Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 2

Chapter 24,087 wordsPublic domain

De Rotterdamsche jongens gaven evenwel ook niet zoo gauw krimp, en Govert, die alweer opgestaan was, sloeg er nu, bij gebrek aan een ander wapen, met de klomp op, en toen hij zag, dat zijne makkers begonnen te wijken, sprong hij op Pieter los en onder het geschreeuw van: „Rotterdam boven! Delftshaven onder!” wist hij de vluchtelingen weer tot staan te brengen.

„Delftshaven boven! Rotterdam onder!” riep nu Willem Adriaensz. Blokmaker en ontnam een’ der vijanden Pieters muts, maar ten koste van een’ vuistslag, hem door Steven van achter toegebracht.

Een oogenblik zelfs scheen het nu, alsof Jacob en zijne makkers het onderspit zouden delven, doch zoodra zag Piet dat niet, of hij maakte zich van Govert los, liep naar Jacob, die gevallen was, ontnam dezen het knoopentouw, en „Hoezee! Hoezee! Delftshaven boven, Rotterdam onder!” juichte hij, want hij slingerde er drie zijner aanvallers tegelijk mede van den dijk. Thans was de overwinning der Delftshavensche knapen beslist, doch de blauwe oogen, de bloedneuzen, de gescheurde en vreeselijk gehavende kleederen bewezen maar al te zeer, dat de overwinning duur genoeg gekocht was.

„Geeft je over en legt de wapens af!” beval Pieter, die wel eens gehoord had, dat in den oorlog een overwinnaar dat altijd tot den overwonnene zeide, en toen Govert hieraan schoorvoetend gehoor gaf, volgden zeven zijner makkers zijn voorbeeld. Vier hadden het hazenpad gekozen, en de dikzak was, zonder aan de vechtpartij verder deelgenomen te hebben, met een nat pak naar huis gehold, zoo snel, als zijne korte beentjes hem dit toelieten.

„Geen genade!” schreeuwde Jacob. „Ze moeten er vandaag aan gelooven, die valsche Rotterdammers, die dertien tegen één gaan vechten!”

Een paar zijner makkers riepen hem dit na, doch Pieter plaatste zich voor de overwonnen knapen en zeide: „Hoort eens, jongens! wij moeten er nu een speldje bij steken. De Rotterdammers hebben mij lafhartig overvallen, dat is zoo, want zóóveel tegen één, dat is geen partij. Maar dat ze alével niet lafhartig zijn, dat is ons best aan te zien. Kijkt maar naar mijn eigen blauw oog, mijn’ bloedneus en mijn gescheurd buis! We moesten wat anders doen. We moesten voor goed vrede maken!”

„Neen, we willen geen’ vrede! Rotterdam onder! Delftshaven boven!” riep Simon Heyn.

„Ei, broertje, je hebt goed schreeuwen! Zal jij voor mij telkens langs den Schiedamschen dijk naar Rotterdam en Delftshaven loopen en dan iederen keer groote kans hebben op een pak slaag?”

Simon zweeg.

„Zie-je wel? Dat zou je ook liefst niet willen! En daar de heele vechtpartij om mij begonnen is, zoo heb ik, geloof ik, wel een eitje in het zakje te leggen, en zal aan mij het woord zijn om te zeggen, wat ik nu wil en op staanden voet voorstel. Het is dit. Ik wil eeuwigen vrede tusschen Delftshaven en Rotterdam! Wie dat van ons óók wil, kome bij me staan,” en zich de muts, die hij weer opgezet had, van het hoofd nemend, hield hij deze onder het zeggen van: „Vinger in den hoed, die meedoet!” zijn’ kameraads voor.

Op deze woorden kwamen al de Delftshavensche knapen, hoewel de een vlugger dan de andere, bij Pieter staan en staken,--het was zoo iets als een jongenseed,--hun’ vinger in de muts.

„Welnu, Govert, wat wil-je?” vroeg Pieter.

„Wij willen vrede, maar op ééne voorwaarde!” antwoordde Govert.

„En deze is?”

