Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 16

Chapter 164,073 wordsPublic domain

Met gepaste vrijmoedigheid begaf Marten zich hierop naar Piet Heyn, die met Blokmaker stond te praten.

„Is het schipper Marten vergund, den Admiraal Piet Heyn wat te vragen, of liever voor te stellen?” begon hij heel deftig.

„Zeker,” zeide Piet Heyn. „Wat heb-je op je gemoed, schipper?”

„Het volk heeft vandaag nog wat meer gedaan dan zijn best, Admiraal!”

„Ik zal de laatste zijn, die het tegenspreekt, schipper!”

„De laatste, Admiraal? Neen, al zette men u het mes op de keel, gij zult toch niet de ~laatste~ zijn. Gij spreekt het nooit tegen, want gij weet het beter. Maar nu ons volk zooveel lekkers uit Padilla’s schip gesleept en hier aan boord gebracht heeft, zonder te doen, als die plunderzieke rabauwen van Majoor Schouten, wilde ik u voorstellen, te denken aan ons oude spreekwoord: „Aan de kat komt een graatje toe!”

„Het spijt me, dat je het komt vragen, schipper,” zeide Piet Heyn, „want ik had juist mijn plan om eene extra-uitdeeling op al de schepen te houden aan de verschillende Kapiteins laten mededeelen. Wees dus gerust: de katjes zullen hare graatjes hebben en een beetje visch zal er ook nog wel af te kluiven vallen.”

„We krijgen wat extra’s, hoor,” zoo fluisterde Marten den bottelier in het oor. „De Admiraal zal over al de schepen eene uitdeeling laten houden!”

Wat de bottelier nu wist, dat wisten al de manschappen niet veel later, en dit bericht deed menigen juichkreet opstijgen. Het was rechtstreeks in het voordeel van de Compagnie ook, want Piet Heyn mocht nu ook al zeggen: „De lui hebben wel wat verdiend; laat hen ook eens vroolijk zijn,” zijne manschappen redeneerden anders. Dat kon men des avonds overal hooren en daar we alleen op het Admiraalsschip onze kennissen hebben, willen we eens even een kijkje op het voorschip nemen om een en ander af te luisteren.

„Een lekker wijntje,” zeide er een.

„Ja, maar het Admiraaltje is beter,” meende een ander.

„Zeg, afgedroogde, twintigmaal in het rond gedraaide zwabber, zeg gerust de Admiraal! Is hij niet flink uit de kluiten gewassen? En doet hij, als het op bakkeleien aankomt, voor één onzer onder?” riep een derde in vervoering uit.

„Jawel, dat weet ik zoo goed, als dat ik weet, dat iemand, die het op de borst heeft, slecht berekend is voor het werk van omroeper. Ik bedoel, dat hij een Admiraal van het bovenste plankje is,” hernam de tweede.

„Druk-je dan beter uit, en laat een fatsoenlijk zeeman niet gelooven, dat je het over een’ schiebout hebt, als er eene enterdreg bedoeld wordt,” was het pruttelend antwoord.

„Hoort eens, geen ruzie aan den bak,” riep Marten. „Ik zeg: Piet Heyn is een Admiraal, zooals heel de Republiek er geen’ tweeden heeft. Zeg eens wat kwaads van hem, als je durft.” Deze laatste woorden golden den ziekentrooster, die door Marten heen en weer geschud werd.

„Wel, goede vriend schipper, schud me niet zoo door mekaar, alsof ik een koortsdrankje met zwaar bezinksel ben. Er is geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt om kwaad van den Admiraal te spreken, want dat hij gisteren van drift met de hak van zijne zware zeelaars mijne rechter groote teen zoo plat als een duit getrapt heeft, had ik hem al vergeven vóór ik gisteren avond naar de kooi ging,” was het lange antwoord van den zieketrooster, waarvan niemand bijna een enkel woord verstond, omdat Marten hem maar bleef heen en weer schudden.

