Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 13
Op de eerste reis, die Piet Heyn met dat schip van achttien stukken geschut naar Amerika gemaakt had, was het uitgekomen, dat hij een’ man naar het hart der Bewindhebbers van de West-Indische Compagnie was. Hij had bewezen te zijn een Kapitein, die op de zee door en door thuis was, een man, die moed en beleid bezat, een gezagvoerder, die bij zijn volk bemind was, en wat den Heeren misschien nog meer waard was, door eene buitengewoon rijke lading in het Vaderland te brengen, had hij ook getoond een uitstekend koopman te zijn. Zoo’n Kapitein, van alle markten thuis, wilde men behouden en daardoor kwam het, dat men op hem het oog liet vallen voor Vice-Admiraal.
Nog niet zoo heel lang van die eerste reis teruggekeerd, en nog niet denkende om spoedig te vertrekken, zat Piet op een’ Augustusavond van 1623 aan zijne vrouw een en ander van zijne reizen te verhalen, toen men den klopper op de deur liet vallen.
„Er wordt geklopt, Piet,” zei Annetje.
„Laat genoeg,” bromde Piet, die zich ongaarne in zijn verhaal gestoord zag.
„Nu, ik zal wel eens opendoen,” sprak de oude De Reus.
„Neen, neen, blijf zitten, Vader! Dat kan ik ook wel,” hernam Annetje en ging naar de deur.
„Wel, vrouwtje,” dus klonk eene stem, die aan alle huisgenooten vreemd was, „wel, vrouwtje, is Kapitein Pieter Heyn ook thuis?”
„Jawel, Mijnheer, hij is binnen.”
„Wij wenschten hem wel eens te spreken,” zeide nu de ander. De Heeren waren met hun beiden.
„Komt er dan in, Heeren! Is het eene geheime zaak?”
„Hoe dat, vrouwtje?”
„Dan zal ik u hier in de pronkkamer laten, anders....”
„Nu, wat „anders”?”
„Anders wil ik u uitnoodigen in de woonkamer te komen. Er is daar niemand dan mijn man en mijne Ouders!”
„Ha, is u de vrouw van onzen wakkeren Kapitein? Vergeef ons onze lompheid; wij kenden u niet!”
„Niets te vergeven, Heeren! Men zegt immers: In den donker zijn alle katjes grauw?”
„Nu, als er dan niemand anders binnen is dan de lieden, die u genoemd heeft, laat ons dan gerust in de woonkamer. Wij komen uw’ man een vereerend aanbod doen.”
„Komt ge hem weer naar zee halen, Heeren?”
„Ja! Niet goed?”
„Och, wat zal ik zeggen? Eene zeemansvrouw is een ongelukkig wezen. Maar, komt er in, komt er in! Ze zullen daar binnen anders denken, dat er allerlei zaken verhandeld worden.”
[Illustratie: De twee heeren traden binnen. (Bladz. 160).]
De twee heeren, door vrouw Heyn voorgegaan, traden binnen. Blijkbaar behoorden ze tot de aanzienlijkste burgers van Rotterdam; want hunne kleeding was, hoe eenvoudig ook, toch van dure en keurig fijne stof.
Zoodra ze binnentraden stond Piet Heyn op en wenschte hun goeden avond.
„Goeden avond, Kapitein,” sprak hij, die de oudste was. „Zoo genoeglijk aan den huiselijken haard?”
„Zooals ge ziet, Heeren! En ofschoon ik de eer niet heb u te kennen, zag ik toch gaarne, dat ge daar niet bleeft staan, maar eene gewone burgermans-zitting voor lief wildet nemen!”
De twee heeren gingen zitten en nauwelijks was dat geschied, of de oudste zeide weer: „Ge kent ons niet, zegt ge. Welnu, we zijn Bewindhebbers van de Kamer van de Maze der West-Indische Compagnie. Op de vergadering, kortelings te Amsterdam gehouden, is besloten, dat de Compagnie eene vloot zou uitzenden om hiermede den Spanjaard in eene van zijne Amerikaansche bezittingen aan te tasten. Welke die bezitting is, moet geheim blijven. De Admiraal krijgt een’ lastbrief mede, welken hij pas op eene bepaalde hoogte in zee openen mag. Daar de heele onderneming van het hoogste gewicht is, zoo is geheimhouding een der voornaamste middelen om te slagen. De Spanjaard moet verrast worden.”