„Dat je geen van allen ons meer lafaards noemt; want dat dulden wij niet. We willen geen lafaards heeten!”

„Daar heb-je mijne hand erop, Govert! Ik zal nooit zeggen dat je lafaards bent,” sprak Pieter.

„En wij zullen het ook niet weer doen!” riepen Pieters makkers nu op hunne beurt.

„Top, dan is de vrede gesloten, en, als het een beetje wil, dan worden we nog goede vrienden op den koop toe. Is het niet, jongens?”

„’t Is goed,” zeiden er een paar, doch het kwam er toch uit, alsof ze wilden zeggen: „’t Is eene gedwongen fraaiigheid, zie-je, en van dat „goede vrienden worden” zien we nog niet zooveel!”

Onze Pieter zag dat wel, doch hij hield zich, alsof hij het niet zag en, als hij in de plaats van de Rotterdammers geweest was en ook zoo van laken gekregen had, zou hij ook niet zoo gemakkelijk te vinden geweest zijn voor dat „goede vrienden worden.” Toch wilde hij er een einde aan maken en daarvoor zeî hij: „Best! De hand er op en dan naar huis eer een „nobel” man komt om ons het „opperste kleed” te ontnemen.”

Hij bekeek zijn gehavend matrozenbuisje en lachte, als een boer die kiespijn heeft.

„Bijlo, daar zou die „nobel” man ook niet veel stuivers voor in den lombard krijgen”, riep Steven, luid schaterend van pret, en liet zijn buis zien waaruit de linkermouw gerukt was en dat bovendien scheur op scheur had.

De jongens bleven nu niet langer meer bijeen en scheidden als „bijna” goede vrienden.

„Delftshaven en Rotterdam boven!” riepen de Rotterdammers toen ze een eind ver waren, en Pieters makkers niet in beleefdheid onder willende doen, juichten terug: „Rotterdam en Delftshaven boven!” Mooier kon het al niet.

Toen ze de buurt in het gezicht kregen, brak Simon het stilzwijgen af en zeide: „Het is maar goed, dat we al een goed pak beet hebben.”

„Waarom dat dan?” vroeg Claes Adriaensz.

„Wel, er staat voor ons allen thuis zeker een pannetje te vuur. Moeder althans zal, als ze ziet hoe onze plunje toegetakeld is, niet zoo heel vroolijk kijken; ze is niet van de gemakkelijkste.”

Simon had gelijk. De Moeder van onze drie broeders was eene zeer strenge vrouw, die met vaste hand de teugels van gezag hield onder hare kinderen. Dat moest ook wel, want haar man was soms weken aaneen niet thuis, en de kinderen hadden het hard noodig, dat het lijntje strak gehouden werd, wilde ze niet, dat hare jongens tot deugnieten opgroeiden. Lief had zij hen, zielslief zelfs, maar juist die liefde was het, welke haar buitengewoon streng deed zijn. Ongelukkig begrepen de kinderen dat niet altijd, en zoo kwam het, dat ze hun’ Vader veel beter en aardiger vonden dan hunne Moeder.

Geen wonder dus, dat Jacob er nog op liet volgen: „Ja, toen we weggingen zeide zij ons nog, dat we niet geplukt en gehavend mochten thuiskomen. En hoe zien we er uit! Ik ken Moeder te goed om niet te weten, wat ons wacht.”

„Stil,” sprak nu Pieter, „ik zal voorop gaan en het woord doen. Ik zal haar alles vertellen, wat er gebeurd is, en dan zal ze ons toch gelijk moeten geven, ja, en ik wed dat het best afloopt. Ze zou toch wel niet willen, dat ze mij nu half doodgeslagen thuisbrachten? Het is onze schuld niet!”

„Ja, eigenlijk wel,” liet Simon zich hooren. „Als jij op school niet zulk een’ leelijken streek uitgehaald hadt, dan zou er van dat alles niets gebeurd zijn, want Govert en Steven hadden het toch maar opgenomen voor Meester Zegers, weet-je, en dus....”

