Drie Harten

Part 8

Chapter 83,975 wordsPublic domain

„Ik vraag excuus, mijnheer, zeer tevreden en zeer onderdanig,” viel Kapitein Trefethen hem vriendelijk in de rede. „Maar ik moet uw aandacht vragen voor mijn vroegere vraag, mijnheer, en wel: wie en wat is die cavalcade, die zoo gewichtig over het strand rijdt?”

„Die wilden mij gisteren ophangen,” lachte Francis. „En morgen zouden zij mijn bloedverwant, hier, ophangen. Maar we zijn hen te glad af geweest. En hier zijn we nu. Welnu, mijnheer de kapitein, ik roep je aandacht in voor je groote schooten, die in den wind fladderen. Je staat stil. Hoelang denk je nog hier in de buurt te blijven?”

„Mijnheer Morgan,” was het antwoord, „met den onderdanigsten eerbied wil ik u dienen als charterer van het schip. Maar toch moet ik er u op wijzen, dat ik Britsch onderdaan ben. Koning George is mijn koning, mijnheer, en ik ben in de eerste plaats gehoorzaamheid verschuldigd aan hem en aan zijn maritieme wetten, mijnheer. Ik begrijp heel goed, dat u aan wal de wetten overtreden hebt, want anders zouden die ambtenaren daar op den wal u niet zoo hardnekkig vervolgen, mijnheer. En het is even duidelijk, dat u nu verlangt, dat ik de maritieme wetten zal overtreden, door u te helpen om te ontsnappen. Dus ben ik, door mijn eer, verplicht, om hier te blijven tot deze kleine aangelegenheid, waarin u aan wal betrokken is, tot ieders genoegen geregeld is, mijnheer, en tot genoegen van mijn wettigen souverein.”

„Hijsch de zeilen en maak, dat je hier vandaan komt, stuurman,” viel Henry hem toornig in de rede.

„Mijnheer, met uw welnemen, moet ik u, tot mijn spijt, op twee dingen wijzen. Gij hebt deze boot niet gecharterd en evenmin zijt gij de edele Koning George, aan wien ik met hart en ziel verknocht ben.”

„Welnu, ik heb deze boot gecharterd, kapitein,” zei Francis opgewekt, want hij had geleerd, dat hij den man, met zijn gemengde woorden en gemengd bloed, niet moest prikkelen. „Wees dus zoo goed om je roer te wenden en ons buiten deze Chiriqui-Lagune te brengen, zoo snel als God en deze onbetrouwbare wind toelaten.”

„Het staat niet in onze overeenkomst, mijnheer, dat mijn Angélique de wetten van Panama en Koning George zal overtreden.”

„Ik zal je er goed voor betalen,” antwoordde Francis, die zijn geduld begon te verliezen. „Ga aan het werk.”

„U wilt dus opnieuw charteren, mijnheer, voor driemaal het tegenwoordige bedrag?”

Francis knikte kortaf.

„Een oogenblikje, mijnheer, alstublieft. Ik moet een pen en papier uit de hut halen en het stuk opstellen.”

„Hemeltje,” kreunde Francis. „Schiet op en breng ons eerst op gang. We kunnen het stuk even goed gereedmaken, terwijl we varen als nu we stilliggen. Kijk! Ze beginnen al te schieten.”

De kleurling-kapitein hoorde den knal en, het opgezette zeil onderzoekend, ontdekte hij het gat van den kogel boven bij den top van het grootzeil.

„Heel goed, mijnheer,” besloot hij. „U is een gentleman en een achtenswaardig mensch. Ik vertrouw, dat u uw handteekening zult zetten onder het stuk, zooals wij overeengekomen zijn.—Hé, neger! Wend het stuur! Vlug! Vooruit, zwarte schavuiten, vier de groote schooten! Help eens een handje, Percival, daar aan de laadboom!”

