Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Part 11

Chapter 114,116 wordsPublic domain

Zoo lang wind en weer gediend hadden, was iedereen over het schip tevreden geweest, maar nu de zee zich heel anders vertoonde, bleek het dat de „Muskaatboom” heel wat te wenschen overliet. Het schip liet zich slecht sturen en deed op het onstuimige water zoo nu en dan hetzelfde, als eene eend, die langs het ijs loopt.

Op welk eene lengte en breedte men was, wist men wel, doch daar de zeekaarten van dien tijd nog zeer gebrekkig waren, wist niemand in welk land men ten laatste zou aankomen, als de wind niet veranderde en het schip geen’ anderen koers nemen kon.

Tot overmaat van allerlei tegenspoeden was eenige dagen aaneen de lucht sterk of geheel bewolkt, zoodat men des middags niet berekenen kon op welk eene lengte of breedte men zich bevond.

Eens op een’ morgen evenwel riep de matroos, die in den mast op den uitkijk zat: „Schip in lij!”

„Een schip in lij! Zeker weer een ponteschippersknecht, die daar op de fokkera op den uitkijk staat, als een hengelaar naar zijn’ dobber,” bromde Marten.

„En dat waarom, Marten?” vroeg Pieter Heyn.

„Wel, wat hij daar voor een schip aanziet, lijkt zooveel op een schip, als een Dek-officier op eene straalkwal. Dat zeg ik!”

„En waarvoor houdt gij het dan?”

„Dat kan ik u nog niet zeggen. Wacht vijf minuten, Kapitein, zei de kok, dan is de eierstruif gaar!” was Martens antwoord.

Pieter Heyn kende Marten te goed om hem deze manier van spreken ten kwade te duiden, en daarom zeide hij dan ook: „Al goed, maat! Ik zal vijf minuten wachten, dan weet ik het misschien ook!”

Marten lachte eens fijntjes, alsof hij zeggen wilde: „Kijk hij zichzelf eens groot houden!”

Eer evenwel de vijf minuten om waren, kwam Marten al aan en zei: „Gevonden, schipper! Gevonden!”

„En wat is het dan?”

„Wat die man daar boven ziet is geen schip; het is de top van de Adamspiek op het eiland Ceylon.”

„Maar, Marten! Ceylon? Zouden we nu zoo ongelukkig zijn om zoo ver afgedwaald te wezen?”

„Ongelukkig, schipper? Zeg dat zoo gauw niet! Admiraal van Spilbergen, een vroom mensch en bovenst zeeman, had tot spreuk:

„Nu ’t soo is En wesen moet, Waerom ghequelt? ’t Is ghewis Den Heere goet, Die ’t al bestelt.”

„Maar ik kan het niet gelooven, dat we hier voor Ceylon zouden komen,” zeide Piet Heyn, bij welken naam we hem maar zullen blijven noemen, omdat hij ons daaronder het best bekend is.

„Ja, het geloof kan ik niet geven,” bromde Marten. „Maar ik zeg u, dat ik gelijk heb. Dat is de Adamspiek en niets anders.”

„Maar, man, ben-je in deze streken dan vroeger ook al geweest?” vroeg Piet Heyn verwonderd. „Ben-je dan hier bekend?”

„Hier bekend, schipper? Wel, nu nog fraaier! Ik ben hier in den omtrek beter bekend dan thuis bij mijne vrouw, die viermaal in de week haar huis met bezemen keert. Ik ben hier al geweest, laat eens kijken, o ja, in het jaar der Compagnie, in ’2, met Admiraal Joris van Spilbergen. Een mooi land, dat Ceylon, een mooi land! Het is daar vetpot en botertje tot den boôm. Ik heb toen zelfs de Keizerin van Kandy,--zoo heet een deel van Ceylon,--gezien, met mijne eigene oogen gezien. Donna Cataryna heette ze, en ze ging heelemaal op haar Portugeesch gekleed. Een knap stel van een zeeschip was ze ook, en ze hield er eene prachtige tuigage op na, òf ze! Zij heeft een’ neus als eene bramzaling, oogen als botters, en vingers als breeuwhamers. Hare huid is bruiner dan de bruinste kastanje, en als ze lacht, laat ze al hare bijters en malers, die bruin als roet zijn, zien, precies alsof ze zeggen wil: Maatjan is mijn broertje!”