„Och, kom,” viel Pieter in, „daaraan valt niets meer te veranderen. Dat is nu eenmaal gebeurd. In alle gevallen, ik zal het woord doen en je straf overnemen. Ik heb een’ rug, die nogal wat verdragen kan. Vooruit nu!”

Hiermede waren de overige knapen evenwel niet veel gebaat, en ik geloof, om met Simon te spreken, dat er voor al de andere jongeluî wel wat uit dat bewuste pannetje, dat te vuur stond, uitgedeeld is geworden.

Het was reeds over acht uur toen de vier gebroeders het nederige huisje in de Kerkhofsteeg binnentraden.

Met een’ oogwenk zag Moeder, hoewel het niet zoo heel licht meer was, dat de kleedij van hare zoons erg gescheurd was. De blauwe oogen en dikke neuzen liepen in het halfdonker minder in het oog.

„Wel, wel, zijn de lieve jongens daar alle vier?” dus begon ze. „En wat zien ze er netjes uit! Hoe zindelijk! Om door een ringetje te halen!”

„Moeder,” sprak Pieter en deed een paar schreden voorwaarts, „we zijn....”

„Deugnieten, straatbengels, robbedoezen en schavuiten, wil je zeker zeggen. Houd dat maar binnen, want dat weet ik wel zonder dat je het mij vertelt. Maar jij, die de oudste zijt en ook de verstandigste moest wezen, gaat al de anderen in straatschenderij voor. Zie-je er niet alle vier uit als bedelvolk, dat in gescheurde en gehavende kleeren den boer afloopt om aalmoezen te bedelen?”

„Maar, Moeder....”

„Wie zal al die kleeren herstellen? Heb je er geld voor? Neen, Moeder is er goed voor! Jawel, Moeder zal heel maken, wat jij vernielt, moedwillig vernielt! Fij, je bent de grootste belhamels en liederlijkste deugnieten van heel Delftshaven.”

„Maar hoor dan toch, Moeder, ik....”

„Zwijg, Pieter, ik spreek en jij hebt te luisteren, jij en je broeders! Ik zal je kleederen herstellen, hoor-je dat? Ik zal het doen. Maar niet midden in den nacht om je den volgenden dag weer wat toonbaar te maken. Ik geef aan zulke deugnieten mijne nachtrust niet meer. Je trekt de bovenkleederen vlug uit, gaat naar bed en blijft daar liggen vannacht, morgen, overmorgen, zóó lang tot ik op mijn gemak en bij daglicht de scheuren en winkelhaken dicht heb gemaakt. Dat zal je straf zijn, want voor een pak slaag ben-je toch geen van allen meer bang. Je rug is vereelt, geloof ik, vereelt net als je consciëntie. Je bent me de lieverdjes wel! Komt er om!”

„Maar, Moeder, laat mij u dan toch vertellen, wat er gebeurd is,” zeide Pieter.

„Ik wil je leugens niet aanhooren!” sprak Moeder.

„Moeder, zeg mij wanneer ik gelogen heb!” riep Pieter.

„Wanneer je gelogen hebt? Wanneer vraag-je, wanneer? Duizend en een keeren op zijn minst! Wanneer? Welja, wanneer?!”

Het scheen dat de goede vrouw, die wezenlijk niet zonder er grond voor te hebben, erg verstoord was, wel een weinig in de verlegenheid zat, toen Pieter zoo op den man af vroeg: „Wanneer heb ik gelogen, Moeder?” Ze had in hare drift iets verweten, waarvan ze wist, dat het niet waar kon zijn. Nog nooit had Pieter, om zich van straf vrij te pleiten, eene leugen verzonnen; altijd was hij rond en open voor de waarheid uitgekomen. Had niet zelfs buurvrouw, toen Piet aan Moeder alles vertelde van wat er op school gebeurd was, en zichzelven niet spaarde, vol verbazing de handen in elkander geslagen en uitgeroepen: „Brutaal als de deur van het rasp- en spinhuis! Hoe durft de gannef zoo iets vertellen?”

