Part 28
Het einde was voor Torres en den Chef nog slechts een kwestie van enkele oogenblikken, toen een luid gekraak van den berg, gevolgd door een neerstortende rotslawine, de aandacht afleidde. De weinige Verloren Zielen, die nog in leven gebleven waren, verdwenen in doodsangst in de beschuttende kreupelboschjes. De Chef en Torres, die alleen nog op de been waren en ademden, vestigden hun oogen op de rots, waar de rook nog steeds te voorschijn kwam uit het pas gemaakte gat, en zagen Henry Morgan en de Koningin op den rand der rots in den zonneschijn naar buiten stappen.
„Jij neemt de dame,” snoof de Chef. „Ik zal met dien Gringo Morgan afrekenen, als is dit ook de laatste daad van een leven, dat oogenschijnlijk niet lang meer zal duren.”
Beide hieven hun geweer op en vuurden. Torres, die nooit heel zeker was van zijn schot, zond zijn kogel goedgemikt in de borst der Koningin. Maar de Chef, kampioen-schutter en bezitter van talrijke medailles, miste zijn doel heelemaal. Het volgend oogenblik, trof een kogel uit Henry’s geweer zijn pols, vloog door den benedenarm tot aan den elleboog, waar hij er weer uitdrong en zijn weg vervolgde. En toen zijn geweer kletterend op den grond viel, wist hij, dat die rechterarm, waarvan het been van de pols tot aan den elleboog verbrijzeld was, nooit meer een geweer zou hanteeren.
Maar Henry schoot niet best. Juist naar buiten gekomen na een verblijf van vierentwintig uur in een duister hol, waren zijn oogen nog niet gewend aan het verblindende zonnelicht. Zijn eerste schot was gelukkig geweest. Zijn volgende schoten troffen enkel de onmiddellijke omgeving van den Chef en Torres, toen zij zich omkeerden en, als dollen, het kreupelbosch invluchtten.
Tien minuten later, terwijl de gewonde Chef vooruit liep, zag Torres een vrouw der Verloren Zielen achter een boom te voorschijn springen en hem met een reuzensteen, die ze in beide haar handen zwaaide, den schedel inslaan. Torres schoot haar eerst neer, bekruiste zich toen verschrikt en strompelde verder. Achter hem hoorde hij in de verte het geroep van Henry en de gebroeders Solano, die hem vervolgden, en hij herinnerde zich het visioen van zijn dood, dat hij vluchtig aanschouwd, maar geweigerd had te zien in den Spiegel der Wereld en vroeg zich verwonderd af, of dit einde nu nabij was. Toch had het niet geleken op deze plek met boomen, varens en jungle. Uit hetgeen hij vluchtig aanschouwd had, kon hij zich geen plantengroei herinneren—enkel hechte rots, brandende zonneschijn en beenderen van dieren. De hoop ontwaakte weer bij deze gedachte. Misschien was dit einde hem dezen dag nog niet beschoren, misschien nog niet eens in dit jaar. Wie kon het zeggen? Het kon nog best twintig jaren duren, eer dit einde kwam.
De jungle verlatend, kwam hij op een vreemde rots, gevormd uit wat reeds lang verteerde lavasteen geleek. Hier liet hij geen spoor achter en hij liep er voorzichtig overheen naar de verder gelegen jungle, weer eens vertrouwend op zijn goed gesternte, dat hem ook ditmaal in staat zou stellen om te ontsnappen. Zijn ontvluchtingsplan begon vorm aan te nemen. Hij zou een veilige schuilplaats zien te vinden tot het donker werd. Dan zou hij terugkeeren naar het meer en de draaikolk. Eenmaal daar gekomen, zou niets en niemand hem tegen kunnen houden. Hij hoefde er slechts in te springen. De onderaardsche reis had niets verschrikkelijks meer voor hem, nu hij haar eens gedaan had. En in zijn verbeelding zag hij weer het liefelijk beeld der Gualaca-Rivier, die schitterde onder den vrijen hemel op haar weg naar zee. Bovendien, droeg hij de twee groote smaragden en twee groote robijnen niet bij zich, die de oogen geweest waren van Chia en Hzatzl? Fortuin genoeg en zeker, goed fortuin ook, voor wie ook ter wereld. Wat kon het schelen, dat hij niet de rijkste man ter wereld geworden was, doordat de Maya-Schat hem ontgaan was? Hij was tevreden. Al, wat hij nu noodig had, was duisternis en een laatste onderdompeling in het hart van den berg en door het hart van den berg naar de Gualaca, die naar zee stroomde. En juist op dat oogenblik, toen hij het visioen van zijn vlucht zoo duidelijk voor oogen had, lette hij niet op den weg onder zijn voeten en maakte een duikeling. Maar het was geen onderdompeling in een draaikolk. Het was een duikeling, voorover, op het vasteland van een rotshelling. Deze was zoo glibberig, dat hij voort bleef glijden, ofschoon hij er in slaagde zich om te keeren, zoodat hij met gezicht en buik naar de oppervlakte lag en deed woeste pogingen om zich met handen en voeten vast te klemmen. Deze pogingen verminderden enkel zijn vaart, maar konden hem niet tot stilstand brengen.
