Drie Harten

Part 11

Chapter 113,880 wordsPublic domain

En een zwakke stroom, boven de beperkte veiligheid, bleef uit de bron den bergrug afvloeien. Nauwelijks hadden de beide mannen dit gedaan, of een troep ruiters kwam aangereden, die door den verborgen inlander herkend werden als den haciendado, aan wien hij toebehoorde en de opzichters en haciendados der naburige plantages, die even verzot zijn op het nazetten van een voortvluchtigen arbeider, als een Engelschman op een vossenjacht.

Neen, de beide olie-mannen hadden niemand gezien. Maar de haciendado, die voorop was, zag de sporen der merrie, en gaf zijn paard de sporen om deze te volgen, terwijl de heele stoet hem weer op de hielen volgde.

De inlander wachtte, rookte zijn cigaret heelemaal op en dacht na. Toen de baan veilig was, waagde hij zich te voorschijn, draaide het mechanisme, dat de bron controleerde, heelemaal open, en keek hoe de olie door den onderaardschen drang hoog opspoot en als een ware rivier den berg afstroomde. Ook luisterde hij naar het sissen, blazen en bobbelen van het ontsnappende gas. Dit laatste begreep hij niet en alleen het feit, dat hij zijn laatsten lucifer gebruikt had om zijn cigaret aan te steken, spaarde hem voor verdere avonturen. Tevergeefs doorzocht hij zijn lompen, zijn ooren en zijn haar. Hij had geen enkele lucifer meer.

Zoo, grinnikend over de olierivier, die hij zoo moedwillig liet wegstroomen en, zich den hollen weg naar beneden herinnerend, holde hij den bergrug af en stiet op Francis, die hem met zijn automatisch pistool opwachtte. Bevend en smeekend viel de man op zijn geschaafde en gewonde knieën voor den man neer, dien hij dien dag al tweemaal verraden had. Francis nam hem aandachtig op, in het eerst zonder hem te herkennen, door het gekneusde en verscheurde gelaat en hoofd, waarop het geronnen bloed als het ware een masker vormde.

„Amigo, amigo,” stamelde de inlander.

Maar op datzelfde oogenblik hoorde Francis beneden op het pad in het ravijn een steen naar beneden rollen, die door den voet van een mensch losgemaakt was. Het volgende herkende hij, in hetgeen van den inlander overgebleven was, het beklagenswaardige schepsel, dat hij den halven inhoud van zijn whisky-flesch gegeven had.

„Wel, amigo,” sprak Francis hem in zijn moedertaal aan, „het schijnt, dat ze je op de hielen zitten.”

„Ze zullen me dooden, ze zullen me doodranselen, ze zijn zoo boos,” stamelde de ongelukkige. „Gij zijt mijn eenige vriend, mijn vader en mijn moeder, red mij.”

„Kan je schieten?” vroeg Francis.

„Ik was een jager in de Cordilleras voor ik als slaaf verkocht werd, senor,” was het antwoord.

Francis overhandigde hem het automatisch pistool, zei hem zich te verbergen en alleen te schieten, wanneer hij zeker was van zijn schot. En heimelijk fluisterde hij: De golfspelers zijn nu op het oogenblik druk aan den gang in Tarrytown. En Mrs. Bellingham staat op de veranda van het societeitsgebouw en vraagt zich af, hoe ze de drieduizend punten moet betalen, die zij achter is en smeekt om een wisseling van het geluk. En—hier sta ik—Hemel! Hemel—mijn weg versperd door een olierivier...

Zijn gefluister hield plotseling op, toen de Chef, Torres en de gendarmes beneden op het pad te voorschijn kwamen. Even plotseling schoot hij zijn geweer af en even plotseling verdwenen zij uit het gezicht. Hij kon niet zeggen of hij iemand getroffen had of dat de man enkel gevallen was op den snellen terugtocht. De vervolgers waagden geen bestorming, maar stelden zich tevreden met hem te besluipen. Francis en de inlander deden hetzelfde, zich schuilhoudend achter rotsen en struiken en gedurig van positie veranderend.

