Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn
Part 10
„Ja, Stuur, ik heb al gezegd: als we zóó in de Indiën komen, dan is dat wel een soort van wereldwonder. Het gaat waarlijk wat àl te mooi! En nu zegt Blokmaker wel: „Je lijkt wel een stormvogel en je bent een ongelukskraaier, die den boer en zijne varkens voor Oom Joost en gevolg aanziet,” maar ik laat hem kallen. Zulk een onbevaren brasem heeft geen kennis van deze wateren.”
Blokmaker, de tweede stuurman, die de wacht niet had, was een half uurtje geleden ook aan dek gekomen, omdat de snikheete lucht daar beneden hem het slapen belette. Toen hij nu Marten weer zoo echt op zijn ouderwetsch hoorde doorslaan, riep hij hem toe: „Komaan, onze oude baas zit weer op zijn praatstoeltje! Verder, maat, verder, dat frischt een mensch op!”
„Een mensch, ja, maar ongelukkig ben je er geen,” spotte Marten. „Alével zal ik maar net doen, alsof je er een bent. Luister dan, want het is tot je bestwil. Zie-je, maat, ik zeg altijd maar: het is hier de Noordzee niet, waar zulk een baaivanger een’ blauwen Maandag of wat heeft liggen zwalpen, als eene kubboot in de deining!”
„Nu ja,” antwoordde Pieter, die eigenlijk niet wist hoe hij aan den uitval van den praatzieken, ouden matroos een einde zou maken, „nu ja, maar Blokmaker meent het zoo kwaad niet!”
„Niet kwaad meenen! dat zou er ook nog bij moeten komen, zei grootje, en ze stak bijna haar’ vinger uit de heete asch in kokend water om hem een beetje af te koelen. Dat zou er nog bij moeten komen! Hoor eens, stuurmannetje, de goede niet te na gesproken, de schepen van de Compagnie hebben meestal een raar soepzoodje van bemanning aan boord. Wilde daar gisteren die Steven, de bootsman, me niet met het leukste gezicht van de wereld wijsmaken, dat men de konste van ter zee te varen zoowel uit boeken leeren moet, als op zee zelf? En al zeg ik al: man je schiet met spek, als eene kat met peperbollen, dat leutert maar toe, als doove Neel, die meende, dat ze stommetje speelde, omdat ze zichzelve niet verstond, en haar mond ging als een klappermolen in den kerseboomgaard, van Zondagmorgen twaalf uur tot Zaterdagnacht twaalf uur. Praat me niet van die gotelingen, die meenen, dat ze een kanon zijn, en ze zijn nog niet eens eene klakkerbos, waarmee de jongskens proppen schieten. Maar wat de heeren wijzen, moeten de gekken prijzen, zeg ik. Ik stoor er mij niet aan. Ik zet mijne muts over mijne ooren en ik denk: Snapt en kalt maar voort, vriendjes, het eindje zal den last dragen. Maar wat ik zeggen wil, er komt verandering, dat zeg ik. Je mocht den „Ouwe” wel eens laten roepen, anders loopen we gevaar, eer het morgen is, in de maag van een’ haai te kijken, of er ook smout in is om onze laarzen in het vet te zetten, of om op onze beschuit te smeren, en onszelven dan te verbeelden, dat we versch wittebrood met Delftsche grasboter eten!”
„Doe nu zoo gek niet, meen-je het inderdaad?” vroeg Blokmaker, zich keerend naar de plek, waar zooeven Pieter nog stond, doch die er nu niet meer was.
„Mijn neus mag in een’ pompstok en mijn rug in eene provoost-lantaarn veranderen, als het niet waar is. Toe, help me maar aan het roer, want ik kan het alleen niet meer af!”
„Jawel, maar je bent altijd zoo’n soort van halven nar,” spotte Blokmaker ongeloovig.
„Pak ân! Help!” riep Marten, die het werk inderdaad niet zonder hulp af kon. „Wat ik anders ben, komt nu niet te pas! Ik ben nu een heele profeet, vat-je!”
