Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 12

Chapter 123,998 wordsPublic domain

„Wat is het?”

„Ze laten u lang wachten, schipper!”

„Dat behoeft ge me waarlijk niet te zeggen, Marten!”

„Neen, dat behoeft ook niet, schipper! Maar u kan er een einde aan maken.”

„Aan wal roeien en vermoord worden?”

„Neen, doen, alsof we het wachten moede zijn en onder zeil willen gaan.”

„En dan?”

„Dan zullen ze daarginder eieren voor hun geld kiezen en wel boe of ba laten hooren.”

Piet Heyn bedacht zich een oogenblik en vond Martens raad zeer verstandig, want zeer goed had hij gezien, dat ze, als het op een vechten aankwam, bijna stellig en zeker het onderspit zouden moeten delven, want hij had meer dan een duizendtal vrij goed gewapenden gezien. Met geweld was dus niets te winnen dan een pak slaag of het leven te verliezen. Hier moest Marten’s: „Wie niet sterk is, moet slim zijn,” het eenige middel worden om zaken te doen. Hij besloot daarom terstond aan Marten’s raad gevolg te geven. De zeilen werden weer uitgehangen, het anker werd gewonden en er kwam beweging in het schip.

„Kijk, kijk,” riep de koopman, die, nu er van zaken doen sprake was, zijne ongesteldheid en zijn verlangen naar huis geheel vergeten scheen te hebben, „daar steekt al eene boot van den wal af. Al hielden zij zich dom, ze keken toch even hard uit als wij. Je kent je volkje, Marten! Je hadt koopman moeten worden in plaats van zeeman!”

Recht in zijne nopjes, dat hij had kunnen toonen, dat het hem niet aan slimheid mangelde, wreef Marten van pret in de handen, en zei: „Doen, alsof we er niets van zien! Doorvaren, schipper, met een beetje zeil op, doorvaren, dan halen ze ons wel in. Kijk ze eens pagaaien om er te komen.”

„Er steken nog meer booten af,” zeide de koopman, die nu geheel wakker was.

„Dat zie ik,” bromde Piet Heyn, die de zaken niet vertrouwde en al naar de kanonnen uitkeek. „Als ze nu maar geen plan hebben om ons schip af te loopen.”

Marten lachte ondeugend en zeî: „Ik geloof zoo, dat ze bij schipper Piet Heyn aan eene heel verkeerde deur zouden kloppen, als ze dat probeerden. Hier op de „Muskaatboom” zijn wij baas. Aan den wal niet, en dat weet gij ook wel, schipper! Van gevaar is dus geen sprake, al kwamen er vijftig sloepen te gelijk! En als u geen lafaard is, ik ben het niet en geen van al het volk is het. We weten het allen, schipper, dat we onder zoo iets, als een broertje van Reinier Claessens varen, en we zijn er content mee. Dus van, als lafaards, aan den haal gaan of ons schip laten afloopen, is geen sprake.”

Piet Heyn greep de hand van den hooghartigen Marten en zeide: „Lafaards? Neen, dat zijn we geen van allen. We zullen niet op den loop gaan, of ons overgeven. Maar wat zullen wij doen, als ze ons op zijde komen?”

„Dan geeft ge hun de boodschap, dat wij eerlijke kooplieden zijn en niet gerekend willen worden tot die galgenstroppen van Portugeezen, die alleen komen om te stelen. Een weinig hooghartigheid en wat voorname „h’ms, h’ms,” kunnen op hun’ tijd toch geen kwaad, schipper!”

„Ik zal uw’ raad volgen. Je bent een verstandig man,” sprak Piet Heyn, en koopman Evertsz. gaf zulke driftige toestemmende hoofdknikken, dat hij bijna onderstboven tuimelde, want de goede man had het lichaamsgebrek van eenigszins topzwaar te zijn.

