Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 15
„Wel, wat hadt ge, goede vriend?” vroeg Piet Heyn.
„Ja, Admiraal, ge zult me vervelend noemen; maar ik heb wat op het hart.”
„En dat is?”
„Wel, toen Jan Pietersz. Koen Jacatra veroverd had, stichtte hij op de puinhoopen eene nieuwe stad en liet die Batavia noemen.”
„Dat weet ik; maar wat zou dat?”
„En hoe heet de plaats, die wij hier voor de West-Indische Compagnie veroverd hebben?”
„Wel man, suft ge, of hoe heb ik het met u? Ze heet San-Salvador, dat weet ge toch?”
„Juist, en hoe heette ze vóór de inneming?”
„San Salvador, hoe anders?”
„Juist, Admiraal, Portugeesch of Spaansch was ze, toen we haar namen; Portugeesch of Spaansch blijft ze, als ze zoo blijft heeten. Geef haar een’ anderen naam! Noem haar Delftshaven, dat is een echt Hollandsche naam.”
„Dat is het; maar wat dan?”
„Doe dan, alsof ge hier thuis waart, Admiraal, en blijf hier; want ik voorzie er in, dat die mooie heeren aan den wal de stad zoo netjes weer in handen van den Spanjaard zullen spelen, als ge ooit gezien hebt.”
„Dat geloof ik ook, Marten! Edoch, ik kreeg het bevel terug te keeren, en een Vice-Admiraal moet aan zijne minderen steeds een voorbeeld van gehoorzaamheid geven!”
„Admiraal, als de Heeren Bewindhebbers hier waren....”
„Ze zijn hier niet, goede vriend! Ze zijn ver van ons!”
„Dat weet ik, Admiraal, maar ~als~ ze hier waren en ze zagen, wat wij van die bende landroovers zien, dan zouden ze zeker zeggen: „Admiraal, blijf met uwe schepen voor San-Salvador! Gij zijt er hard noodig!”
„Ge meent het goed, Marten! Ik voorzie ook niet veel goeds; maar ik weet zeker, dat de Compagnie weer terstond eene nieuwe vloot in zee zenden zal. Wie weet of we, eer het jaar om is, weer niet hier zijn.”
„Om toch te laat te komen, Admiraal,” antwoordde Marten knorrig en ging aan zijne bezigheden.
Een uur later was het smaldeel, bestaande uit drie schepen en een jacht, onderzeil.
Piet Heyn kreeg onderweg geen tegenbevel om terug te keeren, zooals hij gehoopt had, en tegen November was hij weer te Rotterdam, om eene poos bij vrouw en Ouders van de doorgestane gevaren en vermoeienissen uit te rusten. Hij was nog niet lang binnen, of hij hoorde, dat de voormalige Bevelhebber van San-Salvador te Rotterdam in de herberg Sint-Lucas gevangen gehouden werd. Piet Heyn had, als man van moed, eerbied voor Dom Diego en daarom besloot hij op zekeren morgen hem eens te gaan opzoeken. Zoodra Piet Heyn zijn’ naam had laten noemen, werd hij oogenblikkelijk toegelaten.
De Vice-Admiraal werd door den armen gevangene hartelijk ontvangen. Ook hij had eerbied voor een’ man, als Piet Heyn, van wiens heldenmoed hij getuige geweest was.
„Wees welkom in mijne residentie, Heer Admiraal,” sprak hij, met treurigen glimlach. „Mag ik u mijn gevolg voorstellen? Dom Columbo,--Dom Barthelomeo en Domna Lucretia.”
Piet Heyn lachte. De drie voorgestelden waren drie honden, die Dom Diego in zijne gevangenschap tot het maken van allerlei kunstjes afgericht had.
Weldra kwam het gesprek op San-Salvador, en toen Piet Heyn veel verteld had van het groote belang, dat de Compagnie er bij had, dat deze stad ingenomen werd, viel Dom Diego hem in de rede met te zeggen: „Zeker, daar had de Compagnie groot belang bij. Dat heb ik dadelijk begrepen. Maar ze heeft een belang, dat nog veel grooter is dan het nemen van de stad, het land, de forten en de baai!”