Na verloop van een uur had Francis de laatste kogel in zijn geweer. De inlander had, dank zij zijn waarschuwingen en dreigementen, nog twee kogels in het automatisch pistool. Maar dit uur was een uur gewonnen voor Leoncia en haar gezelschap en Francis bedacht dankbaar, dat hij zich ieder oogenblik kon omkeeren en ontsnappen door de olierivier door te waden. Alles was dus in orde en zou ook in orde gebleven zijn, wanneer niet uit de hoogte plotseling andere menschen zich aangekondigd hadden, die onder het afdalen, van achter de boomen schoten losten. Het was de haciendado en zijn mede-haciendados, die den voortvluchtigen inlander vervolgden, ofschoon Francis dit niet wist. Hij kwam tot de conclusie, dat het een andere troep was, die hem vervolgde. De schoten, die zij op hem losten, wezen hier wel op.

De inlander krabbelde naar hem toe, liet hem zien, dat er nog twee kogels op het automatisch pistool zaten, dat hij hem overhandigde, en smeekte hem dringend om zijn doos lucifers. Vervolgens drong de inlander er op aan, dat hij het ravijn zou oversteken en aan de andere zijde naar boven klimmen. De bedoelingen van den kerel half radend, voldeed Francis hieraan, terwijl hij van zijn nieuwe, gunstige positie zijn laatsten geweerkogel afschoot, op den naderenden troep en dezen terugzond in het beschutte gedeelte beneden in het ravijn.

Het volgend oogenblik sloegen de vlammen hoog op uit de olierivier op de plek, waar de inlander er een lucifer bij gehouden had. Een seconde later, steeg uit de bron zelf, boven op den bergrug, een fontein van brandend gas, een honderd voet hoog, op in de lucht. En nog een seconde later, was het ravijn zelf een brandende stortzee, die neergolfde op den troep van Torres en den Chef.

Geschroeid door de hitte van den brand, klauterden Francis en de inlander tegen den anderen kant van het ravijn op, maakten een bocht om en voorbij het brandende pad, en snelden langs het weer bereikte pad voort.

HOOFDSTUK X.

Terwijl Francis en de inlander zich veilig langs het ravijnpad naar boven spoedden, was het ravijn zelf, waar de olie er in stroomde, een vuurzee geworden, die den Chef, Torres en de gendarmes dwong om den steilen ravijnrand te bestormen. Terzelfdertijd was het gezelschap haciendados, dat den inlander vervolgde, genoodzaakt om terug te krabbelen naar boven, om uit het loeiende ravijn te ontvluchten.

Gedurig keek de inlander over zijn schouder heen om, tot hij met een kreet van vreugde, op een tweeden zwarten rookkolom wees, die voorbij de eerste brandende bron in de lucht opsteeg.

„Nog meer,” grinnikte hij. „Er zijn meer bronnen. Ze zullen allemaal branden. En zoo zullen zij en hun heele ras betalen voor de menigte slagen, die ze mij gegeven hebben. En er is daar ook een oliemeer, net een zee, zoo groot als Juchitan-Baai is het.”

En Francis herinnerde zich het oliemeer, waarvan de haciendado hem verteld had—dat, minstens vijf millioen ton olie bevattend, die nog niet door leidingen naar de zee overgebracht konden worden voor het zee-transport, open en bloot lag, enkel in een natuurlijke holte in den grond en vastgelegd door een aarden wal.

„Hoeveel ben jij waard?” vroeg hij, schijnbaar al heel ontoepasselijk, aan den inlander.

Maar deze begreep hem niet.

„Hoeveel zijn je kleeren waard—alles wat je aan je lijf hebt?”

„Een halve peso, neen, de helft van een halve peso,” bekende de inlander spijtig, zijn verscheurde lompen bekijkend.

„En wat bezit je nog meer?”

Het ongelukkige schepsel trok zijn schouders op, als bewijs van zijn groote armoede en voegde er toen bitter aan toe:

„Ik bezit niets dan een schuld. Ik heb tweehonderd vijftig pesos schuld. Daar zit ik voor mijn leven aan vast; mijn leven is er door verpest als dat van een man met een kankergezwel. Daarom ben ik een slaaf van den haciendado.”

„Oef!” Francis kon niet nalaten te grinniken. „Tweehonderd vijftig dollars minder dan niets waard, niet eens een cijfer, een loutere abstractie van een minimale hoeveelheid zonder naam, behalve in de mathematische verbeelding van den mensch, en toch verbrandt je hier een waarde van millioenen pesos aan olie. En als de bedding los is en onbetrouwbaar en de olie uit het buizenkanaal lekt, bestaat de kans, dat de oliebodem van het geheele veld ontbrandt—die, laten we zeggen, een waarde heeft van een billioen dollars. Zeg, voor een abstract begrip met een niet bestaande waarde van tweehonderd vijftig dollars, ben je toch wel een hombre, geloof me vrij.”