„Eene schoone onderneming, Heeren,” sprak Pieter.
„Ja, maar toch ook nog iets anders dan eene schoone. Het is eene gewichtige, moeilijke, ja, gevaarlijke onderneming. Zoo ze slaagt, dan zal het, voorwaar, niet lang duren, of wij zijn onze oudere zuster de Oost-Indische Compagnie boven het hoofd gewassen. Slaagt ze niet, dan loopen we veel gevaar er geheel onder te geraken.”
„Er is maar één weg, Heeren, om te zorgen, dat de onderneming gelukt!”
„En deze is?”
„Eene flinke vloot met een landingsleger er heen te zenden. Als de vloot onder een wakker Admiraal staat en de landingstroepen worden door een moedig en beleidvol Overste aangevoerd, dan zou de wind al uit een’ vreemden hoek moeten waaien, als het schip van zijne ankers weggeslagen werd en zijne bestemming niet bereikte.”
„Dat wil zeggen?”
„Dat wil zeggen, dat er dan al heel vreemde dingen zouden moeten gebeuren, als het doel niet ten volle bereikt werd. Maar zoowel de vloot als het leger moet uitstekend zijn.”
„Daar houden wij het ook voor!”
„En als ik nu den Heeren een’ goeden raad mocht geven, dan zou ik hun een’ besten Admiraal kunnen noemen. Het hangt bijna geheel van hem af, of het plan gelukken zal, ja ofte neen!”
„Let op,” fluisterde de jongste Bewindhebber en stootte den oudsten aan, „hij zal zichzelf noemen!”
Piet Heyn scheen echter een scherp gehoor te hebben; want eensklaps schoten zijne oogen, als het ware, vlammen en zich half uit zijn’ stoel oprichtende, sprak hij met kwalijk ingehouden woede: „Ik behoef mij, den Heere zij dank, nog niet bij de Heeren Bewindhebbers van de eene of andere Compagnie op te dringen om een baantje te krijgen. Pieter Pietersz. Heyn is mans genoeg om geen baantjes-bedelaar te worden!”
De jonge Bewindhebber was bij het aanhooren dezer woorden niet op zijn gemak. Hij trachtte zich te verontschuldigen door te zeggen: „Fij, fij, wat zijt ge oploopend! Ik meende dat zóó niet; het was slechts eene aardigheid!”
Piet Heyn scheen evenwel, en met recht, van zulke aardigheden niet gediend, althans hij vroeg zeer kortaf: „Mag ik derhalve weten, wat de Heeren hier komen zoeken?”
„We zullen u dat gaarne zeggen, Kapitein! Eerst evenwel wilden wij van u den naam van den Admiraal hooren, die, naar ge meent, voor deze onderneming het meest geschikt is!”
Piet Heyn zweeg in het eerst, doch eindelijk zeide hij: „Als de Heeren kans willen hebben, dat hunne onderneming slaagt, dan moeten ze niemand anders nemen dan Jacob Willekens. Dát is de aangewezen man!”
„Dien hebben we reeds gekozen en hij heeft de benoeming aangenomen,” antwoordde de oudste.
„Dan hebben de Heeren goed gekozen!”
„Ziet ge wel, dat we toch ook wel iets kunnen doen dat goed is?” zeide hij, die het eerst gesproken had. „Maar we hebben aan een’ Admiraal niet genoeg. Des menschen leven is in des Allerhoogsten hand. Hem zou iets menschelijks kunnen overkomen, en in dat geval is het noodig, dat er reeds vooraf iemand is aangewezen, die hem vervangt. Voor die betrekking hopen we in uwe oogen ook een zeer geschikt man gekozen te hebben.”