Piet Heyn keek verbaasd op en vroeg, of hij ook mocht weten welk belang dan nog grooter was.
„Welzeker, Senor, welzeker! Dat grootere belang van de Compagnie is: te behouden, wat ze heeft laten nemen!”
„Nu, dat zal ze wel ook.”
„Ja, op hare manier; maar dat is de rechte niet.”
„Welke is dan toch wel hare manier, Senor? Ik begrijp u niet. En hoe kunt gij hare manier kennen? Ze heeft u toch van hare plannen niet onderricht?”
„Zij bemoeit zich niet met een’ wegkwijnenden, gevangen vijand, en toch doorgrond ik hare plannen volkomen. Haar eenig doel, haar opstaan, haar zitten, haar naar bed gaan, haar eten, drinken, slapen, ja, haar droomen is: goede zaken maken, geld verdienen. Geld, geld, allemaal geld! Eerst de beurzen tot overloopens toe gevuld, en dan eenige pogingen aangewend om met het geld, dat uit de beurzen rolt, de stad te verdedigen. De Compagnie houdt San-Salvador niet. Plunderaars zijn slechte oorlogsvoerders. Ge vraagt hoe ik dit weet? Door ondervinding, Senor, door ondervinding! Te veel voorspoed maakt zorgeloos. Het rijke Spanje is hiervan het bewijs. Eens zal er een tijd komen, dat dit groote gebied, nu nog het rijkste land der wereld, een’ gelapten schoudermantel bedelen zal om zijne, door den honger vermagerde, leden te bedekken.”
„Dat geloof ik ook, Senor!”
„Dat doet me genoegen; maar geloof dat ook van uwe West-Indische Compagnie! Ik zal den val van Spanje en de vrijwording van Portugal, dat mijn Vaderland is, niet beleven en den ondergang van uwe Compagnie niet zien. De koude lucht in dit vochtige klimaat doet mij nu al voelen, dat ik weldra aan waterzucht sterven zal. Maar gij zijt nog jong, ten minste, betrekkelijk jong. Gij zijt ook krachtig, een zoon van dit land en tegen zijn klimaat bestand. Gij zult het misschien nog beleven. En als ge dan den ondergang van Spanje of van uwe West-Indische Compagnie ziet, herinner u dan dat Dom Diego Furtado de Mendoça Kruisheer, en door Koning Filips genade,”--hij grimlachte bij deze woorden--„Grande van Spanje, en eenmaal Bevelhebber van San-Salvador, thans een arm berooid gevangene, die zijn’ tijd tusschen zijn’ zoon en zijne hondjes verdeelt, dit eenmaal gezegd heeft. Laten wij thans over andere onderwerpen spreken.”
Toen Piet Heyn een paar uren later de deur van de herberg Sint-Lukas dichtsloot, en hij zich door het gewoel van de toenmaals reeds drukke Hoogstraat heen gewerkt had, kwam hij voorbij de West-Indische pakhuizen, waaruit men bezig was de kisten suiker te dragen, welke bij San-Salvador buitgemaakt waren.
„Schipper en Kruisheer profeteeren hetzelfde,” bromde hij, „doch dat de Compagnie karig is om geld uit te geven om te trachten te behouden, wat ze heeft, dat is niet waar.”
„Nu nog eens de Spaansche Zilvervloot, Admiraal!” zeide iemand, hem op de schouders tikkende.
Piet Heyn zag om en herkende den oudsten van de Bewindhebbers der Compagnie, die bij hem gekomen was om hem de betrekking van Vice-Admiraal op de West-Indische vloot aan te bieden.
„Ja, maar deze zal niet zoo gemakkelijk te nemen zijn, als San-Salvador met de Allerheiligen-baai er bij, Mijnheer!”
„Gemakkelijk, gemakkelijk, daar vragen wij niet naar. Maar zulk eene vloot zou beter zijn dan eene stad, als San-Salvador. Dat is zoo klaar als de dag.”
„Mag ik u vragen waarom, Mijnheer? Eene vaste bezitting geeft niet alles opeens, maar is op den duur toch voordeeliger.”