Maar Moeder, hoeveel leed het haar ook deed, dat dit met Pieter gebeurd was, deed het bij al haar verdriet goed, dat haar oudste zoo ’n „gannef” was, die niet loog, al wist hij, dat hij met waarheid spreken zichzelven aan straf blootstelde.

Neen, neen, ze kende haar volkje, en ze wist, dat ze op hare beurt Piet van iets beschuldigde, waaraan hij zich nooit zou schuldig maken.

Misschien zou Pieter er nog op aangedrongen hebben, dat zijne Moeder zeggen zou, wanneer hij gelogen had, als de deur niet geopend was geworden en Vader Heyn zijne thuiskomst met een „Hm, hm,” aangekondigd had.

Piet Heyn, de Vader, was een kranige vijftiger, die eenmaal op de vloot der Watergeuzen met roem gediend had. Kort na de inneming van Brielle was hij in Delftshaven gekomen, had daar eerst voor de Spanjaarden, die, als ze ergens de baas waren, allerlei baldadigheden pleegden, naar Delft moeten vluchten, doch was later naar zijne geboorteplaats, door hem nog wel eens als eene herinnering aan den Watergeuzen-tijd „Achelous” genoemd, teruggekeerd, in gezelschap van zijne tegenwoordige vrouw. Hij leefde hoogst eenvoudig en verdiende, als visscher op de haringvloot, eene spaarzame snede broods.

Dien bijnaam „Achelous” voor Delftshaven zal u zeker wel onverstaanbaar voorkomen, en daarom wil ik er even wat van zeggen.

De Achelous was eene rivier in Griekenland; tegenwoordig heet ze Aspropotamos, doch zooals het woord hier gebruikt wordt, heeft het niets met deze rivier te maken.

Het is natuurlijk, dat de Watergeuzen, bij de vele vijanden hier te lande, ook eenige vrienden hadden. Met dezen hielden ze briefwisseling, en daar het best kon gebeuren, dat de Spanjaarden op de eene of andere wijze in het bezit van zulk een’ brief konden komen, zoo hadden de Watergeuzen met hunne vrienden afgesproken, aan bekende personen en plaatsen andere namen te geven. Kwam nu zulk een brief in handen van den vijand, dan had deze er niets aan, omdat hij zonder sleutel niet weten kon, welke personen of plaatsen bedoeld werden. Om een paar voorbeelden te noemen. Willem van Oranje noemden ze: „~Maarten Willemsz~”; de Koningin van Engeland: „~Hendrik Filips~”; Dillenburg: „~Danzig~”; Hamburg: „~Heidelberg~”; Overijsel: „~Tin~”; Gelderland: „~Staal~”; Holland: „~Koper~”; Brielle „~Vulcanus~”; Delft: „~Apollo~”, enz. Zoo heette Delftshaven in dat soort van roovers- of dieventaal: „~Achelous~”. Hoe ze aan die vreemde namen kwamen, zou ik u niet durven zeggen, doch dat doet dan ook minder tot de zaak af. Als we weten, dat het zoo is, dan moeten we ons maar tevredenstellen. Keeren we nu tot ons verhaal terug.

„Wat is hier aan de hand?” klonk Vaders vraag.

Moeder begon verslag te geven, doch daar ze Pieter niet had laten uitspreken, zoo begrijpt ge wel, dat de goede ziel de zaken al heel scheef voorstelde, zoodat Vader zeî: „Moeder, ik begrijp er niets af. Laat Pieter ons zeggen hoe de vork in den steel zit!”

[Illustratie: Pieter gaf thans een getrouw verslag. (Bladz. 18).]

Pieter gaf thans een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was, en Jacob vertelde hoe hij het aangelegd had om te maken, dat broer Piet niet half doodgeslagen was thuis gebracht.

Vader Heyn luisterde oplettend toe, en toen hij zoo ongeveer alles wist, moest hij in zijn hart zijne zoons gelijk geven; want al waren er eigenlijk geen Watergeuzen meer, wie het eenmaal geweest was, hield er toch altijd wat van over. Hij zou, èn als jongen, èn als Watergeus, ook zoo gedaan hebben, en ook trotsch geweest zijn, na zulk eene kloppartij, een’ dergelijken eervollen vrede te sluiten.