Hiervan begreep de inlander niets, behalve het woord „hombre”.

„Ik ben een man,” beweerde hij, zijn borst vooruitstekend en zijn gekneusd hoofd opheffend. „Ik ben een hombre en een Maya.”

„Een Maya-Indiaan—jij?” spotte Francis.

„Half Maya,” was het weifelend antwoord. „Mijn vader is een volbloed-Maya. Maar de Maya-vrouwen in de Cordilleras behaagden hem niet. Hij moest een vrouw liefkrijgen van gemengd ras van de tierra caliente. Ik werd geboren; maar later bedroog ze hem met een Barbadoes-neger en hij keerde terug naar de Cordilleras. En, evenals mijn vader, was het mijn noodlot om een halfbloed van de tierra caliente lief te krijgen. Zij had geld noodig en mijn hoofd brandde van verlangen naar haar, en ik verkocht mijzelf als slaaf voor tweehonderd pesos. En ik zag noch haar, noch het geld terug. Vijf jaren was ik slaaf. Vijf jaren heb ik gezwoegd en werd ik geslagen en zie, nu de vijf jaren om zijn, is mijn schuld niet tweehonderd, maar tweehonderd vijftig pesos.”

En terwijl Francis Morgan en de lankmoedige halfbloed-Maya al dieper de Cordilleras indrongen om hun gezelschap in te halen en terwijl de olievelden van Juchitan, steeds verder voort de Cordilleras door, in vlammen opgingen, bereidden zich nog verder op, in het hartje der Cordilleras, andere gebeurtenissen voor, die alle vervolgers en vervolgden zouden tezamen brengen—Francis en Henry en Leoncia en haar gezelschap; de inlander; het gezelschap haciendados; en de gendarmes met hun Chef en gelijk met deze Alvarez Torres, begeerig om voor zich zelf, niet alleen de beloofde belooning te winnen van Thomas Regan, maar ook het bezit van Leoncia Solano.

In een hol zaten een man en een vrouw. De laatste was mooi en jong, een mestiza, of vrouw van gemengd ras. Bij het licht van een kleine olielamp las zij hardop uit een in kalfsleer gebonden boekdeel, wat een Spaansche vertaling was van Blackstone. Beiden hadden bloote voeten en armen, en waren gekleed in, van een kap voorziene, regenmantels van paklinnen. Haar kap was op haar schouders teruggeslagen, waardoor haar zwart, dik hoofdhaar zichtbaar werd. Maar de kap van den ouden man was over zijn hoofd getrokken, op de wijze van een monnik. Het gezicht, edel en ascetisch, een kenmerk van macht, was zuiver Spaansch. Don Quixote moet juist zoo’n gezicht gehad hebben. Maar toch was er een verschil. De oogen van dezen ouden man waren gesloten door het eeuwige duister der blindheid. Hij zou nooit een windmolen kunnen zien om op in te stormen.

Terwijl de mooie mestiza hem voorlas, zat hij daar, luisterend en denkend, in een houding, die herinnerde aan Rodin’s „Denker”.

Ook was hij geen droomer, of een bestrijder van windmolens, zooals Don Quixote. Ondanks zijn blindheid, die voor immer het uiterlijke der wereld onzichtbaar voor hem maakte, was hij een man van de daad, en zijn ziel was allesbehalve blind, onfeilbaar door den uiterlijken schijn heendringend tot in hart en ziel der wereld en haar heimelijkste zonden, roofzucht, edele gevoelens en deugden ontdekkend.

Hij hief zijn hand op en maakte een pauze in de lectuur, terwijl hij hardop over den inhoud van het gelezene nadacht.

„De menschelijke wet,” sprak hij langzaam en zeker, „is vandaag een speelbal van het vernuft. Geen rechtvaardigheid, maar vernuft, is vandaag het spel der wet. De wet was in den beginne goed; maar de verdere voortgang der wet, de toepassing ervan, heeft den mensch in valsche banen geleid. Zij zien den weg aan voor het doel, de bedoeling voor het einde. Toch is de wet wet, en noodig, en goed. Alleen is de wet, in haar hedendaagsche toepassing, den rechten weg kwijtgeraakt. Rechters en rechtsgeleerden wedijveren om elkander een vlieg af te vangen en schrik aan te jagen door hun vernuft en geleerdheid, terwijl zij de klagers en verdedigers voor hen, geheel vergeten, die rechtvaardigheid en gerechtigheid zoeken in plaats van vernuft en geleerdheid.