„Papperlepap, men kan wel hooren, dat gij geen aandeelhouder zijt. Ge vergeet het onderhoud en de verdediging eener vaste bezitting. Eene Zilvervloot wordt genomen en daarmee uit. Alles is winst. Maar tusschen twee haakjes, weet gij wel, dat San-Salvador ernstig bedreigd wordt?”
„Ja, onlangs gehoord, Mijnheer!”
„Men vreest, dat ze daarginds zich te spoedig zullen overgeven, en daarom heeft men het jacht de „Haese” er heen gezonden om te zeggen, dat er spoedig hulp zal komen. Ja, ja, San-Salvador heeft hier veel buit doen binnenkomen; maar het zal een bijleggertje worden. Let op mijne woorden. Goeden morgen!”
De Bewindhebber ging aan zijne bezigheden en Piet Heyn vervolgde zijn’ weg, thans geheel overtuigd, dat de profetie van schipper en Kruisheer, van vriend en vijand, binnen korten tijd reeds vervuld zou worden.
In het begin van Juli kwam de tijding: „San-Salvador heeft zich op eerlijke voorwaarden overgegeven aan Don Frederik de Toledo.”
„Wat heb ik u gezegd, Admiraal?” vroeg Marten onzen Piet een paar dagen later.
„Je hebt goed gezien, schipper! Heel goed!”
„Och, ja, Admiraal, een eenvoudig mensch heeft oogen om te zien, en een schipper heeft ook oogen, weet u!” luidde Martens antwoord en hij voegde er nog bij: „Binnen kort zullen we weer wel voor een ander karweitje geroepen worden. Tot ziens, Admiraal!”
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Een pleistertje op de wonde.
„Nu, Moeder Heyn, nu kom ik je misschien wat nieuws vertellen,” sprak op een’ Aprilmorgen in 1626 eene buurvrouw, die bij Moeder Heyn in huis trad.
„Zoo, buurvrouw? Als het maar goed nieuws is!”
„Goed nieuws? Of het! Weet-je het al van je zoon Piet?”
„Wat? Ik zie hem tegenwoordig zoo weinig.”
„Wel, de Heeren Bewindhebbers der West-Indische Compagnie hebben hem tot Admiraal benoemd. Is dat geen goed nieuws? Wat belief-je?”
„Wat zal ik zeggen, buurvrouw? Toen ik nog een twintig jaar jonger was, heb ik dikwijls gehoopt, dat hij het in den zeedienst ver brengen zou. Ik heb mijn’ wensch verkregen, want Piet bracht het ver; hij werd Vice-Admiraal. Maar nu ik zooveel ouder geworden ben, begeer ik niets hoogers meer voor hem. Ik wilde wel, dat hij nu maar bij honk bleef. Hij heeft genoeg oververdiend om rustig te kunnen leven, en moest nu tevreden zijn. Hij heeft toch geen kinderen. Voor wie heeft hij anders te zorgen dan voor Annetje en mij? En dat doet hij goed. De Heere zegene hem!”
Juist op dat oogenblik kwam Piet binnen en vertelde met van blijdschap stralende oogen aan zijne Moeder, dat hij tot Admiraal benoemd was.
„Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven, jongen! Gij moet weten, of ge er blij mee zijn moet, ja ofte neen. Ik zag u liever aan den wal blijven. Na den dood van uw’ Vader, aan wien ik toch altijd nog eenig gezelschap had, gevoel ik mij zoo verlaten, als ge zoo ver zijt.”
„Maar, Moeder, ik heb u al zoo vaak gezegd bij Annetje te komen inwonen. Zij zelve heeft u toch ook dikwijls genoeg dit voorstel gedaan.”
„Mijn jongen, ik weet, dat ge dit gaarne zien zoudt, en Annetje heb ik lief, als mijn eigen kind. Maar mijn huisje verlaten? Voor geen paleis, jongen, voor geen paleis! Ik ben hier geboren; ik ben er in opgevoed; ik ben er oud in geworden; ze zullen mij er uitdragen naar mijne laatste rustplaats. Praat dus daarover niet meer. En doet de benoeming tot Admiraal u genoegen, welnu, jongen, ik wensch er u dan geluk mee, en uit grond van mijn hart bidde ik, dat de Heere u moge behoeden tot heil van het lieve vaderland!”
