Drie Harten

Part 24

Chapter 243,997 wordsPublic domain

„In het dal woont een onnoozel-zwakzinnig schepsel, dat voorgeeft door tooverkracht in de toekomst te kunnen lezen. Zij is een wreedaardig en bloeddorstig vrouwelijk schepsel. Ik ontken niet, dat ze physiek zeer schoon is. Want schoon is ze, en een duizendpoot is mooi voor diegene, die een duizendpoot mooi vindt. Begrijpt ge wat er gebeurd is. Ze heeft Henry en Leoncia langs den een of anderen geheimen weg het dal uitgestuurd, terwijl Francis verkozen heeft om daar bij haar te blijven in een zondige verhouding—want zondig is die, daar er in het dal geen Katholiek priester is, om hun verbintenis te wettigen. O, niet dat Francis verzot is op dat vreeselijke schepsel. Maar hij is verzot op een armzalige schat, die dat schepsel bezit. En dit is de Gringo Francis, dien gij welkom hebt geheeten in den schoot uwer familie, de glibberige slang van een Gringo, Francis, die zelfs de bekoorlijke Leoncia om den tuin heeft willen leiden, door haar met de oogen van een minnaar aan te zien. O, ik weet wat ik zeg. Ik heb gezien...”

Een vroolijke uitbarsting van den hond overstemde hem en hij zag Francis en de Koningin, in even diep gesprek als het tweetal, dat hen voorafging, door de kamer wandelen. De Koningin stond stil om den hond te liefkoozen, die zoo groot was, dat, overeindstaande met zijn voorpooten op haar schouders, zijn kop boven haar hoofd uitstak; terwijl Torres zijn plotseling droog geworden lippen met zijn tong bevochtigde en tevergeefs zijn hersenen pijnigde om een nieuwen leugen te bedenken, waarmee hij zich uit zijn onmogelijke positie zou redden.

Enrico Solano was de eerste, die in lachen losbarstte. Al zijn zoons volgden zijn voorbeeld, terwijl tranen van pleizier uit hun oogen rolden.

„Ik had haar zelf kunnen trouwen,” hoonde Torres kwaadaardig. „Zij smeekte er mij op haar knieën om.”

„Ik houd niet van smerige karweitjes. En dit is een smerig karweitje besparen, door hem de deur uit te gooien.”

Maar Henry, die snel naderkwam, verzekerde:

„Ik houd wel van smerige karweitjes. En dit is een smerig karweitje, dat mij al bijzonder aanstaat.”

Beide Morgans wilden op Torres aanstormen, toen de Koningin haar hand opstak.

„Laat hem eerst,” sprak ze, „uit zijn gordel den ponjaard teruggeven, dien hij mij ontstolen heeft.”

„Zoo,” zei Enrico, toen dit geschied was. „Zou hij u ook niet de juweelen teruggeven, die hij ontvreemd heeft, schoone dame?”

Torres aarzelde geen oogenblik. Zijn hand in zijn zak stekend, legde hij een handvol juweelen op tafel. Enrico keek de Koningin aan, die kalm afwachtte.

„Meer,” zei Enrico.

En Torres voegde nog drie der schitterende ongeslepen juweelen bij de andere op de tafel.

„Willen jelui mij misschien fouilleeren als een gemeene zakkenroller?” vroeg hij zeer verontwaardigd, allebei zijn broekzakken leeg ten binnenste buiten keerend.

„Ja,” zei Francis.

„Ik sta er op,” zei Henry.

„O, heel goed,” besloot Francis. „Dan zullen we het samen doen. En dan kunnen we hem verder de trap afgooien.”

Als één man te werk gaande, grepen zij Torres bij kraag en broek en renden naar de deur.

Alle andere aanwezigen vlogen naar de vensters om Torres te zien vertrekken; maar Enrico, die de vlugste van allen was, bereikte het eerst een raam. En meer achterwaarts, in het midden der kamer, streek de Koningin de juweelen van de tafel in haar beide handen, en gaf deze dubbele handvol aan Leoncia, zeggende:

„Van Francis en mij voor jou en Henry—je huwelijkscadeau.”

