Part 9
„Het spijt me, dat ik het zeggen moet, maar er is geen kans op ontsnappen,” berichtte Kapitein Trefethen Francis. „Als de wind aanhield, dan wel, mijnheer. Maar de wind is bedriegelijk en gaat telkens liggen. Wij worden naar het vasteland gedreven. We zitten in het nauw, mijnheer, en zijn al zoo goed als gevangen.”
Henry, die door den kijker het dichtbijzijnde strand bestudeerd had, liet den kijker zakken en keek Francis aan.
„Spreek op!” riep de laatste. „Je hebt een plan. Dat is duidelijk aan je te zien. Zeg, wat het is!”
„Daar vlak voor ons liggen de beide Tijger-eilanden,” verklaarde Henry. „Zij bewaken den nauwen ingang naar Juchitan-Baai, die El Tigre genoemd wordt. Geloof me, ’t is precies de tand van een tijger. Aan weerszijden, tusschen de eilanden en het strand, is het water te ondiep om er met een sloep doorheen te komen, wanneer men de kronkelende kanalen niet kent, wat ik wel doe. Maar er tusschen in is het water diep, ofschoon de El Tigre-doorgang zoo nauw is, dat er geen ruimte is om te keeren. Een schoener kan er alleen doorheen komen, wanneer hij den wind achter of opzij heeft. Welnu, de wind is gunstig. We zullen het wel klaarspelen. Maar dit is slechts de helft van mijn plan...”
„En als de wind gaat liggen of draait, mijnheer—en het getij in de baai als een dolle in- en uitstroomt, zooals ik weet, dat gebeuren kan—dan komt mijn mooie schoener op de rotsen terecht,” protesteerde Kapitein Trefethen.
„Wanneer dat gebeurt, zal ik je de volle waarde ervan uitbetalen,” verzekerde Francis kortaf en schoof hem opzij. „... En nu, Henry, wat is de andere helft van je plan?”
„Ik schaam me om het je te vertellen,” lachte Henry. „Maar het zal meer Spaansche vloeken uitlokken, dan de Chiriqui-Lagune gehoord heeft sedert de oude Sir Henry San Antonio en Bocas del Toro plunderde. Let maar eens op.”
Leoncia klapte in haar handen en riep met schitterende oogen uit:
„Het moet een goed plan zijn, Henry. Dat kan ik aan je gezicht zien. Je moet het mij vertellen.”
En een beetje terzijde gaande, zijn arm om haar heen geslagen, om haar staande te houden op het slingerend dek, fluisterde Henry haar iets in het oor, terwijl Francis, om zijn ontroering te verbergen, door den kijker de gezichten op de vervolgende sleepboot bestudeerde. Kapitein Trefethen grinnikte boosaardig en wisselde veelbeteekenende blikken met den vaal-gelen matroos.
„Welnu, stuurman,” zei Henry, terugkomend. „We liggen net tegenover El Tigre. Wend je roer en loop op den doorgang aan. Ook heb ik, en wel op staanden voet, een rol halfduims, oud, zacht manilatros noodig, een massa kabelgaren en zeilgaren, die kist met bier uit het lazaret, die vijf gallons oliebus, die gisterenavond leeggekomen is en de koffiekan uit de kombuis.”
„Maar ik ben zoo vrij, er uw aandacht op te vestigen, dat die tros goed geld waard is, mijnheer,” klaagde Kapitein Trefethen, toen Henry aan het werk ging met de verschillende bestanddeelen.
„Je zult er voor betaald worden,” stelde Francis hem gerust.
„En de koffiekan—die is bijna nieuw.”
„Je zult er voor betaald worden.”
De kapitein zuchtte en berustte erin, ofschoon hij weer zuchtte bij de volgende handeling van Henry, die bestond in het ontkurken der flesschen en het laten wegloopen van het bier door de spuigaten.
„Alsjeblieft, mijnheer,” smeekte Percival. „Als u het bier moet weggooien, gooi het dan in mijn keel.”
