Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 18

Chapter 184,057 wordsPublic domain

De Bewindhebbers waren wel genoodzaakt toe te geven, doch wisten evenwel te bewerken, dat zij, die zulk een’ schat in het Vaderland gebracht hadden, toch eenigszins beloond werden. Piet Heyn kreeg zevenduizend gulden en de matrozen ontvingen ieder zeventien maanden soldij. Later werd Piet Heyn door Hunne Hoogmogenden eene gouden keten ter waarde van dertienhonderdvijftig gulden, Loncq eene van zes- en Banckers eene van vierhonderd gulden vereerd. Er werden gedenkpenningen geslagen, en over het geheele land werd, op bevel der Regeering, een dankdag gehouden.

Piet Heyn kocht voor zijn aandeel in den buit een huis te Delft. Hij was den dienst in de Compagnie moede. Het had den ronden en flinken zeeman tegen de borst gestuit, dat men de matrozen niet wat ruimer bedacht had, want ze waren toch meer dan de helft van dien tijd in dienst der Compagnie geweest. Hij bekeek de zaken met een heel ander oog dan vroeger. De matrozen hadden oproer gemaakt toen ze zagen, dat bijna alles in de geldkisten der Compagnie verzonk, die er goede sier van maakte. Dat oproer had men zelfs met troepenmacht moeten dempen. Dit hinderde den Admiraal niet weinig en hij zag nu, dat zijn Kapitein Witte Cornelisz. de With niet zoo geheel ten onrechte tegen het nemen der Zilvervloot ingenomen was. Het was waar: het scheepsvolk had iets rooverachtigs over zich gekregen. En daarbij, de Compagnie scheen met het beloonen der manschappen al zeer zonderling te werk gegaan te zijn. Kapitein Witte Cornelisz. de With kreeg, hoe Piet Heyn er zich ook voor inspande, niets, en toch was het Witte geweest, die door het nemen van de eerste bark, de hoofdoorzaak was, dat de Zilvervloot in onze handen viel. Best mogelijk kan het evenwel zijn, dat men hem niet vergeten had, doch dat hij voor elke belooning bedankte. Hij was er de man voor om dat te doen.

De Compagnie, die meende al heel scheutig geweest te zijn, keek vreemd op toen Piet Heyn zijn ontslag uit haar’ dienst vroeg, doch ieder, die hem kende, kon niet anders dan die daad goedkeuren.

„Zeg, Marten, nu pas heb ik achting en eerbied voor Admiraal Piet Heyn,” zeide op zekeren dag Witte tot Marten, dien hij op eene der Amsterdamsche grachten ontmoette.

„Waarom, Kapitein?”

„Omdat hij er feestelijk voor bedankt heeft langer in dienst der Compagnie te zijn. Dat bewijst, dat hij het hart op de rechte plaats heeft. Zeg het hem bij gelegenheid. En nu, tot ziens! De groeten aan je vriend Blokmaker. Maar ja, dat is waar ook, als je soms weer als schipper uit wilt, dan heb ik een plaatsje voor je op mijn schip, hoor! Ik ben in dienst van het Land, en hartelijk hoop ik weldra in de gelegenheid te zijn te staan tegenover een’ vijand, die mij toeroept: „Kom op, als je durft!” Dat voelen aan dien zoogenaamden zilveren pols van een’ lafaard is geen werk voor je Admiraal, voor Blokmaker niet, voor jou niet en voor mij nog minder! Hadie!”

En hoe was het met Moeder Heyn?

Och, haar had al dat gejuich over haar’ zoon meer verdriet dan genoegen gedaan. Maar toen hij haar in heure eenvoudige woning opzocht, ja, toen was zij hem toch vol vreugde in de armen gevallen en had zij hem: „goed kind” genoemd. Maar blijder was ze, toen ze hoorde, dat hij in Delft een huis gekocht had en nu voortaan, als een stil burger, aan de zijde van zijne vrouw en in de nabijheid van zijne Moeder zou gaan leven.

Wat was ze gelukkig! Bleef hij dan nu aan den wal en--voorgoed aan den wal? Zij hoopte het; het was Moeder Heyns innigste wensch.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Het avondschot is gevallen.

