Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 17
Den volgenden dag stonden Piet Heyn en Witte weer samen te beraadslagen hoe men nu verder handelen zou, toen Marten, die maar altijd op den loer lag of hij niets verdachts zag, weer op de beide Scheepshoofden afkwam. Ditmaal dacht hij er evenwel aan, niet tot den Admiraal, maar tot Witte te spreken.
„Kapitein,” zei hij, „ginder is een zeil!”
„Ik zie het niet,” antwoordde Witte.
„Ik ben zoo gelukkig hier aan boord de beste oogen te hebben, Kapitein! Ik zie een zeil. Het is geen Hollander!”
Piet Heyn richtte nu ook zijn’ eenvoudigen scheepskijker in de aangewezen richting en sprak: „De schipper heeft gelijk; het is eene Spaansche bark.”
„Dan er op af,” riep Witte en aanstonds gaf hij bevel de bark na te zetten.
Het bleek evenwel spoedig, dat dit niet ging. De bark scheen beter zeiler dan het Hollandsche Admiraalsschip.
„Admiraal, laat mij een jacht nemen en het nazetten,” sprak Witte.
„Goed, Kapitein, doe dat!”
In een oogenblik was het jacht de „Vos”, bemand met een veertigtal flinke gasten onder bevel van Witte Cornelisz. De With. Ook Marten en Blokmaker waren, met goedvinden van Piet Heyn, aan boord van dat scheepje gegaan. Zij wilden met dien Kapitein wel eens een kansje wagen. En nu zagen ze met bewondering, welk een uitmuntend zeeman hij ook in allerlei kleinigheden was, en later getuigden ze, dat hij hen gedurig beschaamd zette; want menigmaal werd er zulk eene beweging gemaakt, dat ze dachten: „Waar moet dat nu heen?” en een paar oogenblikken later zagen ze, dat ze door die vreemde beweging weer een heel eind op de bark gewonnen hadden. Hij wist van alles gebruik te maken. Niets ontging zijn oog. Eindelijk hadden ze de bark binnen schot.
„Vuur,” beval Witte.
Het kanon brandde los;--de Spaansche bark streek de vlag.
„Ellendige lafaards,” schold Witte. „Wie geeft zich nu bij het eerste schot het beste, over?”
Men kon zien, dat het hem speet, dat er geen tegenweer geboden werd, en weldra was men de bark terzijde. Witte klom er aan dek en vroeg den Kapitein: „Waarheen, Senor?”
„Ik heb van den Gouverneur van Havana bevel gekregen, den Admiraal der Zilvervloot te waarschuwen, dat er kapers op de kust zijn,” gaf de Spaansche Kapitein openhartig ten antwoord.
„Waar houdt die vloot zich op?”
„Ik heb al verscheidene dagen gekruist en ze nog niet gevonden,” luidde het antwoord.
„Ook al goed! Gij zult alvast niet meer voor verklikker spelen. Gij zijt mijn gevangene!”
„Dat begrijp ik wel. Het is mij geheel onverschillig. Zult ge ons ook over de kling jagen?”
„Lafaards hangen we,” beet Witte hem toe. „Maar wees gerust, we zullen niet aan uw leven komen.”
Witte ging thans met de bark op sleeptouw naar de vloot terug, en toen Piet Heyn vernam, wat de Kapitein van de bark in last had, gaf hij aanstonds bevel, dat het jacht de „Vos”, onder Witte’s aanvoering zou blijven kruisen om te zien, of er nog meer van die vaartuigen waren. De gevangen Kapitein had wel gezegd, dat hij alleen uitgezonden was, doch men vertrouwde hem niet. De man scheen al te oprecht. Op het Admiraalsschip werd Witte door Kapitein Blokmaker vervangen, zoodat de drie oude vrienden weer samen bleven.
Ondertusschen was een gedeelte der vloot onder bevel van den Vice-Admiraal Joost Banckers, nog altijd van de hoofdvloot gescheiden. Dit hinderde Piet Heyn; men kon niet weten, hoe men hem noodig had. Zoo werd het de achtste September.