Allen gehoorzaamden, zoowel Percival, een grijnzende, waggelende Kingston-neger, die even zwart was als zijn naam blank, als een ander, die met meer eerbied werd aangesproken als Juan, die meer Spaansch en Indiaansch, dan negerbloed in zijn aderen had, zooals zijn lichtgele huid getuigde en wiens vingers, die den fokkeschoot vierden, even handig en teer waren als van een meisje.

„Sla dien nikker op zijn kop, als hij niet wat beter opschiet,” bromde Henry zachtjes tegen Francis. „Voor twee cent doe ik het onmiddellijk.”

Maar Francis schudde het hoofd.

„Hij heeft gelijk, maar hij is een Jamaïca-neger en je weet, wat dat zeggen wil. En hij is even goed een Indiaan. We doen het beste door hem in een goed humeur te houden, dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Hij bedoelt het goed, maar hij heeft geld noodig, waagt zijn schoener er aan om in beslag genomen te worden en hij is behept met vocabularitis. Hij moet nu eenmaal zoo lang van stijl zijn of hij wil of niet.”

Op dit oogenblik naderde Enrico Solano, met trillende neusvleugels en de vingers aan zijn geweer, terwijl hij met een half oog de, in het wilde afgeschoten kogels volgde, die op het strand afgevuurd werden, Henry en strekte zijn hand uit.

„Ik heb een ernstige vergissing begaan, Senor Morgan,” zei hij. „In de eerste droefheid over den dood van mijn geliefden broeder, Alfaro, dacht ik, dat gij schuldig waart aan den moord.” Bij deze woorden flikkerden de oogen van den ouden Enrico met een verterend, onuitdoofbaar vuur. „Want een moord was het, een laaghartige, laffe moord, een steek in den rug in het duister. Ik had het beter moeten weten. Maar ik was overstelpt en de bewijzen waren allemaal tegen je. Ik dacht er geen oogenblik aan, dat mijn teer beminde, eenige dochter je verloofde was; dacht er geen oogenblik aan, dat ik je niet anders had leeren kennen, dan als oprecht, mannelijk en moedig, als iemand, die nooit in het donker in hinderlaag zal gaan liggen. Ik heb er berouw over. Het spijt mij. En ik ben er trots op, je nogmaals in onze familie welkom te heeten als de aanstaande echtgenoot van mijn Leoncia.”

En terwijl Henry Morgan van ganscher harte weer in de familie Solano opgenomen werd, ergerde het Leoncia, dat haar vader, op Latijnsch-Amerikaansche wijze, zooveel mooie woorden en zinnen moest gebruiken, waar één enkele zin, één handdruk en één oprechten blik in de oogen alleen al voldoende zouden zijn geweest en was overtuigd, dat noch Henry, noch Francis zooveel woorden verspild zouden hebben, wanneer de situatie juist andersom geweest was. Waarom toch, vroeg zij zich af, waarom toch, moest haar Spaansche familie, in zoo’n overvloed van woorden, een dergelijke buitensporigheid van den Jamaïca-neger navolgen?

Terwijl deze vernieuwing der verloving tusschen Henry en Leoncia plaats had, merkte Francis, die zijn best deed om een onverschillig gezicht te zetten, op, dat de bleekgele matroos, Juan genaamd, in gesprek met de andere leden der bemanning, veelbeteekenend zijn schouders optrok en druk met zijn handen gesticuleerde.

HOOFDSTUK VII.

„En nu zijn alle twee die Gringo-zwijnen ons ontsnapt,” klaagde Alvarez Torres op het strand, toen, terwijl het briesje een weinig in kracht toenam en de zeilen zich bolden, de Angélique buiten het bereik van hun geweren kwam.

„Ik zou haast drie klokken in de kathedraal willen geven,” verklaarde Mariano Vercara è Hyos, „wanneer ik ze op een honderd meter afstand vóór mijn geweer had. En als ik mijn zin had, zouden alle Gringos zoo snel om zeep gaan, dat de duivels in de hel genoodzaakt zouden zijn om Engelsch te leeren.”

