Drie Harten

Part 27

Chapter 273,919 wordsPublic domain

Misschien beleefde hij wel zijn belangrijkst en meest tragisch avontuur in het tien-millioenen-dollar-huis van Philipp January, den Telluride-mijnkoning. De vreemde vrouw, een slanke dame, was bij de Januarys gekomen, een week voor Francis haar zag. En, zooals zij die geheele week gedaan had, begon zij ook nu tegen Francis op hartroerende wijze haar handen te wringen, onophoudelijk te schreien en smeekend te mompelen: „Otto, je vergist je. Op mijn knieën bezweer ik je, dat je ongelijk hebt. Otto, jou en jou alleen heb ik lief. Daar is niemand buiten jou, Otto. Er is nooit iemand anders dan jij geweest. ’t Is alles een vreeselijke vergissing. Geloof me, Otto, geloof me, of ik sterf...”

En tusschen dit alles door, werd de Wall Street-strijd voortgezet tegen den, niet te ontdekken, machtigen vijand, die begonnen was met een, wat Francis en Bascom moesten erkennen, als een noodlottigen aanval, een strijd op leven en dood op zijn fortuin.

„Als we maar kunnen voorkomen, dat we Tampico-Petroleum in den maalstroom moeten werpen,” bad Bascom.

„Ik verwacht mijn redding juist van Tampico-Petroleum,” antwoordde Francis. „Wanneer iedere zekerheidsstelling, die ik kan geven, uitgeput is, dan zal het inbrengen van Tampico-Petroleum gelijkstaan met de verschijning van een nieuw leger op een hopeloos slagveld.”

„En verondersteld, dat je onbekende tegenstander machtig genoeg is om ook die laatste, schitterende activa op te slokken en om nog meer schreeuwt?” vroeg Bascom.

Francis trok zijn schouders op.

„Dan zal ik geruïneerd zijn. Maar mijn vader werd een half dozijn malen geruïneerd eer hij zijn fortuin won. Bovendien werd hij doodarm geboren. Ik hoef me over zoo’n kleinigheid niet druk te maken.”

Een tijdlang volgden de gebeurtenissen op de Solano-haciënda elkander langzaam op. Eigenlijk waren er, na de bevrijding van Leoncia door Henry langs zijn met dynamiet bezaaid pad, geen gebeurtenissen voorgevallen. Zelfs Yi Poon was niet meer komen opdagen om een volkomen frisch en fonkelnieuw geheim te koop aan te bieden. Er was niets gebeurd, behalve dat Leoncia neerslachtig was en apathisch en dat noch Enrico, noch Henry, haar eigen broeder, noch haar Solano-broeders, die heelemaal geen broeders van haar waren, haar konden opvroolijken.

Maar, terwijl Leoncia neerslachtig neerzat, maakten Henry en de lange zoons van Enrico zich ongerust en druk over den schat in het dal der Verloren Zielen, waarheen Torres zich op dat oogenblik met dynamiet een weg baande. Eén ding wisten zij, namelijk, dat de Torres-expeditie Augustino en Vicente teruggezonden had naar San Antonio om nog twee muildierladingen dynamiet te halen. Het was Henry, die na in overleg getreden te zijn met Enrico en zijn toestemming verkregen te hebben, de zaak met Leoncia besprak.

„Lieve zuster,” waren zijn woorden, „wij gaan naar boven, om te zien wat die schurk van een Torres en zijn bende uitvoeren. Dank zij jou, kennen wij hun doel. Het dynamiet moet een ingang maken in het dal. Wij weten, waar de Dame Die Droomt haar schat liet zinken, toen haar huis in brand stond. Torres weet dit niet. Ons idee is, dat we hen kunnen volgen in het dal, nadat ze de Maya-kelders hebben laten leegloopen en evenveel kans hebben, zoo niet meer om beslag te leggen op die kostbare kist met juweelen. En het voornaamste is, dat we jou graag mee zouden nemen op die expeditie. Ik geloof, dat je er niet tegen op zoudt zien, om dien tocht langs de onderaardsche rivier nog eens te herhalen, wanneer we er in slaagden om zelf dien schat te bemachtigen.”

Maar Leoncia schudde droevig het hoofd.

„Neen,” zei ze, nadat hij bleef aandringen. „Ik verlang er niet naar om het dal der Verloren Zielen ooit weer te zien en hoop er nooit meer over te hooren spreken. Daar verloor ik Francis aan die vrouw.”

