Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 14

Chapter 143,983 wordsPublic domain

„Maar het fort, dat er achter ligt, zie ik ook, Admiraal,” zeide Marten eenigszins schroomvallig.

„Het fort zie ik niet van al de schepen, Marten! Dat zullen we zien, als we de schepen op de vlucht gejaagd, of vernield hebben,” antwoordde Piet Heyn.

„Gansbloed, wat een kerel,” riep Marten, thans werkelijk den afstand tusschen schipper en Vice-Admiraal geheel vergetende. „Gij zijt er een uit de duizend, Piet! Mijn zuidwester zal in eene zeilkooi veranderen, als we dat varkentje niet gewasschen krijgen. Een zwabberpaai ben ik, als ik bakzeil inhaal.”

„Komaan, Steven, een Wilhelmusje, oude jongen,” zeide Blokmaker. „De Portugees moet hooren met welk slag van volk hij te doen heeft.”

[Illustratie: De onzen waren ook kerels. (Bladz. 172).]

Vroolijk klonken de tonen van Steven’s trompet langs het water, doch weldra werden ze geheel en al verdoofd door het gedonder der kanonnen. Tot zeven uren hield men het gevecht vol, toen Piet Heyn, nadat „de Groningen” buiten staat geraakt was, den strijd voort te zetten, eensklaps drie sloepen, elk met twintig matrozen bemand, op den vijand afzond. Het is bijna ongeloofelijk, dat de Portugeezen zich hierdoor zoo bevreesd lieten maken, dat ze haast niet wisten, wat te doen. Maar de onzen waren ook kerels. Ze klommen aan boord van het grootste schip, doch vonden dit reeds verlaten en in brand gestoken. Drie andere schepen vatt’en mede vuur en thans werd de vlucht algemeen. Piet Heyn meende, dat men, van den schrik onder de vijanden gebruik makende, ook meteen het lastige arduinsteenen fort wel bemachtigen kon. Hij liet aan den Admiraal verlof vragen om dit te mogen doen, en deze was met dit voorstel zeer ingenomen. De wakkere Vice-Admiraal talmde niet lang. Hij liet veertien booten uitzetten. In elke boot namen twintig mannen plaats, terwijl hijzelf wel zorgde, er één van te zijn. Met den trompetter Steven bevond hij zich in de voorste boot. De onderneming was gewaagd genoeg, en zelfs Marten, die in de tweede boot was, noemde het een „gevaarlijk karweitje”, want men was te weten gekomen, dat de bezetting uit zeshonderd man bestond.

Maar de brutale regeert de halve wereld, en hoe men ook van het fort schoot, weldra lag Piet Heyn met zijne boot tegen den muur, en Marten volgde met de andere bijna op hetzelfde oogenblik.

„Houd-je goed, schipper,” riep Steven, die in de eene hand een zwaard hield, en de andere gebruikte om de trompet vast te houden. „Houd-je goed, man! Volg mijn voorbeeld maar, dan kan-je jezelven overtuigen of iemand, die eene schorre trompet blaast, ook bang uitgevallen is.”

„Akelige toetermajoor, belast den hond en blaf zelf,” antwoordde Marten geraakt. Toch stond hij op, maar niet, omdat Steven hem dit beval, doch om zelf naar boven te klauteren. Hij sloeg zijn’ bootshaak in den muur en....

„Ben-je nou heelemaal van Lotje getikt, kerel?” schreeuwde eensklaps Marten tot Steven, die tegen hem opklom om zoo op de borstwering te komen. Steven stoorde er zich evenwel niet aan, maar was al boven, en eer Marten zich wat verplaatsen kon, stond Piet Heyn al op zijne schouders en sprong ook op het bolwerk.

Steven was de eerste van allen, die in de sterkte was, en, alsof zijne trompet moest scheuren, zoo blies hij het krachtige en geliefde „Wilhelmus”.

„Ha, Steven, ben-je daar, jongen?” riep Piet Heyn, die de tweede was. „Dat is een goed begin! Valt aan! Valt aan! Slaat dood! Geen genade! Hoezee!”