De Duinkerker kapers maakten de zee zeer onveilig en brachten in ’s Lands vergaderzaal menigmaal de gemoederen in beweging.

„Weet ge het al, dat de Duinkerkers weer twee rijkgeladen Oost-Indie-vaarders prijsgemaakt hebben?” klonk de vraag van een der Edel Mogende Heeren aan een ander lid.

„Schande genoeg voor een land, dat in het verre Oosten en Westen den Spanjaarden de wet voorschrijft, en de zee, die zijne stranden bespoelt, door roovers onveilig doet maken,” antwoordde een ander.

„Hei, hei, de Oost-Indische Compagnie is de Republiek toch nog niet!”

„En de West-Indische ook niet; maar scheelt het veel?”

„Altijd genoeg om andere landen te doen begrijpen, dat wij toch eigenlijk niet één zijn!”

„Wat zoudt ge dan willen?”

„Dat de Heeren Bewindhebbers der twee Compagnies de handen in elkaâr sloegen, en die drieste roovers eens even terecht zett’en!”

„Dat is het werk van ons, van de Regeering! En daarom zou ik er vóór zijn, dat we instede van Admiraal Willem van Nassau, Heer van de Lek, die onlangs bij de belegering van Grol gesneuveld is, iemand anders benoemden!”

„We hebben er drie: Wymer van Berkheim; Willebrand Kwast en Willem Melkman, dus keus genoeg!”

„Goed, dan moet er een van die drie tot Opperbevelhebber benoemd worden!”

„Wien kiest ge?”

„Weet gij er een? Noem hem; ik zal hem ook kiezen!”

„Zoo lichtvaardig mag men over de algemeene landsbelangen niet spreken. Ik weet inderdaad niet, wie de geschiktste van die drie zou zijn. Wel weet ik iemand, die bij mij en velen mijner vrienden ver boven die drie staat! Als we dien konden benoemen, dan konden we met onzen Admiraal voor den dag komen.”

„Wie is dat?”

„Pieter Pieterszoon Heyn! Kent ge een’ beteren, zoo noem hem!”

„Ik ken geen’ beteren. Wij, in Hollands achterhoek, bemoeien ons veel minder met zeezaken, dan gijlieden in Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Den Haag! Welk belang hebben wij er bij? Maar daarover is al zooveel gekibbeld, en het hielp niet. Ik zwijg er dus over. Maar wat ik wel van Piet Heyn weet, is, dat hij tegenwoordig op zijne lauweren rust, en dat hij voor de betrekking van Luitenant-Admiraal bij de West-Indische Compagnie bedankt heeft!”

„Naar het algemeen verluidt, met reden, maar dat is nog geen bewijs, dat hij bedanken zal, als wij hem aanbieden de plaats van Heer Willem van Nassau te willen vervullen, niet in dienst van de eene of andere Compagnie, maar rechtstreeks in dien van Holland!”

„Nu, als gijlieden meent, dat we het zonder Admiraal niet af kunnen, stel hem dan aan de Vergadering voor; ik zal hem mijne stem geven!”

Dit geschiedde, en Piet Heyn werd in de Vergadering der Staten van Holland benoemd tot Luitenant-Admiraal, in plaats van Heer Willem van Nassau.

In een gemakkelijk huiskleed zat Piet Heyn recht gezellig te keuvelen met Annetje en zijne Moeder, die eens voor een paar dagen overgekomen was om het huis te zien, toen de meid binnenkwam en zeide, dat er drie Heeren waren om den Admiraal te spreken.

„Laat ze binnenkomen, Mientje! Neen, blijf zitten, Moeder! Ik geloof niet, dat de Heeren een afzonderlijk onderhoud met mij begeeren zullen!”

Moeder bleef zitten en keek onrustig naar de deur.

Het was, alsof zij gevoelde, dat men Piet alweer aan vrouw en Moeder kwam ontnemen.

„Wel, Heeren, komt binnen en neemt plaats,” riep Piet Heyn den binnenkomenden hartelijk toe. „De Admiraal in ruste geniet van het huiselijk leven. Vrouw, haal eens wat bier! De Heeren zullen misschien wel wat willen gebruiken!”