Alvarez Torres sloeg van louter onmachtige woede en teleurstelling met de hand op den zadelknop.

„De Koningin mijner Droomen,” weende hij bijna. „Zij is verdwenen, weggegaan met de beide Morgans. Ik zag haar tegen den kant der schoener opklauteren. En dan is er nog die Regan in New-York. Eenmaal buiten de Chiriqui-Lagune, kan de schoener regelrecht koers zetten naar New-York. En dat varken van een Francis is geen maand opgehouden, en Senor Regan zal geen geld geven.”

„Zij zullen de Chiriqui-Lagune niet verlaten,” zei de Chef plechtig. „Ik ben geen onredelijk dier. Ik ben een man. Ik weet, dat ze er niet uit zullen komen. Heb ik hen geen eeuwige wraak gezworen. De zon gaat onder en de nacht belooft niet veel wind te zullen brengen. Dat kan iemand met een half oog aan de lucht zien. Kijk maar eens naar die langzaam voortdrijvende wolkjes. De wind, die er zijn zal, en dat zal weinig genoeg zijn, zal uit het Noordoosten komen. Het zal een toer zijn om Chorrera-Passage te bereiken. Ze zullen het niet probeeren. Die nikker-kapitein kent de lagune op zijn duimpje. Hij zal trachten er uit te komen langs Bocas del Toro, of door de Cartago-Passage. Maar al doet hij dat, dan zullen we hem toch wel krijgen. Ik heb ook hersenen, verstand. Verstand. Luister! Het is een lange rit. We zullen het klaarspelen—regelrecht langs de kust naar Las Palmas. Kapitein Rosaro ligt daar met de Dolores.”

„Die oude tweedehandsche stoomsleeper?—die niet uit de voeten kan komen?” vroeg Torres.

„Maar die in dezen windstillen nacht en morgen de Angélique zal vangen,” antwoordde de Chef. „Vooruit, kameraden! We zullen rijden! Kapitein Rosaro is mijn vriend. Er bestaat geen gunst, of ik hoef ze hem maar te vragen.”

Toen het daglicht aanbrak, strompelden de uitgeputte mannen op afgejakkerde paarden door het vervallen dorp Las Palmas en over de vervallen pier, waar een zeer vervallen stoomsleeper, die hoog noodig eens geverfd moest worden, zich aan hun oogen vertoonde. Een rookwolkje, dat uit de pijp opsteeg, bewees, dat ze onder stoom lag en de Chef was uitgelaten van vreugde.

„Goeden morgen, Senor Kapitein Rosaro, blij je te zien,” begroette hij den verweerden Spaanschen kapitein, die op een rol touw zat en zwarte koffie dronk uit een kroes, die tegen zijn tanden rinkelde.

„Het zou een nog betere morgen zijn, wanneer die vervloekte koorts mij niet te pakken had,” bromde Kapitein Rosaro gemelijk, terwijl de hand, die de kroes vasthield, zijn arm en zijn heele lichaam zoo vreeselijk bibberden, dat de heete vloeistof langs zijn kin en in het grauwe haar liep, dat zijn half-naakte borst bedekte. „Dat is voor jou, hellebeest!” riep hij, kroes en inhoud naar een jongen kleurling, blijkbaar zijn bediende, slingerend, die zijn leedvermaak niet had kunnen verbergen.

„Maar de zon zal opgaan en de koorts uitwerken en weer wegtrekken,” zei de Chef, de misnoegde uitbarsting beleefd over het hoofd ziende. „En je bent hier klaar en bestemd voor Bocas del Toro en wij zullen met je meegaan, allemaal, op een zonderling avontuur. Wij willen den schoener Angélique oppikken, die vannacht door de windstilte opgehouden werd in de lagune, en ik zal verscheidene arrestaties doen en heel Panama zal vervuld zijn van uw moed en handigheid, Kapitein, en je zult vergeten, wat de koorts je ooit mocht influisteren.”

„Hoeveel?” vroeg Kapitein Rosaro ronduit.