Op de bodem aangekomen, bleef hij een oogenblik ademloos en versuft liggen. Toen hij weer bij zinnen kwam, was het eerste, wat hij merkte, dat zijn hand op iets vreemds rustte. Hij had er een eed op willen doen, dat hij tanden voelde. Ten slotte, huiverend zijn oogen openend en al zijn moed bijeenrapend, waagde hij het om naar het voorwerp te kijken. En onmiddellijk voelde hij zich verlicht. Het waren tanden, een echt, verbleekt kakebeen; maar het waren varkenstanden en het kakebeen was van een varken. Er lagen nog meer beenderen in de buurt van zijn lichaam, die, na een ingesteld onderzoek, beenderen van varkens en kleinere dieren bleken te zijn.
Waar had hij toch al meer zoo’n verzameling beenderen gezien? Hij dacht na en herinnerde zich den grooten, gouden bokaal der Koningin. Hij keek op. O, Heilige Moeder Gods! Dit was dezelfde plaats! Hij herkende het op het eerste gezicht, toen hij den trechter zag, waarboven in de verte het daglicht scheen. Volle tweehonderd voet boven hem was de rand van den trechter. De harde, gladde rotskanten helden steil naar hem af en zijn oogen en verstand zeiden hem, dat geen man, uit een vrouw geboren, ooit tegen die helling kon opklimmen.
Het denkbeeld, dat in zijn geest oprees, deed hem plotseling in panischen schrik overeind springen en snel om zich heen kijken. Alleen op grootere schaal, herinnerde de trechter, waarin hij gevangen zat, hem aan de trechtervallen, door jachtspinnen in het zand gegraven, die op den bodem zaten te loeren naar de prooi, die er in zou vallen. En, nu zijn levendige verbeelding eenmaal opgewekt was, werd hij verschrikt door de gedachte, dat een monsterspin, even groot als de trechterval, misschien op hem zat te loeren om hem te verslinden. Maar er verscheen geen dergelijke bewoner. De bodem der Val, die rond van vorm was, had een doorsnee van een goede tien voet en was bedekt, hij wist niet hoe dik, door de overblijfselen van beenderen van kleinere dieren. Waarom hadden de oude Mayas zoo’n reusachtig hol gegraven? vroeg hij zich af; want hij was er meer dan half van overtuigd, dat de trechter geen natuurverschijnsel was.
Voor het donker werd, had hij door een dozijn pogingen uitgemaakt, dat het onmogelijk was om uit den trechter te klimmen. Tusschen de verschillende pogingen door hurkte hij neer in de, steeds grooter wordende, schaduw der ondergaande zon en hijgde met brandende lippen van warmte en dorst. De plaats was een ware oven, en zijn lichaamsvochten werden door het voortdurende transpireeren uit hem geperst. Den geheelen nacht door, met kleine tusschenpoozen, waarin hij indommelde, peinsde hij tevergeefs over het vraagstuk, hoe te ontsnappen. De eenige uitweg was naar boven, maar hij kon geen enkele methode uitdenken om naar boven te komen. Bovendien verwachtte hij met schrik het aanbreken van den dag, want hij wist, dat geen mensch volle tien uren gloeiende hitte, zooals dan zijn deel zou worden, kon doorstaan. Eer de avond weer viel, zou de laatste druppel vocht uit zijn lichaam verdwenen zijn, en hem als een gerimpelde en reeds half door de zon verdroogde mummie achterlaten.