De Portugeezen stonden verbluft en gingen op de vlucht. Weldra waren al de booten aangekomen en het fort was genomen. De laatste, die op de borstwering stapte, was Marten. Hij ging regelrecht naar Steven toe, die nog maar uit al zijne macht stond te blazen, en hem bij de schouders schuddende, schreeuwde hij: „Zeg ereis, droge gruttenteller, jij moet me nog eens voor ladder gebruiken, als je het hart hebt. Dan zal ik je met je magere spillebeenen en je bolle wangen, als een gerezen papbeschuit, zoo mooi koppetje onder doen duikelen, als je ooit gezien hebt, waterhoen, die je bent! Wat heb-je mijn tuig onklaar te maken, als....”

Daar vloog hem de wollen muts van het hoofd en kreeg hij een’ musketkogel door de pijp van zijne wijde broek.

„Dat heb-je voor je razen, oude scholker,” zei Steven lachende, daar hij onder het schudden van Marten onmogelijk had kunnen blazen.

De kogels, die Marten bijna het hachje hadden doen inschieten, kwamen van den vijand, die het veroverde fort eenige kogels toezond, doch het dan stil liet liggen, om later alweer te gaan vuren.

[Illustratie]

Er kwam een oogenblik van rust, wat ieder welkom was, want men had zich in het zweet gevochten. Piet Heyn wuifde zich met den zakdoek koelte toe, en riep: „Mannen, op het fort gedurende den nacht overblijven, zullen wij niet, want de schepen zijn te zwak bemand en zouden gevaar loopen, zoo niet genomen, dan toch in brand gestoken te worden. Beter het fort verlaten en dat mogelijk weer prijs gegeven dan de schepen kwijt. Maar, eer wij de stukken vernagelen en alles vernielen, een paar kanonskogels tot afscheid aan het volk daar aan het strand. Het kan ons nog te veel kwaad brouwen. Hebben wij die luî daar op den loop gejaagd en hier alles onbruikbaar gemaakt, dan keeren wij naar boord terug. Komtaan, over een half uur moet San-Marcello do Mar niemendal meer zijn, en ieder onzer het scheepsdek onder de voeten hebben. Na gedaan werk is het goed rusten.”

Aan dit bevel werd ten spoedigste voldaan, want die Portugeezen daar op het strand, konden met hun schieten het den Hollanders al te lastig maken, en af en toe zag men een der onzen door een’ welgemikten musket-kogel doodelijk gewond of getroffen neervallen.

„Vuur!” commandeerde Piet Heyn toen zijne mannen een paar kanonnen naar het strand gericht hadden.

De Portugeezen hielden eenigen tijd wakker stand, doch namen eindelijk, toen het aantal hunner dooden te groot werd, de vlucht.

Nu werden de vijandelijke kanonnen vernageld en de dapperen keerden naar hunne schepen terug.

Toen ze weer op de „Gelderland” waren, klopte Piet Heyn zijn’ schipper op den schouder en zeide: „Zie-je wel, Marten, eerst konden we het fort zelfs van buiten niet zien, en nu hebben we het van binnen bekeken. Hoe bevalt je dat?”

„Best, Admiraal, best! Maar als we weer eens zulk een kattebelletje te verrekenen hebben, mag ik lijden, dat u en het volk een’ bril opzet om een fatsoenlijk schipper niet aan te zien voor eene ladder, weet u! Alles behalve pleizierig zulk eene vracht op den nek!”

„Nu, nu, je bent er toch ook nog aan den slag geweest, dat heb ik best gezien. En kwam-je, tegen je wil, ook wat laat om van leer te trekken, troost-je dan met de gedachte, dat je een’ volgenden keer de eerste zult wezen,” zeide Piet Heyn, ondeugend lachende, waarna hij zijne kajuit binnenging en den schipper alleen liet brommen.

„Zeg, Marten,” riep eensklaps Blokmaker, „zeg, waar is Steven toch? Ik zie hem nergens!”