„Nu, Vader, zal de mattenklopper dien bengels ook het stof uit hunne buizen en hozen slaan?” vroeg Moeder, die nog maar altijd niet toegeven wilde, dat hare zoons ditmaal toch niet zoo heel veel schuld hadden.

Vader Heyn bleef bedaard staan en zweeg.

„Nu, Vader, wat zal het zijn?”

„Och, vrouw, daarop moet ik eerst eens slapen. Gaat alvast dezen avond maar zonder eten naar bed, jongens! Wie zooveel vuistensoep gegeten heeft, als jelui, is verzadigd en heeft geen honger meer!” sprak Vader.

Hoewel de vier broeders meenden, en ook besten voelden, dat vuistensoep de maag wel hongerig, maar niet verzadigd maakt, kropen ze maar stilletjes en zonder tegenpruttelen het laddertje op naar den zolder, en gingen stil naar bed. Ze begrepen wel, dat ze bij Vader nu maar niet moesten aandringen op eenige verzachting van straf; want dan kon het wel gebeuren, dat de mattenklopper op hunne ruggen in werkelijken dienst gesteld werd. Ze trachtten dus in het bed maar te vergeten, dat „vuistensoep” al heel slecht voedt.

Vader en Moeder bleven, nadat de jongens naar boven gegaan waren, eene heele poos zonder spreken zitten. Eindelijk verveelde Moeder dit zwijgen, en daarom zeî ze op een’ eenigszins ontevreden toon: „Vader, Vader, als we voor de ondeugende streken onzer kinderen geen schotje schieten, dan zie ik hen nog eens op het schavot. Hoe kunt ge zoo wezen? Zijt gij dan vergeten wat Dominee Jansz. verloopen Zondag gezegd heeft: „Wie zijne kinderen liefheeft, spaart de roede niet?”

„Ditmaal kan ik de jongens niet straffen, vrouw! Ze hebben zich veel te wakker gedragen en ze waren in hun recht. Hoe zou het je aangestaan hebben, als Pieter dood, of half dood, thuis ware gebracht?”

Moeder zweeg, doch zeide eindelijk zuchtend: „Had ik maar vier dochtertjes, inplaats van vier zoons, dan zou ik niet zooveel angst uitstaan!”

Vader Heyn zag zijne verstoorde vrouw glimlachend aan en zeide: „Ja, Moeder, jongens zijn jongens, dat is eene oude waarheid. Maar troost-je, lieve ziel, en geloof maar, dat ze al hard genoeg gestraft zijn met een „z’n genoegen gegeten hebben aan vuistensoep.” Voor flinke, gezonde bengels is een pak met den mattenklopper niet zulk eene groote straf, als met eene ledige maag naar bed.”

Moeder zeide hierop niets, maar de bovenkleederen van hare zoons nemende, begon ze die, trots hare bedreiging, te verstellen, en bij nader inzien zag ze, dat ze toch niet zoo gehavend waren, als het eerst wel geleek, zoodat een paar uurtjes later alles weer in orde was en ze kon gaan slapen, na een’ dag van allerlei drukke bezigheden en beslommeringen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Moeder bidt.

De burgers van Delftshaven lagen rustig te slapen en alleen de rotmeesters, of korporaals, zooals we nu zouden zeggen, met hunne burgerwachten waren wakker, hoewel ze voor het grootste deel stil in de wachthuizen zaten, en het nauwlettend toezien, of er ook gevaren dreigden, bedaard overlieten aan hunne makkers, die met een musket op den schouder of eene hellebaard in den arm, op enkele plaatsen heen en weer liepen, om op een’ volgenden rondgang door de anderen afgelost te worden.