„Gaarne! We komen zoo uit Den Haag en lusten wel een’ dronk! Maar eerst onze boodschap. We zijn Leden van de Edel Mogende Heeren van Holland en in hare vergadering van heden hebben ze ons vereerd met eene gewichtige boodschap aan u!”

„Zoo, Edel Mogenden, mag ik ook weten welke die boodschap is?”

„Wel zeker! Gij zijt heden benoemd tot Luitenant-Admiraal van Holland, in plaats van Heer Willem van Nassau, die onlangs bij het beleg van Grol gesneuveld is!”

„Ei, en is er op het oogenblik wat te doen? Is er soms eenig gevaar?”

„Gevaar nu juist niet. Maar de Duinkerker kapers maken het wel wat bont!”

Piet Heyn glimlachte even en merkte aan: „Toch zoo erg niet, als de Nederlandsche kapers in de baai van Matanzas, zou Witte Cornelisz. de With zeggen!”

„Kapitein De With is een lomperd, die evenveel ontzag voor ons Edel Mogenden, als voor kale bedelaars heeft. Hij is nu gelukkig voor een’ langen tijd het zeegat uit! Een lastig mensch,” merkte een der Heeren aan.

„Och, Edel Mogende, wat zal ik u zeggen? Toen ik nog ter koopvaardij voer, had ik een’ grooten hond, dien iedereen lastig noemde, omdat hij wel eens beet. Voor mij was hij niet lastig, integendeel, hij was gehoorzaam en trouw; ik hield veel van hem. Zoo is het met Kapitein De With ook. Als ge hem tevriend houdt, Heeren, dan zal hij u met zijn leven dienen!”

„Wij houden niet van vleien,” sprak de jongste der Heeren.

„Neemt het mij niet kwalijk, Edel Mogende, maar met vleien moet ge ook niet bij hem aankomen. Hij is een man uit één stuk, die weet, dat hij wat waard is!”

„Mij dunkt, dat dit laatste juist niet in zijn voordeel spreekt. Dat is verwaandheid.”

„Ik houd het er voor, dat gij u vergist, Heeren! Iemand, die zichzelf niet acht, is tot alle lage handelingen in staat. Hij kan verrader en moordenaar worden, al wat ge van hem maken wilt! Maar dat tot daartoe! Waarom benoemt gij niet Willem Melkman, Wijmer van Berkheim of Hillebrand Kwast?”

Thans sprak hij, die bijzonder deftig was en tot nu nog geen’ mond open gedaan had: „Wat zijn Willem Melkman, Wijmer van Berkheim of Hillebrand Kwast, vergeleken bij u, veroveraar der Nieuwe Wereld, die de macht des Spaanschen Konings geknot hebt door de schatten van Peru en Terra Firma uit zijne in onze handen over te brengen?”

„Ei, hoort nu eens aan,” viel Piet Heyn in. „Uw mede-afgevaardigde heeft gezegd, dat vleien zijne manier niet is, en u doet meer. Gij begint me te bewierooken in eene taal, die mij inderdaad allesbehalve aangenaam in de ooren klinkt, Edel Mogende!”

„Ge zult ons toch moeten toegeven, Admiraal, dat uw naam alleen eene halve vloot waard is. Door het nemen der Zilvervloot toch....”

„Och, zwijg, wat ik u bidden mag van die Zilvervloot, die mij aan het baantje van Roover-kapitein ter zee doet denken. Wilt ge mij zoo prijzen, dat ik niet schaamrood word, noem dan de Allerheiligen-baai, daar heb ik wat gedaan, waarop ik trotsch mag zijn!”

„Nu, nu,” hernam de eerste spreker, „laten we hierover niet twisten. Zeg ons liever, Admiraal, of ge de eervolle benoeming aanneemt!”

Piet Heyn zag vrouw en Moeder maar niet aan. Hij wist wel wat er in hare blikken zou te lezen zijn. Hij bleef dus de Heeren aanzien en zeide: „Nu, ik ben nog wel zoo oud niet, doch ik heb lang genoeg een onrustig leven geleid om thans op mijn gemak in den huiselijken kring te blijven. Ik ben er echter van overtuigd, dat de Duinkerkers een lesje verdiend hebben, en, omdat het nu niet zoo heel ver van honk is, neem ik voorloopig de benoeming aan!”