Er werd verder geen bier meer verspild en de bemanning zorgde, dat de leege flesschen spoedig naast Henry kwamen te liggen. Met tusschenruimten van zes voet bevestigde hij de weer gekurkte flesschen aan het halfduims koord. Ook sneed hij stukken er af van twee vadem lengte en bevestigde deze als wimpels tusschen de bierflesschen. De koffiekan en twee leege koffiebussen werden eveneens tusschen de flesschen vastgemaakt. Aan het eene einde der groote lijn maakte hij het olieblik vast, aan het andere de leege kist van het bier, en keek Francis aan, die antwoordde:
„O, sedert vijf minuten ben ik er achter, wat je wilt. El Tigre moet smal zijn of anders vaart de sleeper langs dat zaakje heen.”
„El Tigre is precies zoo breed,” was het antwoord. „Er is een plek, waar het kanaal tusschen de beide zandbanken geen veertig voet breed is. Als de kapitein onze val misloopt, raakt hij altijd ergens aan den grond. Zeg, ze kunnen naar den kant waden, als dat mocht gebeuren.—Kom nu mee, we zullen dat zaakje naar het achterschip brengen en ons gereed maken om het uit te gooien. Je gaat aan stuurboord staan en ik aan bakboord en wanneer ik het sein geef, werp je die kist zoo ver mogelijk naar den kant.”
Ofschoon de wind verminderde, slaagde de Angélique, die recht voor den wind liep, erin om vijf knoopen te maken, terwijl de Dolores, die er zes maakte, haar langzaam inhaalde. Toen de geweren begonnen te spreken op de Dolores, maakte de kapitein, onder leiding van Henry en Francis, op den achtersteven van den schoener een lage barricade van zakken aardappelen en uien, oude zeilen en kabeltouw. Laag neergehurkt achter deze beschutting, kon de roerganger aan het roer blijven. Leoncia weigerde om naar beneden te gaan, toen het geweervuur in hevigheid toenam, maar stemde er in toe om achter de hut te gaan liggen. De overige schepelingen zochten eveneens beschutting in hoeken en gaten, terwijl de heeren Solano, die op het achterschip lagen, het vuur van de sleepboot beantwoordden.
Henry en Francis, die op hun, zelf gekozen, plaats stonden te wachten tot de engte van El Tigre bereikt was, hielpen een handje in den strijd.
„Mijn compliment, mijnheer,” zei Kapitein Trefethen, wiens Indianennatuur hem dwong om het hoofd op te beuren en over de verschansing te gluren, terwijl de neger in hem, hem noodzaakte zijn lichaam zoo plat op het dek uit te strekken alsof hij zich er doorheen zou drukken, tegen Francis. „Dat was Kapitein Rosaro zelf, die aan het stuur stond en de wijze, waarop hij opsprong en naar zijn hand greep zou iemand doen denken, dat u er zeer handig een kogel doorheen gejaagd hebt. Die Kapitein Rosaro is een zeer heetgebakerd hombre, mijnheer. Mij dunkt, ik hoor hem nu vloeken.”
„Houd je gereed, Francis,” zei Henry, zijn geweer neerleggend en aandachtig de lage oevers der eilanden van El Tigre aan weerszijden bestudeerend. „We zijn er bijna. Let op als ik het sein geef, en bij „drie” laat je los.”
De sleepboot was nog op tweehonderd meter afstand en haalde hen snel in, toen Henry het sein gaf. Hij en Francis rezen overeind en bij „drie” lieten ze los. Blik en kist vlogen naar weerszijden, en sleepten door de lucht achter zich aan het met potten, kannen, flesschen en touw-wimpels versierde koord.
