Part 12
„Misschien weet gij niet, wie ik ben,” snoefde hij. „Ik ben Mariano Vercara è Hyos, met een ouden, beroemden naam en een lange, roemrijke loopbaan. Ik ben Chef van de Politie in San Antonio, de beste vriend van den gouverneur, en hoog in aanzien bij de Regeering der Republiek Panama. Ik ben de wet. Er is maar één wet en één gerechtigheid, en dat is die van Panama en niet van de Cordilleras. Ik protesteer tegen deze wet der bergen, die gij de Wreede Gerechtigheid noemt. Ik zal een leger uitzenden tegen uw Blinden Roover en de gieren zullen zijn beenderen afkluiven in San Juan.”
„Bedenk, dat je hier niet in San Antonio bent,” waarschuwde Torres sarcastisch den vertoornden Chef, „maar in de kreupelbosschen van Juchitan. Bovendien heb je geen leger.”
„Zijn deze beide mannen onrechtvaardig geweest jegens iemand, die een beroep gedaan heeft op de Wreede Gerechtigheid?” vroeg de aanvoerder plotseling.
„Ja,” bevestigde de inlander. „Ze hebben mij geslagen. Iedereen heeft mij geslagen. Zij ook hebben mij geslagen en zonder reden. Mijn hand is bebloed. Mijn lichaam is gekneusd en verscheurd. Nog eens beroep ik mij op de Wreede Gerechtigheid en ik beschuldig deze twee mannen van onrechtvaardigheid.”
De leider knikte en gaf aan zijn eigen manschappen een teeken om de gevangenen te ontwapenen en den afmarsch te regelen.
„Gerechtigheid!—ik vraag ook gerechtigheid!” riep Henry. „Mijn handen zijn op mijn rug gebonden. Alle handen moeten zoo gebonden worden of geen enkele. Bovendien is het zeer moeilijk loopen, wanneer men zoo vastgebonden is.”
De schaduw van een glimlach vloog over de lippen van den aanvoerder, toen hij zijn mannen beval de banden door te snijden, die zoo ergerlijk getuigden van de ongelijkheid, waarover geklaagd werd.
„Oef!” grinnikte Francis tegen Leoncia en Henry. „Ik heb een vage herinnering, dat ik vroeger, een millioen jaren geleden, ergens huisde in een rustig, klein, oud plaatsje, genaamd New-York, waar wij zoo onnoozel waren te denken, dat we de woestste en slimste golfspelers waren, die bestonden, een Inspecteur van Politie electrocuteerden, vochten met Tammany of vier mille boden met vijf vaste trekken in de hand.”
„Oef!” zuchtte Francis een half uur later, toen het pad, van een minder hoogen top, uitzicht gaf op verder op gelegen hoogere toppen. „Oef! Deze kerels in hun linnen zakken zijn geen wilde beesten. Kijk, Henry! Ze geven seinen! Kijk eens naar dien boom daar vlakbij, en dien grooten aan de overzijde van het ravijn. Kijk eens naar het wuiven van die takken.”
Nadat zij de laatste mijlen geblinddoekt afgelegd hadden, werden de gevangenen, nog steeds geblinddoekt, het hol binnengeleid, waar de Wreede Gerechtigheid resideerde. Toen de doeken weggenomen werden, zagen zij, dat zij zich bevonden in een groote, luchtige grot, verlicht door talrijke toortsen en tegenover zich een blinden grijsaard, gekleed in paklinnen en gezeten op een ruw besneden troon, terwijl naast hem, met haar schouder tegen zijn knieën, een mooie mestiza zat.
De blinde man nam het woord en in zijn stem lag de fijne, zilveren toon, die ouderdom en levenswijsheid geven.
„Er is een beroep gedaan op de Wreede Gerechtigheid. Spreek! Wie verlangt rechtspraak en gerechtigheid?”
Allen zwegen en zelfs de Chef kon geen moed vinden om te protesteeren tegen de wet der Cordilleras.