Yi Poon liet de vrouw op het strand achter en kroop terug om het huis vanuit het kreupelhout in het oog te houden en grinnikte tevreden, toen hij den rijken caballero met zoo’n kracht de trappen af zag werpen, dat hij een heel eind verder-spartelend in het grint terechtkwam. Maar Yi Poon was te verstandig om te laten merken, dat hij het gezien had. Zich wegspoedend, was hij al halverwege den heuvel af, toen hij door Torres, op zijn paard gezeten, ingehaald werd.

De zoon van het hemelsche rijk sprak hem nederig aan, en Torres, die nog op alles en iedereen woedend was, hief woest zijn rijzweep op om dien over zijn gezicht te halen. Maar Yi Poon verloor den moed niet.

„De Senorita Leoncia,” zei hij snel en ving den slag op. „Ik heb groot geheim.” Torres wachtte, de zweep nog altijd dreigend opgeheven.

„Gij wilt andere man trouwen dat heel mooi Senorita Leoncia?”

Torres liet de zweep zakken.

„Ga voort,” beval hij barsch. „Wat is dat voor een geheim?”

„Gij niet wilt andere man trouwen dat Senorita Leoncia?”

„En, veronderstel, dat dit zoo was?”

„Dan, veronderstel, gij hebt geheim, gij kunt stop andere man.”

„Wel, wat is er? Spreek op!”

„Maar eerst,” Yi Poon schudde het hoofd, „gij betaalt mij zeshonderd dollar goudgeld. Dan ik vertel u geheim.”

„Ik zal je betalen,” zei Torres bereidwillig, ofschoon hij er geen oogenblik over dacht om zijn woord te houden. „Je kunt het mij eerst vertellen en dan, als het geen leugen is, zal ik je betalen.—Kijk!”

Uit zijn borstzak haalde hij een portefeuille, die uitpuilde van het papieren geld; en Yi Poon, gedwongen hiermee genoegen te nemen, leidde hem langs het pad naar de oude vrouw op het strand.

„Dat oude vrouw,” legde hij uit, „zij niet liegt. Zij eerste klas meid, eerste klas kindermeid. Op zekeren tijd zij neemt betrekking bij Engelsche familie, die komt reizen in haar land. Langen tijd zij werkt bij dat familie. Zij gaan terug naar Engeland. Dan—gij weet Spaansch bloed is zeer heet—zij wordt zeer dol. Dat familie heeft een klein meisje. Zij steelt klein meisje en loopt weg naar Panama. Dat kleine meisje Senor Solano aanneemt als eigen dochter. Hij genoeg zoons, geen dochter. Zoo, dat kleine meisje hij maakt zijn dochter. Maar dat oude vrouw, zij niet vertelt wat naam draagt kleine meisjes familie. Dat familie zeer voornaam, zeer rijk, iedereen in Engeland kent dat familie. Dat familie heet: Morgan! Gij kent dat naam? In Colon komt San Antonio mannen, die zegt Senor Solano’s dochter trouwt Engelsch Gringo, die Morgan heet. Dat Gringo Morgan de broeder van Senorita Leoncia.”

„Ha!” zei Torres met boosaardige blijdschap.

„Gij betaalt mij nu zeshonderd dollars goudgeld,” zei Yi Poon.

„Merci, dwaas, dat je bent,” zei Torres, met onuitgesproken spot in zijn stem. „Je zult misschien nog wel eens beter het zaakje leeren om geheimen te verkoopen. Geheimen zijn geen schoenen of mahoniehout. Een verteld geheim is niet meer dan een fluistering in de lucht. Het komt. Het gaat. Het is verdwenen. Het is een spook. Wie heeft het gezien? Schoenen en mahoniehout kan je opeischen. Maar je kunt nooit een geheim opeischen, dat je verteld hebt.”

