Dramatische werken

Chapter 30

Chapter 303,855 wordsPublic domain

DR. STOCKMANN. Och, mijn goede mijnheer Hovstad, praat toch niet van vaste waarheden! De waarheden die de massa en de menigte erkennen, dat zijn de waarheden die de strijders op de voorposten, in de dagen van onze grootvaders, voor vaste waarheden hielden. Wij strijders op de voorposten van heden, wij erkennen die niet meer; en ik geloof volstrekt niet dat er één andere vaste waarheid bestaat, dan deze, dat geen enkele maatschappij een gezond leven leiden kan berustend op dergelijke oude, krachteloos waarheden.

HOVSTAD. Maar in plaats van hier in 't wilde te staan praten, zou het wel aardig zijn als wij eens te hooren kregen, wat dat dan voor oude krachtelooze waarheden zijn, waarvan wij leven.

(_Instemming van vele kanten_).

DR. STOCKMANN. Och, ik zou een heelen hoop van dien smerigen rommel bij elkaar kunnen halen; maar voorloopig wil ik mij houden bij ééne erkende waarheid, die eigenlijk een gemeene leugen is, maar waarvan toch zoowel mijnheer Hovstad als de "Volksbode" en al de aanhangers van de "Volksbode" leven.

HOVSTAD. En die is...?

DR. STOCKMANN. Dat is de leer die u van de voorvaders geërfd heeft en die u gedachteloos uitbazuint in de heele wereld,... de leer, dat de lagere klasse, de massa, de groote hoop, de kern des volks is,... dat die het volk zelf is ... dat de gemeene man, deze onwetenden en onontwikkelden in de samenleving, hetzelfde recht bezitten om te veroordeelen of goed te keuren, te regeeren en te heerschen, als de enkele geestelijk voorname persoonlijkheden.

BILLING. Dat heb ik nu toch, goddome....

HOVSTAD (_tegelijkertijd, roept_). Burgers, let op!

VERBITTERDE STEMMEN. Zoo? Zijn wij het volk niet? Zijn het alleen de voorname lui die regeeren moeten!

EEN WERKMAN. Weg met dien man die daar staat te kletsen!

ANDEREN. Gooit hem er uit!

EEN BURGER (_schreeuwt_). Blaas op je hoorn, Evensen!

(_Geweldige trompettonen klinken; fluiten en een razend rumoer in de zaal_).

DR. STOCKMANN (_als het leven een beetje bedaard is_). Maar weest toch verstandig, menschen! Wil je dan niet een enkelen keer de stem der waarheid hooren? Ik verlang immers volstrekt niet dat je het allemaal terstond met mij eens zult zijn. Maar ik had toch zeker verwacht dat mijnheer Hovstad mij gelijk geven zou, als hij even had nagedacht. Want mijnheer Hovstad maakt er immers aanspraak op vrijdenker te zijn....

VERWONDERDE TWIJFELENDE VRAGEN: Vrijdenker, zegt hij? Wat? Is Hovstad vrijdenker?

HOVSTAD (_roept_). Bewijs dat, dokter Stockmann! Wanneer heb ik dat ooit laten drukken?

DR. STOCKMANN (_bedenkt zich even_). Daar heeft u waarachtig gelijk in! Dien moed heeft u nog nooit gehad. Nou, ik wil u niet het vuur aan de schenen leggen, mijnheer Hovstad. Laat ik die vrijdenker dan maar zijn. En nu zal ik je allemaal uit de natuurkunde bewijzen dat de "Volksbode" je schromelijk bij den neus heeft, als zij je vertelt, dat de volksklasse, de massa en de menigte de ware kern van het volk is. Dat is eenvoudig een courantenleugen, weet je! De volksklasse is niets anders dan de ruwe stof waaruit het volk menschen maken moet.

(_Gebrom, gelach en onrust in de zaal_).