„Hoort hem, hoort hem! Dat heeft zóó lang gevaren en dat zegt nog: „Maatjan”! Zeg, oude zeekoe, weet-je dan niet, dat het Janmaat en niet Maatjan is?” riep op luiden, spotachtigen toon een matroos uit, die het minder prettig vond, dat Marten, al was hij ook nóg zoo bevaren, altijd zoo op hunne onervarenheid schimpte.

Marten keerde zich even om en den lacher in het aangezicht ziende, zeide hij: „Beunhaas, wat praat-je mee? Ik spreek niet van Janmaat, ik spreek van „Maatjan”, en dat is zooveel als „tijger”, zie je! En als je nou niet te eigenwijs bent om tenminste nog wat te leeren, dan zal-je op je honderdste jaar zooveel van het Maleisch verstaan, dat je weet, dat ze in die taal een tijger „matian” noemen! En nu, ga uit mijne kombuis! Je bederft mijne vracht!”

„Ho, ho, niet al te boud, man! Gerrit meent het zoo kwaad niet,” sprak Piet Heyn vergoêlijkend.

„Het is waar, schipper, het is waar! Ik, oude zeebonk, vergeet telkens, dat kleine broekmannekens gauw beginnen te huilen en om Moetje roepen!” sprak Marten op zoogenaamd vriendelijken, doch eigenlijk sarrenden toon, en het scheelde niet veel, of Gerrit had getoond, dat broekmannekens, als hij, toch ook al vuisten hadden.

„Dat is heelemaal buiten koers, schipper,” sprak op half fluisterenden toon Blokmaker, die in Pieters plaats eerste stuurman geworden was en gehoord had, waar ergens ze waren.

„Ja, en wat het gekste is, hier in deze streken waait van November tot April de Zuidoost-moesson. We loopen dus veel gevaar hier in den omtrek eene maand of drie te moeten doorbrengen! Mijne vrouw ziet me spoediger schipper dan ze gedacht had; maar of ik een schipper zal zijn, die een vet potje maakt, dat staat te bezien!”

Terwijl Piet Heyn en Blokmaker zoo met elkander stonden te praten, was Marten wat terzijde gegaan, doch aan zijn meesmuilen te zien, scheen het wel, alsof hij het geheele gesprek van a tot z verstond. En dat was ook zoo; want toen Piet Heyn zeide, dat hij met hier drie maanden stil te liggen geen vet potje maken zou, keerde hij zich plotseling om, ging op Piet Heyn af en zei, op zijne manier zoo beleefd mogelijk: „Schipper, een woordje, alsjeblief!”

„Wel tien, Marten, als het maar gezonde zijn; wat had-je, maat?”

„Ik wilde zeggen, schipper, dat onze vorige „Ouwe”, met uw verlof, ik meen schipper Rogiersz., heel anders zou gesproken hebben, als hij hier verzeild was!”

„Zoo? En wat zou hij dan gezegd hebben?” vroeg Piet Heyn, wel een weinig ontevreden over het halve verwijt, dat hij niet zoo knap was als Rogiersz.

„Wel, schipper, hij zou gezegd hebben: „Voor het middelmootje kregen we, door den storm, het neusje van den zalm.” Ik ben een opgelapte pomphaak, als hij dat niet gezegd zou hebben.”

„Zoo, zoo! En wat is er dan aan dat neusje van den zalm wel te vinden?”

„Neem eene schalie (lei), schipper, en schrijf op, wat ik u zeg, anders vergeet ge het, als ik aan het opnoemen ga van alles, wat er op dit eiland, een soort van Paradijs, te vinden is.”

„Te vinden is,--ei, ei! Maar te koopen, man?”