„Toch heeft de oude Blackstone gelijk. Onder dit alles, in den diepsten grond hiervan, in de fundamenten van het gebouw der gerechtigheid, ligt de vraag, de ernstige en eerlijke vraag van rechtvaardige menschen naar gerechtigheid en rechtvaardigheid. Maar wat heeft de Prediker gezegd? „Hunne verzinsels zijn vele.” En de wet, die goed was in den beginne, is door al die verzinsels uit haar verband gerukt, zoodat noch procesvoerders, noch benadeelden er mee gediend zijn, maar alleen de vette rechters en de magere en hongerige rechtsgeleerden, die naam maken en dik worden, wanneer ze slimmer blijken te zijn dan hun tegenpartijen en dan de rechters, die beslissen.”

Hij zweeg, nog altijd in de houding van Rodin’s „Denker” en dacht na, terwijl de mestiza-vrouw op zijn gewone teeken wachtte om voort te gaan met lezen. Ten slotte, alsof hij ontwaakte uit een diepte van gedachten, waarin werelden op de weegschaal gelegd waren, sprak hij:

„Maar, hier in de Cordilleras van Panama hebben we een wet, die rechtvaardig, juist en enkel gerechtigheid is. Wij werken voor niemand en mesten ons zelven niet vet. Paklinnen en geen fijn laken past bij de gerechtigheid der wettelijke beslissing. Lees verder, Mercedes. Blackstone heeft altijd gelijk, wanneer hij altijd juist gelezen wordt—dit is, wat men een paradox noemt, en wat de tegenwoordige wet ook meestal is, een paradox. Lees verder. Blackstone zelf is de hoeksteen der menschelijke wet—maar, o, hoeveel onrecht is door verstandige menschen in zijn naam geschied!”

Tien minuten later hief de blinde denker zijn hoofd op, snoof de lucht in, en gaf het meisje een teeken om op te houden. Door hem er op attent gemaakt, snoof ook zij de lucht op:

„Misschien is het de lamp, o Rechtvaardige,” opperde zij.

„Het is brandende olie,” zei hij. „Maar het is de lamp niet. Het komt van verre. Ik heb ook hooren schieten in de ravijnen.”

„Ik hoorde niets...” begon zij.

„Dochter, jij, die zien kunt, behoeft niet zoo te luisteren als ik. Er zijn vele schoten gelost in de ravijnen. Beveel mijn kinderen om een onderzoek in te stellen en rapport uit te brengen.”

Eerbiedig buigend voor den ouden man, die niet kon zien, maar die, door zijn scherp geoefend gehoor en welbewuste berekening van elk harer spierbewegingen, wist dat zij gebogen had, hief de jonge vrouw het uit dekens bestaande gordijn op en ging naar buiten. Aan weerszijden van het hol zat een man, uit de inlandsklasse. Beiden waren gewapend met geweer en hakmes, terwijl in hun gordels ontbloote messen gestoken waren. Op bevel van het meisje stonden beiden op en bogen, niet voor haar, maar voor het bevel en de onzichtbare bron van het bevel. Een hunner sloeg met den achterkant van zijn hakmes tegen den steen, waarop hij gezeten had, legde toen zijn oor tegen den steen en luisterde. In werkelijkheid was de steen slechts het uiteinde van een ader van metaalhoudend erts, die zich over en door het hart van den berg uitstrekte. En verderop, op de tegenovergestelde helling, in een gedeelte, dat uitzicht gaf op het schitterende panorama der afdalende hellingen van de Cordilleras, zat een andere inlander, die eerst luisterde, zijn oor gedrukt tegen een dergelijke metaalhoudende kwarts en vervolgens met zijn hakmes daartegen klopte om te antwoorden. Daarna stapte hij naar een grooten, half-dooden boom op een zes voet afstand, greep in het holle binnenste ervan en trok aan een touw, evenals een man, die een kerkklok luidt.

Maar geen geluid werd vernomen. In plaats daarvan bewoog een hoogen tak, zich op en neer vijftig voet boven zijn hoofd en als een arm van een seintoren uit den grooten stam uitstekend, evenals de arm van een seintoren, wat hij ook eigenlijk was. Twee mijlen verder, op den kam van een berg, gaf een dergelijke sein-boom antwoord. Nog verderop en lager op de hellingen, verkondigde de flikkering van een handspiegel in de zon het doorzenden der boodschap van den blinden man in het hol. En dat geheele gedeelte der Cordilleras kwam in beweging door de geheime taal van vibreerende ertsaderen, zonneflikkeringen en wuivende boomtakken.