„Twee zeilen! Twee zeilen!” riep de uitkijk opeens.
Iedereen zag het en spoedig werd men een Hollandsch schip gewaar, dat een’ prijsgemaakten Spanjaard achter zich had. Toen het schip nader kwam, zag men, dat het de „Witte Leeuw”, Kapitein Jan Jansz., van Hoorn was.
Bij den Admiraal gekomen vroeg deze: „Welk schip hebt gij buitgemaakt?”
„Een verdwaald lam uit de groote schaapskooi, Admiraal! Volgens het zeggen van den Spaanschen Kapitein moet de Zilvervloot niet ver meer af zijn.”
Dat bericht was weldra over de geheele vloot verspreid en het scheepsvolk vloog in het want om te zien, of de vloot nog niet in aantocht was. Aller hart klopte van verwachting. Zelfs Piet Heyn, die anders steeds zijne bedaardheid behield, kwam, of hij wilde of niet, in eene hevige spanning.
„Dat die stroom nu toch niet wat verandert,” zeide Piet Heyn tot Blokmaker. „Gij zult zien, dat ze ons nog ontsnappen, als dat zoo blijft.”
„Dan maar naar de Allerheiligen-baai of naar Havana,” antwoordde Blokmaker.
„Nu, met ledige handen zal ik niet thuiskomen, hoeveel het mij dan ook spijten zou, als de kans alweer verkeken was. Ik wil wel zeggen, dat ik nu zelf lust begin te krijgen in dien buit. Een paar dagen geleden had Witte mij bijna er toe gebracht om die Zilvervloot te laten loopen.”
Hij zweeg een oogenblik, keek naar het water en riep toen: „Kijk, kijk toch dien stroom eens! Hij gaat nog sterker dan zooeven.”
Piet Heyn stampvoette van kwaadheid.
Had hij eens geweten hoe diezelfde stroom, die hem zoo scheen te tergen, juist de oorzaak zou zijn, dat ditmaal de kans voor hem niet verkeken zou wezen; want, waar hij ~hier~ de Hollandsche vloot tegenwerkte, deed hij wat verder een der vaartuigen der Zilvervloot op eene klip stooten, ten gevolge waarvan het een lek bekwam. De Bevelhebber, niet wetende, dat er eene Hollandsche vloot in de nabijheid was, gaf bevel het vaartuig te lossen om het zoo te kunnen kalfaten. Dit oponthoud deed de Zilvervloot in handen der Hollanders vallen; want had het niet plaats gehad, ze zou den dans ontkomen zijn. Eindelijk was het vaartuig hersteld; het werd weer geladen en den achtsten September ging de rijk geladen vloot onderzeil.
Piet Heyn was nu op de hoogte van Matanzas, eene havenstad, eenige mijlen ten Oosten van Havana gelegen, en de morgen van den negenden September begon aan te breken.
„Schipper, kijk eens! Zijn dat er wel van de onzen?” vroeg de barbier, die al ik weet niet hoeveel zenuwdrankjes geslikt had om niet zoo gedurig te beven.
„Alle boeren en vischvrouwen, dat zijn Spanjolen,” riep Marten, en zonder zich aan een’ uitval van den barbier te storen, liep hij de deur van de Kapiteins-hut open en viel languit op den grond.
„Zijt gij bezeten, kerel? Wie zijt gij?” riep Blokmaker, die niet zag, wie daar voorover in zijne kajuit viel.
„Wel tien Spaansche schepen zijn ons in het gezicht. Ik geloof, dat ze onze lichten voor die van Spaansche schepen hebben aangezien,” zeide Marten.
Maar Blokmaker was al op het dek en verstond de laatste woorden van zijn’ schipper niet. Hij liet terstond Piet Heyn roepen en toen deze verschenen was, gaf hij oogenblikkelijk bevel, daar er niet genoeg wind was om te zeilen, de booten en sloepen te bemannen en er jacht op te maken. Als het wat lichter werd, zouden de vijanden hunne vergissing wel ontdekken. Dus: „Voort, voort! Haast je! Rept je!”