Door nieuwsgierigheid gedreven, bleven Henry en Francis overeind staan om te zien hoe hun val met de veelsoortige voorwerpen zich uitspreidde over de oppervlakte van hun kielzog. Een fusillade van de sleepboot deed hen weer plat op het dek neervallen; maar, over de verschansing kijkend, zagen zij, hoe de voorsteven van de sleepboot de drijvende lijn omlaag en onder water drukte. Een oogenblik later zagen zij de sleeper vaart minderen, zoodat ze bijna stillag.
„Er zit wat om de schroef,” juichte Francis. „Henry, m’n compliment!”
„Nu, als de wind aanhoudt...” sprak Henry bescheiden.
De Angélique zeilde door, terwijl de beweginglooze sleepboot al kleiner voor hen werd, maar toch niet zoo klein of ze konden zien, hoe ze hulpeloos op de zandbank dreef en de mannen overboord sprongen en door het water waadden.
„Laten we nu eerst ons lijfdeuntje eens zingen,” riep Henry opgetogen uit, en zette in: „Rug aan rug, door den grootmast gescheiden.”
„Dat is nu allemaal heel mooi en wel, mijnheer,” viel Kapitein Trefethen hem in de rede toen het eerste refrein gezongen was, terwijl zijn oogen glinsterden en zijn schouders nog heen en weer bewogen op het rhythme van het lied. „Maar de wind is gaan liggen, mijnheer. We drijven in een windstilte. Hoe zullen we zonder wind uit Juchitan-Baai komen? De Dolores is niet verongelukt. Ze wordt enkel opgehouden. De een of andere nikker zal duiken en de schroef schoonmaken en dan heeft ze ons net, waar ze ons wil hebben.”
„We zijn niet zoo heel ver van den wal,” schatte Henry zoo op het oog, terwijl hij zich tot Enrico wendde.
„Wat voor een soort strand is dat hier, Senor Solano?” vroeg hij. „Maya-Indianen en haciendados—wat is het?”
„Haciendados en Mayas, allebei,” antwoordde Enrico. „Maar ik ken het land wel. Wanneer de schoener niet veilig is, op het strand zijn we het wel. We kunnen paarden krijgen en zadels, vleesch en koren. Verderop zijn de Cordilleras. Wat kunnen we nog meer wenschen?”
„Maar Leoncia?” vroeg Francis bezorgd.
„Werd in het zadel geboren en er zijn weinig Amerikanen, die zij niet dood zou rijden,” was Enrico’s antwoord. „Wanneer ge het goedvindt, zou het ’t beste zijn, om de groote sloep te water te laten, voor het geval de Dolores ons weer op de hielen zit.”
HOOFDSTUK VIII.
„’t Is alles in orde, kapitein, ’t is alles in orde,” verzekerde Henry den halfbloed-kapitein, die met hen op het strand stond en niet veel lust scheen te hebben om afscheid te nemen en terug te keeren naar de Angélique, die op een halve mijl afstand dreef in een absolute windstilte, die zich neergelegd had over Juchitan-Baai.
„Het is wat je noemt een Krijgslist,” legde Francis uit. „Dat is een aardig woord—Krijgslist. En het is nog aardiger, wanneer je er de uitwerking van ziet.”
„Maar als het zijn uitwerking mist,” protesteerde Kapitein Trefethen, „dan wordt het een ellendig woord, dat ik Catastrophe zou willen noemen.”
„Dat overkwam de Dolores, toen we haar schroef vastlegden,” lachte Henry. „Maar wij kennen de beteekenis van dat woord niet. Wij gebruiken daarvoor in de plaats Krijgslist. Het bewijs, dat het zijn uitwerking niet zal missen, is dat wij de beide zonen van Senor Solano bij u achterlaten. Alvarado en Martinez kennen het vaarwater op hun duimpje. Ze zullen je er met het eerste gunstige briesje uitloodsen. De Chef heeft het niet op jou voorzien. Hij zit ons na en wanneer we de heuvels intrekken, zal hij ons achtervolgen met den laatsten man, dien hij bij zich heeft.”
