Eduard Kerner

Part 2

Chapter 24,332 wordsPublic domain

Eduard had intusschen ergens op straat een steentje ontdekt en was daar nu zoo vlug als hij op zijn stelten vooruit kon komen naar toe gegaan om in zijn eentje wat te voetballen.

Hij was niet erg gesteld op mijnheer van der Zande, die óf tegen hem sprak als tegen een kind van vijf jaar, óf doodkalm deed alsof hij niet bestond. Maar dat was nog niet het voornaamste. Eduards grootste grief was, dat mijnheer van der Zande, die een oude kennis van Vader was, altijd onverwacht kwam, en juist altijd, als er het een of ander prettige plannetje gemaakt was, dat daardoor dan natuurlijk in het water viel. En dat kon hij nu wel niet helpen, maar 't was voor Eduard toch reden genoeg om zijn komst nu niet met bizonder veel genoegen te begroeten. -- Vandaag ook weer, 't was de laatste dag dat Vader er was, want morgenochtend vroeg zou Vader weggaan; verder was 't Woensdag, en Eduard had zijn vioolles mogen verzetten om voor 't laatst nog een gezelligen middag met Vader te hebben en om te helpen Vaders handkoffertje in te pakken -- en natuurlijk kwam nu mijnheer van der Zande. -- Misschien ging hij wel dadelijk weg, maar die hoop werd steeds flauwer en verdween geheel, toen Vader hem tikte om te komen koffiedrinken. Eduard gaf nog een fermen schop tegen zijn steentje, toen sprong hij van zijn stelten en zette ze met een verdrietig gezicht in de gang neer.

"En dan vind ik je morgen dus aan het station in Arnhem," hoorde hij zijn Vader zeggen toen hij binnenkwam, en mijnheer van der Zande: "Uitstekend; in ieder geval ga ik vanmiddag nog door, ik moet nog verschillende lui spreken."

De twee heeren zaten al aan tafel en Eduard schoof haastig zijn stoel bij. -- "In ieder geval gaat hij voor 't eten dus weg," dacht hij.

Mijnheer van der Zande begon iets te vertellen over zijn Vader, die nog zoo flink was, en nog altijd zelf aan 't hoofd stond van de fabrieken in Indië, en gaf toen een uitvoerig verslag van de oude machines, en de bizonderheden waarin zij van de nieuwe verschilden.

Eduard luisterde er niet naar; 't kon hem niet veel schelen; verder hield hij zich bezig met het tellen van de broodjes en de kopjes koffie, die mijnheer van der Zande achtereenvolgens deed verdwijnen.

"O, de betrekking van Hollandsche vertegenwoordiger van de zaak bevalt mij best!" hoorde Eduard hem zeggen; "op mijn tiende jaar kwam ik voor 't eerst naar Holland, en sedert dien tijd ben ik al zes keer heen en weer geweest, maar nooit voor langer dan drie maanden; dit is de zevende keer."

"Bleef hij er nu maar voor goed," dacht Eduard, "dan kwam hij hier onze middagen tenminste niet meer bederven!"

Mijnheer van der Zande wendde zich nu plotseling tot Eduard.

"Zoo, mannetje, en leer je nogal vlijtig?" vroeg hij.

Eduard zei niets, en keek zijn Vader aan. -- "Dat gaat nogal, hè Pepi?" antwoordde deze voor hem, en toen mijnheer van der Zande weer: "En in welke klas zit je wel?"

"In de zesde, mijnheer."

"Zoo, zoo; nou, dat schiet al op, hoor!" en toen van onderwerp veranderend: "En ga je niet met Pa mee naar Indië?"

"Nee mijnheer."

"Zoo; 't is anders een best land, geloof je dat niet?"

"Jawel mijnheer."

"En waarom wil je dan niet mee?"

"Ik wil wel mee."

"Wat? En daarnet zei je dat je niet mee wou?" Eduard zei niets meer, maar keek naar zijn Vader, alsof hij dacht, dat die wel voor hem antwoorden zou.