In een omzien waren de booten en sloepen in zee en de Spanjaarden ziende, dat ze in het net geloopen waren, zett’en alle zeilen bij om te ontvluchten. Maar dit belette hun de windstilte. Aangevuurd door den driftigen Witte, die gemaakt had, dat hij er met de „Vos” bij was, viel men de tien schepen aan en, tot ergernis alweder van „Kapitein Kwikzilver”, de Spanjaarden gaven zich bijna zonder slag of stoot over. Slechts één schip ontkwam.
Men was in de wolken van vreugde! De Zilvervloot nu al in handen, en dat zoo gemakkelijk! Het was niet te gelooven! Men brak de luiken open. Ieder wilde den schat, den gemakkelijk verkregen buit, zien!
Eilaci, hoe vond men zich bedrogen! Geen goud, geen zilver, geen paarlen, geen diamanten! Bah, alleen huiden, meel, brood, Campèche-hout, indigo, tabak, suiker en cochenille! Had men daarop zoolang geloerd? Was dàt nu de vloot, die Peru’s schatten naar Spanje bracht?
Maar stil, wat wordt daar gefluisterd? Zegt men daar niet, dat dit de Zilvervloot niet is? Zou deze dan waarlijk den dans ontsprongen zijn?
„Neen, niet ontsnapt! Ze moet nog komen,” bevestigt er dadelijk een, en zoo klonk het over en weer, tot het bevel gegeven werd, de prijsgemaakte bodems terstond naar de vloot te brengen.
Het viel Piet Heyn ook tegen; maar hij troostte zich met de gedachte: beter een half ei dan een ledige dop. Hij naderde een der gevangengenomen Spaansche Bevelhebbers, en vroeg: „Senor, is de Zilvervloot het ontkomen?”
„Neen! Ze is opweg om u even gemakkelijk in handen te vallen, als wij,” luidde het gulle antwoord.
„Waar is ze?”
„Eer het avond is, zult ge haar te loefwaart zien. Ze zou u evenwel zeker ontkomen zijn, als we geen oponthoud gehad hadden.”
„Hoe kwam dat?”
„De stroom, die ons tegen was, deed een der vaartuigen lek stooten en de Bevelhebber liet het lossen om het te kunnen kalfaten.”
„Wat zijn wij, menschen, toch kortzichtig,” zeide Piet Heyn tot Blokmaker. „Juist de stroom, dien we zoo verwenschten, zal ons de Zilvervloot in handen spelen!”
Toch liep het al tegen den middag eer andermaal het geroep klonk van: „Zeilen! Zeilen in ’t zicht!”
„Welke schepen zijn dat?” vroeg Piet Heyn aan denzelfden Spaanschen Kapitein.
„Dat zijn galeien der onzen!”
„Waarmede geladen?”
„Onbekend, Senor! Wij waren bij het laden niet tegenwoordig. Wij behooren niet tot de Zilvervloot!”
„Is dat dan de Zilvervloot?”
„Dat is ze!”
Een goed opmerker had niet meer te vragen of de Spanjaard wel waarheid sprak; want nauwelijks hadden de Spaansche galeien de Hollandsche vloot gezien, of ze zett’en het, onder begunstiging van het stijve koeltje, op de vlucht.
„Ze zullen de baai van Matanzas binnenloopen, Admiraal!” sprak Witte, die op het Admiraalsschip gekomen was om daar verdere bevelen te vernemen.
„We zullen ze nazetten. De baai is, vooral aan het begin, te ondiep voor galeien van zulk een’ diepgang en die zoo geladen zijn. Ze zullen aan den grond raken. Maar eer ze daar zijn, moet een schip der onzen er wezen. De „Vos” is een uitstekend zeiler. Aan u, Kapitein Witte, de eer, om met dat jacht den Spanjaard voor te zijn.”