Terwijl Enrico Solano slank en recht als een jonge Indiaan op zijn paard zat, aan weerszijden begeleid door zijn zoons, Alesandro en Ricardo, die aan zijn stijgbeugels hingen, profiteerden van den tijd, die gewonnen werd door Francis’ strijd met de gendarmes in de achterhoede, bleven Leoncia, op haar rijdier gezeten, en Henry Morgan achter. Geregeld keek een van beiden achterom, om te zien of Francis hen nog niet inhaalde. Henry wachtte de gelegenheid af en liep terug. Vijf minuten later probeerde Leoncia, die niet minder bezorgd was over Francis’ veiligheid, haar paard te doen keeren. Maar het dier, dat begeerig was om in gezelschap te komen van zijn kameraad, die hem vooruit was, weigerde aan den teugel te gehoorzamen, steigerde en verzette zich halsstarrig. Afstijgend en de teugels op den grond werpend, volgens de Panamasche methode om een rijpaard te kluisteren, ging Leoncia te voet terug. Zóó snel volgde zij Henry, dat zij hem bijna op de hielen was, toen hij Francis en den inlander ontmoette. Het volgend oogenblik berispten zoowel Henry als Francis haar om haar gedrag, maar in beider stem lag onwillekeurig de teederheid der liefde, wat geen van beiden aangenaam was te hooren.

Daar hun harten actiever waren dan hun hoofden, werden zij volslagen verrast door het gezelschap haciendados, dat uit de omringende jungle met geweld geweer op hen aanvloog. Ondanks het feit, dat zij op deze wijze den weggeloopen inlander snapten, dien zij weer schopten en mishandelden zouden Leoncia en de beide Morgans niets te vreezen gehad hebben, wanneer de eigenaar van den inlander, de oude vriend der familie Solano, er bij was geweest. Maar een aanval van malaria, waaraan hij om de twee dagen leed, had hem, rillend van de koorts, neergeveld in de buurt van het brandende olieveld.

Maar, ofschoon zij door hun slagen den inlander tot kermen brachten en op zijn knieën om genade deden smeeken, waren de haciendados beleefd tegen Leoncia en zeer behoorlijk jegens Francis en Henry, ofschoon zij deze laatsten de handen op den rug bonden om hen mee te nemen naar de helling van het ravijn, waar de paarden achtergelaten waren. Maar op den inlander koelden zij, met Latijnsch-Amerikaansche wreedheid, hun woede.

En toch zouden zij met hun gevangenen, op eigen gelegenheid, nergens heengaan. Vreugdekreten verkondigden de verschijning op het tooneel van de gendarmes met hun Chef en Alvarez Torres. In eens verhief zich het snelvuur van staccato, verbasterd Latijn, waarin ieder lid der beide partijen vervolgers tegelijkertijd uitlegging trachtte te geven en te vragen. En terwijl het mengelmoes der stemmen, die allemaal tegelijk spraken en waarbij niemand iets verstond, een ware spraakverwarring deed ontstaan, trad Torres, met een hoofdknik tegen Francis en een triomfeerenden grijnslach tegen Henry, voor Leoncia en boog voor haar met de echte, diepe hoffelijkheid en eerbied van den hidalgo.

„Luister!” zei hij, op zachten toon, toen ze hem met een afkeerige armbeweging wegstiet. „Begrijp mij niet verkeerd. Vergis je niet in mij. Ik ben hier om je te redden en, wat er ook gebeuren moge, te beschermen. Jij bent de koningin mijner droomen. Ik wil voor je sterven—ja, met vreugde, hoewel ik toch nog veel liever voor je zou willen leven.”

„Ik begrijp er niets van,” antwoordde zij kortaf. „Ik zie niet in, wat leven en dood hiermee te maken hebben. Wij hebben geen kwaad gedaan. Ik heb geen kwaad gedaan en mijn vader evenmin. Ook Francis Morgan of Henry Morgan niet. Daarom, mijnheer, is dit geen kwestie van leven of dood.”

Henry en Francis, die ieder aan een kant dicht tegen Leoncia aangedrongen stonden, luisterden en vingen door het gemurmel der stemmen het gesprek van Leoncia en Torres op.