"Later gaat hij eens mee," zei Vader, en toen, om er een eind aan te maken: "Wil je nog een kop koffie?"

Rika werd gebeld om nog eens koffie te schenken.

't Was zijn derde kopje al, dacht Eduard, aldoor schuins naar mijnheer van der Zande kijkend, en hij was aan zijn vierde broodje bezig.

En zonder dat mijnheer van der Zande het merkte stak hij tegen Rika, die opnieuw het kopje vulde, eerst drie, en toen, met een veelbeteekenende blik -- naar de broodbak, vier vingers in de hoogte. -- Maar Vader had het wél gemerkt, en zag hem een halve minuut lang streng aan.

Mijnheer van der Zande had zijn spoorboekje te voorschijn gehaald en er met aandacht in gekeken. -- "Mijn plan was om de trein van 3.17 te nemen," zei hij toen, "maar heb je soms iets anders te doen, zeg het dan gerust, ik vind mijn weg wel."

"Wel neen, ik vind het uitstekend. Ik had mijn jongen beloofd om wat met hem te wandelen, maar dat kan toch gebeuren; na de koffie kunnen we in mijn kamer gaan zitten en Eduard kan in dien tijd zijn huiswerk maken; daarna brengen we je samen naar den trein en dan loopen we buitenom, door het bosch."

"Ik vind ...." begon Eduard, maar zijn Vader viel hem haastig in de rede. "Je opinie wordt niet gevraagd," zei hij kortaf.

Eduard was niet bizonder ingenomen met de schikking. Waarom zei Vader nu niet dat hij wél wat anders te doen had? Vader had hem toch beloofd met hem te gaan wandelen, en tegen dat mijnheer van der Zande nu goed en wel weg was, zou de middag om zijn. En dan dat vervelende huiswerk nog! Haastig dronk hij zijn glas melk leeg.

Mijnheer van der Zande begon weer een nieuw verhaal over Indische huizen en Indische tuinen. Eduard luisterde maar half, maar opeens begon hij 't zelf ook leuk te vinden, en toen wilde hij er ook dadelijk nog veel meer van weten en ging van alles vragen.

Eindelijk stond Vader op. "Willen we nu maar eens naar de andere kamer gaan?" stelde hij voor, "en ga jij dan boven aan 't werk, Pepi?"

Maar Pepi had niet veel zin. Aan Vaders arm liep hij mee naar de studeerkamer. "Toe, nog eventjes," smeekte hij, "omdat 't uw laatste dag is!"

Vader gaf geen antwoord, maar liet toch toe dat hij nog wat bleef rond hangen. Een paar keer waarschuwde hij: "Kom, Pepi!" Want mijnheer van der Zande was weer van onderwerp veranderd en had het over groote orders van den laatsten tijd, en Vader zag duidelijk dat Eduard er geen belang in stelde en zich verveelde. -- "Kom, Eduard, ga nu aan je huiswerk!" zei hij nog eens; maar toen de jongen eindelijk lastig werd en met propjes papier door de kamer begon te knippen raakte zijn geduld op, en plotseling viel hij mijnheer van der Zande in de rede met een boos: "Eduard, ga nu onmiddellijk naar boven; je hoeft niet weer beneden te komen voor ik je roep."

Een benauwende stilte volgde, en heel verschrikt zag Eduard zijn Vader aan; toen stond hij langzaam op en liep aldoor naar den grond kijkend de kamer uit, zijn handen in zijn zakken. -- Pas toen hij de trap opging hoorde hij in de studeerkamer weer praten.

Vader boos, en dat op den laatsten dag! Was dat nu zoo erg, dat hij eens eventjes met een propje schoot? Die akelige mijnheer van der Zande ook, 't was allemaal ~zijn~ schuld, als die niet gekomen was zou hij nu prettig met Vader bezig zijn aan 't koffertje of iets anders, en nu moest hij hier alleen op de slaapkamer zitten -- met een ruk trok hij zijn tasch op tafel en schudde zijn boeken en schriften er uit. Och, hij had immers ook zoowat niks te doen, het grootste deel van zijn sommen had hij gisterenavond al gemaakt, juist om vandaag niet veel te hebben; 't waren net nog twee korte dingetjes, die waren in een wip klaar. Maar dat gaf nou allemaal niks, want naar beneden gaan mocht hij toch niet.