Moeder Heyn stond op en ging, gevolgd door Annetje, naar eene andere kamer. Die vreemde Heeren behoefden niet te zien, dat de tranen haar langs de wangen rolden, wijl hij, de goede echtgenoot en brave zoon, alweer het woelige zeeleven koos voor het gezellige, huiselijke leven, en dat nog wel, waar hij nog niet eens uitgerust was van de vermoeienissen van den laatsten zeetocht.

Een uur later waren de Heeren vertrokken en trad Piet de kamer in, waar de beide vrouwen zaten.

„Waarom zijn de wangen zoo nat, vrouw? En bij u ook, Moeder?” dus vroeg hij.

„Kind, kind,” zeide Moeder Heyn, in hevig gesnik uitbarstende, „wie jaagt u toch telkens van de zijde uwer lieve vrouw het huis uit en de zee op?”

Piet zweeg.

„Is er hier iets, dat niet naar uw’ zin is?”

„Neen, Moeder!”

„Doet Annetje niet al wat zij kan om u genoegen te geven?”

„Ik verlang het niet beter, Moeder!”

„Ben ik u dan soms in den weg? Kom ik misschien te veel bij u aan huis?”

„Moeder!” riep Piet, terwijl zijne heldere oogen zich met tranen vulden, „Moeder, hoe kunt ge dat vragen? Dat weet ge immers wel beter!”

„Wat is het dán, jongen? Zie, gij kunt toch ruimschoots leven ook zonder eenige betrekking! De honger, die harde eischen stellen kan, kwelt u niet. Wat is het dan toch, jongen?”

„Och, zwijg, Moeder! Ik weet niet, wat het is. Altijd en altijd klinkt daar eene stem in mijn binnenste: „Naar zee! Naar zee!”--Als ik slaap, dan droom ik van de zee!--Als ik waak, dan leef ik op de zee!--En de Heere vergeve mij de zonden, maar als ik in de kerk ben, hoe schoon en dierbaar Dominee Sprankhuysen dan ook preeken moge, het overkomt mij vaak, dat ik onder de preek aan de zee denk.--In de tonen van het orgel bromt het: „Naar zee!”--Door de boomen ruischt de wind: „Naar zee!”--In alles, alles hoor ik: „Naar zee! Naar zee!”--Moeder, lieve, beste Moeder, goede Annetje, ik kan niet voortdurend aan den wal blijven, ik kan niet!”

„Piet,” hernam Moeder Heyn diep bewogen, „ik geloof u! Ga dan naar zee, mijn jongen! Maar inmiddels zal ik den Heere bidden, dat Hij uw harte naar den wal keere! Het is de stem van den Booze, die u in zijne netten gevangen houdt! Ga: Piet! Ik hoop, dat het de laatste maal moge zijn!”

„Moeder, Moeder, houd op!” riep opeens Annetje, „gij weet niet wat gij wenscht! O, God, als eens een kogel hem het leven ontnam, dan ware uw wensch ook vervuld, dan zou het ook voor den laatsten keer zijn! Moeder, wensch wat anders, wat anders, Moeder!”

„Stil, stil, Annetje!” sprak Piet Heyn en hij greep de hand zijner vrouw. „Ons leven is in de hand des Heeren; zonder Zijn’ heiligen wil wordt geen haar op ons hoofd gekrenkt! Mocht ik komen te vallen, gij weet het, ons testament, dat nog pas geleden veranderd is, berust in handen van Notaris Jan Fransz. Bruyning tot Amsterdam. Het voegt iederen mensch ten allen tijde bereid te zijn, het leven af te leggen!”

„Waarheen zult gij gezonden worden, Piet?” vroeg Annetje thans. „Ik heb niet alles verstaan, wat de Heeren zeiden.”