Deze ontvangst had Piet Heyn wel half verwacht, en het deed hem ook wel leed, dat zijne Moeder en ook zijne vrouw beiden zoo veranderd waren en met verdriet zagen, dat hij niet stilletjes thuis bleef; maar hij kon niet anders. „Naar zee! Naar zee!” riep hem altijd eene stem van binnen toe. Het was, alsof ze er hem met kabels heentrokken. Aan het bevel van die stem moest hij ook gehoorzamen. Hij kón niet anders.
Zoo ook nu. Wat Moeder ook zeide, hoe zijne vrouw hem vriendelijk en dringend noodigde om de benoeming niet aan te nemen, en als rustig en welgezeten burger aan den wal te blijven, te vergeefs.
Naar zee! Naar zee!
Reeds den zesden Juli van het jaar 1626 was hij met eene vloot van negen groote schepen en vijf jachten op de hoogte van Barbados. Hem was bevolen zich te vereenigen met Boudewijn Hendriksz., teneinde met vereenigde krachten de Spaansche Zilvervloot, die ieder jaar, op bijna geregelde tijden, uit Amerika naar Spanje vertrok, als het kon, te veroveren.
Doch wat wil het geval?
Op zekeren morgen ziet Marten, die alweer met Blokmaker op de vloot en op het Admiraalsschip was, een Hollandsch vaartuig, dat op de vloot afkomt. Hij geeft hiervan tijding aan den Admiraal, en weldra verneemt deze uit den mond van den Kapitein van dat schip, dat Admiraal Boudewijn Hendriksz. te Havanna overleden, en dat zijne vloot naar het Vaderland teruggekeerd is.
Dat was eene teleurstelling voor den wakkeren Heyn, die gehoopt had, nu toch eens aan de lang gekoesterde hoop der Compagnie gevolg te zullen kunnen geven en Spanje eens aan den zoogenaamden Zilveren pols te voelen.
Wat te doen? Er zat niets anders op dan met eigen krachten dit te beproeven, en in den omtrek te blijven kruisen.
Den zesden September kreeg men de bewuste vloot in het gezicht, doch ten getale van veertig zeilen. Tegen deze groote overmacht rekende Piet Heyn zich niet opgewassen. Toch belegde hij krijgsraad om het verwijt te ontgaan, dat hij op eigen hand, misschien wel uit vrees, zoo kostelijk een’ buit had laten ontsnappen. Al de Kapiteins waren evenwel van hetzelfde gevoelen, als hun Admiraal en er werd besloten, de vloot maar ongemoeid te laten doorzeilen. Doch, waar nu heen? Met ledige handen thuiskomen en zeggen: „Hier zijn wij, Heeren! Wij komen met de kous op het hoofd terug! Er viel buit noch roem te behalen,” dat kon toch ook niet.
„Admiraal,” fluisterde Marten.
„Wat is er?” vroeg Piet Heyn, door teleurstelling, niet vrij van boosheid en een weinig wrevelig.
„Denkt u nog wel eens aan San-Salvador? Gij hebt nog een kostelijk appeltje met den Spanjool te schillen. Wie weet of het ons niet gelukt de stad opnieuw in te nemen.”
„San-Salvador innemen? Tien tegen één, dat ik er de Compagnie een’ zeer slechten dienst mee bewijs. Maar toch,--zeg er tegen niemand nog iets van. Ik zal me eens bedenken.”
Nog dien eigen avond vertelde Blokmaker, als een groot nieuwtje, aan Marten, dat het naar de Allerheiligen-baai ging. Niet om de stad in te nemen, maar om onder het kanonvuur der stad, eenige rijk geladen schepen te rooven.
„Het is misschien zoo beter ook,” antwoordde Marten, „want als wij San-Salvador innamen, zouden wij die stad moeten bezetten, en daarvoor hebben wij het volk niet aan boord.”