De „Muskaatboom” vorderde slechts zeer langzaam en spoedig was de voorste sloep haar dan ook ter zijde. In deze zat de bekende Bevelhebber, en deze riep al heel spoedig: „Zijne Majesteit de Keizer laat u vragen, waarom gij vertrekken wilt?”

„Zeg uw’ Keizer,” dus antwoordde Pieter, „dat wij geen roovers zijn, en het wachten moede, dáár zullen gaan, waar men ons als eerlijke dienaren van de Compagnie behandelen wil. Ceylon-alleen is de wereld niet!”

„Ik zal Zijner Majesteit uwe woorden overbrengen, doch keer dan terug en anker weer,” hernam de Bevelhebber op vriendelijken toon.

„Neen, wij keeren niet terug. We zeilen door, zooals nu. Heeft de Keizer zich bedacht, dan kunt ge ons opnieuw volgen, en gelukt het u niet ons in te halen, laat Zijne Majesteit dan den inhoud van zijne magazijnen, die vol kaneel en peper zitten, aan de Portugeezen voor een’ appel en een ei overdoen. Het is mijn laatste woord. Ga, zeg dat uw’ Keizer!”

De Bevelhebber vertrok, en om zijn hooghartig antwoord wat meer kracht bij te zetten, liet Piet Heyn de geschutpoorten openen, zoodat men zien kon, dat de Compagnie schepen zond, die wat meer te beteekenen hadden dan de vroegere onder Joris van Spilbergen en den onverstandigen Sebald De Weert.

Om nu evenwel niet door al te groote drift het doel, tegen wil en dank, geheel mis te loopen, stuurde Blokmaker de „Muskaatboom” zóó, dat ze hoegenaamd geen voordeel van den wind had, en daardoor kwam het, dat weldra de sloep van den Bevelhebber hen andermaal inhaalde, en hun nu uit naam van Zijne Majesteit Dom Camapati uitnoodigde, terug te keeren, om vervolgens bij Zijne Majesteit ten bezoek toegelaten te worden.

De „Muskaatboom” keerde thans tot hare ankerplaats terug, en Piet Heyn stak zich andermaal in zijne beste kleeding, terwijl hij bovendien gelastte, dat Blokmaker, die hem nu ook vergezellen zou, zorg moest dragen, dat hij en de koopman zich zoo kleeden en wapenen moesten, dat ze meer op Edellieden dan op eenvoudige varensgezellen geleken.

[Illustratie: Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats. (Bladz. 147).]

Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats, waar reeds verscheidene hovelingen in eerbiedige houding gereedstonden, de voorname dienaren van de Compagnie te ontvangen.

Door honderden, die door eenige gewapenden in toom werden gehouden, gevolgd, kwam men bij een tamelijk groot steenen huis, dat blijken droeg van door de Portugeezen gebouwd te zijn.

De hovelingen brachten Piet Heyn en de zijnen in eene vrij groote zaal, die geheel op Europeesche wijze gemeubileerd en met kostbare tapijten behangen was. Op een’ stoel van kunstig bewerkt hout zat Zijne Majesteit Dom Camapati, met een gezicht „als een bevrozen oester”, zooals Marten fluisterde, hen op te wachten.

[Illustratie: Zijne Majesteit Dom Camapati. (Bladz. 148).]

Piet Heyn groette hem op Europeesche wijze en wachtte de vergunning af, te mogen spreken.

„Wie zijt gij en wat komt ge hier doen?” klonk het eindelijk uit den mond van den Keizer.

„Wij zijn mannen van de Compagnie en komen hier, niet alleen om eerlijken handel te drijven, maar ook om zoo mogelijk de oude verbintenissen, met Heer Joris van Spilbergen aangegaan, te hernieuwen, en als een bewijs, dat de Compagnie hare vrienden weet te waardeeren, biedt zij u, door ons deze geschenken aan.”