„Hoeveel?” herhaalde de Chef verwonderd. „Dit is een rijksaangelegenheid, waarde vriend. En het is juist in je weg naar Bocas del Toro. Het zal je geen extra schep kolen kosten.”

„Muchacho! Meer koffie!” bulderde de kapitein van den stoomsleeper tegen den jongen.

Er ontstond een pauze, waarin Torres en de Chef en het heele uitgeputte gevolg snakte naar de gloeiend heete koffie, die de jongen bracht. Kapitein Rosaro liet den rand van de kroes tegen zijn tanden rammelen als een paar castagnetten, maar slaagde er in om zonder morsen te drinken of zijn mond te branden.

Een Zweed met een droefgeestig gezicht, in een vettige jas en een vuile muts, waarop „Machinist” te lezen stond, kwam van beneden, stak een pijp aan en scheen in een standbeeld te veranderen, toen hij op de lage verschansing ging zitten.

„Hoeveel?” herhaalde Kapitein Rosaro.

„Laten we op weg gaan, waarde vriend,” zei de Chef. „En dan, wanneer de koortsaanval voorbij is, zullen wij verstandig over de zaak spreken; we zijn toch immers redelijke wezens en geen dieren.”

„Hoeveel?” herhaalde Kapitein Rosaro weer. „Ik ben nooit een dier. Ik ben altijd een redelijk wezen, of de zon op is of niet, of wanneer die driemaal vervloekte koorts mij te pakken heeft. Hoeveel?”

„Wel, laten we vertrekken en hoeveel moet je hebben?” besloot de Chef knorrig.

„Vijftig dollars goudgeld,” was het prompte antwoord.

„Je vertrekt toch in ieder geval, nietwaar, kapitein?” vroeg Torres vriendelijk.

„Vijftig—goudgeld, zooals ik gezegd heb.”

De Chef van Politie stak met een wanhopig gebaar zijn handen omhoog en draaide zich op zijn hielen om, om heen te gaan.

„En gij hebt eeuwige wraak gezworen voor de misdaad, aan uw gevangenis gepleegd,” herinnerde Torres hem.

„Maar niet, wanneer het vijftig dollars kost,” snauwde de Chef terug, steelsgewijze den bibberenden kapitein in het oog houdend, of deze ook eenig teeken van toenadering gaf.

„Vijftig dollars goudgeld,” zei de kapitein, toen hij zijn kroes leeggedronken had en met bevende vingers een cigaret trachtte te rollen. Hij knikte met zijn hoofd in de richting van den Zweed en voegde er bij: „En vijf dollars goudgeld extra voor mijn machinist. Dat is zoo onze gewoonte.”

Torres liep op den Chef toe en fluisterde:

„Ik zal zelf de sleeper betalen en er den Gringo Regan honderd dollars voor in rekening brengen, dan deelen we samen het verschil. Wij verliezen niets. We zullen het klaarspelen. Want dit zwijn van een Regan droeg mij op om geen onkosten te sparen.”

Toen de zon haar vurig gelaat boven den horizon verhief, keerde een gendarme met de afgejakkerde paarden naar Las Palmas terug, terwijl het overige gezelschap afdaalde naar het dek van den sleeper, de Zweed wegdook in de machinekamer en Kapitein Rosaro, zich verwarmend in de weldadige zonnestralen, den matrozen beval de lijnen los te gooien en een hunner aan het wiel zette in den stuurstoel.