In de Allerheiligen-baai en voor San-Salvador te komen was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Eerst na maanden lang met stormen, onweder, tegenwind en wat al meer, gekampt te hebben, kwam men pas den eersten Maart van het volgende jaar op de bedoelde plaats aan.
En, nu was men er; maar er moest wat gekregen, wat genomen worden.
De baai was met Spaansche schepen goed bezet en ieder vijandelijk schip was uitmuntend bewapend. Ten overvloede werd de vloot nog beschermd door de stad, die door Don Frederik de Toledo in een’ geduchten staat van tegenweer gebracht was.
Er was bovendien haast geen wind om vooruit te komen, en reeds begon men den moeielijken tocht, als vruchteloos gedaan, te beschouwen toen er een gunstig koeltje opstak.
Terstond gaf Piet Heyn het teeken tot den aanval.
„Een mooi, een kostelijk appeltje,” bromde Marten vergenoegd.
De Admiraal ging zelf het eerst op den vijand los, liet midden tusschen de vijandelijke vloot het anker vallen en begon den vijand van bak- en daarna van stuurboord de volle laag te geven.
Marten en Blokmaker dansten schier van pret, dat het er zoo wakker van langs ging.
„Kijk, kijk,” riep Blokmaker, „daar strijkt er al vast een de vlag!”
„Ginder nog één, kijk, kijk, nog één! Hoezee! Hoezee!” schreeuwden de matrozen.
„Daar gaat de vijandelijke Vice-Admiraal naar de grondvergadering!” joelde men op eene andere plaats.
„Ik sterf!” steunde een oud matroos, wien door een’ kogel de beenen afgeschoten werden, doch te midden van de opgewonden vreugde hoorde niemand naar deze woorden.
„Houdt moed, jongens, houdt moed!” liet Piet Heyn zich hooren. „Aan ons de eer! Den Spanjaard de schande! Houdt moed!”
„Wat zal er nu gebeuren?” vroeg Blokmaker aan Piet Heyn. „Wat moet er nu gedaan, Admiraal?”
„In de booten!” beval Piet Heyn. „We zullen aan zijn eigen boord den Spanjaard een bezoek brengen.”
Het was eene gewaagde, eene stoutmoedige onderneming, meende men.
Maar Piet Heyn was niet alleen dapper; hij was ook verstandig. Hij had gezien hoe bij het zinken van het Vice-Admiraalschip, waarvan er geen tien aan den dood ontkwamen, de moed der Spanjaarden aan het wankelen sloeg en hiervan moest gebruik gemaakt worden.
„In de booten, Marten! Snel als de wind in de booten!” had hij onzen schipper toegeroepen, en de oude zeerob, wiens hart in het lijf van vreugde opsprong, had niet gemard.
Ziet, daar gaan ze rechtuit op den vijand af.
Ja, San-Salvador, laat uw geschut maar donderen! De onzen kennen slechts één wachtwoord; „Vooruit!”
Onder eene hagelbui van kogels komen de rappe gasten bij de Spaansche schepen aan. Elk afhangend touw wordt aangegrepen. Ze klimmen als apen, en klauteren als katten naar boven.
„Valt aan! Valt aan!” klinkt het hier.
„Vlucht! Vlucht!” klinkt het daar.
In de grootste verwarring denken de Spanjaarden er niet meer aan om tegenweer te bieden. Ze springen over boord om zich het leven te redden, of vallen op de knieën en smeeken genade.
De Bevelhebber der stad, dol van woede over zulk eene schandelijke lafhartigheid zijner zeelieden, vuurde als een bezetene.
„De Admiraal is gewond,” hoorde men eensklaps een matroos schreeuwen.
„Houd den mond, kerel! Zoolang het hoofd er nog opstaat en de beenen me onder het lijf blijven, is er geen gevaar. Valt aan! Vooruit!” riep Piet Heyn, die een’ musketkogel door den linkerarm gekregen had.
„Ja, ja, vooruit! De Admiraal heeft gelijk! Leve Piet Heyn,” was Blokmakers uitroep.
Drie uren had het gevecht geduurd en andermaal liep het gerucht van: „De Admiraal is gewond!”