„Te koopen ook, schipper en wel voor een schuifje, als men maar bij de pinken is. De Portugeezen hebben daar zoo veel als uitgediend, en wij hebben er het hecht in handen. De inboorlingen zien ons aan voor de beste menschen, die er op twee beenen loopen. En als u wil, dan krijgt ge voor zooveel, als niemendal, de schuit propvol!”

„Met niemendal, zeker?” vroeg Steven spottend.

„Och, duik naar katvisch, komkommerkerel,” zeide Marten boos. „Neen, de heele schuit vol met wat Ceylon eêls oplevert. Als daar te vinden is,--denk om de schalie, schipper,--hoenders, herten, pauwen, duiven, wilde zwijnen, olifanten, ossen, buffels en vreemde vogels. Verder goud, zilver, edelgesteenten, granaat-appelen, meloenen, druiven, suiker, lange peper, uien, gember, zijde, katoen, honig, melk, rijst en, ja, het beste komt achteraan, en kaneel. Er zijn daar heele wouden van kaneelboomen, en het is een lieve lust om daarin eens rond te dwalen, als ge maanden achtereen planken onder de voeten hebt gehad. Kent ge soms een’ oranjeboom? Nu, daar lijkt de kaneelboom wel wát op, maar hij is fijner van takken en van stam. Hij groeit zoo recht, als de groote mast, en zijne bladeren gelijken veel op die van den laurierboom. Als de boomen vol witte bloesems staan, dan houdt men zijn’ neus ook liever in zulk een kaneelboombosch dan over een’ legger met bedorven drinkwater. En nu vraag ik onzen schipper, of er voor ons in de drie maanden wat te verdienen zou vallen?”

Piet Heyn had aandachtig toegeluisterd en nauwelijks zweeg Marten, of Piet sprak: „Marten, je bent hier meer geweest. Je moet mijn loods zijn. Zeg nu zelf maar waar de beste boter gevonden wordt.”

„Die is overal best, schipper! Maar ik weet niet overal den rechten koers. Onder Joris van Spilbergen kwamen we te Matecalo aan; daar weet ik den weg!”

„Best, Marten, als koopman Evertsz. het goedvindt, dan gaan wij naar Matecalo.”

Onze koopman had in de laatste dagen weer veel zijne hut gehouden. Hij gevoelde zich niet wel en de barbier, die met behulp van een recepten-boek, ook de zieken onder de bemanning genezen moest, had reeds alle medicamenten uit zijne kleine apotheek gebruikt om den man, die niet ziek en toch ziek was, te genezen.

Evertsz. leed echter aan heimwee en tegen deze ziekte stond in het recepten-boek geen enkel middel. Men had deze ziekte vergeten, of wel, men wist er geen geneesmiddel voor.

Toen Piet Heyn nu bij hem in de hut kwam en vertelde dat ze in de nabijheid van Ceylon waren, zeide hij eenvoudig: „Zoo!” en toen Piet vroeg, of hij het goedvond, dat men naar Matecalo zou gaan om daar handel te drijven, luidde het antwoord: „Och ja, dat is goed!”

Piet Heyn ging heen en zeide tot Marten en enkele anderen: „We zullen de mooie Keizerin een bezoek brengen.”

„En goede zaken doen,” vulde Marten aan, terwijl hij binnensmonds mompelde: „De inboorlingen noemen het eiland Singhala, en ik wed, dat dit niets anders beteekent dan: „Het landje van Schep-op.”

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Vader Heyn heeft het rekenen afgeleerd.

Zes dagen later wierp de „Muskaatboom” het anker vlak voor de plaats, die Marten den naam van Matecalo gegeven had, doch tot zijne groote verwondering zag hij nergens de vlag van de Compagnie waaien, en ze woei er toch lustig toen Joris van Spilbergen dit land verliet.

„Ben-je er wel zeker van, Marten?” vroeg Steven toen hij tevergeefs uitgekeken had naar de vlag van de Compagnie, welke daar volgens Martens zeggen, mooier wapperde en klapperde dan ergens elders. „Heeft je memorie je niet in den steek gelaten, en is dat je zoogenaamd Matecalo wel?”