En dezelfde dageraad vond de Angélique, na een nacht van bijna volstrekte windstilte, nog in de buurt van het vasteland, vanwaar ze niet had kunnen wegkomen, ofschoon ze voldoende Noordwaarts gedreven was om halverwege San Antonio en de vaargeulen van Bocas del Toro en Cartago te zijn. Deze twee doorgangen naar het ruime sop lagen nog op vijf en twintig mijlen afstand en de schoener sliep als het ware op het spiegelgladde oppervlak der vredige lagune. Daar het beneden te benauwd was om te slapen, hier in deze gloeiend heete tropische streken, was het dek bezaaid met slapers. Boven op het smalle kajuitdak lag eenzaam Leoncia. In de nauwe doorgangen aan beide zijden lagen haar broeders en haar vader. Achter, tusschen de kajuitstrap en het roer, lagen de beide Morgans, zij aan zij, Francis met zijn arm om Henry’s schouder geslagen, alsof hij hem nog moest beschermen. Aan de eene zijde van het stuurrad, zijn armen op de knieën en zijn hoofd op de armen rustend, sliep de Neger-Indianen-kapitein, en in precies dezelfde houding, aan de andere zijde, sliep de roerganger, die niemand anders was dan Percival, de zwarte Kingston-neger. Het middenschip was bezaaid met de lichamen der matrozen van gemengd ras, terwijl voor, op de kleine voorplecht, de uitkijk, vooroverliggend, met zijn gelaat in zijn gekruiste armen verborgen, sliep.

Leoncia, op haar verheven plaats boven op het dak der hut, ontwaakte het eerst. Haar hoofd op de hand steunend, en met haar elleboog rustend op een stukje van de poncho, waarop ze lag, keek zij langs de eene zijde der kajuitstrap neer op de beide jongemannen. Zij gevoelde medelijden met hen, die zoozeer op elkander geleken, en wist, dat zij hen allebei liefhad, herinnerde zich Henry’s kussen op haar mond, huiverde tot haar eigen gedachten haar wangen deden blozen bij de herinnering van Francis’ kussen, en was verwonderd en verbaasd, dat het haar mogelijk was om twee mannen tegelijkertijd lief te hebben. Zooals zij reeds zichzelf had moeten bekennen, zou ze Henry willen volgen naar het einde der wereld en Francis zelfs nog verder. En ze kon zoo’n wispelturige liefde niet begrijpen.

Om haar eigen gedachten, die haar verschrikten, te ontvluchten, strekte zij haar arm uit en liet het uiteinde van haar zijden sjaal over Francis’ neus kriebelen, die na enkele onrustige bewegingen, nog altijd in diepe rust, met zijn hand sloeg naar hetgeen hij dacht, dat een mug of vlieg was, en Henry op zijn borst trof. Zoo kwam het, dat Henry het eerst wakker werd. Hij ging zoo plotseling overeind zitten, dat hij Francis ook wakker maakte.

„Goeden morgen, mijn vroolijke bloedverwant,” klonk Francis’ begroeting. „Waarom ben je zoo woest?”

„Morgen, morgen en nog eens morgen, kameraad,” mompelde Henry. „Je slaap was zoo verwoed, dat jij me wakker maakte met een stomp op mijn borst. Ik dacht, dat het de beul was, want dit is de morgen, waarop ze me wilden ophangen.” Hij geeuwde, rekte zich uit, keek over de verschansing naar de slapende zee en stootte Francis zachtjes aan om hem opmerkzaam te maken op den slapenden kapitein en roerganger.

Ze zagen er zoo vroolijk uit, deze twee Morgans, dacht Leoncia, en verwonderde zich er tegelijkertijd over, dat zij onwillekeurig in den geest hier het Engelsche woord voor gebruikte, in plaats van een gelijkluidende Spaansche uitdrukking. Was dit, omdat haar hart zoo geheel uitging naar deze twee Gringos, dat zij in hun eigen taal aan hen moest denken, inplaats van in haar moedertaal?

Om zich aan haar verwarrende gedachten te onttrekken, liet ze de sjaal weer zakken, werd ontdekt en bekende lachend, dat zij het was, die hen zoo gewelddadig had doen ontwaken.