„Ik zal hen voor zijn, Admiraal,” antwoordde Witte en in een’ ongelooflijk korten tijd was hij op zijn snelzeilend jacht en zette hij den vijand na, terwijl Piet Heyn intusschen de heele vloot voor den wind liet loopen.
Dit geschiedde terstond, doch het bracht de andere schepen van de vloot in twijfel omtrent de bedoeling van den Admiraal. Men wist niet of het hem te doen was om de zes galeien, die loefwaarts lagen, of om de zes andere van den wal te houden. Spoedig evenwel zag Piet Heyn, dat zijne pogingen vruchteloos waren. De galeien bereikten vóór hem de baai. Dit bracht evenwel den Spanjaarden geen uitkomst. Aan verdedigen werd niet gedacht. Wel gaven de Bevelhebbers last, de schepen, die aan den grond geraakt waren, vlot te helpen maken, doch bij dit werk raakten ze alle vast.
„Breng de lading aan den wal!” klonk het bevel van den Spaanschen Admiraal.
Maar bevelen krijgen en bevelen uitvoeren waren voor de verslagen Spaansche matrozen verschillende zaken. Het scheen, dat de angst en de schrik hunne armen verlamd, hunne gedachten zoek gemaakt hadden. Hier kwam er een met een vaatje spijkers aanzeulen. Daar viel er een, door de duisternis van den nacht, die ondertusschen ingevallen was, misleid, van de loopplank in het water. Ginds trachtte een derde zijn eigen boeltje aan den wal in veiligheid te brengen. De Admiraal werd half razend van nijd, en zou misschien zelf nog aan den arbeid gegaan zijn, zoo een der Onderbevelhebbers hem niet, als zijne meening gezegd had, dat ze hier wel aan den grond zaten, doch tegelijkertijd veilig. De Hollandsche schepen konden hier toch ook niet komen, en hen met booten en sloepen aanvallen, dat was te dol, om dat ook maar een enkel oogenblik te veronderstellen.
De Admiraal had echter genoeg van de Nederlanders gehoord, om het gevoelen van dien Kapitein niet toegedaan te zijn, doch zoodra hadden de manschappen niet gehoord, dat een der Kapiteins, als zeker verteld had, dat ze hier volkomen veilig waren, of ze deden nog minder dan vóór dien tijd, en zij, die dit zoo vast en zeker niet geloofden, werkten zóó traag en zóó onhandig, dat de nacht verliep zonder dat er iets van belang aan den wal in veiligheid gebracht was.
De onzen durfden in de duisternis niet onder den wal komen om niet hetzelfde lot te deelen van de vijandelijke schepen en omhoog te varen. Op het oogenblik viel er dus niets te doen dan de baai afsluiten, om loskomenden Spanjaarden het uitloopen te beletten.
Piet Heyn zag met een verstoord gelaat de Spaansche schepen, waarop hij al zoo lang had gewacht, liggen, en bromde: „Daar zijn ze nu, jawel, maar hoe krijgen wij ze?”
Ondeugend lachend kwam Marten hem nader, en alsof hij wist welke vraag de Admiraal zichzelf gedaan had, zeide de wakkere schipper niets anders dan: „San-Marcello do Mar, Admiraal!”
Piet Heyn had een goed antwoord gekregen.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Spanje’s zilveren pols goed gevoeld.
Nauwlijks was de dageraad aangebroken of er werd op het Admiraalsschip krijgsraad gehouden, en toen alle Kapiteins bijeen waren, begon Piet Heyn met te zeggen: „Mannen, wij weten het, dat we de lang gezochte Zilvervloot voor ons hebben liggen in de vrij ondiepe baai van Matanzas. Gaarne zou ik uw’ raad willen inwinnen, wat nu in deze te doen om het tot een goed einde te brengen!”