„Verkeerd? Ik verkeerd? Als dat Matecalo niet is, dan ben ik wel een onklaar roer, dat is zeker! Maar, stil, daar schiet me opeens wat te binnen! Luister eens, schipper?”

„Wat is er, Marten?” vroeg Piet Heyn, die niet ver van de sprekers af naar het land stond te kijken.

„Heeft u indertijd ook wel eens gehoord van schipper Sebald De Weert?”

„Genoeg! Dat moet een ruwe gast geweest zijn, die ten slotte de rekening onder in den zak vond, maar waar, dat herinner ik mij niet!”

„Ik wel. Hij maakte het met zijn volk hier op Ceylon zoo van eieren, dat ze hem en zijn volk hebben neergesabeld. Ik had er aan moeten denken. Nu heb ik de „Muskaatboom” hier gebracht, en....”

„Kom, kom, Marten, geen ellende voor den tijd,” zeide koopman Evertsz., die hem aangehoord had, en die alweer een beetje opgefleurd was toen hij meende, dat er zaken te doen waren. „Wie de eieren wil, moet het kakelen van de kippen kunnen verdragen. Wij zullen zien, wat we doen kunnen, en is „Pas op je tellen” het wachtwoord, nu, dat is schipper Heyn toevertrouwd. Hij is bij de pinken genoeg, dat weet ik!”

„Al te veel lof, Sinjeur, al te veel,” zeide Piet Heyn. „Aan de kat komt een graatje toe, en onze Marten is nu de poes, die het graatje krijgt eer wij wat nemen. Ik zal met hem raadplegen, en, vindt hij het verstandig, dan zullen we morgenochtend eens met eene boot aan den wal gaan. Vannacht moet er maar goed uitgekeken worden, dat ze ons schip niet afloopen, want recht vertrouw ik de zaak niet!”

Spoedig werd alles in gereedheid gebracht om, desnoods, de „Muskaatboom” tegen mogelijke aanvallen te verdedigen, en, zooals de Oostindie-vaarder daar nu voor anker lag, was hij geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. Menig oorlogsschip zou hem stil laten liggen met een: „Houd af van den dien! Hij kan bijten!”

Gedurende den nacht evenwel werd niets van eenige vijandelijkheid ontdekt, en den volgenden morgen was men al vroeg in de weer met alles in gereedheid te brengen, wat noodig was, voor een bezoek aan den wal.

Piet Heyn meende voor alle zekerheid goed gewapend er te moeten heengaan, doch Marten meende, dat dit juist oorzaak kon zijn, dat men hen reeds als vijanden behandelen zou, eer men nog aan den wal was. Op ons scheepshoofd evenwel rustte de verplichting voor schip, lading en manschap zorg te dragen. De lastbrief: „in alles de voorzichtigheid en de koopmanschap te betrachten,” welken schipper Rogiersz. van de Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie medegekregen had, was nu ook natuurlijk gericht aan den nieuwen schipper, die vast besloten was, er zich aan te houden. Daarom zeide hij ook tot Marten, toen deze zijne meening had te kennen gegeven: „Hoor eens, Marten, het is hier de vraag niet, wie er bang is voor zijn leven. Als schipper der Compagnie ben ik niet vrij te doen, wat ik wil. Ik dien dus zoo goed, als mij dat mogelijk is, de belangen der Compagnie te behartigen, en daarom moet ik niet doen, wat ik wel zou willen, maar wat die belangen mij voorschrijven, en met het oog daarop acht ik het raadzaam om gewapend aan den wal te gaan. We kunnen evenwel die wapenen onder in de boot leggen, en die, welke daar bezwaarlijk liggen kunnen, zóó onder onze kleederen verbergen, dat ze niet reeds uit de verte zichtbaar zijn. Ikzelf blijf hier vooreerst aan boord, en als Blokmaker er niets tegen heeft, zou ik hem wel willen verzoeken, het bevel over de boot op zich te willen nemen, doch zich in alles zooveel mogelijk te schikken naar de raadgevingen van u. Verder zullen acht man de boot aan den wal brengen, en Blokmaker moet trachten den Bevelhebber der stad te spreken, en hem dan vragen, of er gelegenheid bestaat, hier voor geld en goede woorden eenige lading in te nemen. De Bevelhebber zal de Portugeesche taal wel verstaan en Blokmaker heeft net zoowel als ik,--de galeiën zijn ons dus niet in alles ten nadeele geweest,--gelegenheid gehad om die taal te leeren. Gelukt de zending ten deele, of worden er geen vijandelijkheden getoond, dan komt ge zoo spoedig mogelijk terug om er mij verslag van te geven. Zijt ge over twee uren niet terug, dan zal ik de geschutpoorten openen en het er voor houden, dat ze u geweld hebben aangedaan. Het zou misschien geen kwaad kunnen, dat ge het aantal kanonnen, dat we voeren, vergroot of niet noemt, en dat ge den Bevelhebber dreigt, dat we zijne stad plat zullen schieten, ingeval ge meent, dat men u en de anderen kwaad doet. En, maar dit blijft voorloopig onder ons, ik zal u uit hunne handen redden. Reken daarop. Maar, eerst als ge gedreigd wordt, hoort ge, eerst dàn moogt ge ook beginnen te dreigen. Ik hoop, dat ge mij begrepen hebt! Laat de kleine boot strijken, en ga!”