„Misschien wel,” antwoordde Piet Heyn, nog altijd een weinig geraakt, „doch de Heeren zullen niet gekomen zijn om mij te vertellen, wat ze zoo al gedaan hebben om de West-Indische Compagnie voordeel te bezorgen, daar dit iets is, wat mij niet aangaat, want ik heb geen enkel aandeel in die Compagnie. Mag ik derhalve weten, wat u in den laten avond herwaarts voert?”
„Welzeker, Kapitein! De vergadering koos u tot Vice-Admiraal en vaardigde ons af om u te vragen of ge lust hebt, onze Compagnie, als vlootvoogd, te dienen.”
Piet Heyn stond verslagen en zijne vrouw de handen in elkander slaande, riep uit: „Wel, groote deugd! Piet Vice-Admiraal! Wat eene eer voor een eenvoudig Koopvaardij-kapitein! Vice-Admiraal!”
„Ik zal u in de volgende week antwoord geven, Heeren,” antwoordde Piet Heyn, die met deze benoeming niet zooveel op scheen te hebben, misschien wel, omdat de Heeren zich als wat al te voornaam goedhartig voordeden.
„Het spijt mij u te moeten zeggen,” hernam de woordvoerder, „dat wij u dit uitstel niet kunnen toestaan. Wat wij van plan zijn te laten doen, moet zoo spoedig mogelijk geschieden, en als u nu die waardigheid niet aanneemt, dan dienen we naar een’ anderen Vice-Admiraal om te zien, en deze is niet zoo gemakkelijk te vinden, want mannen, die voor deze gewichtige taak geschikt zijn, liggen maar niet voor het grijpen. Zeg dus kortaf, ja of neen!”
„Neen, Heeren, ik zeg neen!”
„Maar, Piet!” riep Annetje, die blijkbaar wel de vrouw van een’ Vice-Admiraal wilde zijn. „Als gij weigert, slaat gij uwe eigen glazen in! Bedenk het, man, bedenk het, Vice-Admiraal, wat eene eer! Wat zegt gij, Vader?”
Claes De Reus, die tot dit oogenblik gezwegen had, stond op en zeide: „Jongen, neem niet aan! Men meent immers, dat ge lamlendig kerel genoeg zijt der Compagnie gunsten te vragen? Een Kapitein, als gij zijt, behoeft niet met den honigpot te loopen.”
Nu evenwel rees de jonge Bewindhebber van zijne zitplaats op en naar Piet Heyn gaande, sprak hij: „Ik zelf heb u in de algemeene vergadering voorgesteld! Gelooft ge nu nog, dat ik u een’ bedelaar acht? Kom, vergeet dat ongelukkige woord, dat ik mij inderdaad uit eene aardigheid liet ontvallen. Ik gevoel het, dat het u moest beleedigen, en dat lag niet in mijn voornemen. Daarvoor acht ik u te hoog. Laat ik nu, die u voorgesteld heb, de eerste zijn, die uit uw’ mond verneem, dat gij der Compagnie met uwe diensten genoegen en voordeel wilt doen. Niet gij bedelt, de ~Compagnie~ bedelt!”
„Als de vork zóó in den steel zit, dan heb ik er vrede meê,” zeide De Reus en stak doodbedaard zijn pijpje aan.
„Ik zou het aannemen, Piet! Wat zal uwe Moeder in haar’ schik zijn, als ze dat hoort,” fluisterde Annetje hem in.
„Wat zal uwe Moeder in haar’ schik zijn,” dat woord maakte indruk op den forschen zeeman, die zoo gevoelig was, zelfs voor de kleinste beleediging.
„Nu dan, Heeren,” antwoordde hij na eene poos nadenkens, „ter wille van Moeder en Vrouw neem ik de benoeming aan. Wanneer en waar aan boord?”
„Ja, de vloot is nog niet geheel klaar. We zouden evenwel gaarne willen, dat de laatste schepen nog in Januari uitliepen. Admiraal Willekens zal met de eerste schepen vooruitgaan en al de andere bij Sint-Vincent, een der Kaap-Verdische eilanden, afwachten. Wij noodigen u daarom uit, eens naar Middelburg en naar Enkhuizen te gaan om den bouw der schepen te bespoedigen en in gereedheid te helpen brengen.”