Kom, er nu maar niet meer aan denken en schrijven.

[Illustratie - 07_afdwalen.jpg]

Maar telkens dwaalden zijn gedachten weer af, en telkens vergiste hij zich, en toen de sommen eindelijk klaar waren zagen ze er slordig en knoeierig uit. -- 't Kon Eduard niets schelen en ongeduldig schoof hij alles op zij. -- Toen zette hij zijn ellebogen op tafel, liet zijn hoofd in zijn handen leunen en keek naar buiten.

Dat was nu bijna voor 't laatst dat hij al die tuinen en daken zoo zag. -- Morgenochtend misschien nog even, en dan in vier maanden niet meer. -- En vannacht zouden Vader en hij hier ook voor 't laatst samen slapen en morgen -- dan was Vader al heel ver weg en zou 's nachts in Bazel ergens in een vreemd hotel slapen, en hij zelf zou bij Tante Lina zijn, ook in een vreemd kamertje en in een vreemd bed. -- Niets geen gezellig huis was dat van Tante Lina, met al die groote kamers, 't was hier thuis toch veel prettiger en gezelliger. Wat zou 't gek leeg zijn, als hier nu morgenavond niemand meer in de kamer kwam, en beneden ook, in de huiskamer, en in Vaders kamer, wat zou 't overal akelig leeg en donker en koud zijn. -- Hoe lang zou Vader er nu nog zijn, 't was nu bijna drie uur, en morgenochtend om kwart voor negen ging Vader weg, dat was dus nog twaalf, en nog zes, nog achttien uur, bijna. En nu zat die mijnheer van der Zande, die Vader nog vier heele maanden zien kon, en die 't bovendien niks schelen kon of hij vader zag of niet, aldoor maar gezellig beneden te praten, en hij zelf moest hier alleen boven zitten. -- Hoe lang zou dat nu nog duren?

En uit medelijden met zichzelf kwamen de tranen hem in de oogen; maar hij veegde ze haastig weg, en keek toen weer stil naar buiten.

En zoo zat hij nog toen Vader om drie uur naar boven kwam om hem te roepen. -- Zachtjes trok Vader het hoofd van zijn jongen achterover en keek hem aan, en weer voelde Eduard zijn oogen vochtig worden.

"Ik vind 't zoo naar dat u boos werdt!" fluisterde hij, "maar 't kwam allemaal door mijnheer van der Zande, als die niet gekomen was ..."

"Nee vent, dat weet je wel beter, ik had je genoeg gewaarschuwd, je hadt niets meer te doen beneden, en als ik je dan drie, vier keer zeg naar boven te gaan moet je het ook doen; en ik wil nu wel gelooven dat je het niet prettig vondt dat mijnheer van der Zande er was, maar daarom mag je toch niet onbeleefd zijn, en dat propjes schieten kwam heelemaal niet te pas; zul je dat nu voortaan onthouden?"

Eduard knikte. "Maar nu bent u toch niet boos meer, is 't wel Vader?"

"Nee, ik ben nu niet meer boos. Ga nu maar gauw je jas aantrekken, dan gaan we mijnheer van der Zande naar den trein brengen."

Eduard trok zijn ijsmuts over de ooren toen ze buiten kwamen. 't Was koud, vriezend weer. -- "Hoe is 't mogelijk, we gingen al haast naar de lente toe, en nu weer zoo'n kou, we krijgen bepaald nog ijs!" hoorde hij mijnheer van der Zande zeggen. Toen holde Eduard vooruit naar 't bosch. Een helder winterzonnetje deed de witte sneeuwplekken, die hier in 't bosch na de laatste sneeuwbui nog niet waren weggedooid, glinsteren. -- Eduards verdriet van straks was vergeten, en voor een half uurtje dacht hij er niet aan dat het Vaders laatste dag was, en dat het de eerstvolgende keer, dat hij hier weer met Vader zou wandelen, midden in den zomer zou zijn.