„Er is een vrouw in het gezelschap,” vervolgde de Blinde Roover. „Laat haar het eerst spreken. Ieder sterfelijk mensch, hetzij man of vrouw, heeft zich aan iets schuldig gemaakt of wordt door zijn medemenschen van het een of ander beschuldigd.”
Henry en Francis wilden haar tegenhouden, maar met hetzelfde glimlachje aan beider adres, wendde zij zich met heldere, duidelijke stem tot den Wreeden Rechtvaardige.
„Ik heb alleen den man, wiens vrouw ik zal worden, geholpen om aan den dood te ontsnappen, dien hij ondergaan zou voor een moord, dien hij niet gepleegd heeft.”
„Gij hebt gesproken,” sprak de Blinde Roover. „Kom dichter bij mij.”
Geleid door in paklinnen gekleede mannen, terwijl de beide Morgans, die haar liefhadden, ongedurig en ongerust waren, liet men haar neerknielen aan de voeten van den ouden man. Het mestiza-meisje legde diens hand op Leoncia’s hoofd. Een minuut lang heerschte er een plechtige stilte, terwijl de rustige vingers van den Blinde op haar voorhoofd rustten en de polsslagen aan haar slapen controleerden. Toen nam hij zijn hand weg en leunde achterover om een beslissing te nemen.
„Sta op, senorita,” sprak hij. „Uw hart is vrij van kwaad. Gij gaat vrij uit.—Wie verschijnt er nog meer voor de Wreede Gerechtigheid?”
Onmiddellijk stapte Francis naar voren.
„Ik heb eveneens den man geholpen om aan een onverdienden dood te ontsnappen. De man en ik dragen denzelfden naam en wij zijn, hoewel zeer van verre, aan elkander verwant.” Hij ook, knielde neer, en voelde de zachte vingers over zijn wenkbrauwen en slapen glijden en ten slotte tot stilstand komen op den slagader aan zijn pols.
„Het is mij niet alles duidelijk,” sprak de Blinde. „Gij hebt geen rust en geen vrede met uw ziel. Gij hebt zorgen, die u drukken.”
Plotseling stapte de inlander naar voren en sprak ongevraagd, terwijl zijn stem de in paklinnen gekleede mannen deed opschrikken, alsof zij een godslastering hoorden.
„O, Rechtvaardige, laat dezen man vrij uitgaan,” sprak de inlander hartstochtelijk. „Tweemaal was ik dezen dag zwak en verried hem aan zijn vijand en tweemaal heeft hij mij vandaag beschermd voor mijn vijand en mij gered.”
En de inlander, weer op zijn knieën vallend, maar ditmaal aan den voet der gerechtigheid, beefde en sidderde van bijgeloovige vrees, toen hij de lichte, maar vaste aanraking voelde der vingers van den zonderlingsten rechter, waarvoor hij ooit geknield had. Kneuzingen en verwondingen werden snel onderzocht, zelfs op zijn schouders en rug.
„De andere man gaat vrij uit,” verkondigde de Wreede Gerechtigheid. „En toch is er zorg en onrust in zijn binnenste. Weet iemand hier meer van en wil hij spreken?”
En Francis wist oogenblikkelijk welke zorg het was, die de blinde man in hem raadde—de groote liefde, die in hem gloeide voor Leoncia en die het loyale gevoel ten opzichte van Henry dreigde te verstikken. Niet minder snel begreep Leoncia en had de blinde man de onwillekeurige blik van begrijpen kunnen zien, die de man en de vrouw elkander toewierpen, dan had hij ongetwijfeld Francis’ zorgen kunnen vaststellen. Het mestiza-meisje zag het echter wel en haar hart zei haar onmiddellijk, dat hier een liefdesgeschiedenis in het spel was. Evenzoo had Henry het gezien en onwillekeurig de wenkbrauwen gefronsd.