„Steven? Wel, aan boord, waar anders?”

„Neen, niet aan boord. We missen hem.”

„Wat? Is hij er niet? Weet gij het zeker?”

„Zoo zeker, als ik weet, dat tweemaal twee vier is.”

„Dan is hij nog op het fort. Ik ga hem halen. Wie gaat er mede?” riep Marten.

Aanstonds verklaarden zich tien wakkere gasten daartoe bereid. Zonder tegenstand te ontmoeten beklom men, toen de duisternis reeds ingevallen was, de gehavende muren, en begon men onder de gesneuvelde Portugeezen naar Steven te zoeken.

„Wacht,” zei Marten, „hier heb ik gestaan toen ik, even vóór we het fort verlieten, met hem praatte. Komt eens hier met eene lantaarn!”

Men kwam en zocht, doch tevergeefs.

Eindelijk ontdekte men een veertig schreden verder eenige beweging. Men ging er heen en....

„Ben-je daar, Marten?” vroeg iemand met zwakke stem.

Marten herkende de stem van Steven en zeide: „Maar, Steven, hoe lig-je daar zoo? Kom, sta op! Hier is je hangmat toch niet, kameraad!”

„Laat me maar liggen, Marten! Ik zal het zoolang--niet meer--maken.”

„Wat blief-je?”

„Ik--was de eerste--op--het fort;--ik wilde--de laatste--zijn.--Jelui--waart al--in de--b-boot,--er stonden nog--een--veertig van de „Groningen”--toen--een k--kogel;--ik weet--niet--wat er--met--me gebeurd is.--De--borst--doet me--pijn.--Zal-je moeder--goe--den dag--zeg--zeggen en--en--Piet Hey--Heyn,--den--den--Admi--Admiraal!--W--wel--te--r--rus....”

„O, God! Steven, wat doe-je? Ben-je dood? Steven, zeg, jongen! Zeg, dat het niet waar is! Steven, hei, hei, word wakker! Een „Wilhelmusje”, toe dan, kerel,” riep Marten bijna krankzinnig van schrik en smart.

Men naderde van de stad.

„Mee, schipper, mee! De vijand schijnt te komen. Haast u, gauw wat,” riepen de matrozen.

„Niet zonder hem. Hij zal op de „Gelderland” wel tot zijn verhaal komen,” antwoordde Marten en nam den trompetter op. De anderen hielpen hem, en juist bijtijds was men in de boot en in het duister van den nacht verdwenen, toen de Portugeezen aankwamen. Eenige musketschoten werden door hen op goed geluk gelost, doch kwetsten niemand.

Ook Piet Heyn had vernomen, dat Steven niet teruggekeerd was en stond nu, nieuwsgierig naar den afloop der zaak, over de verschansing in zee te kijken.

„Wel, mannen, hebt gij het verdwaalde schaap gevonden?” riep hij den terugkeerenden toe, toen hij hen gewaar werd.

„Jawel, Admiraal, gevonden wel, maar dood,” antwoordde een der matrozen.

„Neen, hij kan niet dood zijn,” liet Marten zich hooren. „Hij heeft zich overblazen; hij zal wel bijkomen. Hier, helpt hem voorzichtig naar boven! Maar voorzichtig, hoor-je! Zijne borst doet hem pijn, heeft hij me gezegd.”

Steven werd op het dek neergelegd en de scheepsbarbier verklaarde, nadat hij hem den pols gevoeld en overal betast had: „Dood!”

Op dat woord barstte Marten in een hevig geween los. Hij viel op Steven’s lijk en zijne eigenaardige zeemans-uitdrukkingen niet kunnende veranderen, riep bij op bijna gillenden toon: „Steven, Steven, jongen, vergeef me, dat ik je uitgescholden heb. Wakkere maat, moest jij alleen nu door zoo’n blauwe boon het licht uitgeblazen worden? En dat nog al zonder van mij gehoord te hebben, dat je woord gehouden en getoond hebt, zooals je bij Sint-Vincent zei, dat je, als het er opaan kwam, zoudt laten zien, dat je de gort waard was? Arme maat! Arme maat!”