„Het is een kwestie van een gewissen dood door terechtstelling voor Henry Morgan,” hield Torres vol. „Zijn schuld aan den moord van Alfaro Solano, die je volle oom en een volle broer van je vader was, is onomstootelijk bewezen. Er bestaat niet de minste kans om Henry Morgan te redden. Maar Francis Morgan kan ik redden en in veiligheid brengen, als...”

„Als?” vroeg Leoncia, terwijl haar geheele houding deed denken aan een wijfjes luipaard.

„Als... je lief voor mij bent, en mijn vrouw wordt,” zei Torres met bewonderenswaardige kalmte, ofschoon twee hulpelooze Gringos, wier handen op hun rug gebonden waren, hem met hun oogen hun gemeenschappelijken wensch te kennen gaven om hem op staanden voet te vernietigen.

Torres greep, in een ongeveinsde hartstochtelijke opwelling, ofschoon zijn snelle blik hem overtuigd had van de hulpeloosheid der beide Morgans, haar handen in de zijne en drong aan:

„Leoncia, als je echtgenoot kan ik misschien ook nog iets voor Henry doen. Zelfs kan ik misschien nog zijn leven en zijn hals redden, wanneer hij er in toestemt om onmiddellijk Panama te verlaten.”

„Jou, Spaansche hond!” snauwde Henry hem toe, zijn gebonden handen op zijn rug wringend, in een poging om ze vrij te maken.

„Vervloekte Gringo!” antwoordde Torres, terwijl hij met den vlakken rug van zijn hand Henry op den mond sloeg.

Oogenblikkelijk schoot Henry’s voet naar voren en de schop in Torres’ zijde wierp hem wankelend in de richting van Francis, die niet minder vlug was, om hem ook een schop toe te dienen. Heen en weer als een voetbal tusschen de spelers, werd Torres van den een naar den ander geschopt, tot de gendarmes de beide Gringos aangrepen en hen, in hun hulpeloosheid, begonnen te slaan. Torres moedigde niet alleen de gendarmes aan, maar trok zelf een mes; en een bloedig treurspel zou afgespeeld zijn, nu het beleedigde Latijnsch-Amerikaansche bloed in vuur geraakt was, ware er niet een twintigtal of meer gewapende mannen zwijgend ten tooneele verschenen, die zwijgend zich meester maakten van de situatie. Sommige der geheimzinnige nieuwelingen waren gekleed in katoenen buis en broek, en anderen droegen, met kappen voorziene, regenjassen van paklinnen.

De gendarmes en haciendados deinsden verschrikt terug, bekruisten zich, stamelden gebeden en riepen: „De Blinde Roover!” „De Wreede Rechtvaardige!” „Het zijn zijn mannen!” „Wij zijn verloren!”

Maar de veel-mishandelde inlander sprong naar voren en viel op zijn bloedende knieën neer voor een man met een streng gelaat, die de aanvoerder der mannen van den Blinden Roover scheen te zijn. Uit den mond van den inlander vloeide een stroom van klachten en een bede om gerechtigheid.

„Gij kent de gerechtigheid, waarop gij een beroep doet?” vroeg de aanvoerder met een diepe stem.

„Ja, de Wreede Gerechtigheid,” antwoordde de inlander. „Ik weet, wat het zeggen wil om een beroep te doen op de Wreede Gerechtigheid, en toch doe ik het, want ik zoek gerechtigheid en mijn zaak is rechtvaardig!”

„Ik doe eveneens een beroep op de Wreede Gerechtigheid!” riep Leoncia met vlammende oogen uit, ofschoon ze er op zachter toon tegen Francis en Henry aan toevoegde: „Wat die Wreede Gerechtigheid dan ook moge zijn.”

„’t Moet al heel erg zijn, wanneer ze minder eerlijk is, dan de gerechtigheid, die wij van Torres en den Chef kunnen verwachten,” antwoordde Henry op denzelfden fluistertoon, stapte toen stoutweg voor den aanvoerder met zijn kap en zei hardop: „En ik doe een beroep op de Wreede Gerechtigheid.”

De aanvoerder knikte.

„Ik ook,” fluisterde Francis zacht, en herhaalde toen hardop deze woorden.

De gendarmes schenen in deze zaak niet mee te tellen, terwijl de haciendados zich maar al te bereidwillig toonden, om zich te onttrekken aan de gerechtigheid, die de Blinde Roover over hen zou uitspreken. Alleen de Chef protesteerde.