„Begrijp je het dan niet!” viel Francis in. „De Angélique zit in de val. Als wij aan boord blijven, neemt hij ons gevangen en de Angélique even goed. Maar wij gaan voor afwisseling de heuvels in. Hij vervolgt ons. De Angélique komt vrij. En natuurlijk vangt hij ons niet.”
„Maar neem nu eens aan, dat ik den schoener verlies!” hield de donkergekleurde kapitein aan. „Wanneer hij op de rotsen loopt, is hij verloren en de doortocht is zeer gevaarlijk.”
„Dan zal je er voor betaald worden, zooals ik reeds gezegd heb,” zei Francis, blijk gevend van opkomende toorn.
„En dan heb ik ook nog mijn talrijke uitgaven...”
Francis haalde een bloc-note en potlood te voorschijn, krabbelde een briefje en overhandigde hem dit, zeggend:
„Geef dat aan Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Het is goed voor duizend dollars goudgeld. Hij is bankier en mijn agent, en hij zal je uitbetalen.”
Kapitein Trefethen staarde ongeloovig op het bekrabbelde stukje papier.
„O, hij is er goed voor,” zei Henry.
„Ja, mijnheer, ik weet wel, mijnheer, dat mijnheer Francis Morgan bekend staat als een rijk heer. Maar hoe rijk is hij? Is hij even rijk als ik in alle bescheidenheid ben? Ik ben eigenaar van de Angélique heelemaal vrij van schuld. Ik bezit twee aandeelen in de stad Colon. En ik bezit vier aandeelen in de waterleiding van Belen, die mij rijk zullen maken, wanneer de United Fruit Company begint met den bouw van warenhuizen...”
„Wat heeft je vader je nagelaten, Francis?” vroeg Henry spottend. „Of, beter gezegd, hoeveel?”
Francis trok zijn schouders op, toen hij vaag antwoordde: „Meer dan ik vingers en teenen heb.”
„Dollars, mijnheer?” vroeg de kapitein.
Henry schudde heftig het hoofd.
„Duizenden, mijnheer?”
Weer schudde Henry het hoofd.
„Millioenen, mijnheer?”
„Nu begint het er op te lijken,” antwoordde Henry. „Mijnheer Francis Morgan is rijk genoeg om bijna de geheele Republiek Panama te koopen en het Kanaal op den koop toe.”
De Neger-Indianen-zeeman keek ongeloovig Enrico Solano aan, die antwoordde:
„Hij is een eerlijk man. Ik weet het. Ik heb een wissel van hem geïnd van duizend pesos bij Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Ze zitten daar in dien zak.”
Hij knikte met zijn hoofd in de richting van het strand, waar Leoncia midden tusschen de bagage, die met hen aan land gezet was, zich bezig hield met een Winchester-geweer te laden. De zak, die reeds lang de aandacht van den kapitein getrokken had, lag aan haar voeten in het zand.
„Ik reis niet graag kort bij kas,” legde Francis verlegen uit aan de blanke mannen, die bij de groep waren. „Je weet nooit, hoe je een dollar noodig kunt hebben. Ik kreeg een gebroken machine te Smith River Corners, op weg naar New-York, terwijl ik enkel een chèque-boek in mijn zak had en weet je, ik kon in de stad zelfs geen cigaret krijgen.”
„Ik heb eens een blanke mijnheer vertrouwd in Barbadoes, die mijn boot huurde om vliegende visschen te gaan vangen...” begon de kapitein.
„Dus, tot ziens, kapitein,” sneed Henry hem den pas af. „’t Was beter als je aan boord ging, want we gaan op stap.”
En Kapitein Trefethen, die de ruggen te zien kreeg van zijn vertrekkende passagiers, kon niet anders doen dan gehoorzamen. Hij hielp de boot afduwen, klom er in, nam den stuurriem en zette koers naar de Angélique. Van tijd tot tijd achterom kijkend, zag hij hoe het gezelschap op het strand de bagage op den schouder nam en verdween in den dichten groenen plantenmuur.