DR. STOCKMANN. Gaat het dan niet zoo met alle andere levende dingen in de wereld? Wat een verschil is er niet tusschen gecultiveerde rasdieren en gewone dieren? Kijk maar eens naar een gewone boerenkip. Wat voor waarde heeft het vleesch van zoo'n verarmd gedierte? Niet veel, waarachtig! En wat voor eieren legt zoo'n dier? Een maar half fatsoenlijke kraai of raaf kan ongeveer even goede eieren leggen. Maar neem eens een echt Spaansch of Japansch rashoen, of een voorname fazant of kalkoen;... ja, dan zie je het verschil wel! En dan honden, met wie wij menschen zoo verbazend nauw verwant zijn. Stel je nu eens eerst een gewonen achterbuurthond voor,... zoo'n smerigen, ruigen gemeenen straathond, die enkel langs de straat loopt en de muren van de huizen bevuilt. En vergelijk dan zoo'n straathond eens met een poedel, die al sedert vele geslachten uit een voornaam huis stamt, waar hij best eten gekregen heeft en gelegenheid had om welluidende stemmen en muziek te hooren. Geloof je niet dat de hersens van dien poedel heel anders ontwikkeld zijn dan die van den straathond? Ja, daar kan je zeker van zijn! Zulke jonge raspoedeltjes zijn het die afgericht worden tot de ongeloofelijkste kunststukjes. Zulke dingen kan een gewone boerenhond nooit leeren, al zou hij op zijn kop gaan staan.

(_Rumoer en grappen overal_).

EEN BURGER (_roept_). Wil u nu ook al honden van ons maken?

EEN TWEEDE. Wij zijn geen dieren, dokter!

DR. STOCKMANN. Ja, bij mijn ziel en zaligheid, wij zijn wèl dieren, vadertje! Wij zijn zulke goede dieren, allemaal, als iemand maar kan verlangen. Maar voorname dieren zijn er stellig niet veel onder ons. O, er is een geweldige afstand tusschen poedel-menschen en straathonden-menschen. En het grappige van de zaak is, dat mijnheer Hovstad het geheel met mij eens is, zoolang wij over viervoetige dieren spreken....

HOVSTAD. Ja, die laat ik voor wat ze zijn.

DR. STOCKMANN. Jawel; maar zoodra ik de wet op de tweevoetige toepas, dan staat mijnheer Hovstad stop. Dan durft hij zijn eigen opinies niet meer volhouden, zijn eigen gedachten niet meer uit-denken; dan gooit hij de heele leer onderste boven, en verkondigt in de "Volksbode", dat boerenkippen en straathonden ... dat juist die de pracht-exemplaren der menagerie zijn. Maar zoo gaat het altijd, zoo lang iemand nog zijn plebejische afkomst in het bloed zit en zoolang hij zich nog niet tot geestelijke voornaamheid heeft opgewerkt.

HOVSTAD. Ik maak geen aanspraak op eenige voornaamheid. Ik stam af van eenvoudige boeren; en ik ben er trotsch op dat mijn wortels reiken tot diep onder in het volk, dat hier bespot wordt.

VELE WERKLIEDEN. Hoera Hovstad! Hoera! Hoera!

DR. STOCKMANN. Dat soort plebs waarvan ik spreek, dat vindt je niet alleen daar beneden in de diepten, dat kruipt en wriemelt rondom ons heen,... tot in de hoogste lagen der maatschappij. Kijkt maar eens naar je eigen deftigen, eerzamen burgemeester! Mijn broer Peter is waarachtig evengoed een plebejer, als anderen die er rondloopen....

(_Lachen en sissen_).

BURGEM. STOCKMANN. Ik protesteer tegen dergelijke persoonlijke aanvallen....

DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar_) ... en niet omdat hij evenals ik, van een ouden, smerigen zeeroover uit Pommeren of ergens dien kant uit afstamt,... want dat doen wij....

BURGEM. STOCKMANN. Absurde overlevering. Wordt ontkend!