Marten verstond hem echter wel en zei: „Geen kwaad van den Admiraal spreken? Het is je maar geraden ook; want als je maar één klein woordje kwaads van hem kikte, wel man, dan maalde ik je tusschen mijne vuisten zoo fijn als kippengrutjes. Ik zeg: Piet Heyn is de schrik van den Spanjool; de geldkistvuller van de West-Indische Compagnie en de Vader van zijne manschappen! Die daar geen ja en amen op zegt, mag mijnentwege naar Axel gaan om Zeeuwsche mossels te eten.”

„Ja, vrienden,” sprak nu de barbier, „dat is zoo. En daarom een boordevolletje op zijn lang leven!”

Ieder stemde hierin mee, en had Piet Heyn die gehechtheid van zijn volk gehoord, dan zou het hem zeker wèl gedaan hebben. Nu hoorde hij het evenwel niet; want terwijl het volk zich zoo vroolijk maakte, zat hij moederziel alleen in de kajuit te bedenken hoe hij het nu toch eens moest aanleggen om een’ volgenden keer de Zilvervloot binnengaats te krijgen. Hij toch beschouwde dezen tocht maar half gelukt, en hoewel hij vooruit wist, dat de Compagnie dubbel en dwars tevreden zou zijn over de gemaakte prijzen, hij was het niet over zichzelf.

De ~Zilvervloot~ en geen ~Suikervloot~ speelde hem dag en nacht door het hoofd. Hij wist, dat het geldgebrek in Holland groot was, en dat men er, niettegenstaande vele kooplieden schatrijk geworden, en de burgers zelven zeer welvarend waren, niet wist hoe den oorlog tegen Spanje met kracht voort te zetten. Het geld van de burgers was niet het eigendom van den Staat. Kon men nu de Zilvervloot veroveren, dan zou men een mesje hebben verkregen, dat aan twee kanten sneed. Spanje toch kon zónder de jaarlijksche opbrengsten dier vloot zoo goed als niets doen. Het moest er zijne groote huurlegers mede betalen. Werden de soldaten niet betaald, dan verliep het leger, en al kwamen al de schatten van de Zilvervloot nu ook in de geldkisten van de aandeelhouders der West-Indische Compagnie, toch had de heele Republiek er dan voordeel bij door het verloopen van het Spaansche leger.

Vast besloten, hetzij vandaag of morgen, den nog altijd gehaten Spanjool zoo aan den Zilveren pols te voelen, begaf Piet Heyn zich ter ruste.

Ook het volk sliep weldra in en droomde misschien wel van een’ Admiraal, die met een suikerschip in eene wijnzee voer, en zijne manschappen onthaalde op het heerlijkste, dat er in een denkbeeldig Luilekkerland te vinden was.

In het Vaderland aangekomen, waren de Heeren Bewindhebbers der Compagnie zóó tevreden, dat ze Piet Heyn, als een bewijs hunner tevredenheid, eene zware gouden halsketen vereerden. Het scheepsvolk echter, dat zich toch ook zoo wakker gehouden had en wel wat extra’s verdiende, bekwam niet veel meer dan het bedongen loon.

En Annetje en Moeder? Och, ze vergaten al haar leed toen ze, den eersten Zondag den besten, samen met hem naar de kerk gingen en alle menschen hem zóó beleefd groetten, alsof hij een broertje van den Stadhouder was. Men kon het Annetje en Moeder aanzien, dat ze trotsch waren op den Admiraal met den gouden ketting om den hals, en toen ze alweer thuis kwamen, kon Moeder niet nalaten Annetje in het oor te fluisteren: „Al die eere, zie-je, kind, en dan die prachtige gouden ketting is een pleistertje op de wonde.” En Annetje was het met Moeder eens, vooral omdat ze het maar een pleistertje en niet eene pleister noemde.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Een roerganger om voor te knielen.

Het is de tweeëntwintigste Augustus van het jaar 1628.

In de Florida-straat op de hoogte van Havana, de hoofdplaats van het groote en schoone eiland Cuba, kruist eene vloot van omstreeks dertig zeilen.