„Het was alles een vergissing, liefste zuster. Maar wie kon dit weten? Ik niet. Jij niet. En Francis evenmin. Hij handelde als een eerlijk, oprecht man. Niet wetend, dat jij en ik broer en zuster waren, geloovende, dat we werkelijk verloofd waren—wat toentertijd ook het geval was—wilde hij je mij niet ontnemen en hij maakte verdere verleiding onmogelijk en redde ons aller leven door de Koningin te trouwen.”

„Ik mis het eeuwigdurend gezang, van jou en Francis: „Rug aan rug, door den grootmast gescheiden,”” mompelde ze droevig en niet zeer toepasselijk.

Stille tranen welden op in haar oogen en rolden over haar wangen, toen ze zich omkeerde, de trappen van de veranda afliep, het erf overstak en doelloos den heuvel afdaalde. Voor de twintigste maal sedert ze Francis het laatst gezien had, volgde zij denzelfden weg, naar dezelfde plek, waar ze hem de eerste maal van de Angélique naar het strand had zien roeien, waar ze hem mee de jungle ingesleept had om hem te redden voor haar toornige mannelijke familieleden, tot het oogenblik, waarop ze hem, met getrokken revolver, gekust had en hem gedwongen had om in de boot te gaan en weg te roeien. Dit was zijn eerste bezoek geweest.

Vervolgens bedacht ze elke bijzonderheid van zijn tweede bezoek vanaf het oogenblik, waarop zij naar haar zwemtochtje in de lagune, om de rots heenloopend, hem had zien zitten, leunend tegen de rots, terwijl hij zijn eerste briefje aan haar krabbelde; haar verschrikte vlucht de jungle in, de beet in haar knie van de labarri (die ze bij vergissing voor een vergiftige adder aangezien had) en haar botsing met Francis toen ze terugdeinsde en bewusteloos op het zand neerviel. En, onder haar parasol, zette ze zich neer op dezelfde plek, waar ze bewusteloos geworden en weer bijgekomen was, om hem aanstalten te zien maken om het gif uit de wonde te zuigen, die hij reeds opengemaakt had. Als zij zich goed herinnerde, was het de pijn van dit openmaken geweest, wat haar weer tot bewustzijn gebracht had.

Zij was diep verzonken in de zoete herinneringen, hoe ze hem een klap op zijn wang gegeven had, juist toen zijn lippen haar knie naderden, verborg blozend haar gelaat in haar handen, lachte omdat haar voet geslapen had door zijn al te stevig tourniquet, werd wit van boosheid toen hij haar hielp herinneren, dat zij hem beschouwde als den moordenaar van haar oom en zij zijn aanbod afwees om het tourniquet los te maken. Zoo diep was zij verzonken in die zoete herinneringen, die nog zoo kort geleden gebeurd waren en nu toch door een halve eeuw van den tegenwoordigen tijd gescheiden leken, zoo groot was de voorraad aan voorvallen, avonturen en teedere oogenblikken daartusschen door, dat ze niet het, op een rattenval gelijkende rijtuig, van San Antonio langs den strandweg zag rijden. Evenmin zag ze hoe een dame, zeer modieus gekleed, ten bewijze dat ze uit New-York kwam, uit het rijtuig stapte en haar te voet naderde. De dame, die niemand anders was dan de Koningin, Francis’ vrouw, beschermde zich ook door een parasol tegen de tropische zon.

Vlak achter Leoncia staande, merkte zij niet, dat zij het meisje verrast had in een oogenblik, waarop ze afstand deed van alles, wat haar lief was. Alles, wat ze wist, was, dat ze Leoncia een klein portret uit haar blouse zag halen en er lang naar kijken. Over haar schouder heenkijkend, zag de Koningin, dat het een kiekje van Francis was, waarop haar dolzinnige jaloerschheid opnieuw losbarstte. Een ponjaard vloog in haar hand uit de scheede, die zij vóór in haar japon gestoken had. Deze snelle beweging was voldoende om Leoncia te waarschuwen, die haar parasol wegnam om te kijken, wie het was, die achter haar rug stond. Te droevig gestemd om zich ook maar even verbaasd te voelen, begroette zij de vrouw van Francis Morgan, alsof deze haar eerst een uur geleden verlaten had. Zelfs de ponjaard vermocht haar verwondering of vrees niet op te wekken. Misschien, wanneer ze zich verwonderd of bevreesd had getoond, zou de Koningin het staal wel in haar lichaam gedreven hebben. Zooals de zaken nu stonden, kon ze alleen uitroepen:

„Je bent een slechte vrouw! Een slechte, slechte vrouw!”