„Wij spreken over spoken, gij en ik,” zei Yi Poon kalm. „En de spoken zijn verdwenen. Ik heb geen geheim verteld. Gij hebt een droom gedroomd. Wanneer gij vertelt andere menschen, men vraagt, wie heeft u gezegd. En gij zegt: „Yi Poon!” Maar Yi Poon zegt: „Neen.” En zij zullen zeggen: „Spoken,” en je uitlachen.”

Yi Poon, die voelde, dat de andere tot zijn verheven gedachte overhelde, zweeg met opzet.

„Wij hebben fluisteringen verteld,” vervolgde hij na eenige seconden. „Gij spreekt waarheid, wanneer gij zegt fluisteringen zijn spoken. Wanneer ik geheimen verkoop, dan verkoop ik geen spoken. Ik verkoop schoenen. Ik verkoop mahoniehout. Mijn bewijzen verkoop ik. Die zijn solied. Op de weegschaal hebben zij gewicht. Gij kunt er het papier aftrekken en het is rechtsgeldig papier, waarop ze zijn geschreven. Sommige, die niet op papier staan, kunt gij uw tanden op zetten en die er op stukbijten. Want de fluisteringen zijn al verdwenen als morgennevel. Ik heb bewijzen. Gij zult mij zeshonderd dollars goudgeld betalen voor de bewijzen of men zal u uitlachen, omdat gij naar spoken geluisterd hebt.”

„Goed,” gaf Torres, nu overtuigd, toe. „Laat mij de bewijzen zien, die ik kan scheuren en waarop ik kan bijten.”

„Betaal me de zeshonderd dollars goudgeld.”

„Zoodra je mij de bewijzen hebt laten zien.”

„De bewijzen, die je kunt scheuren en waarop je kunt bijten, zijn de uwe, zoodra gij de zeshonderd dollars goudgeld in mijn hand geteld hebt. Gij belooft. Een belofte is een fluistering, een spook. Ik handel niet met spookgeld. Gij betaalt mij echt geld, dat ik kan breken en waarop ik kan bijten.”

En ten slotte gaf Torres toe, betaalde vooruit, wat hem zeer voldeed, toen hij de documenten gezien had, de oude brieven, het kinder-medaillon en het kinderspeelgoed. En Torres verzekerde Yi Poon niet alleen, dat hij voldaan was, maar betaalde hem vooruit, op aandringen van den laatste, nog honderd dollar goudgeld bovendien, om een opdracht voor hem uit te voeren.

Ondertusschen waren Henry en Francis in de badkamer, die hun slaapkamers verbond, gekleed in frisch linnengoed en zich scherende met veiligheidsscheerapparaten, aan het zingen:

„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet...”

In haar gezellige vertrekken, geholpen en bijgestaan door een paar Indiaansche naaisters, was Leoncia, half vroolijk, half droevig en vol liefelijke en heilzame edelmoedigheid bezig om de Koningin in te leiden in de heerlijkheden der kleeding eener beschaafde vrouw. De Koningin, een echte vrouw in haar hart, was dol verrukt over de tallooze snuisterijen van weefsel en versiering, waarvan Leoncia’s garderobe voorzien was. Het was een kinderlijke pret voor allebei en een steekje hier en een plooitje daar maakte enkele van Leoncia’s japonnen passend voor de slanke leden der Koningin.

„Neen,” zei Leoncia beslist. „Gij hebt geen corset noodig. Gij zijt de eenige vrouw op de honderd, die geen corset noodig heeft. Gij hebt voor een magere vrouw de rondste lijnen, die ik ooit gezien heb. Gij...” Leoncia hield op, blijkbaar in beslag genomen door de behoefte aan een speld van haar kaptafel, waarvoor ze zich omkeerde; maar tegelijkertijd slikte ze het brok in haar keel weg, zoodat ze kon vervolgen: „Gij zijt een schoone bruid en Francis kan enkel nog trotscher op je worden.”