Allereerst bood men nu den Keizer een geweer aan, zooals Prins Maurits begonnen was in het leger te gebruiken, en dit geschenk trok den machtigen Heerscher zóó aan, dat hij voor al de andere geschenken bijna geen oog had. Doch toen ten laatste in een vaatje, heel sierlijk met koperen hoepeltjes beslagen, de brandewijn voor den dag kwam, wist de goede man niet, wat het meest te bewonderen, het geweer of den brandewijn. Onder de hovelingen deelde men allerlei andere kleinigheden uit. Het was goed dezen ook te vriend te houden.

Toen al de geschenken bezichtigd waren, noodigde de Keizer zijne gasten ten maaltijd, en ook deze was geheel op Portugeesche wijze aangerecht. Na afloop ervan gaf de gastheer zijn’ gasten te verstaan, dat hij hun toestond handel te drijven zooveel ze wilden, doch toen Piet Heyn het waagde, weer over het hernieuwen der oude verbintenissen te spreken, zeide de Keizer: „Ik ga met de Compagnie geen verbond aan. Komt er een van Spilbergen of een broeder van hem, dan handelen wij. Komt er een De Weert of een broeder van hem, dan sabelen wij hem neer. Ik wil vrij zijn. U beschouw ik, als een’ broeder van Joris van Spilbergen. Zoolang gij eerlijk handelt, zal ik u beschermen. Gij kunt gaan.”

„Wel, Kapitein,” zeide Marten onder het heengaan, „die Ceylonsche apen beginnen zoo slim te worden, als menschen. Vindt gij dat ook niet?”

„Maar ik zal hem wel tot een nieuw verbond bewegen,” antwoordde Piet Heyn.

„Dat geloof ik zoo gauw nog niet. Als Donna Kataryne er niet was, dan misschien wel.”

„Regeert _zij_ dan?”

„Half, Kapitein, half! Door Portugeezen grootgebracht, in het Katholieke geloof opgevoed, en nog altijd onder den invloed van die opvoeding, zal ze al doen, wat ze kan om onze oude verbintenissen in het vergeetboek te brengen.”

„Jawel, Marten, maar de invloed en de macht der Portugeezen zijn toch ook niet groot, anders zouden zij wel verbintenissen met den Keizer hebben aangegaan?”

„Als dat waar was, dan zou zij heelemaal regeeren, Kapitein! De halve macht van den Keizer bestaat daarin, dat hij geen verbond sluiten wil met de Portugeezen, en hare halve macht weet te bewerken, dat hij ook geen verbond sluit met de Compagnie!”

„Marten, je praat als een Advocaat van den lande. Ik geloof, dat je gelijk hebt,” sprak Piet Heyn lachende, en stapte met de zijnen in de sloep om zich aan boord te laten roeien.

Van dien dag af begon de handel, die hoofdzakelijk in ruilen bestond, en hoewel onze mannen hoog opgegeven hadden van hunne eerlijkheid, toch zorgden zij wel, dat ze vijf, zes, ja, tienmaal de waarde terugkregen van hetgeen zij gaven, en, om er op te roemen is het niet, al te veel werd hier van het bekende:

„Als de wijn is in den man, Is de wijsheid in de kan,”