„Het zal geschieden, Heeren!”
„Dank u! En nu we hier onze boodschap verricht hebben, zult ge het ons wel niet euvel duiden, dat we u verlaten. Tijdens ons verblijf te Amsterdam is al ons werk blijven liggen. We hebben het zeer druk. Mag ik u verzoeken, dat ge zelf ook uw besluit aan de Kamer van Amsterdam bekendmaakt?”
„Zeker, zeker, Heeren!”
„Nu, dan wenschen we u allen een’ goeden avond! Wel te rusten, samen!”
De heeren gingen heen en lieten Piet Heyn met zijne familie achter om in alle stilte zich te verheugen over den loop der gebeurtenissen, die van hem, eenvoudig visscherszoon, een’ Vice-Admiraal maakten.
Reeds een paar dagen later kwam Moeder Heyn uit Delftshaven naar Rotterdam om te vernemen, of het waar was, wat ze had hooren vertellen. Ze vond haar’ Pieter niet meer thuis, maar reeds op reis naar Enkhuizen. Het woord van hare schoondochter was haar evenwel voldoende. Vol vreugde strompelde de oude naar Delftshaven terug, en....
„Kijk vrouw Heyn haar huisje eens laten opknappen,” zeiden de buren den anderen morgen.
En dat ze dit riepen was niet zonder grond; want timmerman en metselaar begonnen het eenigszins vervallen gebouwtje op te knappen, en toen dit geschied was, kwam de verver, en tooverde met rood en groen zóó mooi, dat het huisje wel nieuw scheen.
„Wel, buurtje, eene erfenis gehad?” vroeg vrouw Blokmaker, die van Pieters benoeming nog niets gehoord had.
„Neen, Trui, neen, geen erfenis. Maar mijn Pieter, o, God, wat eene vreugde voor eene oude Moeder zulk een’ zoon te hebben!”
„Wat is er dan met Pieter gebeurd?”
„Wat er mee gebeurd is? Met Pieter vraagt ge? Mensch, mensch, ze hebben hem tot Vice-Admiraal van de West-Indische Compagnie benoemd!”
„Wat!? Pieter Vice-Admiraal!? Pieter daartoe benoemd!?”
„Ja, mijn goede mensch, tot Vice-Admiraal! En nu begrijpt gij, moet ik óók wat doen. Als eene Moeder zulk een voornaam personage tot zoon heeft, kan ze toch niet in een armoedig huisje wonen. En daarom zei ik tot mijn’ man, die nog niet zóó suft of hij begrijpt mij wel: „Vader, onze Piet is tot Vice-Admiraal benoemd.”
„Is dat wat?” vroeg hij.
Hoe kon hij dat vragen, zulk een oude Watergeus! Maar zooals ik zei: hij suft toch wat, en toen heb ik zelve de handen aan het werk geslagen. Gij weet zoo goed als ik, want geheel Delftshaven weet het, dat wij door Pieters goedheid in ons eigen huisje leven, en hij heeft ons nu al jaren lang iedere week zóó ruim van geld voorzien, dat we iedere week nog wat konden overhouden. En nu dacht ik, dat geld kan niet beter gebruikt worden.”
Zoo ratelde de oude maar voort, en wie haar over de onderdeur had zien staan, zou zeker niet geweten hebben, wie er prettiger uitzag, de geverfde en opgeknapte gevel, of het blijde gelaat der gelukkige Moeder.
Eenige dagen later trad Piet Heyn in de kleeding van Vice-Admiraal binnen.
„Dag, jongen! Dag, Piet!” riep ze en viel hem aan de breede borst.
„Dag, beste Moeder!” antwoordde Piet. „Wat hebt ge ons huisje netjes gemaakt!”
„Ja? En vindt gij het nu niet mooi, zeg?”
„Zeker, zeker, Moeder! Het is mooi, maar mijn gelukkig Moedertje vind ik duizendmaal mooier,” klonk het op zachten en vriendelijken toon.