DR. STOCKMANN. ... maar omdat hij de gedachten van zijn superieuren denkt en altijd met hun opinie meegaat. De menschen die dàt doen, dat zijn geestelijke plebejers; kijk, daarom is mijn trotsche broer Peter in den grond zoo weinig voornaam ... en dientengevolge ook zoo weinig vrijzinnig.

BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter...!

HOVSTAD. Dus zijn het de voornamen die vrijzinnig zijn hier in 't land? Dat is een heel nieuwe openbaring.

(_Lachen in de vergadering_).

DR. STOCKMANN. Jawel; dat hoort ook nog bij mijn nieuwe ontdekking. En ook dát hoort er nog bij, dat vrijzinnigheid ongeveer precies hetzelfde is als moraliteit. En daarom zeg ik dat het volslagen onverantwoordelijk is van de "Volksbode" dat zij, dag in dag uit, de dwaalleer verkondigt, dat de massa, het gepeupel, de compacte meerderheid, de vrijzinnigheid en de zedelijkheid in pacht zou hebben,... en dat slechtheid en verdorvenheid en alle mogelijke geestelijke zwijnerij, iets zou zijn dat voortvloeit uit beschaving, evenals al de smerigheid naar de badplaats afvloeit van de leerlooierijen in het Molendal!

(_Rumoer en interrupties_).

DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar; lacht in zijn ijver_). En toch kan diezelfde "Volksbode" er over preeken dat de massa en het gepeupel moeten worden opgeheven tot hooger leven. Maar voor den duivel, als de leer der "Volksbode" steek hield, dan zou dat opheffen van het volk precies hetzelfde beteekenen als het rechtstreeks in zijn verderf te jagen! Maar gelukkig is het maar een oude overgeërfde volksleugen dat beschaving demoraliseert. Neen, dom blijven, armoede, ellendige levensomstandigheden, die doen dat duivelswerk! In een huis waar niet gelucht en de grond niet geveegd wordt alledag ... mijn vrouw beweert dat er ook gedweild moet worden; maar daarover kan verschil van meening bestaan...; nu in zoo'n huis, beweer ik, verliezen de menschen in twee à drie jaar de geschiktheid tot moreel denken en handelen. Gebrek aan zuurstof verzwakt het geweten. En in zeer, zeer veel huizen in onze stad schijnt groot gebrek aan zuurstof te zijn, als de heele compacte meerderheid zoo gewetenloos kan zijn, dat zij de opkomst van de stad wil gronden op een slijkbodem van leugen en bedrog.

ASLAKSEN. Zulk een grove beschuldiging mag men een heele maatschappij niet in het gezicht werpen.

EEN HEER. Ik geef den voorzitter in overweging den spreker het woord te ontnemen.

LAWAAIÏGE STEMMEN. Ja! ja! Juist! Ontneem hem het woord!

DR. STOCKMANN (_opbruisend_). Dan schreeuw ik de waarheid uit op alle hoeken van de straten. Ik zal in dagbladen van andere plaatsen schrijven! Het heele land zal weten hoe het hier gesteld is.

HOVSTAD. Het heeft er veel van of de dokter van plan is de heele stad te ruïneeren.

DR. STOCKMANN. Ja, zooveel houd ik van mijn geboorteplaats, dat ik die liever zou ruïneeren, dan ze te zien opbloeien op een leugen.

ASLAKSEN. Dat is sterk!

(_Rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann kucht tevergeefs; de dokter hoort het niet meer_).

HOVSTAD (_roept onder het rumoer door_). De man die den ondergang van een heele maatschappij wenschen kan, moet een vijand der burgerij zijn!

DR. STOCKMANN (_in stijgende drift_). Daaraan is niets verbeurd dat een leugenachtige maatschappij te gronde gaat! Die behoort met den grond gelijk gemaakt te worden, zeg ik! Uitgeroeid als schadelijk gedierte moesten zij worden allen, die in leugens leven! Ten slotte verpest je het heele land; je brengt het zoo ver dat het heele land verdient onder te gaan. En komt het eens zoo ver, dan zeg ik uit het volle van mijn hart: laat het heele land ten onder gaan; laat het heele volk uitgeroeid worden!