door de onzen, met behulp van brandemoris, een al te vlijtig gebruik gemaakt. Het duurde dan ook niet lang of de „Muskaatboom” had zulk eene rijke lading in, dat er niets meer kon gestuwd worden, zoodat zelfs koopman Evertsz. voorstelde om niet aan den last van de Heeren Bewindhebbers der Compagnie te voldoen, en dus Amboina niet, als het doel van den tocht, te beschouwen. Men kon letterlijk niets meer laden, want het heele schip zat propvol, en dat wel met zulke kostbare goederen tegen haast geen geld bekomen, dat geen enkel der andere schepen, die te gelijk met hen uitgezeild waren, zulk een’ schat zou thuisbrengen. Derhalve was zijn raad: „Niet naar Amboina, maar naar huis.” Piet Heyn en zijn volk vonden dat best, doch eer de „Muskaatboom” onder zeil ging, wilde onze wakkere Heyn eerst nog eene poging wagen bij den Keizer om de Compagnie door een verbond met hem te bevoordeelen; maar al zijne pogingen leidden tot niets. Ook ried Marten hem af, nog langer aan te houden. Men moest zich ditmaal maar met de rijke lading tevredenstellen en hopen, dat later wel zou verkregen worden, wat men nu tevergeefs tot stand trachtte te brengen. Pieter gaf eindelijk toe, liet het anker lichten, en van den gunstigen wind gebruik makende, keerde hij naar het Vaderland weer, waar hij, na eene afwezigheid van ruim twintig maanden, aankwam. De „Muskaatboom” was het eerste schip van de acht, die samen uitgezeild waren, dat terugkwam, en de Heeren Bewindhebbers der Compagnie hadden redenen in overvloed om meer dan tevreden te zijn, dat Piet Heyn niet aan hun’ last voldaan had, en van zijn’ tegenspoed zulk een prachtig gebruik had gemaakt, want, althans voor dien tijd, had de reis buitengewoon kort geduurd en leverde zij voor de Compagnie toch verbazend groote voordeelen op. Een schip kon moeielijk met rijker lading wederkeeren, terwijl men bovendien hoopte, dat de Keizer van Ceylon nu alweer wel tot een verbond met de Compagnie zou te bewegen zijn, als er maar meer schippers kwamen, zoo uitgeslapen als onze Delftshavenaar was.

Geen wonder dus, dat men er van de Compagnie niet aan dacht om Piet Heyn voortaan weer als stuurman te laten varen. Zulk een schipper, die getoond had niet alleen een goed zeeman, maar ook een voorzichtig handelaar te zijn, kon men gebruiken.

Dat onze Piet Heyn welkom was bij zijne vrouw en ook welkom was bij zijne Moeder, dat spreekt. De broeders keken hem nu ook met andere oogen aan, want nu was Piet een man, die wat bracht en heel wat ook. Ze konden het gebruiken en namen het dan ook dankbaar en graag aan. De oude Piet Heyn zeide niet veel. Naarmate zijne jaren klommen werd hij suffer en onverschilliger, en zeer welkom was aan Moeder het voorstel van Piet om, op korting van zijne gage, iedere week eenig geld bij de Heeren van de Compagnie te laten halen. De goede ziel was er door geholpen nu haar man niet meer in staat was om wat te verdienen, en toch zijn „natje en zijn droogje” meer begeerde te hebben dan vroeger, hoewel hij had kunnen weten, dat haar spaarpotje, hoe goed ook voor een burgermensch voorzien, niet groot genoeg was om hem te laten rentenieren. Vader Heyn kon echter niet meer rekenen; hij had het heelemaal afgeleerd.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

„Slaet opten trommele!”

Met het lossen van de lading had Piet Heyn al zeer weinig te maken, want dat was meer het werk van de Compagnie, die zich repte om er mede klaar te komen, zoodat het volk van de „Muskaatboom” naar huis kon, doch toen het schip geheel en al ledig was, zag men zeer goed, dat het in den storm, dien het had moeten doorstaan, te veel geleden had om zoo alweer zee te kiezen. Op denzelfden dag echter, dat de „Muskaatboom” aankwam, was er een prachtig nieuw schip, dat den naam van de „Breê Veertien” droeg, afgeloopen, en de Oost-Indische Kamer van Rotterdam aarzelde geen oogenblik om dit schip onder bevel van schipper Heyn, zoo spoedig mogelijk te laten vertrekken, en reeds twee maanden na zijne thuiskomst, lag de „Breê Veertien” gereed om uit te zeilen.

Onder de velen, die we aan boord terug konden vinden van de „Muskaatboom”, waren ook Blokmaker, die er eerste stuurman, en Marten, die er hoogbootsman op was. Koopman Evertsz. had in alles trouw woord gehouden, ook in het verdeelen van den buit, dien men in het Portugeesche schip gevonden had.