Zij kwamen uit op het begin van een open gedeelte en zagen ploegen inlanders, die aan het houthakken waren en de wortels uitroeiden van het maagdelijke tropische woud, zoodat daarvoor in de plaats rubberboomen geplant konden worden voor de fabricatie van automobielbanden. Leoncia liep voorop, naast haar vader. Haar broeders, Ricardo en Alesandro, die in het midden liepen, droegen de bagage, evenals Francis en Henry, die de achterhoede vormden. En deze vreemde optocht ontmoette een slanke, rechte, hidalgo-achtige, oude heer, die zijn paard over boomwortels en kuilen liet springen om hen te bereiken. Zoodra hij Enrico zag, sprong hij van zijn paard en nam, Leoncia herkennend, zijn sombrero af, stak zijn hand uit om Enrico als een oud vriend te begroeten, terwijl zijn lippen woorden vormden en zijn oogen zijn bewondering te kennen gaven voor Enrico’s dochter.
Het gesprek had plaats in een snelvuur van Spaansche woorden en de vraag naar paarden was gedaan en reeds toegestaan, eer de beide Morgans voorgesteld werden. Het paard van den haciendado was, volgens Latijnsch gebruik, onmiddellijk ter beschikking van Leoncia en, zonder veel complimenten, kortte hij de stijgbeugels in en hielp haar schrijlings in het zadel. Een veeziekte, zoo verklaarde hij, had zijn plantage beroofd van rijdieren; maar zijn eerste opzichter bezat nog een heel goed dier, dat ter beschikking van Enrico zou zijn, zoo gauw als het gehaald kon worden.
Zijn begroeting van Henry en Francis was hartelijk, zoowel als beleefd, daar hij een paar minuten noodig had, om te beweren, dat de vrienden van zijn waarde vriend Enrico ook zijn vrienden waren. Toen Enrico den haciendado vroeg over de paden naar de Cordilleras en over olie sprak, spitste Francis zijn ooren.
„U wilt me toch niet vertellen, senor,” begon hij, „dat ze olie gevonden hebben in Panama?”
„Het is zoo,” bevestigde de haciendado ernstig. „Wij kenden de oliebron en wisten al sedert generaties, dat die bestond. Maar het was de Hermosillo-Maatschappij, die heimelijk haar Gringo-ingenieurs hierheen zond en het land opkocht. Ze zeggen, dat het een uitgestrekt veld is. Maar ik ben zelf volstrekt niet op de hoogte van olie. Ze hebben verscheidene bronnen en hebben er nog meer geboord en ze krijgen zooveel olie, dat deze over het land wegloopt. Ze zeggen, dat ze het niet geheel kunnen stoppen, zoo groot is de voorraad en de drang, die er achterzit. Wat zij noodig hebben, zijn de leidingen voor het transport over den oceaan, die zij nu begonnen zijn te maken. Ondertusschen vloeit de olie weg door de ravijnen, wat een ongeloofelijk groot verlies beteekent.”
„Hebben ze tanks gebouwd?” vroeg Francis, wiens gedachten afgunstig dwaalden naar de Tampico-Petroleum, waarin hij het grootste gedeelte van zijn fortuin belegd had en waarvan hij, ondanks de stijgende koers, niets meer gehoord had sedert zijn vertrek uit New-York.
De haciendado schudde het hoofd.
„Het vervoer,” legde hij uit. „Het overbrengen van de zee naar de bronnen op muilezels is uitgesloten. Maar ze hebben het meeste vastgelegd. Zij hebben heele oliemeren, groote reservoirs in de laagten tusschen de heuvels, met aarden wallen afgedamd en nog kunnen zij den stroom niet keeren en nog steeds stroomt de kostbare vloeistof weg door de ravijnen.”
„Hebben ze deze reservoirs afgedekt?” vroeg Francis, die zich een noodlottige brand herinnerde in de eerste dagen der Tampico-Petroleum.