Na het onweder was het heet en drukkend gebleven en een heete nacht volgde er op. Geen koeltje bracht verkwikking aan. Langzamerhand evenwel verdwenen in het Zuiden de sterren achter donkere wolken, die nu en dan bij het schitterend licht van den bliksem duidelijk zichtbaar werden. Er naderde andermaal een onweder, en in de verte hoorde men reeds het gerommel van den donder. Nog vóór middernacht brak de bui in al hare hevigheid boven de havenbuurt los. Van op bed blijven liggen met onweder was geen sprake, althans niet voor de gezonden. Alleen kleine kinderen en zieken mochten blijven liggen, hoewel men toch zorgde, dat dezen gekleed te bed lagen, of althans de kleederen bij de hand hadden, als er door het hemelvuur eens brand ontstond. Die voorzorgen waren niet zoo dwaas en op het platteland, vooral op de eenzaam gelegen hofsteden, wordt dat oude gebruik nog gevolgd. Bij eene boerderij behoort eene schuur, die meestal van hout opgetrokken en met riet gedekt is, zoodat bij brand de vlammen snel om zich heen grijpen, daar ze overal voedsel vinden. Tegenwoordig mogen er in de steden, en ook in de kom van vele dorpen, geen houten huizen met rieten of strooien daken gebouwd worden, doch vroeger was dat heel anders, en zelfs midden in de steden waren maar enkele woningen van steen opgetrokken en van pannen- of leien daken voorzien. Bedenkt men nu nog, dat er toen ook geen wet op de breedte van straten bestond, en dat tal van straten zoo nauw waren, dat men geen kunstenmaker in het springen moest zijn om uit zijn huis naar het huis van den overkant te springen, dan begrijpt men dat in die tijden, bij een’ brand, bijna heele steden in de asch konden gelegd worden, alleen omdat zooveel huizen van hout gebouwd en met riet gedekt waren, terwijl de straten niets anders waren dan stegen en sloppen. En dat was niet het eenige gevaar. Het grootste gevaar bestond daarin, dat de brandbluschmiddelen zoo buitengewoon gebrekkig waren. Het volk op straat gaf elkander emmers water aan, en deze werden dan door mannen, die met ladders tegen die brandende woningen stonden, in de vlammen gesmeten. Maar in die nauwe stegen was ook geen ruimte genoeg om den helpers en blusschers gelegenheid te geven om het bluschwerk goed te verrichten. Daarom zorgde men, bij onweder, steeds gereed te zijn om gekleed te kunnen vluchten met zijne beste bezittingen.

Maar opstaan en zich geheel gekleed hebben was daarom nog niet de deur uitgaan. Men ging bij nacht zoo goed als nooit de deur uit, omdat het in de straten zoo donker was. Wel was door de Regeering in heel enkele steden bevolen, dat bij onweder, bij brand, bij hevigen storm of bij eene doorbraak van den rivierdijk, alle menschen het blind van een raam, dat op de straat uitzag, moesten openen, en dan eene brandende kaars voor de ruiten zetten, doch als dat bevolen was, werd thuisblijven nog noodzakelijker, omdat door zulk eene kaars wel eens brand zou kunnen ontstaan.

Men kan er dus van verzekerd zijn, dat bij het rommelen van den eersten donderslag bijna heel Delftshaven het bed verliet, licht opstak en zich aankleedde om dan zoo ver mogelijk van den schoorsteen af in een hoekje te gaan zitten tot de bui over was. Dat men bij onweder den schoorsteen vreesde, was zoo dom niet, want de hoogste punten worden immers door den bliksem het eerst van al getroffen?

Toen het onweder op het hevigst was, sloeg een bliksemstraal in een huis aan de Westzijde van de Oude Haven in de nabijheid van de Sluis. Eensklaps kwam er een uitschot van wind, die naar het Noordwesten liep, en in een’ vliegenden storm overging. De bewoners van dat huis waren vreeselijk verschrikt, doch ze meenden, dat de bliksemstraal, die door het raam het huis verlaten en eenige ruiten verbrijzeld had, voor het overige niets had beschadigd.

„Ik geloof toch, dat het is, alsof er iets brandt!” zeide de vrouw des huizes na een poosje.