Hoe lang de reis duurde en waarheen de bestemming van de „Breê Veertien” was, vond ik nergens aangeteekend, doch waarschijnlijk was het weer Ceylon. Wel vermeld vindt men, dat schipper Heyn gelukkig voer, en daardoor bij de Compagnie zeer hoog aangeschreven stond. Nu eens was hij kort of lang thuis, dan weer kort of lang uit, en als zijne Moeder of Annetje over dat steeds van honk zijn begonnen te klagen, en de laatste er vooral op wees, dat ze geen kinderen hadden en voor burgermenschen rijk genoemd konden worden, zoodat langer varen volstrekt niet noodig was, dan lachte hij eens even en zei: „Hoor eens, Annetje, gelijk heb-je, lieve ziel, maar ik kan niet anders. Ik heb thuis geen rust, en dat komt, omdat Vader en Moeder me verkeerd heb laten doopen. Iedereen noemt mij Pieter Pietersz. Heyn. Zoo teeken ik mijn naam en zoo heet ik op de scheepsrol, maar mijn ware naam is Jan Nergensrust. Je begrijpt nu wel, dat ik niet geboren ben om thuis onder de schouw (den schoorsteen) te zitten.”

Schoonvader Claes de Reus was er niet tegen, dat Piet Heyn deed, als een Jan Nergensrust en niet ging rentenieren. Volgens zijne meening was Piet nog veel te jong om aan den wal te blijven en daar den tijd door te brengen in ledigheid, en als Annetje hem zeî, dat hij aan den wal toch wel wat doen kon, dan was Vaders antwoord bijna altijd: „Wat zou hij doen? Een zeeman aan den wal is als een os op den preekstoel, en gewoonlijk zoekt hij zijn verzet buitenshuis op plaatsen, waar de drankflesch hem vergeten doet, dat hij aan den wal zich verveelt. Waarom zou Piet anders zijn? Wees dus blijde, kind, dat je man er niet aan denkt om stilletjes aan den wal te blijven.”

Gedurende den tijd dat Piet Heyn de Oost-Indische Compagnie menig voordeel bezorgde, hadden aan den wal de mannen van wapenen rust gehad. In 1609 had de Republiek met Spanje een’ wapenstilstand voor den tijd van twaalf jaren gesloten, en daar die jaren om waren en Spanje er nog niet toe te bewegen was, zich overwonnen te verklaren en een’ nadeeligen vrede te sluiten, zoo hadden de vijandelijkheden opnieuw een aanvang genomen en hoorde men alweer allerwegen over krijgszaken spreken.

Voordeelig ging het den onzen in den oorlog te land niet. De twaalf jaren van rust hadden op het leger een’ zeer nadeeligen invloed uitgeoefend. De oude, in den krijg zoozeer geoefende soldaten, waarmede Prins Maurits, als de eerste Veldheer van Europa, den wapenroem der jonge Republiek zoo menigmaal schitterend gehandhaafd had, waren langzamerhand verdwenen, en het scheen wel, dat met hen ook moed, dapperheid en kracht geweken waren. Ja, die twaalf jaren van rust schenen ook een’ merkbaren invloed uitgeoefend te hebben op den Aanvoerder zelven. De krijgsverrichtingen van Prins Maurits hadden weinig te beduiden; hij was niet meer, als voorheen, de ondernemende krijgsheld, die heel zijn leger wist te bezielen en tot kloeke daden te prikkelen. Maar het was ook verre van rustig geweest in die twaalf jaren. Godsdiensttwisten, die met Staatstwisten hand aan hand gingen, hadden het land beroerd, ja, ze beroerden het nog. Oldenbarnevelt, de grijze Staatsman, die het Vaderland als een „goed patriot” gediend had, was op een schavot onthoofd; het „Delftsche Orakel”, de groote Hugo De Groot, was veroordeeld geworden tot levenslange gevangenschap in een’ ongezonden kerker. Wel was hij in eene boekenkist ontvlucht, doch dat verminderde de hardheid van het vonnis niet. Bloedverwanten van den onthoofden Advocaat peinsden op wraak, en de Remonstranten, eens oppermachtig en nu machteloos, zagen slechts naar eene gelegenheid uit om het verloren gezag te herwinnen. Het was verdeeldheid hier, verdeeldheid daar, verdeeldheid overal in den lande.