Telkens holde hij een zijweg in, om dan opeens weer uit een klein laantje te voorschijn te schieten en een pas of tien rustig naast de beide heeren verder te wandelen, die druk in gesprek hun weg vervolgden; dan rende hij weer vooruit om even verder over een bank te springen.

"Wel Kerner, die jongen van jou lijkt wel onvermoeid!" zei mijnheer van der Zande eindelijk. "Wat een levenslust!" en tegen Eduard, die weer hijgend aan kwam loopen: "Word je niet moe, baas?"

"Nee mijnheer, heelemaal niet!" lachte Eduard, "maar nu blijf ik toch eens een beetje hier!" En hij stak zijn hand door Vaders arm.

IV.

"Meneer, alles is klaar, zal ik nu maar heengaan? En dan breng ik meteen het restje van Edu z'n goed naar mevrouw Verhey."

Vader liet zijn koffertje, waar nog een paar vergeten dingen ingeperst werden, in den steek.

"Is alles klaar, Rika? En achter alles gesloten ook? Mooi, dan zal ik zoo meteen nog wel even gaan zien. -- Ja, dan zou ik nu maar weggaan," en op een pak in de gang wijzend: "is dat alles wat nog voor Eduard weggebracht moet worden?"

"Ja meneer, het andere is gisterenavond gegaan."

"Mooi, mooi. -- Nou Rika, 't ga je goed hoor, tot over vier maanden!"

"Ja meneer. Dag meneer, goeie reis!"

"Dank je. Dag Rika!"

Eduard ging mee om Rika uit te laten. "'k Zal vast aan je Tante vertellen wat voor een lastpost ze in haar huis krijgt," beloofde ze.

"Dat zeg je nou wel, maar dat doe je toch niet!" lachte Eduard, "je durft het niet eens! Dag ouwe Rika!" En toen ze de deur al uit was nog eens "Dag ouwe Rika!"

Toen liep hij weer naar de huiskamer terug en bleef stil staan kijken terwijl Vader de riemen van het koffertje dicht gespte. 't Was 't laatste stuk van Vaders bagage; de groote koffer was de vorige week al weggegaan, en twee kleinere stonden nog in de gang om straks boven op de vigelante getild te worden. 't Handkoffertje zou Vader bij zich houden.

"Afgeloopen," zei Vader, toen de riemen vast waren, en hij keek Eduard aan. -- "En nu gaan we weer verder," en hij nam 't koffertje op om het in de gang bij de andere te zetten.

En toen begon een tocht door het huis; 't was een van de akeligste tochten, die Eduard ooit gemaakt had. -- Aldoor zwijgend liep hij met Vader mee, bezochten ze alle kamers om de beurt, en terwijl Vader keek of de ramen goed dicht waren, en de kasten sloot, moest Eduard steeds maar denken aan dat vreeselijke oogenblik, dat nu al zoo vlak bij was, het oogenblik, dat Vader weg zou rijden, dat hij Vader niet meer zien zou, voor vier lange maanden, voor een vreeselijk langen tijd, waaraan bijna geen eind zou komen.

Vaders eigen kamer was het laatst aan de beurt, en daar borg Vader de sleutels weg. -- "Ga je aankleeden, Pepi," zei hij, "je moet naar school toe, het rijtuig zal mij wel dadelijk komen halen." En toen hij merkte dat Eduard maar heel stil dicht bij hem bleef staan en hem aldoor strak aanzag, keek hij zijn jongen diep in de oogen en zei zacht: "zul je voorzichtig zijn, Pepi? Zul je maken dat ik over vier maanden een gezonden, vroolijken jongen terugvind?"

Eduard knikte, maar zonder iets te zeggen. -- En aldoor bleef hij Vader maar aankijken.

Toen klonk in de verte het geluid van wielen; dichter en dichter bij kwam het. Eduard ging naar het raam; "het rijtuig," zei hij. --

Voor de deur hield het stil. --

Toen werd er gebeld, Vader liep de gang in en zette zijn hoed op, en opende toen de voordeur om den koetsier aanwijzingen te geven voor het opladen van de koffers. Toen trok Vader zijn jas aan, nam die van Eduard van den kapstok, en kwam weer binnen.