Het eerst was het woord aan Loncq, den Vice-Admiraal, dan aan Claesz., den Schout-bij-nacht, en vervolgens aan de verschillende Kapiteins in volgorde van hun’ ouderdom, doch toen allen gesproken en hunne meening te kennen gegeven hadden, bleek het dat er niet één met hetzelfde voorstel voor den dag was gekomen en was Piet Heyn genoodzaakt uit de verschillende voorstellen het een en ander te nemen om een nieuw voorstel te doen, hetwelk hierop neerkwam: „Van elk schip doe de helft der bemanning een aanval op den vijand in booten en sloepen. De andere helft blijft aan boord en doe onze schepen zoo dicht mogelijk naderen om den aanval der booten en sloepen krachtig te ondersteunen!”
Dit voorstel werd aangenomen en thans repte men zich om het te gaan uitvoeren, doch vooraf vroeg een der Kapiteins of men den vijand kwartier moest geven, als hij er om vroeg, waarop Piet Heyn ten antwoord gaf, dat dit afhing van den tegenstand, dien men ontmoeten zou. Stelde de vijand zich dapper te weer, dan geen kwartier geven, doch gaf hij zich gauw over, dan wel. Lafaards waren nooit te vreezen, meende hij, ze mochten in het leven blijven.
„Dan krijgen ze allen kwartier!” zeide Witte lachende.
Zoodra alles besproken was, begaf ieder zich op zijn’ post en nauwelijks was dat geschied, of de booten en sloepen werden uitgezet en bemand.
Piet Heyn, Witte, Blokmaker en Marten voeren in twee booten naast elkander.
„Naar het Admiraalsschip, schipper!” beval Piet Heyn.
„Goed, Admiraal, het zal zoo zijn!” sprak Marten.
In het eerst scheen het, dat de Spaansche Bevelhebber zich wilde verweren, doch toen de onzen eenige musketschoten gelost hadden, hield alle vertoon van tegenweer op en kwam men de reusachtige galei terzijde.
„Hier liggen we nu!” mompelde Piet Heyn, „maar hoe komen we er tegen op?”
Daar viel Marten aan den boeg een afhangend touw in het oog.
„Ik ga touwen halen, Admiraal,” riep de oude schipper, en tot verbazing van alle matrozen, die in de boot zaten, klauterde hij als een aap naar boven.
Van deze stoute daad scheen de Spanjaard niets gezien te hebben, en zoodra Marten aan dek der galei was, riep hij met al de kracht zijner longen: „Hoezee voor Piet Heyn!”
Met behulp van Witte werden ras een paar touwen vlug vastgemaakt en uitgeworpen, zoodat spoedig de eene Hollander na den anderen op het dek sprong.
Het was of het: „Hoezee voor Piet Heyn!” van Marten de Spanjaarden met machteloosheid geslagen had. Ze dachten er niet aan, eerst dien éénen man en dan de enkele andere mannen neer te schieten of te verjagen. Het woord „Piet Heyn” had hen verlamd. Den man, die dezen korten naam droeg, kenden ze al te goed.
De een na den ander der onzen kwam op den Spanjaard, en toen Piet Heyn zelf er ook was, gaf de Spaansche Admiraal zich, zoo goed als na geen tegenstand, over.
De Spaansche vlag werd neergehaald en die van de West-Indische Compagnie in top geheschen.
[Illustratie]
Het geroep van: „Piet Heyn!” klonk van het eene Spaansche schip tot het andere, en overal bracht het schrik en sloeg er de vijand op eene lafhartige vlucht. Wat niet vluchten kon, viel op de knieën en bad: „Buena guerra! Buena guerra!” wat de Spaansche uitroep was voor: „Genade! Spaar mijn leven!”
Op hunne beurt stonden de Nederlanders over zooveel lafheid verslagen. Waakten ze of droomden ze? Waren het geen spookschepen, die ze daar met hunne fabelachtig rijke lading zonder slag of stoot veroverden?
Men dacht er niet lang over na en begon te plunderen.
Kisten en kasten werden opengebroken, en ofschoon men het niet in het openbaar durfde doen, velen waren er toch, die in alle stilte zich kostbare voorwerpen toeëigenden.