Het is eene Hollandsche vloot. Ziet men dat niet al aanstonds aan de eigenaardige makelij der schepen, dan wijst de vlag dat duidelijk genoeg aan.

De bewegingen dier vloot zijn voor iemand, die het doel niet weet, zeer vreemd. Het is, alsof de Bevelhebber niet recht weet waarheen. Men schijnt te zoeken en niet te kunnen vinden, wat men zoekt.

Wie zou die Bevelhebber van de vloot: „Ik weet niet wat en ik weet niet hoe” toch zijn?

Daar staat hij.

Wat? Is dat de Bevelhebber, dát? Is dat dan niet Pieter Pietersz. Heyn, de man, die steeds onverschrokken rechtuit op zijn doel afging? Heeft voor het eerst in zijn leven de vrees hem verlamd, of laat zijn heldere blik hem voor het eerst in het onzekere?

Wat al voorbarige vragen! Kom, laten we hem opzoeken, dan zullen wij wellicht hooren, wat er van aan is.

[Illustratie: Bij den Admiraal staat een jong Kapitein. (Bladz. 204.)]

Bij den Admiraal staat een jong Kapitein met dunne lippen, scherpe gelaatstrekken, flikkerende oogen en beweeglijke ledematen. Marten noemt hem wel eens „Baas Kwikzilver van Vloekenburg”.

Het is Kapitein Witte Cornelisz. De With, de bekende vechtersbaas, ruw in den mond, vreeselijk driftig, maar een held der helden en zulk een trouw vereerder en verdediger van zijn Vaderland, als de beste. De West-Indische Compagnie benoemde hem tot Kapitein op het Admiraalsschip, wel wetende, dat hij den Admiraal in nood en dood zou bijstaan.

„Hoe toch zoo ongeduldig, Kapitein?” hooren we Piet Heyn hem vragen.

„Och, laat mij, Admiraal, laat mij! Ik verveel me.”

„Nu ja, ik verveel mij ook. Ik wenschte ook wel van hier te kunnen trekken; maar wij kunnen toch niet uit pure liefhebberij om te vechten met de visschen gaan bakkeleien?”

„Ik weet het, Admiraal, ik weet het! Maar mij lokken die kantoorbezems van de West-Indische Compagnie....”

„U meent de Heeren Bewindhebbers, niet waar?”

„Nu ja, noem ze, zooals u wil, ik noem ze kantoorbezems. Mij lokken ze nooit weer aan boord van één hunner schepen! Is dat werk voor een eerlijk zeeman? Als een gemeene roover op den loer liggen! Eten, drinken, slapen, tijd verluieren! Bah, het is om zich dood te kniezen! Neen, dàt is werk van een’ zeeman, dàt: te worstelen met wind en stroom,--tegen den vijand opstaan, als een leeuw,--te midden van kruitdamp, het gedonder van kartouwen, het geknal der musketten, onder eene hagelbui van kogels, die links en rechts de kerels naast je neersmijten, als boomen in den storm, vooruit, al maar vooruit, neersabelend, wat je in den weg komt,--en eindelijk, naast het wapperende vlaggedoek van de Vereenigde Gewesten, het vijandelijke vaandel in flarden scheuren en de stukken den verslagene in het aangezicht smijten! Dàt is mannenwerk! Dàt moest ons werk zijn, Admiraal!”

Witte was bleek geworden van drift; geen enkel lid aan zijn lichaam of het was in beweging; zijne oogen flikkerden; zijne dunne lippen trilden; de neusgaten waren uitgezet, als van een hollend paard, en de rechterhand klemde zich stuipachtig om het gevest van het groote heupzwaard.

„Witte, Witte, bedaar, mijn vriend! Wat helpt het, dat gij u al opwindt en boosmaakt? Geloof me, ook ik zou veel liever op het oogenblik dwars door een’ machtigen vijand heenslaan of een fort bestormen, dan hier zoo gluiperig en katachtig rondsluipen. Geloof me, ook mij prikkelt het hier van binnen vaak om wat te doen, zooals gij dat zoo gaarne wilt; maar ik gebruik mijn verstand; ik bedwing mijn lust en denk: waar niets te doen is, daar moet men wel rusten. En,--laat ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik al lang gehoopt heb, de Zilvervloot in te palmen, doch nu ik er toe geroepen ben om het te beproeven, valt het werk mij tegen en wenschte ik wel, er mij niet mede belast te hebben. Ik heb het evenwel op mij genomen, dat werk, en nu zou ik aan mijn’ plicht te kort doen, als ik niet trachtte, het doel te bereiken.”