Eduard stond nog voor het raam, en Vader ging naar hem toe en heesch hem in zijn jas. -- En toen .... "Vader, Vader!" snikte Eduard, en hij klemde zijn armen om Vaders hals.

"Mijn kleine Eddy!" Even liet Vader zijn jongen nog tegen zich aanleunen en klopte hij hem zacht op den rug. Toen maakte hij zich los, en Eduards hoofd tusschen zijn handen nemende kuste hij hem voor 't laatst.

Toen nam Vader de schooltasch van tafel op en hielp hem die op zijn rug te hangen. En Eduard liet zich meenemen, de gang in, waar Vader hem zijn pet aangaf, en verder naar buiten, waar de koetsier op den bok al zat te wachten.

Vader sloot de huisdeur, en stak den sleutel in zijn zak.

[Illustratie - 08_afscheid.jpg]

"Denk er aan, als je soms iets noodig hebt, dat Tante Lina den anderen sleutel heeft," zei hij. --

"En zul je nu gauw naar school toe gaan?"

Eduard knikte, en Vader stak zijn hand uit: "Dag Pepi, houd je taai!"

"Dag Vader!"

Toen draaide Vader zich om, en wenkte den koetsier dat alles in orde was. -- Vader stapte in; nog even knikte hij Eduard toe, toen klapte het portier dicht en de wielen begonnen zich te bewegen. Eduard keek het rijtuig na terwijl het verder en verder wegrolde, nog even zag hij Vader wuiven, toen verdween het om den hoek.

Vader was weg.

Vreemd leeg en stil was de heele straat, en Eduard keerde zich om en liep den anderen kant uit, naar school.

"Kerner, hoe is 't? Let je nu weer niet op?"

Eduard schrikte op. Dat was de derde keer al vanmorgen, eerst had hij bij 't lezen al niet geweten waar 't was, en dit was nu al den tweeden keer dat mijnheer hem er met 't uit het hoofd rekenen op betrapte dat hij er niet bij was.

"Nu," klonk het ongeduldig, "heb je geluisterd of niet?"

Eduard schudde van nee; hij voelde, dat de jongens allemaal naar hem keken, en daar waren ook die akelige tranen weer. Hij knipte ze haastig weg. Hij wilde in de zesde klas niet huilen.

"Dan wacht je om twaalf uur maar eens. -- En nu jij, van Effen, de laatste som nog eens alsjeblieft."

Eduard probeerde te luisteren, maar hij hoorde er nog niet veel van.

Eerst, onder de leesles, was hij aldoor met zijn gedachten aan 't station geweest, zag hij Vader afscheid nemen van Tante Lina en Oom Tom, die nog even aan 't perron zouden komen. En verder had hij er den heelen morgen telkens over zitten soezen waar Vader nu zou zijn, of 't nog lang zou duren voor Vader in Arnhem zou aankomen, of Vader daar mijnheer van der Zande gauw zou vinden ...

Nu was hij nog kwaad op zichzelf ook, had hij maar beter geluisterd! Om twaalf uur schoolblijven, en dat juist nu het de eerste keer was dat hij dadelijk uit school naar Oom en Tante moest! Wat zou Tante Lina wel zeggen, als hij zoo laat kwam, en Oom Tom was altijd zoo streng!

Weer spande Eduard zich in om op te letten. Dat was de zevende som nu al, en hij had er pas twee goed! 't Ging nooit prachtig, uit het hoofd rekenen, maar vandaag was 't al heel erg! Akelige, nare dingen! Deze keer waren ze dan toch ook bizonder lastig!

Hij vond er van de drie laatste nog maar één, en toen om twaalf uur de bel ging, kon hij er maar drie als goed opgeven.