En toch genoten deze gewesten, ondanks dien ellendigen staatkundigen toestand en al die verdeeldheid, eene ongekende welvaart. De Oost-Indische Compagnie bracht schatten in het land en gaf den nijveren werkman handen vol arbeids. In de havenplaatsen ging op de scheepstimmerwerven het hameren en kloppen dag aan dag door. Men bouwde daar schepen van vierhonderd tot vijfhonderd lasten inhoud, dikwijls bewapend met vierenveertig stukken geschut, terwijl de schepen in dienst van het land niet veel meer dan driehonderd lasten inhoud hadden. In 1625 telde het sterkst bewapende oorlogsschip van het Gemeenebest slechts zesendertig stukken geschut. De groote voorspoed van de Oost-Indische Compagnie had sommige kooplieden aangespoord ook eene West-Indische Compagnie op te richten. Reeds in 1604 wendde een zeker Antwerpenaar Willem Usselincx, die zich later te Amsterdam nederzette, daartoe pogingen aan. Zijn voorstel, dat door den geleerden Amsterdamschen Predikant Petrus Plancius, zeer aanbevolen werd, werd door de Staten-Generaal gunstig ontvangen, en dezen beloofden de ondernemers van Staatswege te steunen met één millioen gulden en zestien oorlogsschepen. Men durfde evenwel niet toebijten, en zoo kwam het, dat de West-Indische Compagnie eerst in 1621 werd opgericht. Al heel spoedig scheen het, alsof zij hare oudere zuster in voorspoed overtreffen zou; want reeds vier of vijf jaar na hare oprichting had ze vier vloten in zee, die samen uit ongeveer tweeënzeventig schepen bestonden, welke zoowel ter oorlogs- als koopvaardijvaart waren ingericht. Die schepen hadden bijna dertienhonderd stukken geschut aan boord, en waren bemand met een negenduizendtal zeelieden, stoere en ondernemende gasten, die toen reeds het liedje van Heye tot waarheid maakten:

„Een Hollandsch kind, dat is bekend, Dat vindt in zee zijn element.”

Ja, in de dertien jaren van haar bestaan, van 1623 tot 1639, zond zij meer dan achthonderd schepen met zevenenzestigduizend zeelieden en soldaten naar hare bezittingen, en er waren tijden, dat ze wel vierentwintigduizend man in haar’ dienst had. Ze had dan ook hare eigene Admiraals en Zee-officieren.

Zoo ik hoop, zullen deze paar bladzijden geschiedenis u niet te zeer verveeld hebben. Ik achtte ze noodig om u eenig begrip te laten verkrijgen van de betrekking, die de held van ons verhaal bij de West-Indische Compagnie bekleedde. Nu we echter hieromtrent op de hoogte gebracht zijn, keeren we tot onzen kloeken visscherszoon terug.

De verbazende vlucht, die de West-Indische Compagnie binnen korten tijd maakte, scheen iedereen in den waan te brengen, dat de West voor de Republiek veel meer worden zou dan de Oost. Er werden winsten behaald, die aan het ongelooflijke grensden, en wat elken zeeman vooral aantrok was, dat er voor het scheepsvolk, boven de hooge gage, zoo nu en dan nogal eens een voordeeltje te behalen was door zelf in alle stilte op eigen houtje te handelen. Het mocht wel niet, maar men deed het toch. De groote winsten hadden de aandeelhouders van deze Compagnie brutaal gemaakt. Alles durfden ze aan en bijna alle waagstukken gelukten ook.