De Rechtvaardige sprak:
„Ongetwijfeld een aangelegenheid van het hart,” verklaarde hij de zaak. „De eeuwige kommer om een vrouw in het hart van den man. Maar hoe het zij, deze man gaat vrij uit. Tweemaal op één dag heeft hij den man geholpen, die hem tweemaal verried. Evenmin heeft de zorg in zijn hart iets uit te staan met de hulp, die hij den man verleende, die, naar men zegt, onschuldig ter dood veroordeeld werd. Blijft nog het onderzoek over van dezen laatsten; en de rechtspraak over dit mishandelde schepsel voor mij, die dezen dag tweemaal zwak werd, terwille van zelfbehoud, en die nu juist bewezen heeft dapper en sterk te zijn, terwille van een ander.”
Hij boog zich voorover en liet zijn vingers onderzoekend over gelaat en wenkbrauwen van den inlander dwalen.
„Ben je bang om te sterven?” vroeg hij plotseling.
„O, Groote en Heilige, ik ben vreeselijk bang om te sterven,” was het antwoord van den inlander.
„Zeg dan, dat je gelogen hebt omtrent dezen man, zeg dat het een leugen was, dat hij je tweemaal te hulp kwam, en je zult leven.”
De inlander kromde zich en kromp ineen onder de vingers van den Blinde.
„Bedenk je goed,” klonk de ernstige waarschuwing. „De dood is niet goed. Om voor altijd onbeweeglijk te zijn, evenals de kluiten en rotsen, is niet goed. Zeg, dat je gelogen hebt en je bent meester van je leven. Spreek!”
Maar, ofschoon zijn stem beefde van doodsangst, verhief de inlander zich tot de hoogste geestelijke menschelijkheid.
„Tweemaal heb ik hem dezen dag verraden, o Heilige. Maar ik ben geen Petrus. Ik wil hem dezen dag geen driemaal verraden. Ik ben doodsbang, maar ik kan hem geen driemaal verraden.”
De blinde rechter leunde achterover en zijn gelaat straalde en lichtte, de uitdrukking ervan was geheel veranderd.
„Goed gesproken,” zei hij. „Gij hebt aanleg om een man te worden. En nu zal ik mijn vonnis over je uitspreken: Van dit oogenblik af, gedurende al uw levensdagen op dit ondermaansche, zult gij aldoor denken als een man, handelen als een man, een man zijn. Het is beter om den een of anderen tijd als man te sterven, dan om eeuwig als een beest te leven. De Evangelist had ongelijk. Een doode leeuw is altijd beter dan een levende hond. Ga vrij uit, mijn herboren zoon, ga vrij uit.”
Maar toen de inlander, op een teeken van de mestiza, op wilde staan, werd hij door den blinden rechter tegengehouden.
„Wat was, o mensch, die eerst heden een man geworden zijt, in den beginne de oorzaak van al uw moeilijkheden?”
„Mijn hart was zwak en hongerig, o Heilige, naar een vrouw van gemengd ras van de tierra caliente. Ik zelf werd in de bergen geboren. Om harentwille stak ik mijzelf in schuld bij den haciendado voor de som van tweehonderd pesos. Zij vluchtte met het geld en een anderen man. Ik bleef achter als slaaf van den haciendado, die geen slecht mensch is, maar die, in de eerste plaats en altijd, een haciendado is. Ik heb gezwoegd, werd geslagen, en heb vijf lange jaren geleden, en mijn schuld is nu gestegen tot tweehonderd vijftig pesos, en toch bezit ik niets dan deze lompen en een lichaam, dat verzwakt is door onvoldoende voeding.”
„Was zij schoon?—deze vrouw van de tierra caliente?” vroeg de blinde rechter zacht.
„Ik was dol op haar, o Heilige. Ik geloof nu niet meer, dat ze schoon was. Maar toen was ze het. Het koortsachtig verlangen naar haar zette mijn hart en mijn hersenen in brand en maakte mij tot een slaaf, ofschoon zij in den nacht van mij wegvluchtte en ik haar nimmer weerzag.”