In de badkamer brak Francis, na opgehouden te hebben met scheren, zijn gezang af om te antwoorden op een klopje aan de deur van zijn slaapkamer en ontving een telegram van Fernando, op een na de jongste der gebroeders Solano. En Francis las:

Onmiddellijke terugkomst gewenscht. Meer marge noodig. Beurs zeer slap, maar een sterke aanval op al je fondsen, behalve Tampico-Petroleum, die vast is als ooit. Telegrafeer, wanneer je komt. Toestand ernstig. Denk, dat ik het wel kan uithouden, wanneer je onmiddellijk vertrekt. Telegrafeer dadelijk.

Bascom.

In de woonkamer vonden de beide Morgans Enrico en zijn zonen, die bezig waren om wijnflesschen open te trekken.

„Nauwelijks heb ik mijn dochter teruggekregen,” zei Enrico, „of ik ga haar opnieuw verliezen. Maar het is nu een gemakkelijker verlies, Henry. Morgen zal het huwelijk plaats hebben. Het kan niet te vroeg voltrokken worden. We kunnen er zeker van zijn, dat die schurk van een Torres op het oogenblik door geheel San Antonio het praatje rondstrooit van Leoncia’s laatste escapade met jou.”

Voor Henry zijn dank kon betuigen, traden Leoncia en de Koningin binnen. Hij hief zijn glas op en toastte:

„Op de bruid!”

Leoncia, die er niets van begreep, nam een glas van de tafel en keek de Koningin aan.

„Neen, neen,” zei Enrico. „Niemand zal drinken, zoolang de toast niet compleet is. Laat mij er van maken:

„Op de bruidjes!”

„Jij en Henry trouwen morgen,” legde Enrico Leoncia uit.

Hoe onverwacht en bitter het nieuws ook was, Leoncia wist zich te beheerschen en waagde het om Francis met voorgewende vroolijkheid in de oogen te kijken, terwijl ze riep:

„Nog een toast! Op de bruidegoms!”

Hoe moeilijk Francis het ook gevonden had om de Koningin te trouwen en zijn bedaardheid te bewaren, nu, bij de aankondiging van het snelle huwelijk van Leoncia, was het hem onmogelijk om bedaard te blijven. Het ontging Leoncia evenmin, hoe hij zich moest inspannen om zich te beheerschen. Zijn lijden deed haar heimelijk pleizier, en met een gevoel, dat bijna op triomf geleek, zag zij hem gebruik maken van de eerste gelegenheid de beste om de kamer te verlaten.

Hun het telegram toonende en verzekerend, dat zijn fortuin op het spel stond, zei hij, dat hij een antwoord moest verzenden en verzocht Fernando om voor een ruiter te zorgen, die het naar het Rijksdraadloos telegraafstation te San Antonio kon brengen.

Het duurde ook niet lang, of Leoncia volgde hem. Zij vond hem in de bibliotheek, aan de leestafel gezeten, het telegram nog ongeschreven, terwijl zijn blik gevestigd was op een groot portret van haar, dat hij van zijn plaats boven op de lage boekenplanken genomen had. Dit alles was te veel voor haar. Haar onwillekeurige, hijgende snik bracht hem nog net bijtijds op de been, om haar wankelend in zijn armen op te vangen. En voor een van beiden wist, wat er gebeurde, waren hun lippen hartstochtelijk op elkander gedrukt. Leoncia stribbelde tegen en rukte zich los, haar aanbidder verschrikt aankijkend.

„Dit moet uit zijn, Francis!” riep ze. „Meer nog: je moogt niet hier blijven op mijn bruiloft. Als je het toch doet, zal ik niet aansprakelijk zijn voor mijn daden. Er vertrekt een stoomboot uit San Antonio naar Colon. Jij en je vrouw moeten daarmee weggaan. Je kunt gemakkelijk passage nemen op de fruitbooten van New-Orleans en den trein halen naar New-York. Ik heb je lief!—dat weet je.”

„De Koningin en ik zijn niet getrouwd,” pleitte Francis, buiten zich zelf, verrast door hetgeen plaats gevonden had. „Die heidensche huwelijksvoltrekking voor het Altaar der Zon was geen huwelijk. Door geen enkele daad of ceremonie zijn wij getrouwd. Dat verzeker ik je, Leoncia. Het is nog niet te laat...”