EEN MAN (_in de menigte_). Dat is de taal van een echten vijand des volks!

BILLING. Daar klonk, goddome, de stem des volks!

De heele menigte (_schreeuwt_). Ja, ja, ja! Hij is een vijand des volks! Hij haat zijn land! Hij haat het heele volk!

ASLAKSEN. Ik ben als burger en als mensch diep geschokt door wat ik heb moeten aanhooren. Dokter Stockmann heeft zich ontpopt op een manier, als ik nooit had kunnen droomen. Ik moet, helaas, de overtuiging deelen, die achtenswaardige burgers zoo even uitspraken; en ik meen dat wij aan die overtuiging uiting moeten geven door een besluit. Ik stel het volgende voor: "De vergadering verklaart dat zij den badarts, dr. Thomas Stockmann, beschouwt als een vijand des volks."

(_Stormachtig hoera-roepen en bijval. Een groote kring wordt om dr. Stockmann gevormd en men fluit hem in zijn gezicht uit. Mevr. Stockmann en Petra zijn opgestaan. Morten en Ejlif vechten met de andere schooljongens, die ook gefloten hebben. Eenige volwassenen halen hen van elkaar_).

DR. STOCKMANN (_tegen de fluiters_). O, jullie dwazen!... ik zeg je dat....

ASLAKSEN (_luidt de bel_). De dokter heeft niet meer het woord. Een formeele stemming moet plaats hebben; maar om persoonlijke gevoelens te sparen moet het schriftelijk en zonder naam geschieden. Heeft u wit papier, mijnheer Billing?

BILLING. Hier heb je allebei, blauw en wit papier....

ASLAKSEN (_komt van het podium af_). Zoo is 't mooi; op die manier gaat het gauwer. Snij het in stukjes...; ziezoo, ja. (_tot de vergadering_) Blauw beteekent neen; wit beteekent ja. Ik zal zelf rond gaan om de stemmen op te nemen.

(_De burgemeester verlaat de zaal. Aslaksen en een paar andere burgers gaan rond met de stukjes papier in hun hoed_).

EEN HEER (_tegen Hovstad_). Hoe zit dat toch met den dokter? Wat moet men daar eigenlijk van denken?

HOVSTAD. U weet toch wel hoe hij altijd doorslaat.

EEN TWEEDE HEER (_tegen Billing_). Hoor eens; u komt daar immers wel aan huis? Heeft u ooit gemerkt of de man drinkt?

BILLING. Ik weet goddome niet wat ik zeggen moet; als men er komt staat er altijd grog op tafel.

EEN DERDE HEER. Neen, ik geloof eerder dat hij tusschenbeiden maalt.

DE EERSTE HEER. Er is misschien erfelijke krankzinnigheid in de familie?

BILLING. Dat kan wel zijn.

EEN VIERDE HEER. Neen, het is niets dan nijd; wraak over het een of ander.

BILLING. Hij sprak wel dezer dagen van traktementsverhooging; maar die heeft hij niet gekregen.

ALLE HEEREN (_eenstemmig_). Aha; dan is het gemakkelijk te begrijpen!

DE DRONKEN MAN (_in de menigte_). Ik wil een blauw hebben, dat wil ik! En dan wil ik een wit ook hebben!

GEROEP. Daar is die dronken vent weer! Gooit hem er uit!

MORTEN KIIL (_komt naar den dokter toe_). Wel, Stockmann, zie je nu wel wat er komt van zulke grappen?

DR. STOCKMANN. Ik heb mijn plicht gedaan.

MORTEN KIIL. Wat was dat wat je zei van de leerlooierijen in het Molendal?