„Net ver weg, beste! Niet verder dan tot Duinkerken! Ik twijfel niet of dat varkentje zal wel gauw gewasschen zijn. In alle gevallen, nu ik in ’s Lands dienst ben, zal ik vaker aan den wal zijn!”

Dit laatste: „vaker aan den wal” scheen Moeder en Annetje troost te geven. Althans Moeder Heyn stond op en haar’ zoon omhelzende, zei ze: „Kind, wees gerust! Gedurende uwe afwezigheid zal ik mij gedragen als de Moeder van een’ zeeheld, van wien de geheele wereld gewaagt!”

„En ik zal mij gedragen als de vrouw van een’ liefhebber van zijn Vaderland, Piet! Laat het nu uit zijn. Wanneer vertrekt ge?”

„Denkelijk in het begin van Juni, vrouw! We hebben dus nog een veertien dagen den tijd!”

Die veertien dagen werden bijna vier weken, want de schepen, waarmede de tocht ondernomen moest worden, waren nog niet klaar. Er ontbrak veel aan om in die dagen de vloot van het Land goed te noemen.

Piet Heyn, dit vernemende, begaf zich naar Den Haag en verscheen in de vergadering van de Staten van Holland.

„Hoe is het, Admiraal, nog niet uitgezeild?” vroeg een der leden hem eenigszins uit de hoogte.

Piet Heyn fronste het voorhoofd en sprak: „Nog niet uitgezeild? De Heeren duiden het mij niet ten kwade, als ik hierop antwoord, dat er van geen uitzeilen sprake kan zijn. De vloot van het Land verkeert in een’ deerlijken staat van verval!”

„Hei, hei, zacht wat, Admiraal! Dat ze niet is, zooals ze wezen moet, ja, dat weten wij ook wel; maar, dat ze zoo slecht is, als gij vermoedt, dat kunnen, ja, dat mogen wij niet gelooven,” sprak een ander.

[Illustratie: „Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal zijn!” (Bladz. 234).]

„Schade genoeg, Edel Mogende! Maar dan moet ik u zeggen, dat ik, als de vloot niet in een’ beteren toestand gebracht wordt, mijne belofte intrek en de benoeming niet aanneem. Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal zijn!”

„En wat zou er dan naar uwe meening moeten gedaan worden?” klonk de vraag van den Voorzitter.

„Veel, Edel Mogende, veel, zeer veel!”

„Bepaal u dan tot zaken en zeg wat,” sprak de Raadpensionaris barsch. „Zoo komen we niet verder.”

„Welnu, als gij mij daartoe dwingt, dan zal ik het u zeggen: De krijgstucht is vervallen!”

„Gij hebt het in uwe macht die te herstellen!”

„Ja, met meer en uitgestrekter macht dan de vorige Luitenant-Admiraals bezeten hebben!”

„Wat rekent gij tot die uitgestrekte macht?”

„Vooreerst deze. Zoo een Kapitein zijn’ plicht verzaakt, dan moet de Admiraal hem kunnen afzetten en een’ anderen in zijne plaats benoemen!”

„Dit wordt u toegestaan. Wat meer?”

„Vóór dezen waren er uitmuntende voorschriften en verordeningen in gebruik; ze zijn in verval geraakt en moeten opnieuw ingevoerd en gehandhaafd worden!”

„Hiertegen kan geenerlei bezwaar ingebracht worden, dunkt me. Wat nog meer?”

„Tot hiertoe werden de schepen op eene zeer slechte manier van levensmiddelen voorzien. Het gevolg hiervan is vaak geweest, dat sommige bodems op zeer ongelegen tijden eene haven moesten binnenloopen om levensvoorraad in te nemen!”

„Maar zeg mij, Admiraal, hoe komt het toch, dat gij dit alles niet bedongen hebt, vóór gij de benoeming aannaamt?” vroeg de Raadpensionaris.

„Ik wist het toen niet zóó goed, als ik het nu weet, Mijnheer!”

„Ei, en wie heeft u dan van dat alles zoo goed op de hoogte gebracht?”

„Om dat te weten te komen, heb ik niemand noodig. Als een Admiraal dat alles niet onderzoeken kan, dan deugt hij niet voor zijne betrekking!”