Waarop Leoncia enkel haar schouders optrok en zei:

„Zou je niet liever je parasol tusschen jou en de zon houden?”

De Koningin liep om haar heen, zoodat ze voor haar kwam te staan, en keek op haar neer met een vrouwelijke woede, vermengd met een jaloezie, die haar sprakeloos maakten.

„Waarom?” Leoncia was de eerste die sprak, na een lange pauze.

„Waarom ben ik een slechte vrouw?”

„Omdat je een dief bent,” barstte de Koningin los. „Omdat je mannen steelt, terwijl je zelf getrouwd bent. Omdat je je echtgenoot ontrouw bent—tenminste in je hart, omdat het tot dusverre in ander opzicht onmogelijk was.”

„Je aanstaande echtgenoot dan—ik dacht, dat je zoudt trouwen op den dag na ons vertrek.”

„Ik heb geen aanstaande echtgenoot,” vervolgde Leoncia even kalm.

De spieren der andere vrouw spanden zich zoo plotseling, dat Leoncia een oogenblik aan een tijgerin dacht.

„Henry Morgan!” riep de Koningin.

„Hij is mijn broeder.”

„Een woord, dat ik heb leeren kennen als van ruime beteekenis, Leoncia Solano. In New-York zijn er aanbidders van zekere altaren, die alle mannen in de wereld, broeders en alle vrouwen, zusters noemen.”

„Zijn vader was ook mijn vader,” verklaarde Leoncia kalm en duidelijk. „Zijn moeder was ook mijn moeder. Wij zijn eigen broer en zuster.”

„En Francis?” vroeg de andere, nu overtuigd, met plotseling toenemende belangstelling. „Ben je ook zijn zuster?”

Leoncia schudde het hoofd.

„Dan heb je Francis lief!” beschuldigde de Koningin, pijnlijk teleurgesteld.

„Jij hebt hem,” zei Leoncia.

„Neen; want jij hebt hem mij ontroofd.”

Leoncia schudde langzaam en droevig het hoofd en keek bedroefd uit over de gloeiende, schitterende oppervlakte der Chiriqui-Lagune. Na een lange stilte, sprak ze droef: „Je mag het gelooven. Geloof, wat je wilt.”

„Ik vermoedde het al van het eerste oogenblik af,” riep de Koningin. „Je hebt een eigenaardige macht over de mannen. Ik ben geen leelijke vrouw. Sinds ik in de wijde wereld geweest ben, heb ik mannenoogen op mij gevestigd gezien. Ik weet, dat ik niet heelemaal onaantrekkelijk ben. Zelfs de ellendige mannelijke Verloren Zielen hebben met neergeslagen oogen in liefde naar mij opgezien. Een durfde meer dan kijken en hij stierf voor mij, of om mij, en werd in den maalstroom geworpen, om daar zijn straf te vinden. En toch oefen jij, met je vrouwelijke macht, zoo’n vreemde aantrekkingskracht uit over mijn Francis, dat hij, zelfs in mijn armen, nog aan jou denkt. Ik weet het. Ik weet, dat hij zelfs dan nog aan je denkt!”

Haar laatste woorden waren de noodkreet van een hartstochtelijk en bezwijkend hart. En het volgend oogenblik, ofschoon Leoncia er zich niet erg over verwonderde, te apathisch om zich over iets te verwonderen, liet de Koningin haar mes in het zand vallen en zonk ineen, begroef haar gelaat in haar handen en gaf zich over aan de uitbarsting van een hysterisch verdriet. Bijna zonder het te weten en heelemaal machinaal, sloeg Leoncia haar arm om haar heen en trachtte haar tot bedaren te brengen. Dit duurde verscheidene minuten, waarop de Koningin, kalmer wordend, plotseling vastberaden sprak:

„Ik verliet Francis op het oogenblik, waarop ik overtuigd was, dat hij je liefhad,” zei ze. „Ik stak mijn dolk in jouw portret, dat in zijn slaapkamer staat en kwam hierheen om ditzelfde in jouw lichaam te doen. Maar ik had ongelijk. Jij kunt er niets aan doen, en Francis evenmin. Het is mijn schuld, dat ik zijn liefde niet heb kunnen winnen. Niet jij, maar ik moet sterven. Maar eerst moet ik teruggaan naar mijn dal en mijn schat weer opzoeken. In de tempel, die Wall Street heet, verkeert Francis in groote moeilijkheden. Het is mogelijk, dat zijn fortuin hem ontnomen wordt, en hij heeft een ander fortuin noodig om het zijne te redden. Ik bezit dat fortuin en er is geen tijd te verliezen. Wil jij en je familie mij helpen? Het is terwille van Francis.”