Met het aanbreken van den dag nam zijn angst reuzensnel toe, en hij bedacht een nieuwe en zeer eenvoudige theorie om te ontsnappen. Daar hij niet naar boven kon klimmen en ook niet door de zijwanden kon dringen, was de eenige weg, die overbleef, naar beneden. Dwaas, die hij was! Hij had gedurende de koele nachtelijke uren kunnen werken en nu moest hij het doen in de snel toenemende hitte. Hij werkte zich op tot een extase van energie om door de massa verteerde beenderen heen te graven. Natuurlijk moest daar een uitweg zijn. Hoe kon anders de put droog zijn? Anders zou hij vol of gedeeltelijk gevuld zijn met het regenwater. Dwaas! Driemaal driedubbele dwaas!
Hij groef aan den eenen kant van den muur, de afval in een hoop tegen den anderen kant gooiend. Zoo wanhopig ging hij te werk, dat hij zijn nagels tot in het leven afbrak, terwijl ieder vingertop doorgeschaafd was en bloedde. Maar de liefde tot het leven beheerschte hem in sterke mate en hij wist, dat het een strijd was op leven en dood met de zon. Toen hij dieper kwam, werd de afval steviger, zoodat hij den loop van zijn geweer als breekijzer gebruikte en het losgewerkte vuil met handenvol opschepte.
Toen de voormiddag half om was en zijn hoofd begon te duizelen van de hitte, deed hij een ontdekking. Op den muur, dien hij ontbloot had, ontdekte hij het begin van een opschrift, blijkbaar met de punt van een mes ruw in de rots gekrast. Met vernieuwde hoop, hoofd en schouders in het gat, groef en krabde hij als een hond, het vuil als een hond er uit en tusschen zijn beenen doorgooiend. Een gedeelte ervan viel buiten den kuil, maar het meeste viel terug en op hem. Maar hij was nu te ver heen, om het nuttelooze van zijn poging in te zien.
Eindelijk was het opschrift vrij, zoodat hij kon lezen:
Peter McGill uit Glasgow. 12 Maart 1820. Ik ontsnapte uit den Put des Duivels door dezen gang, door in de diepte te graven, waar ik hem vond.
Een gang! Deze gang moest onder het opschrift liggen! Torres werkte nu verwoed door. Hij zat zóó onder het vuil, dat hij geleek op een reusachtig, viervoetig, in de aarde wroetend dier. Het vuil kwam nu en dan in zijn oogen, in zijn neusgaten en luchtwegen, waardoor hij haast stikte en genoodzaakt was om den kuil uit te gaan en door snuiten en hoesten zijn ademhalingsapparaat weer vrij te maken. Tweemaal werd hij bewusteloos. Maar de zon, die nu bijna loodrecht boven hem stond, spoorde hem aan.
Hij bereikte de bovenste rand van den gang. Hij groef niet verder tot den ondersten rand, want zoodra de opening groot genoeg was om zijn lenige gestalte door te laten, wrikte en wrong hij zich erin en weg van de vernietigende zonnestralen. De koelte en de duisternis kalmeerden hem, maar zijn blijdschap en de reactie, van wat hij ondergaan had, deden hem voor de derde maal in zwijm vallen.
Weer bijgekomen en met zwarte, gezwollen lippen een onzinnig lied van dankbaarheid en dankzegging uitstootend, krabbelde hij verder door den gang. Hij moest wel krabbelen, want de gang was zóó laag, dat een dwerg er niet rechtop in had kunnen staan. De plaats was een knekelhuis. Beenderen kraakten en verbrokkelden onder zijn handen en knieën, en hij wist, dat zijn knieën tot op het been opengereten werden. Na een honderd voet afgelegd te hebben, zag hij de eerste lichtschemering. Maar hoe meer hij de vrijheid naderde, hoe langzamer hij vorderde, want hij kwam in het laatste stadium van uitputting. Hij wist dat het geen lichamelijke uitputting was, of van honger, maar hij was uitgeput door dorst. Water, een paar ons water, was al wat hij noodig had om hem weer sterk te maken. En er was geen water.
Maar het licht werd sterker en kwam nader. Hij merkte op het laatst, dat de vloer van den gang met een hoek van dertig graden naar beneden liep. Dit maakte zijn weg gemakkelijker. Zijn gewicht dreef hem voort naar de bron van het licht en hielp ieder zijner zwakke bewegingen. Zeer dicht erbij gekomen, merkte hij, dat de voorraad beenderen grooter werd. Toch trok hij zich hier weinig van aan, want dit was nu al een oude geschiedenis voor hem geworden, terwijl hij te uitgeput was om er op te letten.