De inlander wachtte, op zijn knieën liggend en met gebogen hoofd, terwijl, tot ieders verwondering, de Blinde Roover diep zuchtte en tijd en plaats scheen te vergeten. Onwillekeurig en automatisch zwierf zijn hand naar het hoofd der mestiza, liefkoosde het glanzende zwarte haar en bleef dit liefkoozen terwijl hij sprak.
„De vrouw,” zei hij, met een stem zoo zacht, dat het nauwelijks meer was dan een gefluister en toch duidelijk en klankrijk. „Altijd weer de schoone vrouw. Alle vrouwen zijn schoon... voor een man. Zij beminnen onze vaders; zij brengen ons ter wereld; wij beminnen haar; zij schenken ons zonen om haar dochters te beminnen en haar dochters schoon te noemen; en dit is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven tot het einde van het menschelijk bestaan en de menschelijke liefde hier op aarde.”
Een diepe stilte heerschte in de grot, terwijl de Wreede Gerechtigheid een tijdlang in gedachten verzonken was. Ten laatste gaf de mooie mestiza hem een vertrouwelijk tikje en wekte hem uit zijn overpeinzingen om hem te herinneren aan den inlander, die nog altijd aan zijn voeten geknield lag.
„Ik spreek recht,” zei hij. „Gij hebt talrijke slagen ontvangen. Iedere slag op je lichaam is een kwijting van je schuld aan den haciendado. Ga vrij uit. Maar blijf in de bergen, en zorg er voor, dat je de volgende keer een vrouw uit de bergen liefkrijgt, want een vrouw moet je hebben en een vrouw is nu eenmaal een onvermijdelijke en eeuwige noodzakelijkheid in het leven der mannen. Ga vrij uit. Gij zijt een halfbloed-Maya?”
„Ik ben een halfbloed-Maya,” mompelde de inlander. „Mijn vader is een Maya.”
„Sta op en ga vrij uit. En blijf in de bergen met je Maya-vader. De tierra caliente is geen geschikte plaats voor iemand, die in de Cordilleras geboren werd. De haciendado is niet tegenwoordig en daarom kan er over hem geen recht gesproken worden. En bovendien is hij maar een haciendado. Zijn mede-haciendados mogen ook vrij uitgaan.”
De Wreede Rechtvaardige wachtte een oogenblik en zonder dralen stapte Henry naar voren.
„Ik ben de man,” bevestigde hij stout, „die onschuldig ter dood veroordeeld werd voor het vermoorden van een man, dien ik niet gedood heb. Hij was de volle oom van het meisje, dat ik liefheb, en die mijn vrouw zal worden, wanneer er in deze grot in de Cordilleras werkelijk nog rechtvaardigheid woont.”
Maar de Chef viel hem in de rede.
„Voor een twintigtal getuigen dreigde hij dezen man te zullen dooden. Binnen het uur vonden we hem gebogen over het doode lichaam van den man, dat nog warm en slap en dus juist gedood was.”
„Hij spreekt de waarheid,” stemde Henry toe. „Ik dreigde den man, toen we allebei opgewonden waren door te veel drinken en drift. Ik werd zoo gevonden, gebogen over zijn doode, nog warme lichaam. Toch doodde ik hem niet. Evenmin weet ik, of kan ik vermoeden, welke lafaard hem in het donker een mes in den rug stak.”
„Kniel beiden neer, opdat ik u kan ondervragen,” beval de Blinde Roover.
Langen tijd onderzocht hij hen met zijn gevoelige, vragende vingers. Lang en steeds langer gleden zijn vingers, die geen beslissing konden vinden, over het gelaat en de polsen der beide mannen.
„Is er een vrouw?” vroeg hij scherp aan Henry Morgan.
„Een schoone vrouw. Ik heb haar lief.”