„Kijk eens, schipper! Een mes met gouden hecht en met briljanten omzet!” fluisterde de bottelier en liet het Marten zien.
„Hoe kom-je daaraan?”
„Het is buit, man, het is buit! Maak dat je ook wat krijgt. Nu laat de Admiraal het nog door de vingers zien. Straks is het uit! Toe, ga, er is nog veel meer!”
„De Heeren Bewindhebbers zullen het wel goedmaken. Ik steel niet,” sprak Marten en drukte vooral op steel.
„Bah, ze schepen ons af met koperen geldstukjes, dan kunnen de kinderkens er mee spelen! Je zult het zien. Wij krijgen er vast niet veel van!”
„Al kreeg ik niets! Ik wil mij niets toeëigenen, wat mij niet toekomt,” klonk het norsch.
Werkelijk had Piet Heyn wel gezien, wat er voorviel, doch, hoe wrevelig het hem stemde, hij zweeg.
„Admiraal, ziet ge wat er van ons scheepsvolk wordt, als ze voor een ander roovertje spelen? Ze stelen zelf zoo hard als de raven,” sprak Witte, en zijne dunne lippen plooiden zich tot een’ smadelijken lach.
„Och, Witte, zie dat een poosje door de vingers en zeg er nooit iets van. Doe maar, alsof ge het niet ziet.”
„Ik zou het ook bezwaarlijk kunnen verbieden, Admiraal! Toch doet het mij genoegen te zien, dat er nog zijn, die zich te goed houden om te kapen. Marten en Blokmaker zijn een paar ferme kerels!”
„Dat zijn ze, Witte! Maar laat het sein tot vereenigen geven. Het is het eenige middel om de plundering te doen ophouden.”
Witte deed het en spoedig kwamen de Kapiteins, de Vice-Admiraals en de Schout-bij-nacht bij Heyn aan boord om hem geluk te wenschen met de verovering, en te vragen, wat er nu gedaan moest worden.
„Nu alles zoo goed en spoedig is afgeloopen, moesten we terstond beginnen met de galeiën te lossen en al wat ze bevatten voor een deel over te brengen op onze schepen. De galeiën, die we vlot kunnen krijgen, behoeven niet ledig gehaald te worden. Maar spoedig, de tijd van het jaar dringt, en de Spaansche vloot kan ons overvallen eer we er op bedacht zijn,” luidde het bevel van den Admiraal.
Vijf dagen was men onvermoeid met het lossen bezig.
„Nu weet ik, Kapitein, hoe het komt, dat de Spanjool geen’ weerstand bood,” zeide aan het einde van den eersten dag Marten tot Witte.
„Ik ook, Marten! Al die schatten zijn van de Indianen gestolen. De Spanjaarden zijn dieven. Van de tien zijn er negen laf. Je bent dat zeker wel met mij eens. Wat anders. Met genoegen heb ik gezien, dat jij geen dievenbloed hebt en Kapitein Blokmaker heeft het ook niet. Dat lijkt me, en ik houd het ervoor, dat wij drieën het best met elkander zullen kunnen vinden.”
Een warme handdruk bezegelde deze woorden, waarop evenwel terstond volgde: „En nu aan het werk. Er is veel te doen en--we zijn nog niet thuis!”
Met verbazing had Marten onzen Witte hooren spreken, en eene kist beetpakkende, zeide hij: „Stille wateren hebben diepe gronden. Schijn bedriegt. Hij is zoo kwaad niet als zijn mutsje wel staat! Zijn er nog meer zulke spreekwoorden, pas ze dan op Witte Cornelisz. De With toe, Marten, en je zult wel doen! Jammer maar, dat hij zoo driftig is en dikwijls zoo ontzettend vloekt. In kalmte en vroomheid kan hij van onzen wakkeren Admiraal een lesje nemen!”