Hij merkte, met schemerende oogen en een toenemende ongevoeligheid, dat de gang zoowel verticaal als horizontaal toeliep. Met een hoek van dertig graden naar beneden hellend, deed het hem denken aan een rattenval, waarin de rat, hijzelf, met het hoofd vooruit afdaalde naar, hij wist niet wat. Even voor hij haar bereikte, merkte hij, dat de streep helder daglicht, die getuigde van de vrije wereld daarachter, te nauw was om zijn lichaam door te laten. En zijn vermoeden was waarheid. Half bewusteloos over het geraamte heenkruipend, dat hij in het daglicht herkende als dat van een man, slaagde hij er, na talrijke en pijnlijke beschadigingen van zijn ooren in, om zijn hoofd door de langwerpige opening te steken. De zon brandde op zijn hoofd, terwijl zijn oogen de ruimte der vrije wereld indronken, die de onmeedoogende rots aan het overige van zijn lichaam ontzegde.
Wat hem nog het meest dol maakte, was een voortvlietende rivier, op nog geen honderd meter afstand en verderop boomen, met malsch weidegras, dat van zijn kant naar de rivier leidde. En in het door de boomen beschaduwde water stonden slaperig en tot aan hun knieën erin, verscheidene koeien van het dwergsoort, dat gevonden werd in het dal der Verloren Zielen. Nu en dan sloegen ze lui met hun staarten naar de vliegen, of brachten hun gewicht van de eene poot op den anderen over. Hij keek of hij ze niet zag drinken, maar blijkbaar hadden ze genoeg water gehad. Dwazen! Waarom zouden ze niet drinken, terwijl al die rijkdom aan water ongebruikt voorbij vloeide.
Er ontstond eenige beweging onder hen, ze draaiden hun koppen naar den anderen oever en staken hun ooren vooruit. Toen er een groote gehoornde bok uit de boomen aan den rand van het water te voorschijn kwam, legden zij hun ooren weer terug, schudden hun koppen en stampten in het water, zoodat hij het geplas kon hooren. Maar het hert trok zich niets aan van hun dreigementen, boog zijn kop en dronk. Dit was teveel voor Torres, die een waanzinnige kreet uitstootte, welke hij, wanneer hij bij zinnen geweest was, niet herkend zou hebben als komend uit zijn eigen keel en strottehoofd.
Het hert sprong weg. Het vee keerde hun koppen in de richting van Torres, sloot slaperig de oogen en zette de vliegenjacht voort. Met een verwoede poging, nauwelijks voelend dat hij zijn ooren half afgetrokken had, haalde hij zijn hoofd terug uit de langwerpige opening en viel boven op het geraamte in zwijm.
Twee uur later, ofschoon hij niet wist hoeveel tijd er verloopen was, kwam hij weer bij en vond zijn eigen hoofd wang aan wang met het geraamte, waarop hij lag. De ondergaande zon scheen reeds in de nauwe opening en zijn blik bleef bij toeval rusten op een roestig mes. De punt er van was afgesleten en gebroken, en hij begreep het verband. Dit was het mes, waarmee het opschrift in de rots aan den voet van den trechter gemaakt was aan het andere einde van den gang, en dit geraamte was het beenig overblijfsel van den man, die het opschrift gemaakt had. En Alvarez Torres werd krankzinnig.
„Ha, Peter McGill mijn vijand,” mompelde hij. „Peter McGill uit Glasgow, die mij aldus verraden hebt.—Dit is voor jou!—En dit!—En dit!”
Dit zeggend, stak hij het zware mes in het broze voorhoofd van den schedel. De stof van het been, dat eens de tabernakel geweest was van McGills hersenen, vloog in zijn neusgaten en vermeerderde zijn woede. Hij viel het geraamte met zijn handen aan, rukte er aan, scheurde het uiteen en vulde de nauwe ruimte rondom hem met rondvliegende beenderen. Het was als het ware een strijd, waarin hij vernietigde, wat nog over was van de stoffelijke overblijfselen van den vroegeren bewoner van Glasgow.
Nog eens wrong Torres zijn hoofd door de spleet om een blik te werpen op de verbleekende heerlijkheid der wereld. Als een rat in den val, met zijn nek in den val zittend, uitgedacht door de oude Mayas, zag hij de schitterende wereld en dag verbleeken en duister worden, evenals ten slotte zijn bewustzijn opgelost werd in de duisternis des doods.