„Dat heidensche huwelijk was tot nu toe voor je van kracht,” viel zij hem kalm en flink in de rede. „Laat het van kracht blijven tot New-York, of minstens tot... Colon.”

„De Koningin wil niet overtrouwen volgens onze gebruiken,” sprak Francis. „Zij blijft er bij, dat de heele vrouwelijke linie voor haar zoo getrouwd is en dat de plechtigheid voor het Zonnealtaar heilig en bindend is.”

Leoncia trok onverschillig haar schouders op, ofschoon haar gezicht streng en vastberaden was.

„Huwelijk of niet,” antwoordde zij, „je moet gaan—vanavond—jelui allebei. Anders word ik krankzinnig. Ik waarschuw je: ik zal niet in staat zijn om je tegenwoordigheid te verdragen. Ik kan het niet, ik weet, dat ik het niet kan, niet in staat ben om je gezicht te zien, terwijl ik verbonden word aan Henry en nadat ik Henry’s vrouw geworden ben.—O, alsjeblieft, alsjeblieft, begrijp mij niet verkeerd. Ik heb Henry lief, maar niet zoo... niet op dezelfde wijze... niet zoo als ik jou liefheb. Ik—en ik schaam me niet over de stoutmoedigheid, waarmee ik het zeg—ik heb Henry ongeveer even lief, als jij de Koningin lief hebt; maar jou heb ik lief, zooals ik Henry moest beminnen en zooals jij de Koningin moest liefhebben, zooals ik weet, dat jij mij bemint.”

Zij greep zijn hand en drukte die tegen haar hart.

„Daar! Voor de laatste maal! Ga nu!”

Maar zijn armen waren om haar heen geslagen en zij kon hem enkel haar lippen toesteken. Weer rukte zij zich los, ditmaal naar de deur vluchtend. Francis boog het hoofd voor haar besluit, en nam toen haar portret op.

„Dat houd ik,” zei hij.

„Dat moest je niet doen,” sprak ze met een laatsten zoeten glimlach tot hem. „Je mag het hebben,” voegde zij er bij, keerde zich om en was verdwenen.

Yi Poon had een opdracht te vervullen, waarvoor Torres hem bij voorbaat honderd dollars goudgeld betaald had. Den volgenden morgen, toen Francis en de Koningin al uren lang op weg waren naar Colon, arriveerde Yi Poon op de Solano haciënda. Enrico, die op de veranda een sigaar zat te rooken en zeer tevreden was met zich zelf en de geheele wereld en de wijze, waarop de wereld draaide, herkende en verwelkomde Yi Poon als zijn bezoeker van den vorigen dag. Nog voor ze begonnen te spreken, had Leoncia’s vader Alesandro weggezonden om de overeengekomen vijfhonderd pesos te halen. En Yi Poon, wiens beroep was het handel drijven in geheimen, had er niets op tegen om zijn geheim voor de tweede maal te verkoopen. Toch was hij in zooverre trouw, dat hij Torres’ instructies gehoorzaamde en weigerde het geheim te vertellen, wanneer Leoncia en Henry er niet bij tegenwoordig waren.

„Dat geheim is verzegeld,” verontschuldigde Yi Poon, nadat het paar geroepen was en hij het bundeltje bewijzen uitpakte. „Senorita Leoncia en de man, met wien zij gaat trouwen, moeten eerst, vóór iemand anders, deze dingen zien. Daarna mag iedereen kijken.”

„Dat is niet meer dan billijk, daar zij er het meeste belang bij hebben,” stemde Enrico grootmoedig toe; ofschoon hij tegelijkertijd zijn nieuwsgierigheid verried, door het ongeduld, waarmee hij zijn dochter en Henry aanspoorde tot het onderzoek.