„Ik twijfel niet, of men zal u in alles terwille zijn. Van avond nog zult ge hieromtrent het besluit der Edel Mogenden vernemen,” sprak de Voorzitter.

„Het zal mij zeer aangenaam zijn, Edel Mogende! Maar ik heb nóg meer te bedingen!”

„Wat! Nog al meer? Mij dunkt, dat gij veel noten op uw’ zang hebt, Admiraal!”

Piet Heyn fronste andermaal het hooge voorhoofd en zich fier verheffende, sprak hij op kalmen, maar snijdenden toon: „Dat vonden de Spanjaarden en Portugeezen in de Allerheiligen-baai ook, Edel Mogende!”

Een onderdrukt getrappel met de voeten werd gehoord, en menigeen knikte den Admiraal goedkeurend toe. De ondervrager zag zich dus genoodzaakt zijn’ toon wat lager te stemmen. Hij voelde, dat hij valsch speelde, en daarom zeide hij wat minder kort: „Ik wilde u niet beleedigen, Admiraal! Mag ik weten, wat u dan nog heeft?”

„De soldijen der matrozen zijn te laag en worden niet geregeld uitbetaald. Het gevolg hiervan is, dat men alleen het uitschot van de Oost- en West-Indische Compagnie op de vloot krijgt. Een Admiraal moet op zijn volk kunnen vertrouwen!”

„Dit laatste ontstond meer uit den berooiden toestand van ’s Lands kas. Hierin is in den laatsten tijd eene kleine verandering te goede gekomen. Wij hopen, dat die gunstiger toestand zal blijven voortduren, en dan vervalt vanzelf uwe laatste zwarigheid. Nu hadt ge toch zeker niets meer?”

„Het spijt mij, als het u tegenvalt, zoo ik ja zeg; maar nu ik a, b en c heb gezegd, wil ik uitspreken, al kwam ik tot z. Ik sta er op, dat iedere Kapitein eene instructie hebbe, opdat er meerdere overeenstemming besta omtrent het handhaven der orde. Verder wenschte ik wel, dat er schrijvers benoemd werden om op elk schip de dag-registers goed bij te houden, rollen te maken, scheepslijsten te vervaardigen en het uitbetalen van het scheepsvolk te regelen. Dan wenschte ik ook nog door eene wet bepaald te zien, dat het recht van voetspoelen op strenge straffe verboden wordt. Den vijand moet men eeren, als hij zich manhaftig verdedigt!”

Hier zweeg Piet Heyn.

„Hebt ge nu alles gezegd, Admiraal?” werd er gevraagd.

„Zoo omtrent, Edel Mogende! Later kunnen we zien, of er nog meer gebreken zijn. Want meent niet, Edel Mogenden, dat ik alleen om de voordeelen, die aan het Admiraalschap verbonden zijn, de eervolle benoeming heb aangenomen. Ik heb dat gedaan tegen den zin van mijne goede vrouw en mijne lieve Moeder, omdat ik mijn Vaderland liefheb. En zooveel Latijn heb ik van mijn’ goeden Meester Zegers nog geleerd, dat ik mijne zinspreuk: „Argentum aura, utrumque virtuti cedit” verdietschen kan in deze woorden: „Zilver is geringer dan goud; maar beide moeten voor de deugd wijken!”

„Wij danken u, Admiraal,” sprak thans de Voorzitter. „Wij beloven u van avond nog antwoord te zullen zenden!”

Piet Heyn ging heen, en waren enkele Heeren ook wel een weinig gebelgd over den stouten toon, dien Piet Heyn deed hooren, Zijne Excellentie Prins Frederik Hendrik stelde den ronden zeeman volkomen in het gelijk, en wist te bewerken, dat hem in alles zijn’ zin gegeven werd.

Nu nam Piet Heyn de benoeming ook terstond en voorgoed aan en stak veertien dagen later in zee.