Blokmaker schoot toe om te helpen en bemerkte al dadelijk, dat Marten nu niet voor nar gespeeld had.
ELFDE HOOFDSTUK.
Vooruit! Vooruit!
Piet Heyn mocht in deze wateren ook al minder bekend zijn, zulk een vreemdeling op zee was hij toch niet om niet aan alles te zien, dat er zwaar weder op til was. De horizon in het Oosten begon nevelig te worden, en de hitte werd meer en meer onverdraaglijk. Hij had zich dus alleen verwijderd om den schipper te wekken, want hij begreep, dat het noodig was.
De schipper, die bijna altijd half gekleed ter kooi ging om gauw bij de hand te zijn, stond dadelijk op, en nauwelijks was hij op het dek, of hij voelde en zag, dat Pieter en de roerganger gelijk hadden. Aanstonds werd al het volk aan dek geroepen. Oogenblikkelijk werden alle zeilen ingenomen en vastgemaakt. Alleen de fok bleef op. Toen dat gedaan was, moest men ook het roer buiten het schip, langs den achtersteven, met sterke takels bezorgen. Vervolgens begon men in de konstabelskamer de victualie-, boon- en rijsthokken met stutten te verzekeren.
„We zullen een’ kwaden dobber hebben, Heyn! Dat zie ik al aankomen!” zeide Rogiersz., toen alles zoo goed mogelijk in orde gebracht was geworden om den storm weerstand te kunnen bieden.
„Ik heb het gezegd; ik heb het gezegd!” bromde de roerganger, en lachte eens fijntjes, alsof hij blij was, dat hij, bij de anderen vergeleken, zulk een Piet was.
Het ongelukkigste evenwel was, dat de wind nu juist uit een’ hoek ging waaien, dat de „Muskaatboom” gedwongen werd langs den zoo voorspoedig afgelegden weg terug te keeren, en dat wel met veel grooter snelheid dan men tot hier gekomen was.
Stormweer kon men het nog niet noemen, doch naarmate het meer naar den morgen liep, nam de wind steeds in kracht toe en zware wolken bedekten langzamerhand den heelen hemel, zoodat men geen zon zag opkomen.
Toch vertelde de zandlooper, dat de zon al op moest zijn, doch de zwarte wolken herschiepen den dag bijna in nacht. Het uitzicht over de watervlakte werd bovendien door de hooggaande golven belemmerd, en waar men was, wist niemand, want met zulk eene bewolkte lucht konden er geen waarnemingen gedaan worden.
Na den middag gaf de schipper bevel, de groote ra te strijken en de stengen te schieten om den storm minder windvang te bieden, doch welke pogingen het wakkere zeevolk ook aanwendde, alle moeite was vergeefsch. De touwen, al waren ze nóg zoo stevig, braken af, als verteerd koord, en het schip werkte zoo zwaar, dat men alles maar moest laten zitten, zooals het zat. Tegen den avond nam de storm in hevigheid toe, en eene vreeselijke duisternis bedekte de woeste zee. Geen bevelen werden gehoord, al werden ze door den scheepsroeper geschreeuwd. Het geraas van de golven en het loeien van den storm waren de sterkste stem te machtig.
Steeds hooger klom de nood, en scheen het nu en dan ook een oogenblik, dat de storm ging liggen, kort daarop stak hij weer met nieuwe hevigheid op.
Tegen den morgen had er ook weer zulk eene schijnbare vermindering plaats.
„Daar fleurt een mensch van op! Ik hoop dat het nu gedaan zal zijn!” sprak Steven tot Marten.