Spoedig waren de tien mannen in de sloep en roeiden ze naar den wal, waar langzamerhand reeds vele bewoners een kijkje waren komen nemen.

Marten zag scherp uit, of hij onder al die gezichten er niet één vond, dat hem bekend voorkwam, doch tot zijne spijt vond hij er geen.

Eindelijk kwam men bij de aanlegplaats en Blokmaker vroeg nu aan een paar lieden, die het dichtst bij stonden, in de Portugeesche taal of er wellicht ook eenige Hollanders in de stad waren.

„Hollanders, Hollanders, kop af, allemaal kop af!” antwoordde een uit den hoop in gebrekkig Portugeesch.

„Dan is het goed, dat er andere lui komen, die nog koppen hebben,” dacht Marten.

„Waar is de Bevelhebber der stad?” vroeg Blokmaker. „Ik verlang hem te spreken.”

„Jij niet Portugeesch, spreek, ik versta wel jij spreek Hollandsch,” zeide een, die de voornaamste scheen te zijn, in onze Vaderlandsche taal.

„Wij willen kaneel en diamanten koopen,” sprak Blokmaker zoo beleefd mogelijk, doch nu in zijne eigene taal.

„Jij koopen komt! Pfoe, jij stelen komt,” sprak de man.

„Neen, wij komen eerlijk koopen! Zeg ons maar waar de Bevelhebber is, dan kunnen wij het hem vragen.”

„Ik die zelf ben!” luidde het antwoord. „Jij de Kapitein?”

„Neen, Heer, de Kapitein is aan boord,” luidde nu het antwoord, dat met een’ deftigen groet vergezeld ging, terwijl hij het woord „schipper” ook maar in „Kapitein” veranderde. En waarom ook niet? In alle andere landen heette hij, die een schip commandeerde, geregeld „Kapitein”, onverschillig of het schip ten oorlog voer, of een koopvaarder was. Nu sprak men in ons land alleen maar aan boord der oorlogsschepen van „Kapitein”.

„Zoo! En jij geld hebt?”

„Zeg ja, en laat hem merken, dat we brandewijn ook hebben,” fluisterde Marten.

Tot eenig antwoord evenwel sloeg Blokmaker op zijn’ zak en liet de Hollandsche dukaten rammelen.

„Die De Weert ook geld had, toch kwam stelen,” bromde de Bevelhebber.

Thans sprong Marten vooruit en op zijne manier eene beleefde buiging makende, zei hij: „Ik zal bij u blijven, Heer, en als één onzer steelt, dan,--Sebald De Weert, denkt u, en pats, mij den kop af!”

De Bevelhebber lachte en zei: „Jij te veel eet. Ik niet hebben wil jij!”

„Ik zal mijn eigen potje doen, brood, vleesch en brandemoris, Heer!”