„Wij willen tevreden zijn met de tweeëntwintig schepen, die we buitgemaakt hebben,” sprak Piet Heyn, die door een stuk hout aan het been opnieuw gewond was. „Maar roei naar boord terug, Marten, en dan, de Admiraalsvlag hoog in top met zooveel vlaggen er bij, als we hebben. De onzen moeten zien, dat ik nog leef en de vijand mag mijnentwege zichzelf doodgrijnen, als hij ziet, wat de Hollandsche jongens durven en kunnen.”
Weldra was men op het Admiraalsschip de „Hollandia” terug, doch onderwijl het zich uit de voeten trachtte te maken, bleef het vastzitten, in welk lot ook de „Gelderland” deelde. Met veel moeite werd de „Gelderland” vlot gemaakt, doch met het Admiraalsschip mocht dit niet gelukken. Het werd dan ook verlaten en toen men het den volgenden morgen weer bezocht, bevond men, dat de Spanjaarden het gedurende den nacht zoo beschoten hadden, dat het onmogelijk meer zee kon kiezen, al kreeg men het ook vlot. Het schieten uit de stad had ook nog niet opgehouden, en toen de „Oranjeboom” door eigen kruit in de lucht vloog, zoodat er van de bemanning maar veertien overbleven, en de andere schepen veel te verduren hadden, gaf Piet Heyn bevel, zich met de prijzen zoover van de stad te verwijderen, dat men de geleden schade herstellen kon. Toen men hiermede klaar was, werd de buitgemaakte lading, die uit katoen, verfwaren, tabak en drieduizend kisten suiker bestond, naar het Vaderland gezonden. Piet Heyn verliet de baai om met de Bevelhebbers te overleggen, wat er nu gedaan moest worden. Er werd besloten, de kleine vloot in drie deelen te verdeelen. Een deel zou gaan kruisen voor de baai van Rio-Janeiro, een ander deel moest de Rio-la-Plata afsluiten en Piet Heyn zelf zou met zijne schepen alweer de Allerheiligen-baai een bezoek brengen.
Bij den ingang der baai vernam hij van gevangengenomen Portugeezen, dat er vijf of zes rijk geladen schepen aan den mond der rivier Patinga lagen, en terstond besloot Piet Heyn er heen te zeilen. Toen men er evenwel aankwam, vond men slechts één schip, en daarom beval de Admiraal de rivier, die aan haar’ mond tamelijk breed en diep was, op te zeilen. Nu beging onze wakkere Vlootvoogd evenwel eene fout door het eerste schip, dat ze vermeesterd hadden, daar te laten liggen zonder het te vernielen. Al spoedig ontdekte men verscheidene vijandelijke vaartuigen, die, na eerst beproefd te hebben om te vluchten, doch hierin teleurgesteld werden, thans wakker vuur gaven.
De afgezonden booten keerden terug.
„Het kan niet, Admiraal,” zeide Blokmaker, „de vijand is te sterk en de onzen hebben te weinig moed, als....”
„Wat bedoelt ge toch?” vroeg Piet Heyn.
„Welnu, Admiraal, als u er niet bij is, dan zakt hun het hart in de schoenen.”
„Al wel, Kapitein, ik zal voorgaan! Nog eens er op af! Maar nu is het te laat daartoe. Morgenochtend in de vroegte, zorg dat ge gereed zijt.”
Nog was de zon niet op, of Piet Heyn zat al in eene der booten en stuurde rechtstreeks op het vijandelijke Vice-Admiraalsschip af.
„Weet ge wie daar bevel voert?” vroeg Marten aan Blokmaker.
„Neen, wie dan?”
„De moordenaar van Kolonel van Dorth. Ik heb hem gisteren herkend. Het is de wreede Padilla.”
„Geen kwartier dan! Alles over de kling! Mannen, ge hebt in den vijand den laaghartigen sluipmoordenaar van Kolonel van Dorth te wreken. Valt aan! Geen genade!” Zóó luidde weldra bij de aanvallende macht de kreet, waarmede men de vijandelijke schepen aantastte.