Hij deed zijn best om zich onverschillig te toonen, maar aan zijn zijdelingsche blikken ontsnapte geen enkele hunner handelingen. Tot zijn verbazing zag hij Leoncia plotseling een document, dat zij en Henry samen doorgelezen hadden en dat er heel gewichtig uitzag, neergooien en van ganscher harte en ongedwongen haar armen om diens hals slaan en hem van ganscher harte en ongedwongen op de lippen kussen. Vervolgens zag Enrico Henry achteruitgaan en, half versuft, op hartroerenden toon, uitroepen:

„Maar, mijn God, Leoncia! Dit is het einde van alles. Nooit kunnen wij man en vrouw worden!”

„Wat?” snoof Enrico. „Terwijl alles gereed is! Wat beteekent dit, mijnheer? Dit is een beleediging! Trouwen zal je en wel vandaag nog!”

Henry keek, nagenoeg verdoofd, Leoncia aan, dat zij voor hem zou spreken.

„Het is in strijd met de Goddelijke en menschelijke wetten,” sprak ze, „dat een man met zijn zuster trouwt. Nu begrijp ik mijn vreemde liefde voor Henry. Hij is mijn broeder. Wij zijn eigen broeder en zuster, tenzij deze documenten liegen.”

En Yi Poon wist, dat hij Torres het bericht kon overbrengen, dat dit huwelijk niet doorging en nimmer zou doorgaan.

HOOFDSTUK XXIV.

Een kwartier nadat ze met den kleinen kustvaarder geland waren te Colon, een boot van de United Fruit Company treffend, was de reis van de Koningin met Francis naar New-York een snelle opeenvolging van gunstige verbindingen geweest. Door te New-Orleans op de werf een auto te nemen naar het station en een wedloop van kruiers met handbagage, slaagden zij er in om nog net op het nippertje den trein te halen. Te New-York aangekomen, ontmoette Francis Bascom, die met Francis’ eigen auto aan het station was, en met dezelfde vaart werd de tocht voortgezet naar het sierlijke paleis, dat R. H. M. zelf, Francis’ vader, voor zijn millioenen had laten bouwen te Riverside Drive.

Zoodoende kende de Koningin nog niet veel meer van de groote wereld, dan toen ze haar reizen begon door in de onderaardsche rivier te springen. Wanneer ze een minderwaardiger schepseltje geweest was, zou ze ontzet geweest zijn over deze reuzen-beschaving rondom haar. Nu was ze koninklijk onlogisch, en nam deze beschaving aan als een geschenk van haar koninklijken echtgenoot. Want koninklijk was hij, gediend als hij werd door talrijke slaven. Had zij dit niet op de boot en in den trein gemerkt? En hier, in zijn paleis, beschouwde zij den stoet bedienden, die hen begroette, als iets heel natuurlijks. De chauffeur opende het portier der limousine. Andere bedienden brachten de bagage binnen. Francis stak geen hand uit, behalve naar haar arm om haar te ondersteunen. Zelfs in Bascom—een man, dien zij niet voor een bediende aanzag—vermoedde zij iemand, die in Francis’ dienst was. En zij zag Bascom vertrekken in Francis’ limousine, met instructies en op bevel van Francis.

Haar verrukking over het inwendige der woning was naïef en kinderlijk. De bedienden heelemaal vergetend, of liever, er geen acht op slaande, zooals zij haar eigen bedienden in haar meer-woning over het hoofd zag, klapte zij in de groote hall in haar handen, keek naar de marmeren trap en snelde op een drafje naar het naaste vertrek en gluurde naar binnen. Het was de bibliotheek, die zij in den Spiegel der Wereld gezien had op den dag, waarop zij Francis voor het eerst ontmoette. En het visioen werd werkelijkheid, want Francis ging met haar de groote boekenkamer binnen, zijn arm om haar heen geslagen, juist zooals zij hem gezien had op de vloeibaar-metalen oppervlakte van den gouden bokaal. De telefonen en de koersaanwijzer herinnerde zij zich ook; en, juist zooals zij toen zich zelf zag doen, liep zij naar het bord om dit te bekijken en Francis stond, met zijn arm nog altijd om haar heen geslagen, naast haar.