Dat woord „brandemoris” sprak Marten met voordacht langzaam uit, en hij zag duidelijk, dat hij het spel terstond gewonnen zou hebben, als hij den Bevelhebber nu en dan maar eens liet proeven, wat maar al te zeer het geval was, en als wij er den Engelschen een verwijt van maken, dat ze bij onbeschaafde volken zichzelf nog altijd bevoordeelen met die menschen te laten proeven, dan moeten wij niet vergeten, dat wij vroeger door de brandewijnflesch menig voordeel wisten te behalen. In Amerika is de sterke drank ook de oorzaak geweest van den ondergang van het krachtige, Indiaansche ras, meestal Roodhuiden genoemd.

„Roep uw’ Kapitein,” sprak het Opperhoofd. „Wij wel handelen willen, als niet steelt jij!”

„Moet ik hier blijven?” vroeg Marten.

„Hebt gij brandemoris bij u?” vroeg het Opperhoofd, wiens gebroken Nederlandsch we maar niet langer zullen trachten na te bootsen.

„Neen, Heer; maar aan boord wel.”

„Goed, haal dan den Kapitein, geld en brandemoris, dan zullen we zien.”

Weldra was de boot van den wal gestoken en uit de verte riep Piet Heyn den terugkeerenden al toe: „Wel, zijn er zaken te doen?”

„Als we willen goede, schipper,” riep Marten.

Zoodra de mannen aan dek waren en Blokmaker alles verhaald had, wat hem wedervaren was, bovenal hoe ze hem verteld hadden, dat de inboorlingen, zooals hun Opperhoofd zelf bevestigde, Sebald De Weert en zijn volk allen een hoofd kleiner gemaakt hadden, omdat ze niet eerlijk te werk gingen, besloot Piet Heyn den weg op te gaan van elken goeden koopman, en dus te trachten voor zoo weinig geld mogelijk, eene rijke lading te krijgen. Hij ging in de kajuit, kleedde zich in een deftig krijgsmanspak van schipper Rogiersz., hetwelk hem reeds eenige dagen geleden, door een’ der matrozen, die het kleermaken verstond, zoo eenigszins pasklaar gemaakt was, nam behalve geld, een paar kruiken brandewijn en eenige alledaagsche voorwerpen mede, en stapte in de boot. Hij liet nu Blokmaker op de „Muskaatboom” achter, met het bevel, ook te doen, wat hij zou gedaan hebben, als zij niet terugkwamen. Hij nam evenwel in plaats van twee nu vier uren, want daar koopman Evertsz. niet te bewegen was om reeds mede aan den wal te gaan, meende Piet Heyn, dat de zaken met zeer veel overleg en bedachtzaamheid moesten behandeld worden, en daartoe was tijd noodig.

Dit tweede bezoek was er op ingericht, vertoon te maken. Zelfs de matrozen hadden zich in hun beste pak gestoken.

Als man van ondervinding was Marten ook alweer mede gegaan, en in zijn eenvoud meende hij, dat het welslagen van alles eigenlijk nu geheel van hem afhing en vergat hij wat al te veel den afstand, die tusschen hem en den schipper bestond.

Ze waren nog niet aan den wal toen hij begon met te zeggen: „Ik zal maar dadelijk vragen of Keizer Vinna Ladarma Soria, of zooals ze hem ook wel noemden: „Dom Joao” nog leeft.”

Geen antwoord.

„En dan zal ik ook vragen of zijne Gemalin Dona Kataryna, die zulk een prachtig zeeschip was, nog altijd frisch en gezond is.”

„Ik zou je aanraden het woord aan mij over te laten, Marten,” klonk het op wel wat al te hoogen toon uit Pieters mond. „Mij dunkt, ik ben mans genoeg om het woord te voeren, hetzij in het Portugeesch of het Hollandsch.”

Verschrikt en onthutst keek Marten den jongen schipper aan. Men kon zien, dat zoo’n afjakker uit dien mond hem leed deed. Piet Heyn zag het ook, en overtuigd dat de eerlijke zeerob dat niet verdiend had, vroeg hij hem, maar veel vriendelijker: „Waarom zou je dat vragen?”