HOOFDSTUK XXVII.

Zoodoende kon het gebeuren, dat het dal der Verloren Zielen langs onderaardsche wegen van twee verschillende richtingen binnengedrongen werd door twee partijen schatgravers. Van de eene zijde naderden snel de Koningin en Leoncia, Henry Morgan en de Solanos. Veel langzamer, ofschoon ze veel eer vertrokken waren, vorderden Torres en de Chef. De eerste aanval op den berg was het moeilijkst geweest. Om een opening te maken naar de Maya-kelders had meer dynamiet gekost, dan ze oorspronkelijk hadden meegebracht, terwijl de rots hardnekkiger geweest was, dan ze verwacht hadden. Verder bleek het, toen ze eindelijk een weg gebaand hadden, dat ze zich boven den vloer van den kelder bevonden, zoodat ze nog meer rots moesten laten springen om het water te doen opvloeien. En toen ze een weg gemaakt hadden naar de, in het water rondzwemmende mummies der conquistadores en tot het Vertrek der Goden, moesten zij zich ook weer een uitweg banen verder in het hartje van den berg. Maar voor ze verder gingen, maakte Torres zich eerst meester van de robijnoogen van Chia en de smaragdoogen van Hzatzl. Ondertusschen drongen de Koningin en haar gezelschap, nagenoeg zonder eenig oponthoud, door den berg aan den anderen kant het dal binnen. Ook hielden zij zich niet precies aan den vroeger door hen afgelegden weg. De Koningin kende, door het langdurige staren in haar Spiegel, iederen centimeter van den weg. Waar de onderaardsche rivier zich een doortocht baande en in de Gualaca-Rivier uitliep, was het onmogelijk om hun booten mee te nemen. Maar, door een nauwgezet onderzoek onder haar leiding vonden zij den kleinen ingang van een hol in den steilen muur van een rots, zóó verborgen door dichte bessenstruiken, dat ze het nooit gevonden zouden hebben, wanneer ze niet hadden geweten, wat ze zochten. Met algemeene hulp en met de touwen, die zij meegenomen hadden, heeschen zij hun kanos tegen de rots op, droegen ze op hun schouders door de kronkelende gangen en lieten ze weer te water in de onderaardsche rivier, waar deze vrij en rustig tusschen ruime oevers doorstroomde, zoodat ze met gemak tegen den zwakken stroom op pagaaiden. Bij andere gelegenheden, wanneer de rivier te snel stroomde, trokken ze de kanos aan touwen langs den oever voort; en waar de rivier zich een doortocht baande door de hechte verbindingen der bergen, daar wees de Koningin hen de blijkbaar uitgehouwen, oude doorgangen waardoor ze hun lichte vaartuigen konden heendragen.

„Hier moeten we de kanos achterlaten,” beval de Koningin ten slotte, en de mannen begonnen ze bij het licht van flikkerende toortsen, stevig aan den oever vast te meeren. „Het is maar een klein eindje door dezen laatsten doorgang. Dan komen we bij een kleine opening in de rots, verborgen onder wijnranken en varens en kijken neer op de plek, waar mijn huis eens stond naast de draaikolk. De touwen zullen we noodig hebben om de rots af te dalen, maar dat is maar vijftig voet.”

Henry liep met een electrische toorts vooruit, de Koningin naast hem, terwijl de oude Enrico en Leoncia de achterhoede vormden, om toe te zien, dat misschien niet een lafhartige inlander of Indiaansche bootsman achter zou blijven en wegloopen. Maar toen het gezelschap op de plek kwam, waar de uitgang van het hol had moeten zijn, was er geen uitgang. De gang hield op, van den vloer tot het dak stevig afgesloten door rotsblokken, die in grootte varieerden van straatsteenen tot huizen der inboorlingen.

„Wie kan dit gedaan hebben?” riep de Koningin toornig uit.

Maar Henry stelde haar, na een vluchtig onderzoek, gerust.

„Het zijn maar naar beneden gestorte rotsblokken,” sprak hij, „een oppervlakkige breuk in de buitenste rotshuid, die naar beneden gegleden is, en we zullen het met ons dynamiet spoedig herstellen. Gelukkig hebben we een voorraad meegenomen.”