Terwijl Moeder en zoon zoo met elkander gelukkig waren, zat de oude Piet bij den brandenden haard met de tang in het vuur te poken, en zoo op het oog zou men gezegd hebben, dat hij niets begreep van al wat er gebeurd was. Wie hem echter nauwlettend gadegeslagen had, zou gezien hebben, dat er leven kwam in die doffe oogen, en dat de herinnering, als het ware, uit een’ diepen slaap ontwaakte.
Eensklaps keek hij Piet aan en zei toen: „Ver gebracht, jongen! Ver gebracht! Het is mooi! Mooi! Mooi!”
En de tang opnemende, liet hij ze op de ijzeren haardplaat in de maat op en neer dansen, en met schorre stem begon hij het oude Geuzenliedeken te zingen:
„Wilt nu tsaem vreught bedrijven, Ghy Steden in Hollant, In Zeelandt mans en wijven Bedryft vreught aen elcken kant.”
Opeens wierp hij de tang op de haardplaat, strompelde op Piet toe, greep zijne beide handen en zei: „Vice-Admiraal, dat snap ik nog, mijn jongen! Ver gebracht! ’k Wensch-je er zegen mee, Piet! Een goed baantje! Hi-hi-hi! Een goed baantje!”
Hij liet Piets handen los, ging op zijn plaatsje bij het vuur zitten en de tang weer grijpend liet hij deze, onder het zingen van:
„Slaet opten trommele, van dirredomdeyne! Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”
op de ijzeren vuurplaat in de maat dansen.
De arme, kindsche man! Wát scheen hij van het gebeurde te begrijpen, doch het was toch maar weinig, en op het laatst hoorden Moeder en zoon van hem niets anders dan het stampen met de tang en zijn tot in het oneindige met eene schorre stem herhaald: „Slaet opten trommele! Slaet opten trommele!”
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Trompetter en Trompet.
Den zesentwintigsten Maart van het jaar 1624 lag op de hoogte van het eiland Sint-Vincent eene prachtige vloot van bijna dertig schepen. Het was de vloot, die door de West-Indische Compagnie uitgezonden was om, als het maar eenigszins mogelijk was, San-Salvador in te nemen. Van den grooten top der „Zeelandia”, een schip bewapend met zesendertig kanonnen, en bemand met honderddertien matrozen en honderd soldaten, woei de Admiraals-vlag. Hier was dus Jacob Willekens aan boord. Van den voortop der „Gelderland”, voorzien van acht en twintig stukken geschut en bemand met honderdzevenentachtig matrozen, woei de Vice-Admiraals-vlag. Hier voerde dus onze Piet Heyn het bevel en aan boord van zijn schip vinden we ook nog drie bekenden, die Piet Heyn in dienst van de West-Indische Compagnie gevolgd zijn. Door voorspraak van Pieter werd zijn oude vriend Blokmaker, als Kapitein van de „Gelderland” aangesteld, en Marten was er schipper op. Dat hij geen Kapitein geworden was, lag niet aan de Heeren Bewindhebbers, die hem wel, als zoodanig, hadden willen aanstellen, maar aan Marten zelf. Met zijne lees- en schrijfkunst was het niet zoo best gesteld en onze wakkere zeeman hield het ervoor, dat de betrekking van Kapitein te gewichtig was om door een ongeletterd persoon vervuld te worden, hoewel er in dien tijd menig Kapitein ter zee, en denkelijk ook wel bij het leger, gevonden werd, die in het geheel niet lezen of schrijven kon. Marten was echter met zijne betrekking van schipper zeer tevreden, want deze gaf een vrij groot inkomen, en daar hij voor geen kinderen en alleen maar voor zijne vrouw en zichzelf te zorgen had, meende hij, dat het zoo al wel was. Een derde bekende was Steven, die nu eens dienst genomen had, als trompetter. Deze betrekking was zeer gering, doch Steven was wel wat onverschillig en had zelfs na de reis met de „Muskaatboom” het land een poosje als soldaat gediend. Nog veel meer dan Piet Heyn was Steven een Jantje Nergensrust, want toen het hem in het leger niet beviel, liet hij het soldaatje-spelen bij één veldtocht blijven, en werd hij te Rotterdam kaaigast, die het kostje desnoods als wegwijzer wilde ophalen. Niet zoodra vernam hij, dat zijn oude vriend Piet Heyn bij de West-Indische Compagnie tot Vice-Admiraal benoemd was geworden, of hij besloot de Rotterdamsche kaden vaarwel te zeggen, en zich alweer bij het zeevolk te laten aanmonsteren. Als trompetter had hij in het leger gediend, en als trompetter wilde hij met de vloot mede. Juist toen hij zich naar de Heeren Bewindhebbers van de Rotterdamsche West-Indische Kamer wilde begeven, kwam hij Blokmaker tegen, en niet zoodra wist deze, wat Steven’s voornemen was, of hij zorgde er voor, dat Steven trompetter zou worden op Piet Heyn’s Vice-Admiraalsschip. Zoo kwamen de vier oude kennissen op één schip.