Drie uur later, toen het ontbijt, bestaande uit koffie en vruchten, genuttigd was, stond zij aan het stuurrad en ontving onder leiding van Francis haar eerste les in het sturen op het kompas. De Angélique, voortgedreven door een briesje, dat vrijwel naar het Noorden geloopen was, schoot op het oogenblik door het water met een vaart van zes knoopen. Henry, die heen en weer liep op de loefzijde van het achterdek en de zee met zijn kijker onderzocht, deed zijn best om niet te letten op die les, ofschoon hij heimelijk woedend was op zichzelf, dat hij niet op het idee gekomen was om haar in te wijden in de geheimen van het wachthuisje en stuurrad. Toch waakte hij er zorgvuldig voor om rond te kijken of ook maar een blik te wagen in de richting van het tweetal. Maar Kapitein Trefethen, die de wreede nieuwsgierigheid bezat van den Indiaan en de onbeschaamdheid van den neger-onderdaan van Koning George, kende een dergelijke fijngevoeligheid niet. Hij keek hen openlijk aan en er ontging hem niets van de geheimzinnige kracht, die zijn charterer en dit mooie Spaansche meisje tot elkander trok. Wanneer ze zich over het stuurrad bogen om in het wachthuisje te kijken, leunden zij tegen elkander aan en Leoncia’s haar streek langs Francis’ wang. En het drietal, zijzelven en de kleurling-kapitein, kenden de aandoening, die een dergelijke aanraking vergezelde. Maar de man en de vrouw wisten onmiddellijk wat de kleurling-kapitein niet wist, en deze wetenschap maakte hen verlegen. In een oogwenk van stomme verbazing ontmoetten hun oogen elkander en dwaalden toen, schuldbewust, af en naar den grond. Francis sprak heel snel en hard genoeg, dat de halve schoener het kon hooren, toen hij uitlegging gaf van het kompas. Maar Kapitein Trefethen grinnikte.

Een sterker windstootje was oorzaak, dat Francis het stuurrad omdraaide. Zijn hand, die hij op de spaken legde, rustte op haar hand, die het stuurrad reeds vasthield. Weer huiverden zij en weer grinnikte de kapitein.

Leoncia’s oogen werden opgeslagen naar Francis en dwaalden toen, in verwarring, weer naar beneden. Zij trok zacht haar hand onder de zijne weg en eindigde de les door langzaam weg te loopen, alsof dit heel toevallig geschiedde en het stuurrad en het kompas haar geen belangstelling inboezemden. Maar zij liet Francis achter met het beschamend gevoel, dat hij kende als onwettig en verraderlijk, wanneer hij keek naar Henry’s schouder en profiel en hoopte, dat deze niet gezien had, wat er gebeurd was. Leoncia, die oogenschijnlijk over de lagune naar den, met jungle begroeiden oever keek, zag echter niets, terwijl zij, in gedachten verdiept, haar verlovingsring aan haar vinger om en om draaide.

Maar Henry, die zich omkeerde om hen te vertellen, dat hij een rookwolkje ontdekt had aan den horizon, zag dit onwillekeurig. En de Neger-Indianen-kapitein zei, dat hij het gezien had. Dus boog de kapitein zich naar hem toe en terwijl de wreedheid van den Indiaan de overhand kreeg over de onbeschaamdheid van den neger, zei hij op zachten toon:

„O, wees niet zoo neerslachtig, mijnheer. De senorita heeft een edelmoedig hart. Er is voldoende plaats in haar hart voor allebei de heeren.”

En in het volgend onderdeel eener seconde leerde hij de onvermijdelijke en onveranderlijke les, dat men zich niet moet bemoeien met de bijzondere aangelegenheden van blanke mannen, want hij lag op zijn rug, zijn achterhoofd pijnlijk door de aanraking met het dek, de voorkant van zijn hoofd, tusschen de oogen, pijnlijk door de botsing met de knokkels van Henry Morgans rechterhand.

