hoe? Dat is de vraag! Kijk, kijk, de vlammen slaan er al over heen!

Eene brandladder is aangebracht en een metselaars-gezel, een stoer man, die klimmen kan, klautert er tegen op!

Zal hij van daar emmers water op het naaste brandende huis werpen? Wat zal dat geven?

Neen, neen, wat anders! Hij haalt aan een touw een zeil op!

Hoe dwaas! Alsof zoo’n ge-olied zeil geen vuur vatten zal! Veel gauwer dan pannen! Het is dom!

Niet dom! Niet dom! Hij trekt het zeil over het pannendak heen, en smijt er dan de emmers water, die de menschen hem aanreiken, over uit! Ha, dat zal helpen! Dat moet helpen!

Maar dat natte zeil wordt door al dat water zoo zwaar! Kijk, kijk, het zakt al!

Uit alle macht trekt de dappere gezel het weer op, maar juist op dat oogenblik drijft eene nieuwe, felle windvlaag de vlammen over het pannendak!

De vlammen krullen om den gezel zich heen! Ze lekken zijne handen! Een schreeuw van pijn! Het touw glipt hem uit de handen en het zeil schuift snel naar beneden.

„Geen redden mogelijk,” denkt de dappere, en om zelf niet in de vlammen om te komen, klimt hij snel naar beneden.

Verloren! Verloren! Delftshaven, wat zal er van u worden?

Eene ruïne!

Bange vrees grijpt allen aan! Ontzetting schijnt allen te bevangen! Men staart met starende oogen het voortwoekeren der vlammen aan, doch de handen hangen machteloos langs het lijf. Men weet niet, wat men doen moet, en het: „Alleen een wonder kan Delftshaven behouden,” zoo even door een oud Moedertje gezegd, gaat van mond tot mond, en allen klemmen zich vast aan het wonder, dat .... niet komt!

Het zal niet komen ook! De tijd, dat er wonderen gebeurden, is voorbij!

En toch, toch....

Is dat dan geen wonder, als een vijftienjarige jongen, een bengel, in heel Delftshaven, als een deugniet bekend, durft, wat al die mannen, en er zijn zoo even kerels onder, niet aandurven?

Hoe wil men dan een wonder wel hebben?

Het moet iets onbegrijpelijks zijn, vat-je! Dan is het een wonder!

Goed! Begrijp dat dan! Dát!

Pieter was juist komen aanhollen toen de metselaars-gezel naar boven klom, en het speet hem, dat hij te laat kwam. Hij had dat zoo graag willen doen. Maar nu is de man weer beneden! Ja, nu zal hij toonen, wat hij kan, dat zal hij! Hij dringt zich door de menschen heen, pakt van een’ der helpers een’ emmer water aan, smijt zich den heelen inhoud over het lijf, doet dat nog eenmaal, vat dan het touw van het neergeplofte zeil beet, en klimt de ladder op!

Eerst ziet niemand hem, maar de zware stem van Dominee Jansz., die het, zooals de menschen met zekeren trots zeggen, van den preekstoel af in de kerk kan laten onweeren, en die nu bulderend roept: „Naar beneden, bengel! Naar beneden! Moet je daar boven verbranden?” doet alle menschen naar het huis met het pannendak kijken, en bij het felle licht der wapperende vlammen zien ze een’ jongen op het dak klauteren.

De rook doet hem een oogenblik onzichtbaar zijn.

De wind blaast den rook weg.

Ze zien hem weer, dien .... dien .... o, dien waaghals, maar toch, dien jongen met een mannenhart in het lijf!

„Wie is dat?”

„Weet ik het? Een neger geloof ik! Dominee, zeg, Dominee, wie is die durfal, die bengel?”

„Pieter, de oudste van Pieter Heyn den haringvisscher!”

„O, die!”

En in dat „O, die!”, dat nu van alle kanten klinkt, ligt zooveel als: „Ja, zie-je, dan begrijpen we het!”

„Wel, Meester,” dus spreekt er een uit den hoop Meester Jacob Zegers aan, „wel, Meester, wat zeg-je van dien bengel?”

„Van dien bengel? Van dien rabauw? Van dien .... dien ....”

„Aartsdeugniet, Meester! Wat zeg-je van hem?”

„Een jongen om voor te knielen, man! Een jongen met een hart in het lijf, waarop Koningen trotsch zouden zijn, als ze er zoo een bezaten!”

„Hij heeft u....”

„Zwijg, man! Vergeven! Vergeten! O, wat een jongen! Moge de Heere hem behoeden!”

„Dat help ik u mee wenschen, Meester! Maar hij haalt het niet! Het zeil is hem te zwaar! Het is boven zijne macht. Het....”

Een schreeuw, een luide schreeuw klinkt!

Wat is er? Nog meer brand? Nog meer ongelukken?

Een stevig gebouwd man baant zich door de opgepakte menigte een’ weg, en wie hem wil tegenhouden, wordt terzijde gesmeten.

„Wie is dat? Wie? Wat wil die ruwe gast?”