De matrozen namen Marten, die, na de hevige opwinding, stom van smart geworden was, van het lijk af.

„Blokmaker,” zeide Piet Heyn, „waar is Steven’s trompet gebleven?”

„Ze ligt naast hem, Admiraal!”

„Bind ze hem op de borst eer de zeilmaker zijn werk doet,” sprak Piet Heyn. „De arme jongen en zijne trompet waren onafscheidelijk één. Ze moeten één blijven, ook daar in de diepte.”

Getroffen door zulk een fijn gevoel bond Blokmaker de trompet op dat plekje van de borst, waar Steven pijn gevoeld had. Toen kwam de zeilmaker met een lap schoon zeildoek, wikkelde Steven’s lijk er in, en de timmerman bond dat aan eene plank, die aan het voeteinde met kogels bezwaard was, vast.

Toen dat alles gedaan was, trad Piet Heyn nader. Eerbiedig deed hij het gebed.

Na het „Amen!” klonk het bootsmansfluitje en een paar matrozen schoven de plank met haar’ treurigen last half over boord.

„Een-twee-drie! In Godsnaam!” zeide Piet Heyn.

Weer klonk het bootsmans-fluitje en de plank met haar’ last verdween in de diepte.

Uit een afgelegen hoekje keek Marten toe, en met dikke tranen op de wangen snikte hij: „Goed gevoeld van Piet, goed gevoeld! Geen ander mocht op die trompet meer blazen. Ze waren één die twee: Trompetter en Trompet!”

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Een schipper heeft ook oogen.

De beweging der landingstroepen dreigde aanvankelijk niet gunstig te zullen slagen, want toen de Admiraal het sein gegeven had, dat de troepen aan wal zouden gaan om het fort San-Antonio in te nemen, toonden de soldaten daartoe niet veel lust te hebben. Het fort scheen sterk en op zulk een fort was geen buit, maar wel een pak slaag te bekomen, en het eerste wilden ze graag in ontvangst nemen, maar voor het tweede waren ze niet thuis. Toch wist Majoor Schouten de landing te volbrengen, en--pas waren de soldaten aan den wal, of de bezetting van het fort sloeg op de vlucht naar de stad, achtervolgd door de onzen, die nu niet bang meer waren.

Inmiddels werd de Majoor ook door de invallende duisternis gedwongen de vervolging te staken. Hij liet derhalve zijne manschappen blijven, waar ze waren en zeide hun, dat ze met het krieken van den dag verder zouden gaan, en trachten de stad zelve te veroveren.

Doch wat gebeurde?

De inwoners van San-Salvador zich van twee zijden bedreigd ziende, maakten van den donkeren nacht gebruik om de stad te verlaten en in de bosschen, die daar in den omtrek gevonden werden, zich te verschuilen. De Roomsche Geestelijkheid, die al te veel gehoord had van de dolzinnige Watergeuzen, die het leven van geen enkelen Roomschen Geestelijke, als ze hem in handen kregen, spaarden en de vreeselijkste martelingen voor hem bedachten, hield de Nederlanders, die hier kwamen voor geen ander volk dan Watergeuzen, en hoewel men in dien tijd niet meer zoo wreed te werk ging, kon de Geestelijkheid van deze ruwe mannen toch geen vriendelijke behandeling verwachten. Daarom, vreezende dat deze mannen de stad veroveren zouden, gaf zij het sein tot deze vlucht, en weldra was San-Salvador bijna geheel verlaten. Alleen de Bevelhebber, een man met onverschrokken moed, en Dom Diego Furtado de Mendoça geheeten, trachtte die schandelijke vlucht te beletten, en toen dit hem niet gelukte, besloot hij met zijn gezin en eenige getrouwen te blijven. Hij verkoos eene eervolle gevangenschap boven eene lafhartige vlucht.