„De vijand heeft hier toch bezittingen! Ginder ligt Havana! Laten we daar zilver en goud halen!”

„Ge zoudt dus willen, dat we die sterkte gingen aantasten? Weet gij dan niet, dat ik lastbrieven heb, die heel anders luiden? Men wil liever geen vaste bezittingen. Ze kosten te veel aan onderhoud en verdediging! Mijne lastbrieven moet ik derhalve gehoorzamen!”

„Lastbrieven! Laat er soep over koken! Wat weten die geldtellers, die op muilen achter hun’ lessenaar zitten, van het werk eens zeemans? Dat ze hun’ mosterdjongens bevelen geven, goed, daar zijn de luî mosterdjongens voor om dat te dulden. Maar ik ben geen lakei, geen page, geen knecht, geen buigend knipmes in een bont paljassenpak, geen dienende, gluipende, geeuwende mosterdjongen! Dat zijt gij ook niet, Admiraal! Weet ge, hoe lang we hier reeds als slakken voortkruipen op bevel van die zoogenaamde Heeren, die meenen met eene handvol goud alles te kunnen goedmaken, wat een eerlijk zeeman aan geweten opgeofferd heeft? Bah, ik haat die geldzakken met een menschengezicht!”

„Kapitein,” sprak thans Piet Heyn met gefronsde wenkbrauwen, „mag ik u verzoeken, u wat betamelijker uit te laten over onze Lastgevers? Door in hun’ dienst te gaan, hebben we stilzwijgend op ons genomen, hunne bevelen te gehoorzamen en hen, als onze Meesters te erkennen. Valt het u tegen, best, ik zeide u reeds, dat dit werk mij ook tegenvalt, ja, tegenstaat zelfs, doch het voegt ons te gehoorzamen. Zijn we eenmaal in het Vaderland terug, welnu, er is ook eene landsvloot, we kunnen van Meester verwisselen. Maar zoolang wij in dienst der West-Indische Compagnie zijn, is gehoorzamen onze plicht. Gaarne zag ik, dat gij u ook hieraan hieldt!”

„En als ik dat niet eens wil, Admiraal?”

„Gij moet willen, Kapitein! Gij moet, of....”

„Of? Ha, ha, vul niet aan, Admiraal, vul niet aan! Ik weet, wat ge zeggen wilt. Gij zoudt mij straffen, misschien wel met den kogel, of als een’ roover, en dat komt meer overeen met ons handwerk, met een’ strop!”

„Kapitein, dwing er mij niet toe! Ik zou het doen, bij mijne ziel, ik zou het doen. Ik zou mijn gezag handhaven. Maar, als ik het gedaan had, dan zou ik zijn, als een Vader, die zijn’ zoon ter dood geofferd had. Witte, ik houd veel van u, maar .... rechtvaardigheid sluit de liefde buiten. Bedenk dat, mijn vriend!”

Witte werd vreeselijk bleek, doch langzamerhand kwam hij tot bedaren. Hij begon zelf in te zien, dat hij in het ongelijk was en Piet Heyn de hand toestekende, zeide hij: „Admiraal, ik zàl gehoorzamen, hoe zwaar het mij ook vallen moge!”

„Dat wist ik wel, Witte, dat wist ik wel! En gaarne wil ik u ten gevalle zijn. Zoodra er wat te doen komt, zult gij niet vergeten worden, dat beloof ik u. Alleen dwing mij nu niet, mijne lastbrieven te buiten te gaan, of tegen de visschen te gaan vechten.”