Te Duinkerken aangekomen begon hij dadelijk de haven in te sluiten, doch door de duisternis van den nacht begunstigd, wisten drie groote kaperschepen buiten te geraken. Niet zoodra echter had Piet Heyn dat ontdekt, of hij zette hen na en plaatste zich tusschen de twee schepen van den vijand. In een oogenblik was het gevecht aan den gang, doch de Duinkerkers, bevreesd dat Piet Heyn, zoo hij overwinnaar werd, ook op hen het recht van voetspoelen zou uitoefenen, vochten als leeuwen en lieten geen enkel schot onbeantwoord.

„Geef u niet zoo bloot, Admiraal,” sprak Marten Harpertsz. Tromp, die Kapitein op het Admiraalsschip was.

„Ik moet toch in het rond zien om het gevecht te besturen, Kapitein,” luidde het antwoord.

„Dat weet ik, Admiraal, maar gij geeft u te veel bloot!”

Pas waren deze woorden gesproken of een kogel trof Piet Heyn even beneden den linkerschouder; hij stortte neer en stamelde nog even: „Vaar-wel, Tromp! houd--m--moed!”

Piet Heyn was niet meer.

Dit noodlottig schot viel den twintigsten Juni van het jaar 1629.

Vreeselijk was de woede van het scheepsvolk toen het zijn’ dapperen Admiraal zag vallen.

Tromp had hun bevolen: „Laat de andere schepen niet bemerken, wat er gebeurd is. Houdt u of onze Admiraal u nog door woord en daad aanvuurt! Houdt moed, jongens! Er flink op los gebrand! Den dood van den gevallene moet op den vijand zeventig maal zevenmaal gewroken worden!”

De schepen van den vijandelijken Admiraal en Schout-bij-nacht werden geënterd en bijna de geheele bemanning werd doodgeschoten of neergesabeld.

Zoodra Michiel Rombouts, de Vice-Admiraal der Duinkerkers, dit zag, zocht hij zijn heil in de vlucht. Dit mocht hem evenwel niet baten. Hij werd achterhaald en moest na een fel gevecht zich overgeven.

Duinkerken was gestraft; maar het verlies, dat Nederland door deze overwinning leed, woog niet op tegen de voordeelen, die er uit voortvloeiden.

Zoodra men hier te lande den dood van den grooten held vernam, was de verslagenheid algemeen.

En wie er het meest leden?

Och, is dat geen vragen naar den bekenden weg?

Zoodra Moeder Heyn den dood van haar’ Piet, haar’ lieveling, vernam, begaf de stok-oude vrouw zich naar Delft, wierp zich in de armen van hare schoondochter en zeide onder bange snikken: „Piet is toch voor den laatsten keer naar zee geweest, Annetje! De Heere deed, wat goed was in Zijne oogen!”

Den vierden Juli werd het lijk van den gevierden en dapperen Admiraal met ongemeene pracht te Delft begraven.

Vóór het lijk gingen twee vaandels burgers in diepen rouw. Over hunne kolders hingen zwarte banden, de vaandels waren met zwarte linten opgebonden, de trommels met zwart laken bekleed en de pieken werden sleepende, de musketten onder den arm gedragen.

[Illustratie: De lijkkist, gedekt met een zwart kleed. (Bladz. 239).]

Hierop volgden Kapiteins ter zee, die de wapenen van den gesneuvelden held droegen, en onmiddellijk hierop volgde de lijkkist, gedekt met een zwart kleed, welks slippen mede door Kapiteins ter zee gedragen werden. Achter het lijk ging, als naaste bloedverwant, het zoontje van eene zuster zijner vrouw. Zijne broeders leefden denkelijk dus niet meer, of bevonden zich elders. Enkele verre bloedverwanten, die achter het knaapje liepen, werden gevolgd door Bewindhebbers van de Oost- en West-Indische Compagnie, Gedeputeerden der Admiraliteit en andere voorname personen. In het geheel bestond de stoet uit meer dan duizend menschen.

Hij werd in de Oude Kerk begraven en later werd er op ’s Lands kosten eene prachtige graftombe voor hem opgericht.

* * * * *

Eene week na de begrafenis traden twee zeelieden in diepen rouw de Oude Kerk binnen.

„Hier ligt hij, Blokmaker,” sprak de oudste, terwijl dikke tranen langs zijne perkamentachtige wangen vloeiden. „Zijn avondschot is gevallen!”