„Gedaan? Gedaan? Ei wat, boekenwijsheid en niemendal anders. Zeg, heb-je wel eens krijgertje gespeeld en zóó, dat je heelemaal af was, en een oogenblik moest uitrusten? Ja, zeker, zeker! Maar met dat uitrusten wilde-je niet zeggen: „Nou houd ik op!” Wel neen, dat rusten diende maar om weer met nieuwen moed te beginnen, alsof er nog niets gebeurd was. Ik zeg, de wind is ook zulk een wispelturig krijgertje-speler. Straks komt hij weer. Ik verwed er mijne oliejas tegen eene ton Zeeuwen onder, dat hij terug.... Wat zullen we nou hebben? Berg-je, berg-je, daar komt eene stortzee!”
Nauwelijks had de man dat gezegd, of eene vreeselijke golf sloeg met zooveel geweld tegen het achterschip, dat het geheel van boven tot beneden ingeslagen werd. De beelden, die aan den spiegel tot sieraad aangebracht waren, en de galerijen, weg, alles op eens weg! De glazen in de kajuit werden in duizenden stukken geslagen en de vensters uitgerukt. De konstabelkamer werd opengebonsd en alles, wat niet muurvast stond, werd door elkander gesmeten. Het was eene vreeselijke verwoesting!
„O, Heere, Heere, red ons! Wij vergaan!” schreeuwde er hier een.
„Brandemoris! Brandemoris!” klonk het dáár met een’ akeligen kreet, en een matroos snelde naar beneden om een brandewijnvat open te slaan en zich dan dronken te drinken en dronken te sterven.
„Ja, brandemoris! brandemoris!” schreeuwden verscheidene matrozen hem na, en daalden met zulk eene woestheid naar beneden, dat enkelen van de trappen rolden en zich vreeselijk bezeerden.
Dat had Pieter Heyn gezien, en was hij ook al een van die „nieuwbakken bollen, die het kielhaken niet waard waren,” zooals de oude Marten zich eens had laten ontvallen, hij begreep er nu toch zóóveel van, dat schip en manschap voor de haaien zouden zijn, als het volk zich aan den brandewijn te buiten ging. In een oogenblik was hij in zijne hut, haalde een pistool, dat altijd geladen bij zijne kooi hing, en snelde er mede naar beneden.
„Halt, kerels! Ben-je dan krankzinnig, dat je allen op den brandemoris aanvalt, als een hongerig varken op den gevulden trog? Terug, zeg ik!”
„Luistert niet naar hem, mannen! Tast toe! Wie dronken is, voelt er niets van, als hij verdrinkt!” riep een breed geschouderde Zeeuw, en gaf aan de anderen opnieuw het voorbeeld van drank inzwelgen.
„Bij den hemel, mannen, houdt op! Den eersten, die zich bukt om zich een’ kroes te vullen, zal ik als een’ dollen hond neerschieten,” sprak Pieter Heyn en legde het pistool op den Zeeuw aan.
„Dood is dood! Schiet maar toe!” riep deze en bukte zich andermaal.
Wat zou Heyn doen? Zou hij werkelijk aan zijne bedreiging gevolg geven? Er was maar één schot te doen, en dan? Zouden de overigen zich dan niet op hem werpen en hem misschien vermoorden? Kon hij niet wat anders doen, dat meer afdoende hielp?
Hij behoefde niet lang na te denken. Hij had wat gevonden.
Opeens werd een hevige slag gehoord. Pieter had het pistool op den grond gesmeten en dit was door den val afgegaan.
Het volk wist niet, wat het hoorde. Het stond een oogenblik bedremmeld. Hiervan maakte Pieter gebruik. Met de snelheid van eene tijgerkat sprong hij op den stoeren Zeeuw toe, wierp hem op den grond, en eer deze nog op kon staan, had Pieter het kleine vaatje, dat men opengebroken had, opgenomen en den heelen inhoud over het lichaam van den gevallene ledig gegoten, terwijl hij hem toebulderde: „Slok dan, zwijn! De draf is goed!”
„Hei, hop, jelui daar beneden!” schreeuwde Rogiersz. door het luik. „Hei, hop, allemaal boven! Vijf of zes man kunnen den boêl niet klaren! Er is hoop op behoud!”