Maar het duurde lang. Het overige van den dag en den geheelen nacht door waren ze aan het werk. Groote hoeveelheden springstoffen werden niet gebruikt, omdat Henry vreesde voor een nog grootere storting van rotsblokken uit de breuk daarboven. Het dynamiet, dat gebruikt werd, had alleen ten doel om de stukken kleiner te maken, zoodat ze deze uit de gang konden wegschuiven. Den volgenden morgen om acht uur ontplofte de lading, die hen de eerste schemering van het daglicht deed aanschouwen. Daarna gingen ze heel voorzichtig te werk, om geen nieuwe rotsblokken naar beneden te doen storten. Ten slotte stonden ze voor een rotsblok van tien ton, dat den mond van de gang afsloot. Door openingen aan weerskanten konden ze hun armen uitstrekken in den brandenden zonneschijn, maar het blok steen versperde hen den weg. Wat ze ook probeerden, ze konden het alleen maar even doen trillen en Henry besloot tot een laatste ontploffing, waardoor het naar buiten en het dal in zou rollen.

„Ze zullen wel merken, dat er bezoekers in aantocht zijn, nadat we de laatste vijftien uren zoo op hun achterdeur geklopt hebben,” lachte hij, toen hij zich gereed maakte om de lont aan te steken.

Voor het altaar van den Zonnegod voor het Lange Huis verzameld, merkte de geheele bevolking inderdaad, en angstig, de komst der bezoekers. Hun ondervinding van de laatsten, die gekomen waren, was zoo noodlottig geweest, toen de meer-woning verbrand was en zij hun Koningin verloren, dat ze nu den Zonnegod smeekten, om geen bezoekers meer te zenden. Maar tot een ding waren ze, hartstochtelijk opgehitst door hun priester, besloten, namelijk, om onmiddellijk en zonder onderhandelingen alle bezoekers, die bij hen kwamen, te dooden.

„Zelfs Da Vasco zelf,” had de priester geroepen.

„Zelfs Da Vasco,” hadden de Verloren Zielen geantwoord.

Ze waren allen gewapend met speren, strijdknotsen, pijlen en bogen; en terwijl zij wachtten, bleven zij bidden voor het altaar. Ieder oogenblik arriveerden renboden van het meer, met hetzelfde bericht dat, hoewel de berg nog altijd bleef donderen, er niets uit te voorschijn kwam.

Het kleine meisje van tien jaar, het meisje uit het Lange Huis, dat met Leoncia gesproken had, was de eerste, die nieuwaangekomenen ontdekte. Dit was mogelijk, omdat de aandacht van den stam gevestigd was op den rommelenden berg bij het meer. Niemand verwachtte bezoekers uit den berg aan den anderen kant van het dal.

„Da Vasco!” riep ze. „Da Vasco!”

Allen keken en zagen, op nog geen vijftig meter afstand, Torres, den Chef en hun volgelingen, op de open vlakte komen. Torres droeg weer den helm, die hij van zijn rimpeligen voorvader in de Kamer der Mummies gestolen had. Zij werden onmiddellijk en warm begroet, in den vorm van een vlucht pijlen, die om hen heen snorden en twee der volgelingen tegen den grond wierpen. Vervolgens vielen de Verloren Zielen, mannen en vrouwen, aan, terwijl de geweren van Torres’ mannen begonnen te spreken. Deze aanval kwam zoo onverwacht en geschiedde zoo snel en op zoo’n korten afstand, dat, hoewel er velen door de kogels vielen, toch een aantal de indringers bereikte en overgingen tot een wanhopig gevecht van man tegen man. Nu werd het voordeel der vuurwapenen verminderd en gendarmes en anderen werden aan speren geregen of met de zware knotsen den schedel ingeslagen.

Maar ten slotte moesten de Verloren Zielen het onderspit delven, dank zij voornamelijk de revolvers, die in het dichtste handgemeen hun werk konden doen. De overlevenden vluchtten, maar de helft der indringers was gevallen en gevallen om niet weer op te staan. De vrouwen hadden op drastische wijze gezorgd voor iederen man, die gewond neerviel. De Chef tierde van pijn en woede, veroorzaakt door een pijl, die in zijn arm gedrongen was; en kon niet tot bedaren gebracht worden voor Vicente het gevederde gedeelte afsneed en de schacht er uit trok.

Torres was ongedeerd, op een pijnlijken schouder na, waar een knots hem getroffen had; en hij zag met genoegen den ouden priester, die stervend op den grond lag, met zijn hoofd op de knieën van het kleine meisje.