„Dat is zeker nog de zwavelachtige stank van den lichtstraal,” antwoordde de man.

Intusschen zaten de rotmeesters en hunne onderhebbende manschappen in de wachthuizen, en zij, die op schildwacht stonden of rondliepen, trachtten zich tegen den fellen hagel- en regenslag te beschutten, zoodat ze ook niets zagen dan dat, wat in hunne onmiddellijke nabijheid was. Zoo lang het niet hagelde en regende, hadden enkele lieden het hoofd nog al eens buiten de deur gestoken, doch nu wachtte ieder tot het weer wat bedaard zoude zijn.

En op het kurkdroge rieten dak, van dat huis bij de Oude Haven, kronkelden kleine vlammetjes zich langs de gebinten, maakten eene opening in de nok, en de stormwind blies er door. Hierdoor verbreidden zich de vlammetjes en zett’en zich uit tot groote vlammen.

„Ruik je nu nóg niets?” vroeg de vrouw.

„Och, Moeder, stel-je toch gerust! Het is vast de zwavelstank nog, die je in den neus zit!”

Een poosje stilte in huis.

Maar daar buiten loeide de wind, rommelden de donderslagen, kletterde de hagel en plaste de regen.

Het was een ontzettend onweder.

Zelfs de Grootvader, die stokdoof was, en midden op den vloer aan tafel zat, hoorde het en verklaarde, dat hij nog nooit ofte nimmer zulk vreeselijk weer had bijgewoond.

„Man, de stank wordt erger! Hoor, daar kraakt wat!” riep de vrouw.

De man, nog altijd even ongeloovig, antwoordde: „Het is de storm, die het dak doet kraken!”

„Kijk, kijk, een lichtje!” schreeuwde hierop bijna op hetzelfde oogenblik de Grootvader en wees naar boven.

Het waren de vlammen, die door de zoldering begonnen te dringen.

„Brand! Brand!” gilde de vrouw.

„Brand! Brand!” kermde de oude man, die naar den bedstedehoek strompelde om zijne kruk te halen.

Zeker, met zulk weer was het onder een beschuttend afdakje of onder de luifel van een’ winkel de beste plaats voor de nachtwakers om niet doornat te worden, maar hoe de stormwind huilde en de regen bij stroomen neerplaste op de slecht geplaveide straten, zoo nu en dan moest men er zich toch even aan wagen en een kijkje nemen, anders verzuimde men zijn’ plicht en--met de gestrenge Heeren van den Magistraat viel niet te spotten.

Eén der twee nachtwakers, die het dichtst bij de Westzijde van de Oude Haven waren toen de bui in al hare hevigheid losbarstte, hadden zich gerept om onder de luifel van een’ winkelhuis te komen, waar ze tegen het weer voldoende beschut waren.

„’t Is raak,” begon na een poosje zwijgens om eens uit te huiveren één der twee.

„Ja, verschrikkelijk!” zeide de ander. „En het ziet er niet naar uit, dat het gauw gedaan zal zijn. De lucht werkt van alle kanten en het onweer is overal.”

„Ik geloof het ook. Kijk, daar links van je, dat flikkeren eens!”

„Dat is de weerspiegeling van het hemelvuur op de Maas!”

„Of op het water in de Haven!”

„Van allebeî wel, want enkel van het licht op de Maas is het toch wel wat al te sterk en te aanhoudend.”

„Als het eens brand was!”

„Loop toch met je brand naar de Mookerheide! Hoe zou er bij zulk een’ aanhoudenden stortregen brand kunnen komen? Het vuur zou immers dadelijk uitgebluscht zijn, want brand begint niet met eene groote vlam.”

„Daar heb-je gelijk aan, maar het had al een heel poosje hard geönweerd eer het begon te regenen. Ik ben er niet gerust op, maat! Dat licht daar ginder in dat dakraampje is geen weerspiegeling van het hemelvuur op het water van de Maas of de Haven. Ik moet er het mijne van hebben en waag er een nat pak aan!”