De jongens stormden weg, en Eduard bleef in zijn bank zitten. Mijnheer Snijders liep mee de gang in. Een paar minuten galmde het drukke geroes nog na in het groote steenen gebouw, toen werd het stiller en stiller, en mijnheer Snijders kwam weer binnen en deed de deur van de klas dicht. Ongeduldig hing Eduard in zijn bank, vurig verlangend om weg te komen uit 't ongezellige, leege lokaal.

De onderwijzer bleef rustig even staan schrijven aan zijn lessenaar, en begon toen: "Kerner, dat gaat zoo niet, dat rekenen moet beslist beter worden. -- Dat zijn nu vandaag maar drie van de tien sommen, en je schriftelijk werk is tegenwoordig ook al niet schitterend, ik sprak er de vorige week al met je Vader over, toen hij hier was, en ... is je Vader al weg?" viel hij zichzelf in de rede.

"Vader is vanmorgen weggegaan," antwoordde Eduard zacht.

"Zoo." -- Mijnheer Snijders zweeg eenige oogenblikken, en vervolgde toen: "Nu, ik heb het je nu gezegd, als je op het volgende rapport voldoende voor rekenen wilt hebben dien je deze maand terdege je best te doen. En maak nu maar gauw dat je wegkomt."

Eduard holde de school uit, blij dat het niet langer geduurd had. Tot Tantes huis toe bleef hij hollen, in de hoop dan nog niet zóó laat thuis te komen dat het de aandacht zou trekken, en hijgend liep hij de stoep op en belde aan. Het luidruchtige gepraat van zijn neefjes drong vanuit de gang al tot hem door, toen trok Piet met een ruk de deur open.

"Kijk, daar hebben we Eduardje ook!" riep hij, en toen met een plechtig uitnoodigende handbeweging: "Treed binnen, mijn zoon, en ontdoe uw schoeisel van het aanklevende stof opdat onze dierbare Trinia u niet hooghartig tegemoet trede en u met één blik uit haar vurige oogen vernietige, met andere woorden: veeg je voeten anders is Trijntje kwaad."

"Doe nou niet zoo idioot," snauwde Hugo en hij deed de voordeur dicht, en Eduard vroeg met een akelig gevoel van niet-thuis zijn: "Moet ik mijn jas hier ophangen, zeg?"

"Zeker Eduardje, hang jij je jas hier maar op," zei Hugo, en tegen Piet: "Nou, en wat deed Somers toen?"

En Piet: "Nou, eerst deed hij niks, en toen zei hij: 'Wie piept daar zoo?' Maar toen gaf natuurlijk niemand antwoord, en toen vroeg hij 't nog eens en toen zei weer niemand iets, en eindelijk werd hij nijdig en Jansen piepte altijd maar door, en we zaten allemaal te schudden van 't lachen en op 't laatst snapte hij dat Jansen het deed en toen vloog hij naar Jansen z'n bank toe en Jansen riep maar aldoor: 'Ik deed 't niet, de bank deed het!'"

De jongens waren naar binnen gegaan, Hugo aandachtig luisterend, zijn handen in zijn zakken, Piet druk pratend en gebaren makend. Eduard volgde ze in de huiskamer. -- "Dag tante," zei hij, en hij ging naar Tante Lina toe om haar een hand te geven.

"Zoo Edu, ben je daar," zei Tante, "dat is best. Hoe is 't er mee?"

"Goed, Tante."

"Vader is op tijd aan den trein gekomen, hoor! Oom en ik waren allebei aan 't station, en Vader liet je nog de groeten doen en vroeg of je vooral gauw schreef."

"Vroeg Vader dat?"

Tante knikte, maar haar aandacht was alweer op de jongere leden van de familie gevestigd. "Stil Tommy, niet zoo'n leven maken, en Broertje, laat je nu dadelijk zoet je slabbetje voor doen door Juf!"

En tegen de anderen: "Jongens, komen jullie gauw zitten, ik hoor Pa al in de gang!"

Daar kwam kleine vijfjarige Beppie naar Eduard toe en duwde haar vuistje in zijn hand. 't Gaf hem opeens een warm gevoel van vriendelijkheid in de vreemde omgeving. En een hoog, overslaand kinderstemmetje vroeg: "Mag Eetje naast mij zitten, Maatje?"