„Er is hoop op behoud!” Deze woorden van den ervaren zeeman werkten honderdmaal meer uit dan de daad van Pieter Heyn, die het volk wel voor een klein oogenblik tot bedaren bracht, doch niet instaat was, de andere brandewijnvaten te sparen.
„Er is hoop op behoud!” Niet één, die bij de woorden van den schipper niet honderdmaal meer moed vatte, dan door het drinken van eenige kroezen brandemoris, door het zeevolk heel dikwijls, uit spot of uit ernst, „courage-water” genoemd.
„Er is hoop op behoud!” Bijna even vlug waren ze nu op, als zooeven onder dek.
Doch nauwelijks waren ze, waar ze wezen moesten, of ze kregen half berouw over hunne lichtgeloovigheid. De storm woei even fel; de golven gingen even hoog; het zwerk was even loodblauw.
„Ik ga terug!” riep de Zeeuw, die bijna niet op zijne beenen staan kon, omdat het zoo woei en, omdat hij zoo dronken was.
Doch nauwelijks had hij dat gezegd, of Pieter pakte hem andermaal beet, gooide hem van de trap af in het ruim en riep: „Je bent er al! Het naar beneden klimmen gaat je te langzaam, hazenhart, dat je bent!”
„En nu aan het werk, mannen!” hernam de schipper. „Ik heb je gezegd: er is hoop op behoud! Ik loog niet! Helpt allen het achterschip stutten. Hier, vier aan de pompen! Zoo je geen zeewater lust, dan wakker aan den slag! Vier man deze oude raas, die stengen en dit waarloos hout op gelijke afstanden doorgezaagd, zooals de meester timmerman dat aanwijzen zal. Drie man bij de konstabelskamer en de vier timmerlui daar geholpen! De kok, de bootsman, de barbier en de stuurlui een waarloos zeil of wat naar boven gesjord! Moed, mannen, aan het werk! Aan het werk! Onder den arbeid een „Vader Ons” gepreveld! Wie niet geleerd heeft een kort, maar ernstig gebed uit te spreken, heeft nooit leeren varen! Op, op! De handen uit de mouwen! Wie zichzelf helpt, dien helpt God! Een dubbele oorlam, als het werk gelukt! Eene halve maand gage voor ieder, als we in de eene of andere haven behouden aankomen! Op, op! Ik doe ook mee, zoo goed als elk ander.”
Op dit oogenblik kwam de groote Zeeuw weer naar boven. De schrik van den val, die, wonder boven wonder, niet zoo heel hard aangekomen was, had hem bijna ontnuchterd.
„Schipper,” sprak hij op Rogiersz. toetredend, „waar ben ik noodig? Voor varken spelen bevalt me niet!”
„Help zeilen halen, kerel! Je hebt kracht voor vier!” was het antwoord.
Daar kwamen ze met het waarlooze grootzeil aansjorren; het ging moeielijk voort.
„Alles vergeten en vergeven, Stuur! Ik was een kwajongen! Geef hier een’ hoek van dat zeil!” klonk het Pieter in de ooren.
Zóó sprak de man, die bij alle andere gelegenheden steeds getoond had, een „kerel-van-wat-ben-je-me” te zijn, en, door zijne reuzenkrachten geholpen, kwamen ze met het zeil op het achterschip, dat, al was het ook nog zoo gebrekkig hersteld, een heel ander aanzien gekregen had.
„We moeten trachten het zeil achter het schip te krijgen. Als ons dat gelukt, zal het water niet zoo indringen!” sprak de schipper.
„Alle man aan het werk! Ho-hop!” klonk de stem van den bootsman, en weldra was het zeil, hoewel het heel veel moeite en behendigheid gekost had, aan den achterkant van het gebrekkige timmerwerk gehecht.
Nu rustte men een oogenblik, en wie kon, trachtte een stuk rauw spek met eene scheepsbeschuit, zoo goed en kwaad dat ging uitgedeeld, naar binnen te werken.
En nog nam de storm in hevigheid toe.