„Waar is toch de wacht op, Kapitein?” vroeg op zekeren dag Marten, nadat ze bij Sint-Vincent wel al veertien dagen stil gelegen hadden, aan Blokmaker. „Dat hangen begint me te vervelen, zei de dief, en hij sneed zijn’ strop af.”
„Nu, nu, geduld hebben, man! Weet-je wel, dat Admiraal Willekens hier al ligt van den achtentwintigsten Januari? En van hangen is toch zooveel sprake niet. Me dunkt, dat de luî genoeg in den wapenhandel gedrild worden.”
„Daar weet ik van mee te praten,” viel Steven in, die naderbij gekomen was, „mijne trompet is al schor van al het blazen.”
„Jij, met je schorre trompet! Ik zou wel eens willen weten of een trompetter eigenlijk zijn gort wel waard is. Een akelig baantje voor een’ flinken borst. Maar voor iemand, die wat bang uitgevallen is....”
„Bang, schipper Marten, Bang? Bijlo, als het er op aankomt, zal ik toonen, dat je met spek geschoten hebt, schipper! Onthoud dat! Maar weet-je niet waarop eigenlijk de wacht is? Ik weet het.”
„Profeteert de koperen lawaai-schopper mogelijk?”
„Misschien wel, schipper! We wachten op het schip „Hollandia” waar Kolonel van Dorth, de Bevelhebber van de landingstroepen, aan boord is.”
„Dan kan men wachten tot het zog het schip vooruit loopt. Als de „Hollandia” niet naar de haaien is, dan ben ik wel een harpuislepel. Dat schip had al lang hier moeten zijn, want het is nog afgevaren vóór het onze.”
„Ik begin ook te gelooven dat de „Hollandia” naar den kabeljauwskelder is,” sprak Blokmaker, „doch ik denk, dat we hier nu niet zoo heel lang meer zullen liggen, want de Vice-Admiraal heeft me gelast, straks een paar booten uit te zetten en op het eiland visch, bokkingen, oranje-appelen en citroenen te gaan halen.”
„En waar gaat het dan op af?” vroeg Steven.
„Vraag het aan den bezaans-gaffel, die weet het misschien,” antwoordde Blokmaker.
Pas was dit door Blokmaker gezegd, of het bevel van den Admiraal werd door Piet Heyn aan boord van het dichtst bij liggend schip „Neptunus” gebracht, om de ankers te lichten en onderzeil te gaan, daar men op Kolonel van Dorth niet langer kon wachten. Het Admiraalsschip moest maar gevolgd worden.
Half ontevreden, dat men nu nog niet wist waarheen de tocht was, ging men onderzeil en stevende Zuid-zuid-west. Toen men op zes graden Zuiderbreedte gekomen was, seinde de Admiraal alle Bevelhebbers bij zich aan boord en toen dezen er waren, opende hij zijn’ lastbrief.