Zoodra de dag aangebroken was, begaven de landingstroepen zich verder opweg. Die weg zou zeker niet gemakkelijk te vinden zijn geweest, zoo er niet twee mannen geweest waren, die hier al meer hadden vertoefd, en de boschrijke omstreken der stad dus eenigszins kenden. Deze twee mannen waren Dirk Pietersz. Colver en Dirk De Ruyter.

San-Salvador, het tegenwoordige Bahia, bestond toen alleen uit de Bovenstad en lag in eene verrukkelijk schoone landstreek, bijna tusschen het geboomte verscholen, zoodat men haar wel uit de baai, doch niet van het strand zien kon. De tegenwoordige Benedenstad, het volkrijkste en drukste gedeelte van Bahia, bestond toen alleen uit eenige gebouwen en gebouwtjes, die bij eene aanlegplaats noodig zijn, doch bij de komst van onze vloot waren ze verlaten. Zoo kwam het, dat het landings-legertje gidsen noodig had om bij de eigenlijke stad te komen. Majoor Schouten liet zijn oog naar alle richtingen gaan om niet onverhoeds aangegrepen te worden, wat stellig in het nadeel der onzen zou afgeloopen zijn, want het volk gedroeg zich zeer wanordelijk en de Bevelhebber scheen de kunst niet te verstaan, zijn gezag te laten gehoorzamen. Niemand evenwel belette hun het voorttrekken, en eindelijk kwamen ze voor de poorten der stad, welke ze geopend vonden.

„Gemakkelijker kan het niet,” zeide Hopman Helmont. „Wij hebben de stad zoo maar in te trekken. Die Portugeezen zijn me ook helden, ja! Geen wonder, dat Koning Filips II zijn leger, onder Alva, niet veel meer dan moest laten zien om het heele land voor Spanje te veroveren!”

„We zullen evenwel wijs doen, als we handelen, alsof de poorten gesloten waren. Wie geeft ons de verzekering, dat het geen list is,” sprak de Majoor. Hij liet daarop terstond een paar veldstukken voorbrengen, en reeds stond men gereed los te branden, toen zich een Portugees met een wit vaandel in de hand op den wal vertoonde.

Deze verzocht den Hollandschen Bevelhebber te spreken, en toen de Majoor verscheen, zeide de Portugees, dat de stad in den afgeloopen nacht door het krijgsvolk en de burgers verlaten was.

„Wie zendt u?” vroeg Schouten.

„Mijn Meester, Dom Diego Furtado de Mendoça.”

„En wie is deze?”

„De Bevelhebber, Senor!”

„Is deze dan nog in de stad?”

„Mijn Meester is geen lafaard, Senor! Hij, zijn gezin en eenige dapperen zijn gebleven.”

Thans gaf Schouten bevel, met de noodige voorzichtigheid binnen de poorten te gaan, en zoodra men in de stad was, zag men, dat de Portugees waarheid gesproken had. Nauwelijks was men, zonder ergens tegenstand ontmoet te hebben, op de markt gekomen, of de soldaten sloegen tot plundering over en hier was het, dat Majoor Schouten toonde, dat hij geen goed Bevelhebber was, want, hoewel zelf niet mee plunderende, liet hij het ruwe volk toch rustig zijn’ gang gaan. Het huis van den Bevelhebber lag het eerst aan de beurt. Eenigen der belhamels trapten de deur open en kwamen binnenstormen onder het geschreeuw van: „Slaat dood! Slaat dood!”--Men liep eene zaal in en .... daar stond men tegenover Dom Diego, die met waardige houding de plunderaars en roovers afwachtte.

Wat was het, dat het woeste volk opeens tot staan dwong? Wie was de toovenaar, die den arm, met de bijl om te dooden, onmachtig deed nederdalen? Welke machtige geest deed eensklaps die roofzuchtige tijgers in makke lammeren verkeeren?

[Illustratie: „Spaart mijn zoon!” (Bladz. 182).]