„Het is goed om zoo gekweld te zijn, want een man, die geen zorgen heeft om een vrouw, is maar een halve man,” sprak de blinde rechter. Hij wendde zich tot den Chef. „Geen vrouw baart u zorg, toch zijt gij niet onbekommerd. Maar deze man”—op Henry wijzend—„ik kan niet zeggen, of al zijn onrust aan de vrouw te wijten is. Misschien is zij gedeeltelijk aan u te wijten, of aan het een of andere booze plan, dat hij tegen u beraamt. Sta op, allebei. Ik kan niet tusschen u oordeelen. Toch is er een onfeilbare proef, de proef van de Slang en de Vogel. Zij is even onfeilbaar als God onfeilbaar is, want langs zulke wegen spreekt God nog recht in de zaken der menschen. Ook Blackstone vermeldt dergelijke methoden om de waarheid vast te stellen bij een gerechtelijk onderzoek.”
HOOFDSTUK XI.
Alle aanwezigen hadden het waarschijnlijk voor een kleine arena aangezien, die kuil in het midden van het domein van den Blinden Roover. Tien voet diep en dertig voet in doorsnee, met een gelijken vloer en loodrechte wanden, hadden menschenhanden weinig moeite gehad om van de natuurlijke vorm een symmetrisch geheel te maken. De, in paklinnen gekleede, mannen, de haciendados, de gendarmes—allen waren tegenwoordig, behalve de Wreede Rechtvaardige en de mestiza, en allen stonden om den rand der kuil geschaard, evenals het publiek, dat neerziet op een stieren- of gladiatorengevecht in den kuil.
Op bevel van den gestrengen aanvoerder der, in paklinnen gekleede, mannen, die hen gevangengenomen had, daalden Henry en de Chef langs een korten ladder in den kuil af. De aanvoerder en verscheidene der roovers vergezelden hen.
„De Hemel mag weten, wat er gaat gebeuren,” riep Henry lachend in het Engelsch naar boven naar Leoncia en Francis. „Maar wanneer het op een schermutseling aankomt of een Marquis van Queensbury of London Price Ring, dan zal ik het wel klaarspelen met mijnheer de vette Politiechef. Maar de oude blinde is niet gek en de kans bestaat, dat hij ons op de een of andere wijze op gelijken voet tegenover elkander zal stellen. In welk geval, als hij mij onder mocht krijgen, jelui, als publiek, je duimen op moet steken en zooveel kabaal maken, als je maar kunt. Wees er zeker van, dat zijn partij beslist de duimen zal opsteken, voor het geval hij onder komt.”
De Chef, die overbluft was door de val, waarin hij afgedaald was, wendde zich in het Spaansch tot den aanvoerder.
„Ik weiger te vechten met dezen man. Hij is jonger dan ik en beter bij adem. Bovendien is de zaak niet wettig. Het is niet overeenkomstig de wetten der Republiek Panama. Het is extra-territoriaal en volslagen onwettig.”
„Het is Slang en Vogel,” ontnam de aanvoerder hem het woord. „Gij zult de Slang zijn. Dit geweer krijg je in handen. De andere man zal de Vogel zijn. In zijn hand wordt de bel gegeven. Zie je! Op deze wijze moet je het godsgericht ondergaan.”
Op zijn bevel, werd een der roovers het geweer in handen gegeven en geblinddoekt. Een andere, niet geblinddoekte roover, kreeg een zilveren bel.
„De man met het geweer is de Slang,” zei de aanvoerder. „Hij mag één schot lossen op den Vogel, die de bel draagt.”
Op het teeken om te beginnen, liet de bandiet met de bel, deze op armslengte van zich afhoudend, rinkelen en sprong snel terzijde. De man met het geweer richtte dit, alsof hij wilde schieten, op de plek, die juist verlaten was en deed alsof hij schoot.
„Begrepen?” vroeg de aanvoerder aan Henry en den Chef.
De eerste knikte, maar de laatste riep juichend uit:
„En ik ben de Slang?”
„Gij zijt de Slang,” bevestigde de aanvoerder.