Den zeventienden September was alles gereed en gaf Piet Heyn bevel tot den terugtocht. Inmiddels had hij de jachten „de Ooievaar” en „de Vos” met Witte naar het Vaderland gezonden om daar den gunstigen uitslag van den tocht bekend te maken. „De Ooievaar” kwam den vijftienden November gelukkig aan. Schipper Salomon Willemsz. begaf zich terstond naar Den Haag om aan Zijne Excellentie Prins Frederik Hendrik de heugelijke tijding mede te deelen. Voor dit bericht ontving hij van den Prins een gouden keten. Op de vraag evenwel hoe groot vermoedelijk de buit was, kon hij echter geen antwoord geven. Geen wonder derhalve, dat men de terugkomst van de geheele vloot met het grootste verlangen te gemoet zag. De „toebackdrinckers” zaten tot diep in den nacht te midden van den rook, als haringen in eene bokkingkeet te praten over Piet Heyn en over de Zilvervloot.
Maar hoe ongeduldig de „toebackdrinkers” ook werden, ze moesten even goed geduld leeren oefenen, als de Heeren Bewindhebbers der Compagnie zelf. Eerst den zeven- en achtentwintigsten November kwamen er vijf schepen aan, en eene maand later nog drie. Toevallig hadden deze de keur van de lading niet in, zoodat velen al begonnen te roepen: „Nu, hier zal het wel zijn: veel geschreeuw en weinig wol!”
De oorzaak dezer vertraging lag niet aan den wakkeren Vlootvoogd; het was geheel buiten zijn toedoen.
Men had op de terugreis met veel tegenspoeden te kampen, en daar de meeste ververschingen op de vloot ontbraken, kwam er een groot getal zieken. Ja, de vloot was zóó verzwakt, dat het Piet Heyn alleen met de grootste moeite gelukte, zich door eenige Spaansche schepen, die op wacht lagen, heen te slaan en de havens van Plymouth en Falmouth binnen te loopen. Hij kon het niet tot Nederland brengen door de menigte zieken, die op alle schepen waren. Het gevolg hiervan was, dat hij zelf pas in het begin van Januari van het jaar 1629 in het Vaderland aankwam met de schepen, die den schat bevatten, en nu eerst hoorde men uit den mond van Piet Heyn hoe groot de vermoedelijke waarde van den buit, ten ruwste berekend, was. Piet Heyn schatte haar op acht à negen millioen.
Als een loopend vuurtje ging het nieuws door het land en overal waar Piet Heyn kwam, werd hij door het volk, door jong en oud, door rijk en arm, met het grootste gejuich ingehaald. Het loopen was hem onmogelijk. Dat geschreeuw en gejoel, dat geroep van: „Leve Piet Heyn!” begon hem in het einde zoo te vervelen, dat hij gramstorig uitriep: „Siet hoe het volck nu raest, omdat ik zoo grooten schat thuis brenge, daer weijnich voor hebbe gedaen ende tevoren, als ick der voor hadde gevochten, ende verre grooter daden gedaen, als dese, en heeft men sich nauwlijx aen mij ghekeert!”
Zoodra alle schepen in behouden haven lagen, kon de West-Indische Compagnie zelve aan het werk gaan en uit eene vluchtige begrooting, waarbij nog heel wat aan maat en strijkstok bleef hangen, bleek het, dat de buit op niet minder dan elf millioen gulden kon geschat worden. Het was eene som, die nu misschien wel een kapitaal van vijftig millioen gulden zou uitmaken.
En al die schatten waren voor de aandeelhouders der jonge Compagnie, die hierdoor opeens in rijkdom verre boven hare oudere zuster, de Oost-Indische Compagnie kwam te staan, doch niet in haar voordeel, want de aandeelhouders der West-Indische Compagnie waren zoo tuk op de gemakkelijk verkregen schatten, dat ze niet luisterden naar den verstandigen raad van de Bewindhebbers om een groot gedeelte van den buit te bewaren, als een appeltje voor den dorst. Men eischte eene ruime uitdeeling en stelde zich met niet minder dan vijftig percent tevreden.