Die toovenaar was niemand anders dan Dom Diego. Hij was een kloek en gezet man met hoog voorhoofd en kort gesneden haar. Zijne donkere oogen staarden kalm, waardig en onverschrokken de plunderaars aan. Zijne geheele gestalte was vorstelijk, en rustig sprak hij tot de woeste rabauwen: „Komt gijlieden om mij te dooden? Spaart dan mijn’ zoon! Hij is nog te jong om uw’ vijand te zijn!”

Die houding en die taal maakten een’ diepen indruk op de woeste mannen, en toen Allert Schouten binnentrad, weken ze zelfs eerbiedig terzijde.

„Is u de Bevelhebber der stad?” vroeg Schouten beleefd.

„Die ben ik,” luidde het korte antwoord.

„Goed,” sprak Schouten, en zich tot zijn volk keerende, zeide hij: „Schaamt gij u niet om u als roovers te gedragen? Met uw leven blijft gij borg voor de veiligheid van dezen man. Hij is een held.”--Hierop wendde hij zich weer tot Dom Diego en zeide: „Senor, men zal uw leven eerbiedigen, en al wat ge hier om en bij u hebt, zal veilig zijn. Straks kom ik terug. Ik moet de verdere plundering trachten te beletten.”

Na dit gezegd te hebben, verwijderde hij zich; maar de plundering tegen te gaan, dat was boven zijne macht. Met de meest mogelijke ruwheid brak men alle woningen, pakhuizen en kantoren open, zocht er het beste uit en liet het overige in de schromelijkste wanorde liggen.

Toen de Majoor zag, dat de soldaten niet tegen te houden waren, stuurde hij Hopman Knijf naar den Admiraal om dezen te zeggen, dat men in de stad was, en dat hij geen kans zag, zijn volk in bedwang te houden en de plundering tegen te gaan. Zoodra Willekens deze tijding vernomen had, zond hij Piet Heyn met eenige gewapende sloepen naar de stad om de woeste soldaten tot hun’ plicht te brengen, want de rijkdommen der stad dienden, als buit, aan de Compagnie terhand gesteld te worden.

Piet Heyn zelf was er met Blokmaker en Marten spoedig, en weldra zag hij, dat hij hier een’ moeielijken post had. Zoo de soldaten niet dadelijk naar hem luisterden, zou hij genoodzaakt zijn om, als hun vijand, tegen hen op te treden, en dat zou, voor het behoud van het veroverde, zeer gevaarlijk zijn.

Blokmaker en Marten waren al vooruit geloopen naar een’ hoop plunderaars.

„Wil-je met je lange vingers wel eens handig van dat goed blijven?” riep Marten.

„Voor jou zeker?” antwoordde een ruw en breed geschouderd soldaat, die blijkens zijn’ tongval, uit het Kleefsche kwam.

„Neen, voor onzen Vice-Admiraal Piet Heyn!”

„Voor Piet Heyn? Ha, ha! Krijgt die anders zijn aandeel niet in den buit? Is hij bang, dat hij te kort komen zal? Al was hij de Koning van Frankrijk, een’ soldaat de plundering te beletten, dat krijgt hij toch niet gedaan!”

„Dan zal ik je mores leeren,” riep Marten, en op den reusachtigen soldaat toeloopend, gaf hij hem zulk een’ vuistslag in het gelaat, dat de reus suizebollend neerviel. Dat hielp voor een oogenblik, want het bracht schrik, en eer deze over was, verscheen Piet Heyn aan het hoofd van zijne gewapende matrozen, en het kostte hem nu niet zoo heel veel moeite de plunderaars tot staan te brengen.

„Admiraal, een woordje, alsjeblieft,” sprak nu een ander soldaat. „Ik wou u wat vragen.”

„Wat hebt gij te zeggen?” vroeg Piet Heyn.

„Is dan alles, wat wij hier vinden, niet de buit van de Heeren der West-Indische Compagnie? Moeten wij nu voor hen stelen en rustig toezien, dat zij den roof verdeelen zonder, dat wij er iets van krijgen?”