„Neen, senor.”
Francis schudde afkeurend het hoofd.
„Ze moesten afgedekt zijn,” zei hij. „Een lucifer, weggeworpen door de hand van een dronken of wraakzuchtigen inlander kon de heele boel in brand steken. ’t Is een armzalig werk, een armzalig werk.”
„Maar ik ben de Hermosillo-Maatschappij niet,” zei de haciendado.
„Ik bedoelde ook van de Hermosillo-Maatschappij, senor,” legde Francis uit. „Ik ben zelf een olie-man. Ik heb honderden en duizenden moeten betalen voor dergelijke ongelukken of misdaden. Men weet nooit precies, wat het is. Men weet alleen, dat ze gebeuren...”
Wat Francis nog meer had willen zeggen over het noodzakelijke van beschermende olie-reservoirs met het oog op stomme en kwaadwillige inlanders, zou men nooit te weten komen; want, op dat oogenblik, kwam de eerste opzichter der plantage, met een stok in de hand aanrijden, zijn belangstelling verdeeld, half over de nieuwe bezoekers en de andere helft over de groep inlanders, die vlakbij aan het werk was.
„Senor Ramirez, wilt u mij pleizier doen door af te stijgen,” sprak zijn werkgever, de haciendado, beleefd aan, tegelijkertijd hem, zoodra hij afgestegen was, aan de vreemdelingen voorstellend.
„Het paard is het uwe, vriend Enrico,” sprak de haciendado. „Mocht het sterven, zend mij dan alstublieft, wanneer het u gelegen komt, zadel en tuig terug. En als het u niet gelegen komt, herinner u dan alstublieft niet, dat er iets terug te zenden is, uitgezonderd dan altijd en immer, uw liefde voor mij. Het spijt mij, dat gij en uw gezelschap nu geen gebruik kunt maken van mijn gastvrijheid. Maar ik weet, dat de Chef een bloedhond is. Wij zullen ons best doen, om hem van uw spoor af te leiden.”
Leoncia en Enrico te paard en de bagage met leeren riemen vastgemaakt aan de zadels, ging de cavalcade op pad, terwijl Alesandro en Ricardo ieder een stijgbeugel omklemden van het zadel huns vaders en meedraafden. Dit was om grooter spoed te kunnen maken, en werd nagevolgd door Francis en Henry, die zich vastklemden aan Leoncia’s stijgbeugels. Aan den knop van haar zadel was de zak met zilveren dollars bevestigd.
„Het moet een vergissing zijn,” verklaarde de haciendado aan zijn opzichter. „Enrico Solano is een achtenswaardig man. Iedere zaak, waarin hij betrokken is, is een eerlijke zaak. Hij heeft deze zaak tot de zijne gemaakt, wat het ook zijn moge en nu is Mariano Vercara è Hyos hen op het spoor. Wij zullen hem om den tuin leiden, als hij dezen kant uitkomt.”
„En daar heb je hem al,” merkte de opzichter op, „zonder tot nog toe het geluk gehad te hebben om paarden te vinden.” Als toevallig keerde hij zich naar de werkende inlanders en spoorde hen, onder verschrikkelijke bedreigingen aan, om tenminste in een dag tijd het werk van een halven dag te doen.
Tersluiks hield de haciendado de snel voortschrijdende groep mannen in het oog, in wier voorhoede Alvarez Torres liep; maar, alsof hij hen niet gezien had, besprak hij met zijn opzichter de voordeelen van het uitgraven van dien bijzonderen stomp, waarmee de inlanders juist bezig waren.
Vroolijk beantwoordde hij de begroeting van Torres en vroeg beleefd, met een tikje boosaardigheid, of hij het gezelschap aanvoerde op de een of andere verkenningstocht naar olie.
„Neen, senor,” antwoordde Torres. „Wij zoeken Senor Enrico Solano, zijn dochter, zijn zoons en twee lange Gringos, die in hun gezelschap zijn. Die Gringos moeten we hebben. Kwamen ze hierlangs, senor?”