Maar het vee stond nog altijd in het water te droomen en sloeg naar de vliegen en later keerde het hert terug, zonder zich aan het vee te storen en zette zijn gestoorden dronk voort.
HOOFDSTUK XXVIII.
Niet voor niets, werd Regan door zijn associés, De Wolf van Wall Street genoemd! Terwijl hij gewoonlijk slechts een conservatief, op grooten schaal handelend, speler was, bezondigde hij zich even dikwijls, evenals een periodiek drinker, aan woeste, gewaagde beursspeculatie. Minstens vijfmaal in zijn langdurigen loopbaan had hij de bodem uit de markt of het dak er afgeslagen en dit telkens met een persoonlijke winst van millioenen. Hij hield zich nooit op met een kleine strooptocht en hij deed het ook niet te dikwijls.
Hij liet jaren rustig voorbijgaan, tot alle verdenking tegen hem in slaap gesust was en zijn wereld dacht, dat de Wolf eindelijk oud en vreedzaam geworden was. En dan, als een donderslag, trof hij de mannen en de fondsen, die hij wilde vernietigen. Maar, hoewel de slag altijd als een donderslag neerkwam, de voorbereiding was heel anders. Maanden en zelfs jarenlang werden de verschillende plannen voor dien dag gesmeed, de plannen en voorwaarden voor den strijd nauwkeurig gewikt en gewogen.
Zoo was het ook geweest met de voorbereiding en uitwerking van het dreigende Waterloo voor Francis Morgan. Er schuilde wraak achter, maar het was wraak jegens een doode. Niet Francis, maar Francis’ vader was de man, dien hij wilde treffen, ofschoon hij door den levende het graf moest treffen, om zijn doel te bereiken. Acht jaren had hij gewacht en naar zijn kans uitgekeken, voor de oude R. H. M.—Richard Henry Morgan—gestorven was. Maar hij had zijn kans niet schoon gezien. Hij was werkelijk de Wolf van Wall Street, maar nooit had hij, door het een of ander gelukkig toeval de kans gehad tegenover de Leeuw—want tot aan zijn dood stond R. H. M. bekend als de Leeuw van Wall Street.
Zoo had Regan, hoewel altijd onder den schijn van eerlijkheid, de veete van vader op zoon overgebracht. Toch was Regan’s grondslag, waarop hij zijn wraak opbouwde, laag en verkeerd op touw gezet. Zeker, acht jaren voor R. H. M.s dood, had hij getracht hem een poets te spelen en dit was mislukt, maar hij had nooit kunnen droomen, dat R. H. M. dit geraden had. Toch had R. H. M. dit niet alleen geraden, maar was er, zonder een schaduw van twijfel, van overtuigd, en had prompt en handig zijn verraderlijke associé beetgenomen. Zoodoende zou Regan, wanneer hij geweten had, dat R. H. M. van zijn trouweloosheid op de hoogte was, zijn pil geslikt hebben zonder aan wraak te denken. Zooals de zaken nu stonden, geloovend dat R. H. M. even slecht was als hij zelf, geloovende dat R. H. M. uit laagheid, even laag als de zijne, zonder aanleiding of verdenking, hem zoo gemeen behandeld had, zag hij geen anderen weg om zijn rekening met hem te vereffenen dan door hem, of in plaats van hem, zijn zoon te ruïneeren.
En Regan had zijn tijd afgewacht. Eerst had Francis zich niet druk gemaakt met het finantiëele spel, tevreden met zijn geld veilig te laten staan in de veilige fondsen, waarin zijn vader het belegd had. Eerst toen Francis voor het eerst actief was opgetreden, door millioenen te steken in Tampico-Petroleum, met de zekerheid, hier millioenen mee te winnen, had Regan een schijn van kans gezien om hem te vernietigen. Maar toen hij eenmaal de kans had, liet Regan geen tijd verloren gaan, hoewel zijn langzame, grondige campagne maandenlange ontwikkeling noodig had. Voor hij hiermee gereed was, wist hij ongeveer ieder aandeel van ieder fonds, dat Francis bezat. De voorbereiding had Regan, werkelijk twee jaren en nog meer gekost. Van enkele der corporaties, waarin Francis sterk geïnteresseerd was, was Regan zelf directeur of een der voornaamste aandeelhouders. Van Frisco Consolidated was hij president. Van New-York, Vermont en Connecticut was hij vice-president. Het toezicht hebbend over een directeur der Northwestern Electric had hij het door keukenpolitiek zoover gebracht dat hij een meerderheid van twee derde controleerde. En zoo ging het met alles, hetzij direct of indirect, door corporaties en bank-relaties had hij de hand in de geheime bronnen en drijfveeren van het finantiëele, en zaken-organisme dat de steun uitmaakte van Francis’ fortuin.