[Illustratie: Eene tweede stortzee sloeg alles aan stukken. (Bladz. 125).]
Eene tweede stortzee sloeg opnieuw alles op het achterschip aan stukken. Het zeil vloog met vreeselijk geraas aan flarden.
„Er is nog één middel, één enkel middel om niet te vergaan, Kapitein!” fluisterde Marten den „Ouwe” in de ooren.
„Ik weet het, Marten! Ik weet het. Je bedoelt.....”
„Met den kop in den wind!”
„Behoeft me niet te zeggen. Weet het! Kan hier niet! Onmogelijk!” gaf Rogiersz. met korte en afgebroken woorden te verstaan.
„Zóó houden we het geen vijf minuten, schipper!”
„Ik weet het, man! Dat is geen nieuws!”
„Dan is het gedaan, schipper! En, als de dood met deze proef gemoeid is, welnu, vijf minuten vroeger of later, wat geeft dat?”
Rogiersz. bedacht zich een oogenblik;--de wind bedaarde iets, en....
„Het zàl gebeuren, het zal, Marten! God sta ons bij!” sprak de schipper op vast besloten toon.
In een omzien was het onder al het volk bekend, welke gevaarlijke proef men ging ondernemen. Midden in den storm keeren! Als het schip dwarszees lag, maar ééne enkele seconde te lang--maar ééne stortzee er tegen, dan.....
„Mannen, er op, of er onder! Het schip moet met den kop in den wind, of .... het is gedaan! Op, nog eens, nog eens! Misschien voor het laatst! Bootsman, op post! Mannen, aangevat! Op, op! Ieder kent zijne plaats! Al klaar?”
De bootsman knikte.
„Almachtige God! Vader in den Hemel, help, o help ons!” bad schipper Rogiersz. met zulk eene krachtige stem, dat het wel een uitgeschreeuwd gebed mocht heeten. Doch hij moest door allen verstaan worden. De storm floot en bulderde; de golven raasden; de donderslagen rommelden en kletterden zoo ontzettend hard!
„Amen!” stamelden zij, die zijne woorden gehoord hadden, en zij, die er te ver afstonden en zelfs geen enkel woord gehoord hadden, zij bewogen toch ook hunne lippen, en....
Het gebed van den zeeman in nood is kort. Schipper Rogiersz. had het immers ook al gezegd?
Het schip draaide, draaide en draaide!
Daar kwam eene golf aan, eene golf als een berg.
„Te laat, te laat!” schreeuwde Rogiersz.
„God lof! We zijn er! We zijn er! We liggen met den kop in den wind!” juichte Pieter.
„Een wonderwerk des Almachtigen Gods,” prevelde Rogiersz. „Zijn naam zij geloofd van nu af tot in alle eeuwigheid!”
Met donderend geweld sloeg de stortzee, die de schipper had zien aankomen, als met reuzenhamers tegen het voorschip!
De „Muskaatboom” was aanvankelijk behouden.
Wat blijde gezichten! Wat dankbare woorden! Wat al stille dankgebeden aan Hem, die in de ure des gevaars hun zoo wondervol was nabij geweest!
Rogiersz. ging naar het achterschip om opnieuw bevel te geven, te herstellen, wat te herstellen was. Maar eensklaps gleed hij uit; de stuk geslagen verschansing kon hem in zijn’ val niet tegenhouden. Hij werd in zee geworpen.
„Man overboord! Man overboord!” schreeuwde de bootsman.
„In de boot! Eene dreg!” klonk het van vele kanten.
„In de boot?” Onmogelijk! Er was geen denken aan.
Eene uitgeworpen dreg kwam niet ver genoeg.
Daar zagen ze hem nog even. Hij stak eene hand uit.
„O, God, hij groet ons vaarwel,” riep Marten, wien op dat gezicht de tranen uit de oogen sprongen.
Nog eens werd de dreg uitgeworpen. Tevergeefs! Er was niets meer van hem te ontdekken.