„Ja, ze zijn hierheen gekomen. Ik dacht, dat zij ook de olie-koorts te pakken hadden, zoo’n haast maakten zij, zoodat ze niet eens beleefd een praatje konden maken en zeggen, wat het doel hunner bestemming was. Hebben ze de een of andere misdaad begaan? Maar hoe kan ik dat vragen? Senor Enrico Solano is een veel te achtenswaardig man...”
„Welken kant gingen zij uit?” vroeg de Chef, ademloos zijn gendarmes vooruitloopend, die hij juist ingehaald had.
En terwijl de haciendado en zijn opzichter hen om den tuin leidden en uitvluchten zochten en een geheel verschillende richting aanwezen, merkte Torres een der inlanders op, die, op zijn schop geleund, aandachtig toeluisterde. En terwijl de Chef nog om den tuin geleid werd en bevel gaf om het valsche spoor te volgen, wierp Torres op eigen houtje den luisterenden inlander snel een zilveren dollar toe. De inlander knikte met zijn hoofd in de juiste richting, greep ongemerkt het geldstuk, en begon weer te graven aan den wortel van den reuzenstomp.
Torres veranderde het bevel van den Chef.
„Wij zullen den anderen kant uitgaan,” zei Torres, met een wenk aan den Chef. „Een vogeltje heeft mij verteld, dat onze vriend zich vergist en dat ze die richting genomen hebben.”
Toen de stoet vertrokken was langs het nog warme spoor, keken de haciendado en zijn opzichter elkander verbijsterd en verwonderd aan. De opzichter maakte met zijn lippen een beweging om tot stilte aan te manen en keerde zich toen bliksemsnel tot de groep werklui. De schuldige inlander werkte verwoed en geheel in zijn werk opgaande, maar een andere inlander, wees hem, met een nauwelijks merkbaar hoofdknikje, aan den opzichter aan.
„Hier hebben we het vogeltje,” riep de opzichter, met groote stappen op den verrader toeloopend en hem verwoed door elkander schuddend.
Uit de lompen van den inlander vloog een zilveren dollar te voorschijn.
„Aha,” zei de haciendado, den staat van zaken begrijpend. „Hij is plotseling rijk geworden. Het is verschrikkelijk, dat mijn inlanders rijk zouden zijn. Ongetwijfeld heeft hij voor dat geld iemand vermoord. Geef hem de noodige stokslagen en zorg, dat hij bekent.” Het schepsel bekende, op zijn knieën gelegen en terwijl de stok van den opzichter onophoudelijk neerdaalde op zijn hoofd en rug, wat hij gedaan had, om dien dollar te verdienen.
„Sla hem, geef hem er nog wat meer, sla hem dood, dat beest, dat mijn beste vrienden verraden heeft,” spoorde de haciendado lakoniek aan. „Maar neen—voorzichtig. Sla hem niet dood, maar bijna. Wij hebben op het oogenblik een te kort aan arbeidskrachten en kunnen dus niet den vrijen loop laten aan onzen rechtmatigen toorn. Sla hem, dat hij het flink voelt, maar toch zoo, dat hij maar een paar dagen niet werken kan.”
Van hetgeen den inlander onmiddellijk hierna overkwam, zou een boekdeel geschreven kunnen worden, dat men een heldendicht van zijn leven zou kunnen noemen. Doch het is minder aangenaam om een beschouwing te houden over iemand, die doodgeslagen wordt of daar lang bij stil te staan. Laat het u genoeg zijn wanneer ik vertel, dat hij, toen hij nog slechts een gedeelte van zijn straf ondergaan had, zich losrukte, met achterlating van de helft van zijn lompen in de greep van den opzichter en als een dolle naar de jungle vluchtte, het van den opzichter winnend, die niet gewend was aan een snelle beweging, behalve wanneer hij op den rug van zijn paard zat.