Die ruwe gast is anders in Delftshaven, dat nog niet zoo groot is, of de menschen kennen er elkander wel, algemeen bekend. Wie zou Pieter Heyn, den haringvisscher, niet kennen? Haringvisscher van buiten, Watergeus in hart en nieren!

Maar hij is in den brand geweest en niet op de plekjes, waar rook en vlammen niet komen konden! Alles behalve! Hij ziet er uit, alsof hij door een dozijn schoorsteenen geklommen is, en in den dertienden een jaar lang gerookt is, als eene ham, die eene verre reis moet doen! Bij het onzekere geflakker der vlammen herkent men hem niet zoo gauw.

Hoor, hoor, wat roept hij tot dien kordaten jongen, die daar tusschen rook en vlammen op het dak klimt?

„Groote God, mijn jongen, mijn jongen! Pieter, kom hier! Kom hier! Wil-je dan levend verbranden? Pieterrrr! Pieterrrrr!”

„Ha, de oude Watergeus! Ja, ja, nou kennen we hem! Nou, die heeft den brand ook niet van den Rotterdamschen toren af bekeken!”

Steeds roepend, schreeuwend uit alle macht: „Pieter! Pieterrrrr!” nadert hij de ladder, waarbij alweer de metselaar staat, die al op het dak geweest is, maar het er niet houden kon.

Het volk dringt op! Men wil den afloop van dat alles van nabij bekijken, want het schijnt een mooi, een heel mooi stuk te zullen worden. Die oude Watergeus, die zooveel kogels om de ooren heeft hooren fluiten, zal op het laatst nog wel wat anders doen dan brullen van: „Pieterrrrr!”

Maar Pieter hoort zijn’ Vader niet; hij klimt dwars door de vlammen heen. Ziet, daar zit hij boven op de nok van het dak. Hij kan niet laten nog eens luidkeels te schreeuwen, evenals een paar uren geleden: „Hoezee! Hoezee! Delftshaven boven!” En als hij dat gedaan heeft, begint hij uit alle macht het natte zeil omhoog te trekken.

Maar het is zoo zwaar, zoo vreeselijk zwaar!

„Ziet, ziet, hij zal het touw laten glippen,” klinkt het uit enkele monden.

„Welnu, wat een jongen durft, dat durf ik ook!” zegt dezelfde metselaars-gezel en klimt andermaal, na zich nat te hebben laten gieten, op het dak.

„En ik ook, en ik ook!” roepen nu meerdere stemmen, waaronder ook die van Pieter Heyn.

Binnen weinige oogenblikken zitten thans acht of negen mannen op het dak en met vereenigde krachten trekt men het zeil, dat doornat gemaakt is, omhoog, om het over de pannen te spreiden. Het is een zeer gevaarlijk werk, want de vlammen lekken het zeil reeds.

„Gooi dat naaste huis toch onderstboven!” schreeuwt de jonge Pieter, die van zijne hooge standplaats af, beter dan het volk beneden zien kan van welk een ontzettend gevaar dat brandend rieten dak voor de heele straat is.

„Ja, ja, neer met dat dak! Neer met dat dak!” schreeuwen Pieters Vader en eenige anderen daar uit de hoogte.

Men spaart zoo graag, wat misschien nog te sparen is, zoo lang mogelijk, en vergeet dan, dat die spaarzucht de oorzaak van eene groote ramp kan worden. Waarom te vernielen, als het niet noodig is? Heeft de brand dan al niet meer dan genoeg, ja, reeds al te veel vernield? Zij, die daar boven staan, vinden het neerhalen van dat huis noodig, maar is het wel zoo? Zij daar beneden hebben toch ook oogen in het hoofd, weet-je!

Een oogenblik schijnen zij daar beneden gelijk te hebben, want de vlammen slaan minder hoog uit. Het is echter maar een heel klein oogenblik, want eer de aarzelaars daar beneden gezegd of gedacht hebben: „Zie-je nu wel, dat de vlam al mindert en dat het huis niet neergehaald moet worden!” flakkert, wappert, klappert, golft, zwalpt en zwiept eene veel hoogere vlam uit het knetterende dak.

Nu ziet men, dat zij daar boven gelijk hebben, en dat het huis moet neergehaald worden. Het kan niet anders!

„Haalt neer! Haalt neer! Waar zijn de brandhaken?” roept een van beneden.

Men zoekt ze; men vindt ze niet; de brandhaken schijnen verloren geraakt.

Hooger, steeds hooger slaan de vlammen uit.

De knaap daar boven op het dak ondervindt thans de waarheid van het spreekwoord: „Wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best.”

Maar hij zit daar wel wat al te warm.

Nog eenige oogenblikken slechts en hij zal het niet meer kunnen houden. Hij heeft zich reeds een paar keeren een’ emmer water over het hoofd gegooid, in plaats van het op het zeil of in de vlammen te werpen. Zou dat alles nu niet baten? Zou hij dit huis, en door dit huis niet de heele steeg kunnen helpen behouden?

Hoor, daar kraakt wat!

Het is het rieten dak, dat bijna doorgebrand is. Als dat nu maar heel spoedig instort, dan is er kans, dat de brand gestuit is!