Toch was geen enkele hiervan meer dan een bagatel, vergeleken bij dat voornaamste van alles—Tampico-Petroleum. Hiervan bezat Regan, behalve een onnoozele twintig duizend aandeelen, die hij op de beurs gekocht had, niets, beheerschte niets, ofschoon de tijd naderde, waarin hij deze in ongekende hoeveelheden zou moeten verkoopen, en er mee handelen. Tampico-Petroleum was feitelijk Francis’ particulier terrein. Verscheidene zijner vrienden waren, voor hun doen, hier sterk in geïnteresseerd; mevrouw Carrothers zelfs heel sterk. Zij maakte het hem lastig en liet hem zelfs per telefoon daarover niet met rust. Dan waren er ook nog anderen, zooals Johnny Pathmore, die hem nooit lastig vielen en die, wanneer ze elkander ontmoetten, zorgeloos en optimistisch over den toestand der markt en over finantiëele aangelegenheden in het algemeen praatten. En dit alles was nog moeilijker te dragen dan de voortdurende zenuwachtigheid van mevrouw Carrothers.
Northwestern Electric was, dank zij Regan’s machinaties, werkelijk dertig procent gedaald en daarop blijven staan. De buitenstaanders, die meenden, dat ze op de hoogte waren, beschouwden dit fonds als absoluut onbetrouwbaar. Dan was er de kleine, oude, zoo-hecht-als-de-rots-van-Gibraltar Frisco Consolidated. De ernstigste geruchten waren daaromtrent in omloop en op het praatje van een failliet werd steeds meer den nadruk gelegd. Montana Lode leed reeds onder Muthaney’s minder gunstig en ongemodificeerd rapport en Weston, de groote expert, uitgezonden door de Engelsche aandeelhouders, had niets geruststellends gerapporteerd. Zes maanden geleden had Imperial Tungsten, dat nog niets opleverde, noodlottige groote onkosten moeten maken door de groote werkstaking, die nog heel in haar begin scheen te zijn. En niemand, behalve de talrijke arbeidersleiders, die het wisten, vermoedde, dat Regan’s goud achter deze zaak zat. Het was juist het geheime en het doodelijke van den aanval, wat Bascom ontmoedigde. Alle fondsen, waarin Francis geïnteresseerd was, werden, als door een langzaam voortschuivenden gletscher, naar beneden gedrukt. Er was niets opzienbarends in deze beweging, het was enkel een geregeld, aanhoudend dalen, waardoor Francis’ groot fortuin ontzettend inkromp. En behalve hetgeen hij in vast bezit had, krompen ook zijn stukken op prolongatie telkens meer in.
Toen kwamen er oorlogsgeruchten. Gezanten ontvingen rechts en links hun paspoort en de halve wereld scheen te mobiliseeren. Dit was het oogenblik, nu de beurs geschokt was en er een paniek heerschte, en nu de wereldlijke machten talmden met het uitvaardigen van moratoriums, dat Regan gekozen had om toe te slaan. De tijd was rijp voor een berenaanval en met hem verbonden, waren een half dozijn andere groote beren, die hem stilzwijgend als hun aanvoerder erkenden. Maar zelfs zij kenden niet den vollen omvang van zijn plannen, of vermoedden hun bepaalde richting. Zij namen deel aan den aanval, terwille van de winst en dachten, dat hij dit om dezelfde reden deed, in de eenvoudige oprechtheid hunner geldelijke visioenen geen spoor ontdekkend van Francis Morgan of zijn overleden vader, voor wien de groote klap bestemd was.
Regan’s bureau tot het verspreiden van geruchten kreeg het druk en de eersten, die daalden en die het hardst daalden op de terugloopende markt waren de fondsen van Francis, die reeds aanzienlijk gezakt waren, voor de berenaanval begon. Toch was Regan te voorzichtig om dwang uit te oefenen op Tampico-Petroleum. Trotsch hieven deze het hoofd op temidden der algemeene plotselinge daling en gretig wachtte Regan op het oogenblik van wanhoop, waarop Francis genoodzaakt zou zijn om deze op de markt te werpen om zijn verminderde borgtocht in andere richtingen te dekken.
„God! God!”