Toen Piet Heyn weer eens uit de Oost thuis gekomen was, kwam hij in aanraking met schippers, die op de West voeren, en dezen wisten de zaak zoo smakelijk te maken, dat onze Piet, al ware het alleen om ook eens in die Amerikaansche landen te komen en wat anders te zien en te beleven, in dienst van de West-Indische Compagnie overging, en daar hij, het geheele land door, als een ondernemend, verstandig, gelukkig en dapper schipper bekend stond, namen de Heeren hem gaarne in hun’ dienst, en weldra was hij schipper of Kapitein op een der grootste en schoonste schepen van die Maatschappij.

We gebruiken hier de uitdrukking „schipper of Kapitein” en dat komt, omdat het woord schipper langzamerhand was gaan beduiden: „gezagvoerder op geen heel groot schip”, en hierboven hebben we al gezien welke groote schepen de West-Indische Compagnie in de vaart had. Zoo de bemanning en de bewapening van een schip recht konden geven op den titel van Kapitein, dan verdienden de gezagvoerders van de West-Indische koopvaardij-schepen hem meer dan die van de oorlogsschepen in ’s lands dienst, hoewel Kapitein op een oorlogsschip nog altijd voor wat hoogers aangezien werd dan Kapitein op een’ koopvaarder. Toch zullen we Piet Heyn den titel van Kapitein geven tot hij wat anders, wat meer geworden is.

Het eerste schip der West-Indische Compagnie, waarop hij, als Kapitein, werd aangesteld, voerde niet minder dan achttien stukken geschut. Voor een’ gewonen koopvaarder was niet alleen deze bewapening veel te sterk, maar ook de bemanning was er te talrijk voor. Dit alles was echter noodig en heel wat anders dan vertooning maken. Alles, wat de Spanjaarden in Oost-Indië hadden, was hoofdzakelijk bezitting geweest van Portugal, en nog altijd waren de Portugeezen in de Oost veel talrijker dan de Spanjaarden, terwijl de Spaansche oorlogsschepen er bijna niet gezien werden. Heel anders was dat in Amerika, want al wat Amerika was, in het Noorden zoowel als in het Midden en Zuiden, en op de Groote en Kleine Antillen, werd door de West-Indische Compagnie bezocht, en daar waren de Spanjaarden de machtigsten. Uit Amerika kreeg Spanje goud en zilver en daar had het vrij machtige vloten en versterkingen. In heel veel gevallen moesten schepen van de West-Indische Compagnie met vechten eene lading in krijgen, en van ruilen en koopen, als in Oost-Indië, kwam daar niet veel in.

Reeds lang had de West-Indische Compagnie het oog gehad op eene vaste havenplaats in het rijke Brazilië, en haar oog was gevallen op San Salvador bij de Allerheiligen-baai, of zooals die toen heette: „Bahia de Todos los Santos.” Men rustte daartoe eene vloot van drieëntwintig groote schepen en drie jachten uit. Het opperbevel over de zeemacht werd toevertrouwd aan Jacob Willekens, die den titel kreeg van Luitenant-Admiraal, en het bevel over de landmacht, die ook aan boord was, werd opgedragen aan Kolonel Joan van Dordt. Maar behalve een Luitenant Admiraal had de Compagnie ook een’ Vice-Admiraal noodig, en voor die betrekking liet ze het oog vallen op onzen Pieter Pietersz. Heyn. Daar men echter overal menschen vindt, die al het nieuws, dat ze weten, aan iedereen vertellen, zoo was er besloten geworden, dat men het gemaakte plan voor iedereen, zelfs voor den Admiraal en den Vice-Admiraal geheim zou houden. Eerst wanneer de vloot op eene bepaalde hoogte was, zou de Admiraal zijn’ lastbrief mogen openen. Men ging hierbij zoo geheimzinnig te werk om te zorgen, dat de Spanjaard van het doel der onderneming niets te weten kwam.