Maar de Indiaan in den kapitein was opgewekt en hij sprong woedend overeind, met zijn mes in de hand. Juan, de lichtgele halfbloed, sprong aan de zijde van den kapitein, een ander mes zwaaiend, terwijl verscheidene der in de buurt zijnde matrozen zich bij hen voegden en een halven cirkel om Henry vormden, die snel een stap achteruit deed en met een opwaartschen slag van zijn hand, naar een met ijzer beslagen drevel, hem lossloeg en de lucht in deed vliegen. Dezen grijpend, in zijn vlucht, was hij gereed om zich te verdedigen. Francis verliet het stuurrad en zijn automatisch pistool trekkend, terwijl hij naar hem toesprong, drong door den kring heen, zoodat hij naast Henry kwam.

„Wat heeft hij gezegd?” vroeg Francis aan zijn bloedverwant.

„Ik zal zeggen, wat ik gezegd heb,” dreigde de kleurling-kapitein, wiens negernatuur de overhand nam, nu hij de kans zag om een losgeld te bemachtigen. „Ik zei...”

„Houd je mond, stuurman,” viel Henry hem in de rede. „Het spijt me, dat ik je geslagen heb. Houd je mond. Zet een klem op je lippen. Vergeet het. Het spijt mij, dat ik je sloeg. Ik...” Henry Morgan kon er niets aan doen, dat hij een oogenblik op moest houden met spreken, eer hij de woorden kon uiten, die hij ging zeggen. En het was enkel terwille van Leoncia en omdat zij toekeek en luisterde, dat hij ze sprak: „Ik... ik vraag excuus, kapitein.”

„Het is een beleediging,” verklaarde Kapitein Trefethen norsch. „Het is mishandeling. Niemand mag een onderdaan van Koning George, dien God moge zegenen, mishandelen, zonder hem daarvoor geldelijk schadeloos te stellen.”

Bij deze openlijke poging tot geldafpersing, vergat Henry weer bijna zich zelf en stond op het punt om op den kerel toe te springen. Maar tegengehouden door Francis’ hand, die op zijn schouder gelegd werd, bedwong hij zich, maakte een geluid, dat veel geleek op een hartelijke lach, grabbelde in zijn zak naar twee goudstukken van tien dollar en wierp deze, alsof ze hem brandden, in de hand van Kapitein Trefethen.

„Nogal geen hooge prijs,” kon hij niet nalaten om hardop te mompelen.

„Het is een goede prijs,” bekrachtigde de kapitein. „Twintig dollars goudgeld is altijd een goede prijs voor een pijnlijk hoofd. Ik ben tot uw dienst, mijnheer. Gij zijt op en top een gentleman. U mag mij voor dien prijs altijd een klap geven.”

„Mij ook, mijnheer, mij ook!” solliciteerde de Kingston-neger, genaamd Percival, met een breeden en schaamteloozen grijns van onderdanigheid. „Geef me een klap, mijnheer, voor denzelfden prijs, wanneer u wilt, nu. En u mag me zoo dikwijls slaan als u wilt...”

Maar nu zou er een einde komen aan dit tooneel, want op dat oogenblik riep een matroos midscheeps:

„Rook! De rook van een stoomboot recht achter ons!”

Na verloop van een uur ontdekten zij van welken aard en van welk belang deze rook was, want de Angélique, die door windstilte overvallen was, werd zoo snel ingehaald, dat de sleepboot Dolores door den kijker op een halve mijl afstand gezien kon worden, en haar kleine voorschip, dat als het ware overladen was met gewapende mannen. Zoowel Henry als Francis konden het gelaat herkennen van den Chef van Politie en verscheidene zijner gendarmes.

De neusgaten van den ouden Enrico Solano verwijdden zich, toen hij, met zijn vier zoons, die aan boord waren, zich op het achterschip gereed maakte voor den strijd. Leoncia, wier gevoelens verdeeld waren tusschen Henry en Francis, was heimelijk verstrooid, ofschoon ze deelde in het gelach over de armzalige kleine sleepboot en zich verheugde over een vleugje wind, dat de Angélique schuimend, met een vaart van negen mijlen door het water joeg. Maar weer en wind waren wisselvallig. De oppervlakte van de lagune werd beurtelings door windvlagen gerimpeld en lag dan weer onbeweeglijk stil.