„Admiraal,” sprak op dat oogenblik Marten, die de twee genaderd was, „Admiraal, ziet u wel, dat er verandering in de lucht is?”

„Laat den Admiraal met vrede! Ik ben je Kapitein. Je moet het mij zeggen. Ik zal daarna den Admiraal raadplegen,” sprak Witte.

Marten stond beteuterd daar, doch Piet Heyn zei: „Duid het den schipper niet euvel, Kapitein! Hij kent mij al zoo lang, en hij is altijd gewoon zich rechtstreeks tot mij te wenden!”

„Verkeerde gewoonten moeten afgeleerd worden,” zeide Witte en verwijderde zich met Piet Heyn naar het achterschip.

„Wel, zoo’n vloekbeest, zoo’n matrozenplaag, die pas komt kijken,” bromde Marten.

„Een’ uitbrander of afjakker gehad?” vroeg Kapitein Blokmaker, die het bevel over een ander schip had en slechts hier gekomen was om den Admiraal te raadplegen.

„Ja, maar ik wacht zoo iets niet meer van hem af. Wat verbeeldt de driftige gek zich wel?”

„Alles afwachten, Marten, alles, van stukje tot beetje. Daar zit niets anders op.”

„Gemakkelijk zeggen. Maar ik ben niet gewoon te dansen naar de pijpen van den eersten den besten windbuil, die bij ongeluk hier, als Kapitein, is komen aanwaaien.”

„Hei, hei, een windbuil is hij niet. Als we eens aan den slag gaan, dan wed ik, dat diezelfde windbuil wonderen van dapperheid verrichten zal. En weet ge, wat ik al lang opgemerkt heb?”

„Nu, zeg op, wat hebt gij opgemerkt?”

„Dit: wie Witte Cornelisz. de With tot Kapitein heeft moet maar op zijn tellen passen. Weinig praten en veel doen, dat staat bij hem op den voorgrond. En geeft hij onverdiend een’ afjakker, och, zwijg en duld, over een kwartier is hij het vergeten. En reken er op, dat hij wel zorgen zal, dat de paarden, die de haver verdienen, die ook krijgen. Hij is een driftige gek, dat geef ik toe; maar de grond van zijn hart is goed. Wat anders! Wij zullen hier zoo heel lang niet meer blijven. Het weer zal spoediger veranderen dan wij denken. Ik wed, dat we storm krijgen en heelemaal van den koers geslagen worden.”

„En hoe in dat geval met de Zilvervloot?”

„Wel, daar kunnen we dan naar fluiten! Als de Admiraal, evenals bij vorige gelegenheden, er niet wat anders voor in ruil neemt, dan komen we zoo mooi platzak thuis, als je ooit gezien hebt!”

Blokmaker had goed geoordeeld.

Het is twee dagen later en Blokmaker, die Piet Heyn bericht was komen brengen, dat er van zijn schip, waarmede hij op den uitkijk geweest was, nog niets van de Zilvervloot te zien was, is weer op het Admiraalsschip.

De vloot, die zoo doelloos ronddreef, komt in beweging. Op alle schepen is ieder in de weer. Er zal een storm komen, zooals er in deze streken zoo vaak een verderf en vernieling brengt. De tempeesten bij de Groote en Kleine Antillen zijn bij al wat zeeman heet, berucht. De wind uit het Oosten wakkert aan.

Piet Heyn staat op de kampanje van zijn schip. Zijn gelaat is betrokken.

„Er komt werk, Kapitein, maar ander werk dan we gewenscht hebben! Het is, alsof het ons nooit gelukken zal die Zilvervloot te krijgen,” sprak hij tot Witte.

„Heel best, Admiraal! Kunnen we niet met den Spanjaard aan het kloppen gaan, dan maar gevochten met de elementen. Liever zoo dan anders!”

„Jawel, maar de Zilvervloot!”