„Och, zoo maar,” was het wrevelige antwoord, „zoo maar, schipper! Domme onverstanden begaan altijd domme dingen, en zoo’n dom onverstand ben ik ook maar.”

Toen nu Piet Heyn bij dit vrij onbeleefde antwoord van den geraakten zeerob, op zijne beurt, het anders zoo gulle en vroolijke gelaat ontevreden plooide, kreeg Marten ook berouw en daarom zei hij: „Bij Keizer Vinna Ladarma Soria zijn wij met van Spilbergen aan het Hof geweest. Misschien, dat hij, ondanks het gebeurde met Sebald De Weert, ons nu weer vriendelijk ontvangt en wij daardoor weer zulke goede zaken maken.”

„Wees maar niet boos, Marten! Ik beloof je, dat ik er naar vragen zal. Mij dunkt toch ook, dat het geen kwaad zal doen. Doe nu dat ontevreden gezicht maar gauw achter slot en grendel,” zeide Piet Heyn, die hiermede weer alles bij Marten goed maakte.

Kort daarop stapte men aan den wal, waar Piet Heyn door den Bevelhebber, die zich in dien tusschentijd ook heel deftig had aangekleed, zoo wat op Europeesche wijze ontvangen werd.

„Wij willen hier eerlijken handel drijven,” dus begon Piet Heyn hem te vertellen, nadat de wederzijdsche plichtplegingen afgeloopen waren.

De Bevelhebber knikte, maar zeide niets.

„En daarom,” zoo vervolgde Piet Heyn, „wilden wij gaarne weten, of we in dezelfde gunsten bij Keizer Vinna Ladarma Soria mogen deelen, als vroeger mijn broeder Joris van Spilbergen.”

„Keizer Dom Joao is dood. Van Spilbergen was een man. Sebald De Weert een zwijn,” klonk het kort terug, en ten bewijze hoe hij Sebald De Weert en de zijnen verachtte, spuwde hij op den grond, in welke verachtende handelwijze hij door zijn gevolg werd nagedaan.

„We hopen dan in den nieuwen Keizer een’ vriend te vinden. Hoe heet Zijne Majesteit?”

„Camapati Mahapasjyn.”

„Zijne Majesteit Camapati Mahapasjyn is een wijs Vorst, wiens naam in het verre Noorden met eere genoemd zal worden. Hij zal in mij geen Sebald De Weert, maar een’ Joris van Spilbergen vinden.”

De Bevelhebber zette nu een vriendelijk gelaat. Die vleierij deed den Hoveling goed, en daarom sprak hij op wat beleefder toon: „Zijne Majesteit is nog slechts eene halve dagreize van de stad. Zij hebben te Kandy uw schip gezien, en men komt thans hier onderzoeken, wat gijlieden wilt.”

„En vóór dien tijd?”

„Deedt ge wijs naar uw schip terug te keeren. De Keizer heeft den handel met de mannen van Hollandsche schepen verboden. Wij zullen u laten roepen, als Zijne Majesteit u spreken wil.”

Piet Heyn begreep wel, dat hij niet verder moest aandringen, doch daar hij den Bevelhebber gaarne te vriend wilde houden, bood hij hem en zijn gevolg een paar kleine geschenken, benevens twee kruikjes brandewijn aan.

Den heelen middag stond men nu aan dek van de „Muskaatboom” op den uitkijk, doch op raad van Piet Heyn deed men het zoo, dat er aan den wal niets van gezien werd, anders zou men daar begrijpen, dat men verlangend was om eenig antwoord te bekomen, en dat zou door de inboorlingen, die blijkbaar uitgeslapen waren, gebruikt worden om er voordeel uit te halen.

Hoe men echter ook uitkeek, men zag wel bedrijvig heen en weer loopen, doch aanstalten maken om eene boodschap naar de „Muskaatboom” te zenden, zag men niet, en zelfs een groot gedeelte van den volgenden voormiddag verliep zonder dat men aan den wal wat bijzonders zag gebeuren.

Piet Heyn liep ongeduldig heen en weer.

„Schipper,” zei Marten en trad Piet Heyn terzijde.