Daar ze zelf geen gewonden hadden, waarop ze hun ruwe en vlugge geneeskunst moesten toepassen, gingen Torres en de Chef vooruit naar het meer en kwamen bij de overblijfselen van de woning der Koningin. Slechts eenige gehavende stompen van pilaren, die boven het water uitstaken, wezen aan waar deze eens gestaan had. Torres was verlegen, maar de Chef was woest.

„Hier, in dit huis juist, stond de schatkist,” stamelde hij.

„Een vruchtelooze jacht!” bromde de Chef. „Senor Torres, ik heb altijd vermoed, dat je een gek was.”

„Hoe kon ik weten, dat het huis afgebrand was?”

„Dat had je moeten weten, jij, die zoo wijs bent in alle mogelijke dingen,” kaatste de Chef terug. „Maar je kunt mij niet voor den gek houden. Ik heb je in het oog gehouden. Ik zag je de smaragden en robijnen stelen uit de oogholten der Maya-goden. Die zal je met mij deelen en dadelijk.”

„Wacht, wacht, een beetje geduld,” verzocht Torres. „Laten we eerst een onderzoek instellen. Natuurlijk zal ik die vier juweelen met je deelen—maar wat beteekenen die, vergeleken met een heele kist vol? Het was een lichtgebouwd, broos huis. De kist kan ongedeerd in het water gevallen zijn, toen het dak instortte. En water beschadigt edelsteenen niet.”

Tusschen de verbrande pilaren liet de Chef zijn mannen een onderzoek instellen, en zij waadden en zwommen in het ondiepe water, zorgvuldig oppassend om niet gegrepen te worden door de zuiging van den verderop liggenden maalstroom. Augustino, de Zwijger, deed de vondst, vlak bij den oever.

„Ik sta op iets,” zei hij, terwijl het water nauwelijks tot zijn knieën reikte.

Torres sprong er in, en naar beneden reikend tot zijn hoofd en schouders onder water verdwenen, betastte hij het voorwerp.

„Het is de kist, ik ben er zeker van,” verklaarde hij. „... Kom! Jelui allemaal! Sleep haar op het droge, dan kunnen we de zaak onderzoeken!”

Maar toen dit geschied was en juist toen hij zich vooroverboog om het deksel te openen, hield de Chef hem tegen.

„Ga terug in het water, jelui allemaal,” beval hij zijn manschappen. „Er zijn een massa van deze kisten en onze tocht zal mislukt zijn, als we ze niet allemaal vinden. Eén kist zou de onkosten niet goed maken.”

Eerst toen al de menschen door het water waadden en er in rond grabbelden, opende Torres de kist. De Chef stond als aan den grond genageld. Hij kon enkel toekijken en onverstaanbare klanken uitstooten.

„Wil je het nu gelooven?” vroeg Torres. „De waarde ervan is niet te schatten. Wij beiden zijn de rijkste mannen in Panama, in Zuid-Amerika, in de heele wereld. Dit is de Maya-schat. Wij hoorden er over spreken, toen we nog jongens waren. Onze vaders en grootvaders droomden ervan. De conquistadores konden hem niet vinden. En nu is hij van ons—van ons!”

En terwijl de beide mannen, nagenoeg verstomd, ernaar stonden te staren, kropen hun volgelingen een voor een uit het water, vormden zwijgend een halven cirkel achter hun rug en staarden er eveneens op. De Chef en Torres wisten niet, dat hun mannen achter hen stonden en deze wisten evenmin, dat ze van achteren heimelijk beslopen werden door de Verloren Zielen. Ze stonden allemaal verbaasd en geboeid op den schat te staren, toen de aanval geschiedde.

Pijl en boog, op tien meter afstand gebruikt, zijn doodelijke wapens, vooral wanneer er voldoende tijd is om goed te mikken. Twee derde der schatgravers viel gelijktijdig neer. Vicente, die toevallig vlak achter Torres stond, werd door niet minder dan twee speren en vijf pijlen doorboord. Het handjevol overlevenden had nauwelijks tijd om hun geweren te grijpen en zich om te keeren, toen de aanval met de knotsen begon. Hierbij werden van Rafaël en Ignacio, twee der gendarmes, die het avontuur in de Juchitan-olievelden meegemaakt hadden, bijna onmiddellijk de schedels verbrijzeld. En, zooals gewoonlijk, zorgden de vrouwelijke Verloren Zielen er voor, dat de gewonden het niet lang meer maakten.