Nauwelijks was hij begonnen om haar het instrument eenigszins te verklaren en juist toen hij begreep, dat het onmogelijk was om haar in een paar minuten al de finesses der beursinstelling te leeren, lazen zijn oogen op het lint, dat Frisco Consolidated twintig procent was gedaald—iets wat nog nooit gebeurd was met dien kleinen spoorweg in Iowa, die R. H. M. gesticht en aangelegd had en op den dag van zijn dood nog trots verklaarde zoo’n goed ding te zijn, dat dit iedere storm zou doorstaan, al gingen de helft der banken en heel Wall Street over den kop.

De Koningin merkte den onrust op, die steeds sterker op Francis’ gelaat te lezen stond.

„Het is tooverachtig—net als mijn Spiegel der Wereld?” vroeg en constateerde zij half.

Francis knikte.

„Het vertelt je geheimen, dat weet ik,” vervolgde zij. „Evenals mijn gouden bokaal, brengt het de heele wereld hier in deze kamer, bij je. Het brengt je zorg. Dat is duidelijk te zien. Maar wat voor zorg kan deze wereld je brengen, terwijl je toch een van haar groote koningen bent?”

Hij opende zijn mond om haar laatste vraag te beantwoorden, hield op en zei niets, inziende dat hij het haar toch niet begrijpelijk kon maken, terwijl zijn geest gekweld werd door de beelden van groote spoorwegen en scheepvaartlijnen, van wemelende stations en woelige dokken; van mijnwerkers, zwoegend in Alaska, in Montana, in Death Valley, van gebreidelde rivieren en, in een harnas geslagen watervallen, en van electrische geleidingen op tweehonderd voet hooge palen boven laaglanden, moerassen en vennen, en van al de mechanische, economische en finantiëele instellingen eener twintigste eeuwsche machinebeschaving.

„Het brengt je zorgen,” herhaalde zij. „En, helaas! Ik kan je niet helpen. Mijn gouden bokaal is weg. Nooit zal ik er de wereld meer in aanschouwen. Ik ben niet langer een heerscheres over de toekomst. Ik ben niets meer dan een vrouw en hulpeloos in deze vreemde, reusachtige wereld, waarheen je mij gebracht hebt. Ik ben niets dan een vrouw, en jou vrouw, Francis, je vrouw, die trotsch op je is.”

Hij had haar bijna lief, toen hij, het lint loslatend, haar een oogenblik vast tegen zich aandrukte eer hij naar de telefonen liep. Ze is verrukkelijk, dacht hij. Er is geen bedrog of kwaad in haar, ze is enkel vrouw, een en al vrouw, liefelijk en beminnelijk—helaas, waarom moet Leoncia altijd en immer in mijn gedachten tusschen haar staan; haar die ik heb en haar, die ik nooit zal bezitten!

„Nog meer tooverij,” mompelde de Koningin, toen Francis, die aansluiting gekregen had met Bascom’s kantoor, zei:

„Mijnheer Bascom komt ongetwijfeld binnen een half uur terug. U spreekt met Morgan—Francis Morgan. Mijnheer Bascom vertrok nog geen vijf minuten geleden naar zijn kantoor. Wanneer hij aankomt, zeg hem dan, dat ik ook op weg ben naar zijn kantoor en er hoogstens vijf minuten later zal zijn dan hij. Het is van groot belang. Zeg hem, dat ik op weg ben. Dank u. Goeden dag.”

Het was zeer natuurlijk, dat de Koningin teleurgesteld was, toen Francis haar vertelde, dat hij onmiddellijk moest vertrekken naar een plaats, genaamd Wall Street, terwijl zij al de wonderen van het groote huis nog moest zien.

„Wat is het toch?” vroeg ze, een tikje misnoegd, „dat je, als een slaaf, van mij wegsleept?”

„Het zijn zaken—en zaken van groot gewicht,” zei hij haar, met een glimlach en een kus. „Het is de groote Amerikaansche god. Bovendien, is het een zeer verschrikkelijke god en als hij slaat, slaat hij vreeselijk en snel.”