V.

't Was een vroolijk span, Tantes zestal.

Hugo was de oudste. Hij was veertien jaar, zat in de derde klas H. B. S., werkte hard, en commandeerde de kleintjes.

Piet was een jaar jonger dan zijn broer, en nam het werken heel wat luchtiger op. Hij was ook op de H. B. S., maar in de eerste klas, en de andere jongens vonden hem "een leuke vent". Hij leerde heel gemakkelijk, en vond het gewoonlijk niet de moeite waard, aan zijn lessen veel tijd te besteden. Meestal keek hij ze even door, en probeerde dan bij het overhooren zich er op de een of andere manier handig uit te redden.

Dan volgde Lineke, een donker kind van tien jaar, die dol veel van lezen hield, en die, wanneer ze in een boek verdiept was, niets meer zag of hoorde van wat er om haar heen gebeurde. -- Ze was heel wat rustiger dan zevenjarige Tommy, een ondeugende bengel, die zijn Moeder en de kinderjuffrouw heel wat last bezorgde. -- Beppie was een blond krulkopje met een vriendelijk snoetje en groote, helderblauwe oogen, en dan volgde nog de benjamin, Broertje, een stevige dikzak van drie, die zijn eigen willetje al graag deed gelden, en in zijn koninkrijk, de groote speelkamer, onbeperkt heerschte.

De jongens hadden hun stoelen aangeschoven, en Beppie had Eduard meegetrokken naar haar eigen hooge kinderstoeltje, waar ze vlug inklauterde. "Nu moet jij hier zitten, Eetje!" zei ze, op den stoel naast zich wijzende.

Eduard lachte even tegen het grappige kleine ding, en keek toen Tante aan, want hij begreep wel dat het niet de bedoeling was dat hij op Oom Toms stoel ging zitten.

Tante Lina had zich naar hen toegekeerd. "Maar Bep," zei ze, "Edu moet eigenlijk tusschen Piet en Lineke zitten, dat vindt hij natuurlijk ook veel prettiger!" En van Beppie's teleurgesteld gezichtje naar Eduard ziende: "Of wil je wel graag tusschen Oom en Beppie inzitten, Edu?"

"Jawel Tante," antwoordde Eduard, om Bep plezier te doen, en Tante zei haastig: "Nu, verzet de stoelen dan maar even en schuif die van jullie wat dichter bij elkaar, dan zit Oom toch op zijn gewone plaats."

De Kapitein was binnengekomen, en 't had Tommy, die aan zijn verontwaardiging tegen Piet op handtastelijke wijze uiting gaf, dadelijk doen bekoelen.

"Pa," begon hij, nog rood van kwaadheid, "Piet zegt, dat ik een uil ben!" en met een triomfantelijken blik naar Piet: "en hij is er zelf een!"

De Kapitein voelde niet veel roeping om uit te maken, wie van zijn zoons een uil was. -- "Stil jongens!" zei hij, "wat moet je neef wel van jullie denken!" en Eduard op den schouder kloppend: "Ben je niet eerst bij vergissing naar huis geloopen, zeg?"

Maar Beppie liet hem geen tijd om te antwoorden.

"Paatje," vertelde ze, "Eetje wil liever tusschen Paatje en Beppie zitten dan tusschen Piet en Lineke!"

De Kapitein begon hardop te lachen. "Zoo prul, dat is vleiend voor ons, he?" zei hij, en met een komiek ernstig gezicht: "En Beppie wil liever naast Eetje zitten dan naast Paatje!"

Beppie deed dadelijk haar best om 't weer goed te maken. -- "Beppie wil ook wel tusschen Eetje en Paatje zitten!"

"Och, die arme juf!" zei Oom Tom hoofdschuddend. "Juf, hoort u 't, dan hebt u bij Beppie afgedaan!"

Bep strekte haar handje naar juf uit. "Nee, heusch niet!" verzekerde ze ernstig, en toen verlegen de tafel rondziende: "Beppie wil wel naast allemaal zitten!"