Een paar uren later wist ieder, die op de vloot was, dat de lastbrieven van den Admiraal het bevel inhielden, om San-Salvador in Brazilië te gaan veroveren. Dit land behoorde vroeger aan Portugal, doch was, na de inlijving van dit land bij Spanje, natuurlijk eene Spaansche bezitting geworden, hoewel bijna nog alles particulier eigendom van Portugeezen was, zoodat land, stad, forten en baai ook bijna uitsluitend geheel door Portugeezen verdedigd werden. Ook wist men, dat de Admiraal, in plaats van Kolonel van Dorth, die denkelijk met zijn schip vergaan was, tot Bevelhebber der landingstroepen aangesteld had: Majoor Allert Schouten, een oud gediende uit het leger van Zijne Excellentie Prins Maurits. Aan moed en dapperheid ontbrak het hem niet, doch hij was honderdmaal beter om een gegeven bevel uit te voeren dan er een te geven, dat zou later blijken. Of de Admiraal dat niet wist, is niet bekend, doch als hij wist, kon hij toch moeielijk een ander benoemen, want van al de Officieren van de landingstroepen, was hij de hoogst geplaatste, en op zijn gedrag viel niet het minste aan te merken, terwijl iedere soldaat van hem wist te vertellen, dat hij vechten kon, als een leeuw.
Vol vroolijken moed werd de tocht nu voortgezet. Schepen aanvallen en na plundering in brand steken, muren beschieten en bestormen, roem, eer en buit behalen, wat kon iemand, die ten oorlog voer, meer verlangen? Men was, dat wist ieder, voor zoo iets aangemonsterd!
Den achtsten Mei kreeg men de Allerheiligen-baai in het gezicht en werden andermaal de Bevelhebbers geroepen om op de „Zeelandia” het plan van aanval te bespreken, opdat alles met orde en regel geschieden zou, wat zeer noodig was, daar een deel van het gevecht op het land en een ander deel op het water zou gehouden worden, en de een op den ander zou kunnen rekenen. Er werd besloten den vijand eerst van de zeezijde aan te vallen, en dan, te midden van het gevecht, het landingsleger te ontschepen.
San-Salvador was voor eene verdediging zeer gunstig gelegen, doch het fort San-Antonio, dat de haven of den ingang der baai moest beschermen, lag veel te hoog om schepen, die reeds in de baai waren, te beschieten. Hoewel er van het fort vreeselijk gevuurd werd, leden de onzen geen schade, want de kogels vlogen boven de toppen der masten heen.
De Portugeezen van de stad konden evenwel meer kwaad doen, en de oorlogsvloot, die in de baai lag, liet de Hollanders ook maar niet ongestoord naderen. De ontvangst toonde, dat de Portugeezen, al waren ze ook aan Spanje onderworpen, hun’ ouden heldenmoed nog niet verloren hadden. Uit deze kleine mededeeling blijkt voldoende, dat de Portugeezen geheel handelden als de Oost- en West-Indische Compagnie bij ons deden. Evenmin als onze oorlogsschepen in dienst van de Republiek waren, behoorde de oorlogsvloot der vijanden tot het Spaansche Rijk. Zij was geheel en al eene oorlogsvloot van verbonden Portugeesche kooplieden.
Die krachtige verdediging verbaasde niet een der onzen. Ze hadden volstrekt niet verwacht, dat ze zonder slag of stoot zulk eene belangrijke en sterke havenstad zouden innemen en ze hadden op een’ kloeken tegenstand gerekend. Dat de kogels van San-Antonio geen doel troffen, was een meevallertje, maar uit de stad van het strand, en vooral van het fort San-Marcello do Mar, dat midden in de baai op eene rots van arduinsteen opgebouwd was, scheen men goed te willen maken, wat San-Antonio te kort kwam.
„Dat gaat er dan zeker eens op zijn ouderwetsch op los, Admiraal,” sprak Marten tot Piet Heyn, in wien de zeerob nog maar altijd niet een’ man kon zien, die in rang zoo ver boven hem stond.
„Ja, Marten, maar het gaat mij te langzaam! Blokmaker, ziet ge ginds die vijftien vijandelijke schepen liggen?”
„Jawel, Admiraal!”
„Best, die zullen we met behulp van „de Neptunus,” „de Groningen” en „de Nassau” voor onze rekening nemen!”