En de Chef greep gretig naar het geweer, niet langer protesteerend tegen het extra-territoriale van het geval.
„Zal je een poging doen om me te raken?” waarschuwde Henry den Chef.
„Neen, Senor Morgan. Ik zal geen poging doen, maar ik zal je raken. Ik ben een der twee beste schutters van Panama. Ik bezit meer dan veertig medailles. Ik kan schieten met gesloten oogen. Ik kan in het duister schieten. Ik heb dikwijls, en met goed gevolg, in het duister geschoten. Je kunt je nu al gerust als dood beschouwen.”
Slechts één kogel werd op het geweer gedaan, vóór het aan den Chef overhandigd werd, nadat deze geblinddoekt was. Vervolgens, nadat Henry, uitgerust met de verraderlijke bel, aan de overzijde van de kuil geplaatst was werd de Chef met het aangezicht naar den muur gekeerd, waarna de roovers uit den kuil klommen en den ladder optrokken. Van boven sprak de aanvoerder tegen hen:
„Luister goed, Senor Slang, en verroer je niet vóór je alles gehoord hebt. De Slang mag maar één schot doen. De Slang mag zijn blinddoek niet aanraken. Als hij dit wel doet, is het onze plicht te zorgen, dat hij onmiddellijk gedood wordt. De Slang is aan geen tijd gebonden. Hij kan den geheelen dag wachten en den geheelen nacht, en de geheele eeuwigheid, eer hij het schot lost. Wat den Vogel betreft, deze heeft slechts te zorgen, dat de bel in zijn hand blijft, en moet de klepel altijd met volle kracht tegen den wand der bel slaan. Wanneer hij dit niet doet, moet hij onmiddellijk sterven. Wij staan hier boven u, senors, met het geweer in de hand om toe te zien, dat gij onmiddellijk sterft, wanneer gij de voorschriften overtreedt. En nu, moge God den onschuldige nabij zijn, vooruit!”
De Chef keerde zich langzaam om en luisterde, terwijl Henry, behoedzaam een poging doende om de bel in beweging te brengen, deze deed rinkelen. Het geweer werd met groote snelheid op het geluid gericht en volgde dit, terwijl Henry voortrende. Met een snelle beweging greep hij de bel in zijn andere uitgestrekte hand en rende terug in de tegenovergestelde richting, terwijl het geweer hem onverbiddelijk volgde. Maar de Chef was te slim om alles op één twijfelachtig schot te zetten en naderde langzaam door de arena. Henry stond stil en de bel gaf geen geluid. Het oor van den Chef had zoo juist de plaats van het laatste zilveren gerinkel vastgesteld en, ondanks zijn blinddoek, liep hij er zoo regelrecht op aan, dat hij precies ter rechterzijde van Henry en vlak voor de bel kwam te staan. Zeer voorzichtig, om geen leven te maken, hief Henry langzaam zijn arm op, zoodat het hoofd van den Chef, met een tusschenruimte van nauwelijks één duim, er onder door ging.
Met geveld geweer en nauwelijks een voet van den muur verwijderd, bleef de Chef besluiteloos staan, luisterde een oogenblik tevergeefs en deed toen nog een stap, waardoor de loop van het geweer in contact kwam met den muur. Hij draaide zich op zijn hielen om en voelde, nog altijd het geweer geveld houdend, als een blinde in de lucht om zijn vijand te zoeken. De loop zou tegen Henry aangedrukt zijn, wanneer hij niet onstuimig en in een zigzag-richting was weggesprongen.