De man, die zich zoo wakker, zoo kloek gedragen had, de schipper door het volk de „abele, goeie Ouwe” genoemd, hij had een zeemansgraf gevonden, juist toen hij de anderen gered had.
Thans was onze Pieter de wettige Gezagvoerder op de „Muskaatboom.”
Hij had op dit oogenblik geen’ tijd om na te denken over het gewichtig werk, waartoe hij zoo onverwachts geroepen was. Hij begon terstond zijne bevelen uit te deelen en het volk gehoorzaamde hem.
Nog twee volle dagen hield de storm, doch in zeer langzaam afnemende kracht aan. Niemand wist, waar hij was. Door den betrokken hemel had men in al dien tijd geen waarnemingen kunnen doen. Maar dat wisten allen: men was ver, zeer ver uit den koers geraakt, en ieder haakte naar het oogenblik, dat men zou weten, waar men zich bevond.
Eindelijk bedaarde het noodweer. De wolken verdunden zich; de sterren werden zichtbaar en, plotseling liep de wind naar het Zuiden. Dit gebeurde in den nanacht, en ofschoon al het volk afgebeuld was, geen bleef toch tusschendeks toen het van boven klonk: „De zon komt op!”
Niemand had gedacht die lieve zon weer te zien. Toch was het daar, dat vroolijke, vriendelijke licht!
Wat al blijdschap! Wat al dankbaarheid!
„Mannen,” riep de nieuwe schipper, „God is met ons geweest! Dies zij tot in alle eeuwigheid Zijn naam geloofd! Amen.”
Het volk sprak zacht die woorden na, doch Marten steunde: „Mijn abele, goede „Ouwe” is er niet bij. Wel te rusten, maat! God hebbe uwe goede ziel!”
In den loop van den dag kwam men bij een onbekend eiland waar een schip op strand lag.
Pieter gaf bevel om met eene welgewapende boot aan den wal te gaan en te onderzoeken, of het eiland ook bewoond was. Na verloop van een groot uur keerde men terug met de tijding, dat het slechts een klein, rotsachtig eiland, en dat het schip een verlaten Portugeesch wrak was.
Heyn begreep hiermede zijn voordeel te kunnen doen. Hij liet zich naar het wrak roeien en bevond, dat er alles aan boord was, wat zij in den storm verspeeld hadden. Een kwartier verder vond hij eene veilige baai. Daar liet hij het anker vallen om het zwaar gehavende schip te herstellen, drinkwater in te nemen, levensvoorraad van den Portugees te laten halen, en den kostbaren schat van specerijen en goud, welken deze aan boord had, in het ruim van de „Muskaatboom” te doen overbrengen. Hoe lang de Portugees daar gelegen had, was wel niet juist te zeggen, maar de schipbreuk kon toch maar pas eenige dagen geleden hebben plaats gehad, want van den levensvoorraad was niets bedorven, en zelfs het drinkwater in de leggers was nog volkomen goed. Van de lading was slechts een zeer klein gedeelte door het binnengekomen zeewater beschadigd. De hevige storm, die zooveel averij bracht, die een menschenleven eischte en de „Muskaatboom” ver uit den koers sloeg, was nu toch oorzaak, dat men op eene goedkoope wijze eene kostbare lading kon innemen. Al brachten ze anders niets naar Nederland, dan zou de reis toch eene zeer voordeelige zijn. Aan terugkeeren dacht de nieuwe schipper echter in het geheel niet. De „Muskaatboom” was veel grooter dan de Portugees, zoodat men in de Oost nog heel wat laden kon, en daar alles, wat men hier vond, geen gekochte koopmansgoederen waren, zoo kon men het als buit beschouwen. Koopman Evertsz., die gedurende den storm gelegenheid in overvloed gehad had om te weten te komen, dat de Compagnie met zulk volk heel wat anders dan te gronde zou gaan, vroeg, kort voor het vertrek van het eiland, aan den nieuwen schipper of hij de bemanning eens mocht toespreken. Pieter, die sinds eenige dagen gezien had, dat Evertsz. een ander mensch scheen geworden te zijn, had er niets tegen, en liet de heele bemanning aan dek komen, en toen ze daar was, zeide Evertsz.:
[Illustratie: „Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen gehad.” (Bladz. 130)]
„Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen gehad. Ik meende, dat de „Muskaatboom” het al zeer ongelukkig getroffen, en van schipper Rogiersz. af tot aan den pluimgraaf, onbevaren volk aan boord had. De storm heeft mij heel anders doen denken, mannen! Ik weet nu, dat de Compagnie met zulke varensgezellen eene schoone toekomst heeft. Gij allen hebt u als helden gedragen, en aan de Compagnie is het, u daarvoor te beloonen. Ik sta hier in de plaats der Compagnie, en zal den nieuwen schipper een bewijs geven, dat de helft der goederen, die we uit het Portugeesche schip haalden, voor u allen is, om de opbrengst onder elkander te verdeelen. Ik zal eene nauwkeurige lijst opmaken van alles, wat wij uit dat schip gehaald hebben. Gaarne zou ik den onversaagden schipper Rogiersz. vergeving willen vragen voor mijn wantrouwen. Ik kan het, helaas, niet! Maar één man is er toch, dien ik nog meer miskende dan den ouden schipper, en dat is Marten.”
Hierop trad hij op Marten toe, bood hem de hand en zeide: „Marten, gij zijt die man, dat weet ge ook wel. Wees niet boos, ouwentje! Van dit oogenblik af zal-je gage hebben als hoogbootsman, en zoodra op een van de schepen die betrekking vrij komt, zal jij ze bekleeden. Is het nu goed?”
Of Marten het goed vond! Vurig drukte hij de hand van Evertsz. en zeide: „Ik zal zoolang ik krachten heb, de Compagnie trouw dienen. Maar u vergeven kan ik niet, daar ik niets te vergeven heb. Ik wist wel, dat u, eer we te Amboina waren, anders denken zou. U is de eerste niet, die door ondervinding geleerd heeft, u zal de laatste niet zijn ook. Maar, koopman, u heeft mij beloond boven allen, doch mijne maats hebt gij ook beloond. Uit hun’ naam zeg ik u daarvoor dank. Hoezee! Hoezee! Leve de Compagnie! Leve koopman Evertsz.!”
Uit volle borst riepen al de mannen dat Marten na, en van dat oogenblik af was Evertsz. bij niemand meer te veel aan boord.
Niet maar zoo goed mogelijk, maar geheel hersteld, verliet de „Muskaatboom” na een verblijf van veertien dagen het eenzame eiland en zette opnieuw koers naar Amboina.
Vooruit, wakkere mannen! Vooruit, stoere, kloeke zonen der zeventiende eeuw! Met levensgevaar haalt ge de schatten uit Oost en West, om die in uw Vaderland aan de voeten van uwe landslieden neer te leggen. En die verzamelde schatten zullen de Republiek groot en machtig maken;--ze zullen de milde voorraadschuur worden van zoovele kostbare waterwerken der komende eeuw. Aan uw’ moed en uwe geestkracht danken we ons bestaan en onze welvaart! Wij zullen u niet vergeten! Wij zullen u volgen! Vooruit! Vooruit!
En gij, eenvoudig, goed Moedertje te Delftshaven, die uw’ jongen met een gebed vaarwel kniktet, en die sedert nooit opgehouden hebt om elken morgen en elken avond voor hem te bidden, houd moed, Moedertje! Uw zoon is nu schipper van de „Muskaatboom”, en hij zal wel zorgen, dat hij schipper blijft. De Compagnie kan geen beteren krijgen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Het landje van Schep-op.
Niet lang nadat de „Muskaatboom” het onbekende eilandje verlaten had, kreeg het schip opnieuw onstuimig weder.
Men vorderde bitter weinig, want wat men in de eene wacht won, verloor men vaak dubbel in de volgende wacht.