„Ja, soldaat, dat moet gij toezien! Dat moet ik ook toezien. De Compagnie heeft u gevraagd, of ge voor eene vastgestelde soldij in de maand voor haar vechten wilt. Dat heeft ze mij ook gevraagd, en wij beiden hebben het aangenomen. Was er geen stad te veroveren of geen buit te behalen geweest, dan zouden we toch onze soldij ontvangen. Zijn voor de Compagnie de mogelijke nadeelen, dan zijn voor haar ook de mogelijke baten.”

„Admiraal, gij hebt gelijk! Wij zullen het plunderen staken, al zegt men ook tot spreekwoord: de kat komt een graatje toe,” luidde het kalme antwoord en men plunderde niet meer.

Terwijl dit in de stad voorviel, was, tot verbazing van de geheele vloot, het schip „Hollandia” aangekomen. We weten, dat Kolonel van Dorth hier aan boord was. Hij was bij de uitreis, door storm, voorbij het eiland Sint-Vincent naar Sierra-Leona, meer dan honderd mijlen van Kaap Verd geslagen, en was, na lang naar de vloot gezocht te hebben, maar op goed geluk naar de Allerheiligen-baai gekomen, waar hij het plan, de inneming van San-Salvador, volvoerd vond. Toch was zijne komst niet overbodig; want al was het Piet Heyn nu ook al gelukt de oproerige plunderaars te bedwingen, er heerschte onder de troepen zulk een geest van weerspannigheid, dat er wel eene krachtige hand noodig was om hen tot rede, plicht en gehoorzaamheid te dwingen.

Dat de soldaten zoo heel anders waren dan de matrozen, valt niet te verwonderen. Slechts een zeer klein deel der troepen bestond uit Nederlanders. De anderen waren allen huur-soldaten, mannen uit alle landen van Europa, die soldaat-zijn hun ambacht noemden en hem dienden, die het meest betaalde.

Kolonel van Dorth, die zeer goed begreep, dat het behoud der stad geheel afhangen zou van de soldaten, daar dezen bleven, ook als de vloot vertrok, trachtte op kalme en bezadigde wijze de orde te herstellen, wat hem ook gelukte, tot groote verwondering van Majoor Schouten, die dit tevergeefs beproefd had.

Onderwijl dit geschiedde brachten de matrozen den rijken buit aan boord. De Compagnie zou tevreden zijn; want het gevondene was meer dan voldoende om het onderhoud der vloot te bestrijden, terwijl ze nu bovendien nog in het bezit was van de hoofdplaats van Brazilië, en daardoor in de gelegenheid een’ meer dan voordeeligen handel op deze gewesten te drijven. En terwijl men zoo bezig was, alles op orde te brengen, kwamen er van tijd tot tijd nog eenige Portugeesche schepen binnen, welke van de verovering niets wisten, en deze schepen, hoewel niet rijk geladen, want men moest de lading te San-Salvador innemen, vielen zonder slag of stoot in onze handen.

Maar te midden van al deze bedrijven sneuvelde Kolonel van Dorth bij gelegenheid, dat hij een’ verkenningstocht om de stad deed. Het land verloor in hem een uitstekend Aanvoerder en de nieuwe West-Indische bezetting een onmisbaar man. Wel werd hij opgevolgd door den moedigen, maar veel minder geschikten Majoor Allert Schouten, die echter kort daarna ziek werd en overleed. Nu was Allert’s broeder Willem de Bevelhebber, doch deze, hoe dapper ook, was voor die taak nog veel minder berekend dan zijn broeder. Het gevolg hiervan was dan ook, dat San-Salvador reeds een jaar later door de Spanjaarden, onder Don Frederik de Toledo, heroverd was. Dit geschiedde alleen door de lafhartigheid van den toenmaligen Bevelhebber Knijf, die den afgezetten Willem Schouten was opgevolgd.

Doch keeren we tot onzen Piet Heyn terug.

Admiraal Jacob Willekens was reeds den acht-en-twintigsten Juli vertrokken, Piet Heyn achterlatende om nog eenige zaken te beredderen. Deze was hiermede den vijfden Augustus klaar en stond juist gereed, de ankers te lichten en de baai te verlaten, toen Marten op hem afkwam.