„Och, Admiraal, dat is niemendal! Ik ken een’ Admiraal, die zoolang nog niet geleden, ook op de Zilvervloot uitging. Hij liep ze mis; maar niet gewoon om thuis te komen zonder de boterham verdiend te hebben, maakte hij in de Allerheiligen-baai een twintig prachtig geladen schepen prijs, en dat niet zoo maar op zijne slofjes, doch met de tanden te laten zien en toe te bijten. Wij moeten het voorbeeld van dien Admiraal maar volgen. Dat is in alle gevallen iets beters ook.”

Piet Heyn begreep natuurlijk, dat Witte hem bedoelde. Hij liet dat evenwel niet blijken en zeide: „Ik geloof, dat ge denkt, dat we, als we de Zilvervloot mochten ontmoeten, die zoo maar voor het nemen zullen hebben! Ge kunt u wel eens vergissen, Kapitein!”

„Mijnentwege graag: maar ik verwed er ik weet niet wat onder, dat er in dat geval, al bitter weinig te vechten zal vallen!”

„Hei, hei, de Spanjaard zal toch zoo laf niet zijn, dat hij zich met zijne kostbare lading zoo maar zonder slag of stoot overgeeft?”

„Och, Admiraal, ik heb eerbied voor de dapperheid van den Spanjaard. Er zijn flinke kerels onder, en wat flinke ook! Maar wat hebben die luî aan al de schatten, die ze naar Spanje brengen moeten? Als ze daar aankomen, krijgen ze geen duit ter belooning, en al het zilver en goud wordt in de schatkist,--precies een vat zonder bodem,--gestort. Ze verdedigen hun’ eigendom niet, en dan is men niet veel meer dan een huurling, die een’ vreemden Vorst dient. Komt het op een vechten aan, dan kiezen ze het hazenpad. Men raakt niet aan hunne koude kleeren en nog veel minder komt men aan hun leven. Al dat zilver en goud bederft ieder karakter en dat van den flinken zeeman ook. Als een matroos van duiten hield, dan zouden er in de Republiek duizenden spaarpotjes meer zijn!”

„Ge kunt gelijk hebben, Kapitein!”

„En let op! Als wij de Zilveren vloot mochten nemen, dan zullen onze matrozen, als er gevaar bestaat, dat de vijand dien buit terughalen zal, het geroofde verdedigen met moed en bloed, doch worden ze andermaal uitgezonden om eene nieuwe Zilvervloot te kapen, dan, bij de eerste gelegenheid de beste, dat ze aangevallen worden, geven ze zich over, zonder de hand uitgestoken te hebben om te bewaren, wat ze in lading hebben.”

„Dat geloof ik nog zoo gauw niet!”

„Ik wel. Als we den buit binnenbrengen, dan is daar bij ons ook een bodemloos vat, en het volk, met eene bedelaarsfooi naar huis gestuurd, zal een heel ander volk geworden zijn! Admiraal, ik heb zoo mijne manier van denken! We zullen zien wie er gelijk heeft, ik of u.”

Misschien zou dit gesprek nog verder voortgezet zijn, als het onweer niet plotseling begonnen was in al zijne vreeselijkheid uit te barsten. Er was nu geen tijd om gesprekken te voeren, want de tempeesten in de Amerikaansche wateren waren nog veel gevaarlijker dan de beruchte stormen aan Kaap de Goede Hoop, waar men aan een deel der zee daarom den naam van „Matrozen-kerkhof” gegeven had. Zeker zijn er in de wateren der Antillen veel meer zeemanslevens verloren gegaan dan in den Oceaan ten Zuiden van de Kaap.

Het was nu stellig middag, en toch werd het zoo verbazend donker, dat men tusschendeks bijna niets zien kon. Vreeselijke bliksemstralen doorkruisten het loodblauwe zwerk en de donderslagen volgden elkander zoo schielijk op, dat ze in één, in één ontzaglijk geluid samensmolten. Steeds nam de storm in hevigheid toe en zelfs de stoutste matrozen stonden ontzet. Zoo hadden ze het nog nooit bijgewoond. Het werd een orkaan, die met reuzenkrachten alles voor zich uitjoeg, wat hem in den weg kwam. Ook Marten en Blokmaker, welke laatste geen tijd meer had kunnen vinden om naar zijn eigen schip terug te keeren, zoo ontzettend snel was het noodweer opgekomen, herinnerden zich niet, ooit zulk een’ storm bijgewoond te hebben.