Midden in den kuil bleef hij stokstijf staan. De Chef liep op een meter afstand langs hem heen en botste tegen den tegenovergestelden muur. Hij liep langs den muur, zachtjes voortsluipend als een kat, terwijl zijn geweer aldoor in de lucht gericht was. Vervolgens waagde hij het om den kuil over te steken. Na een aantal malen aldus overgestoken te zijn, waarbij de stilstaande bel hem geen enkele aanwijzing aan de hand deed, beproefde hij het op een slimme manier. Zijn hoed op den grond gooiend om zijn uitgangspunt aan te wijzen, stak hij den kuil vlak bij den wand in rechte lijn over, deed een stap terzijde en begon den terugtocht langs deze nieuwe en langere lijn. Weer bij den muur gekomen, stelde hij vast, dat deze beide lijnen zuiver parallel liepen, door een stap terug te doen naar zijn hoed. Ditmaal deed hij van den hoed drie passen langs den muur en begon hier de derde lijn.
Zoo doorkruiste hij den heelen kuil en Henry zag, dat hij niet hieraan zou kunnen ontsnappen. Evenmin wachtte hij af, dat hij ontdekt werd. De bel rinkelend terwijl hij wegrende en zigzagsgewijze voortgaande en de bel van de eene hand in de andere nemend, bleef hij op een andere plek weer onbeweeglijk staan.
De Chef herhaalde zijn bewerkelijke onderzoekingstocht, maar Henry verkoos om een einde te maken aan de spanning. Hij wachtte, tot de laatste lijn van den Chef dezen vlak bij hem bracht. Hij wachtte, tot de loop van het geweer, op borsthoogte, nog een duim of zes van zijn hart verwijderd was. Toen maakte hij bliksemsnel twee gelijktijdige bewegingen. Hij dook onder het geweer en schreeuwde met stentorstem het bevel: „Vuur!”
Hierdoor verschrikt, haalde de Chef den trekker over en de kogel vloog over Henry’s hoofd heen. Uit de hoogte kwam een daverend applaus van de, in paklinnen gekleede, mannen. De Chef rukte zijn blinddoek af en zag het glimlachend gelaat van zijn tegenstander.
„Het is goed—God heeft gesproken,” verkondigde de, in paklinnen gekleede, aanvoerder, toen hij in den kuil afdaalde. „De ongedeerde man is onschuldig. Blijft nog over om den anderen man de proef te doen ondergaan.”
„Ik?” gilde de Chef bijna, in zijn verrassing en ontzetting.
„Gegroet, Chef,” grinnikte Henry. „Je hebt een poging gedaan om me te raken. Nu is het mijn beurt. Geef hier dat geweer.”
Maar de Chef, in zijn teleurstelling en woede vergetend, dat er maar één kogel op het geweer geweest was, drukte met een vloek den loop tegen Henry’s hart en haalde den trekker over. De haan sloeg met harden slag dicht.
„Het is goed,” sprak de aanvoerder, het geweer wegnemend en weer ladend. „Uw gedrag zal gerapporteerd worden. Nu blijft de proef voor u over, maar toch schijnt het, dat gij niet handelt als Gods uitverkoren man.”
Als een in het nauw gedrongen stier in de arena naar een uitweg zoekend om te ontsnappen en omhoog kijkend naar den kring meedoogenlooze gezichten, evenzoo keek de Chef omhoog en zag niets dan de geweren der, in paklinnen gekleede, mannen, de triomfeerende gezichten van Leoncia en Francis, de verwonderde blikken van zijn eigen gendarmes en de bloeddorstige gezichten der haciendados, die volkomen geleken op de gezichten der toeschouwers bij een stierengevecht.
De nauwelijks zichtbare glimlach vloog weer over de strenge lippen van den aanvoerder, toen hij Henry het geweer overhandigde en hem blinddoekte.
„Waarom draai je hem niet met het gezicht naar den muur, tot ik klaar ben?” vroeg de Chef, toen de zilveren bel rinkelde in zijn zenuwachtig-trekkende hand.
„Omdat het gebleken is, dat hij Gods uitverkorene is,” was het antwoord. „Hij heeft de proef doorstaan. Daarom kan hij geen verraderlijke handeling begaan. Nu moet gij het godsgericht ondergaan. Wanneer je eerlijk en oprecht bent, kan de Slang je geen kwaad doen. Alzoo zijn Gods wegen.”