Met de meeste onversaagdheid viel men aan, en dat moest ook wel; want Padilla, die van den Gouverneur der stad honderdvijftig man versterking gekregen had, weerde zich dapper. Toch kon zijne dapperheid niets baten; want de onzen vielen als leeuwen aan, en vochten als verwonde stieren. Weldra was dan ook het gevecht beslist. De geheele bemanning, benevens de versterking uit de stad, werd afgemaakt. Slechts drie jongens bleven gespaard. De overwinning was volkomen, en het schip, zoowel als twee andere, die in de nabijheid lagen, werd prijs verklaard.
„Wat zal er met die drie schepen gedaan worden, Admiraal?” vroeg Blokmaker.
„Ze moeten de rivier afgesleept worden, dat spreekt!”
„En hoe zullen wij de rivier afkomen, Admiraal?”
„Waar zit uw hart, Kapitein?” vroeg Piet Heyn verstoord.
„Op de rechte plaats, Admiraal! Lag het schip, dat we aan den mond der rivier lieten liggen, voor ons ook maar zoo goed op de rechte plaats!”
„Wat is er dan meê gebeurd?”
„De Spanjaard heeft het midden voor de monding laten zinken en aan weerszijden van de rivier is eene afdeeling Spaansche soldaten.”
„Ze willen ons dus den terugtocht afsnijden?”
„Ja, zoo is het, Admiraal!”
„Dom dat ik dat schip ongemoeid liet liggen, maar er gaat hier eene sterke eb, vindt gij niet?”
„Eene heel sterke, Admiraal!”
„Ze komt ons te pas, want wij zullen ons met de eb laten afdrijven. Het gezonken schip zal wel voor een deel boven water liggen, zoodat we het zien kunnen. Gij gaat met twintig man in eene boot en legt er drie vaatjes buskruit in. Ge slaat ze open en legt er eene lont bij, die vijf minuten noodig heeft om tot bij het kruit af te branden, zoodat gij in veiligheid kunt zijn, als het schip in de lucht vliegt. Voor de mannen op de oevers zullen wij zorgen. Begrepen?”
„Jawel, Admiraal!”
„Best, maar help nu eerst die twee prijzen afbrengen. Een ligt er al vast en we zullen nu geen tijd zoek brengen met pogingen aan te wenden, het er af te krijgen.”
Blokmaker gehoorzaamde het laatste bevel, en het eerste volbracht hij een uur later met het gunstigste gevolg tot groote teleurstelling van de Spanjaarden, die meenden, dat de brutale Hollanders zoo leelijk in de fuik geloopen waren.
Piet Heyn liet op zijne schepen alles met buitgemaakte ossenhuiden behangen en zakte, hoewel zeer langzaam en zich dreggende, de rivier af. Van beide kanten werden onze schepen met een hevig musketvuur begroet, doch de kogels drongen niet door de huiden heen en ongedeerd kwam men met de prijsgemaakte schepen in de baai en vlak voor de stad, waar Piet Heyn de lading der genomen schepen op de zijne liet overladen. Dat was een hard gelag voor de bewoners van San-Salvador, te moeten toezien, zonder het te kunnen beletten, dat hunne eigendommen, bestaande uit eenige duizenden groote kisten suiker, heele stapels ossenhuiden, prachtig meubelmakershout, beste tabak, wijn en nog veel meer, overgingen in handen van mannen, die met kanons- en musketkogels of sabelhouwen betaalden.
De behaalde buit was zóó aanzienlijk, dat men in de jaarboeken van de West-Indische Compagnie deze gebeurtenis de overwinning op de ~Suikervloot~ noemde.
Ook Marten was tevreden.
„Zeg, bottelier, heb-je nog van dien „rooden baai”, dien we in het schip van Padilla vonden?” vroeg hij.
„Jawel, schipper, in overvloed. Waarom vraagt ge dat?”
„Wel, me dunkt, dat er een flinke dronk op staan kan.”
„Dat kan het ook; maar gaf de Admiraal u volmacht om een vat open te laten slaan?”
„Neen, maar nu ik weet, dat er overvloed is, zal ik het hem gaan vragen.”
„Mijnentwege zegt hij ja. Ik heb ook trek in wat fijns om den kruitdamp weg te spoelen.”