„Kijk hem eens,” schreeuwde Marten zijn’ vriend Blokmaker in het oor, en hij wees naar het achterschip waar de roerganger stond.

Blokmaker stond als verslagen toen hij zag, wie daar het zware werk van den roerganger deed.

Het was Kapitein Witte Cornelisz. de With!

Marten, die zoo op hem gescholden had, werd bleek van aandoening en zijne oogen al wijder en wijder geopend, werden één groot stuk bewondering. Hij had voor dien man wel willen knielen, ja, diep knielen voor dien orkaan-held!

Eene prachtige figuur was hij. De oude Grieken en Romeinen zouden hun Oppergod Jupiter zoo in beeld gehouwen hebben!

Het was een lust hem aan te zien, zooals hij daar zelf het roer gegrepen had. Nu had hij een heel ander voorkomen. Hij geleek een’ Ridder, die een’ draak ging bestrijden. Rustig, mannelijk, fier, vastbesloten, onwrikbaar stond hij daar! De hoed was hem van het hoofd gewaaid. De lange haren fladderden, als een bos dunne draden, in den wind. Zijne oogen stonden als altijd. Geen spier van zijn gelaat gaf het geringste teeken van vrees te kennen. Alles, alles was leeuwenmoed in en aan hem. Zóó, zóó moest men hem gezien hebben, dan zou men voor hem door een vlammend vuur loopen.

„Een man om voor te knielen,” fluisterde Marten. „Ja, ja, knielen! En ik, vernagelde goteling, die ik ben, ik durfde hem „windbuil” schelden! Hem! Hem!”

„Wie op heel de vloot doet hem dat na? Wie? Wie?” vroeg Blokmaker zichzelf af.

Hij daar aan het roer lette niet op Marten, niet op Blokmaker, niet op al de matrozen, die in stomme bewondering hem aanstaarden, hem, dien ze al zoo vaak verwenscht hadden!

Hij zag zelfs zijn’ Admiraal Piet Heyn niet, die met schitterende en flikkerende oogen hem aanstaarde!

Hij zag niets anders dan wat hij zien moest, het kompas en de neertuimelende en weer omhoogstijgende waterbergen voor zich. Dat hij een held der helden was, hieraan dacht hij niet. Hij dacht alleen aan het behoud van den bodem, die aan zijne handen toevertrouwd was.

Lang echter stond hij daar niet, want zoo vreeselijk als het tempeest was, zoo kort was het ook. Toen de avondzon aan de verstrooide en van elkander geslagen schepen haar’ nachtgroet toezond, waren storm en zee bedaard, en later bleek het, dat er slechts één schip bij verloren gegaan was. Het was dat van Kapitein Blokmaker, die nu Kapitein zonder schip was.

Van Havana was evenwel niets meer te zien en, hoewel de storm uitgewoed was, zoo kon Piet Heyn, door den stroom en den wind tegengewerkt, onmogelijk naar de plaats, vanwaar de vloot weggeslagen was, terugkeeren.

Wat geen wacht had, ging ter kooi. Ook schipper Marten kon dat doen, doch wie hem beluisterd had toen hij daar lag, had hem kunnen hooren mompelen: „Een roerganger om voor te knielen!”

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Een goed antwoord.

Intusschen had de Gouverneur van Havana, Don Lorenzo de Cabrera, de Nederlandsche vloot wel ontdekt. Hij begreep zeer goed, wat zij in haar schild voerde. Daarom zond hij eene bark in zee om den Admiraal der Zilvervloot, Don Francisco de Buenavida, te waarschuwen, niet uit te zeilen, wijl hij anders gevaar liep, overmeesterd te zullen worden. Den achtentwintigsten Augustus was Piet Heyn na veel worstelens weer zoo ver teruggekeerd, dat hij het eiland Cuba opnieuw in het gezicht kreeg. Van vijandelijke schepen was evenwel niets te zien.