DR. STOCKMANN. Dat heeft u immers gehoord; ik zei dat daar van daan al de smerigheid kwam.

MORTEN KIIL. Ben je van plan dát in de courant te zetten?

DR. STOCKMANN. Ik steek niets onder stoelen en banken.

MORTEN KIIL. Dat kan je duur te staan komen, Stockmann (_gaat weg_).

EEN DIKKE HEER (_gaat naar Horster toe. Groet de dames niet_). Zoo, kapitein, u staat dus uw huis af aan volksvijanden?

HORSTER. Ik denk dat ik met mijn eigendom kan doen wat ik wil, mijnheer Vik.

DE HEER. Dan zal u er zeker ook niets tegen hebben dat ik met mijn eigendom evenzoo doe?

HORSTER. Wat bedoelt u daarmee, mijnheer Vik?

DE HEER. Morgen zal u nader van mij hooren (_hij keert zich om en gaat heen_).

PETRA. Was dat uw reeder niet, kapitein?

HORSTER. Ja, dat was de groothandelaar Vik.

ASLAKSEN (_met de stembiljetten in de hand, stapt op het podium en luidt de bel_). Mijne heeren, mag ik u bekend maken met den uitslag van de stemming. Met alle stemmen tegen één....

EEN JONGERE HEER. Dat is de stem van dien dronken kerel!

ASLAKSEN. Met alle stemmen tegen één van een beschonken man, heeft deze volksvergadering den badarts Dr. Thomas Stockmann voor een vijand des volks verklaard! (_Geroep en teekenen van bijval_) Leve onze oude eerwaardige burgerstand! (_weer bijvalsbetuigingen_) Leve onze bekwame en werkzame burgemeester die zoo loyaal de stem des bloeds onderdrukt heeft! (_hoera_) De vergadering is opgeheven (_komt van het podium af_).

BILLING. Leve de voorzitter!

DE HEELE MENIGTE. Hoera voor Aslaksen!

DR. STOCKMANN. Mijn hoed en mijn jas, Petra. Kapitein, heeft u plaats aan boord voor passagiers naar de nieuwe wereld?

HORSTER. Voor u en de uwen zal er plaats gemaakt worden, dokter.

DR. STOCKMANN (_terwijl Petra hem in zijn jas helpt_). Goed. Kom Katrine! Komt jongens!

(_Hij neemt den arm van zijn vrouw_).

MEVR. STOCKMANN (_zachtjes_). Lieve Thomas, laat ons achter uit gaan.

DR. STOCKMANN. Geen achterwegen, Katrine (_met verheffing van stem_). Je zult nog hooren van den vijand des volks, vóór hij het stof van zijne voeten schudt! Ik ben niet zoo zachtmoedig als een zeker iemand; ik zeg niet: ik vergeef het je, want je weet niet wat je doet.

ASLAKSEN (_roept_). Dat is een godslasterlijke vergelijking, dokter Stockmann!

BILLING. Dat is goddo.... Zoo iets is kras om aan te hooren voor een ernstig man.

EEN GROVE STEM. Nou dreigt hij ook nog!

OPHITSEND GEROEP. Laat ons de ruiten bij hem inslaan! Smijt hem in de fjord!

EEN MAN (_in de menigte_). Blaas op je hoorn, Evensen! Toet! Toet!

(_Hoorngeschetter, gefluit en woest getier. De dokter gaat met de zijnen naar den uitgang. Horster baant hun een weg_).

DE HEELE MENIGTE (_joelt en krijscht achter hem aan_). Volksvijand! Volksvijand! Volksvijand!

BILLING (_terwijl hij zijn notities rangschikt_). Neen, goddome, als ik van avond bij de Stockmanns grog zou willen drinken! (_De vergaderden stroomen naar den uitgang; het rumoer wordt buiten voortgezet. Van de straat klinkt nog: Volksvijand! Volksvijand!_).

EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.

* * * * *

VIJFDE BEDRIJF.

Dr. Stockmann's werkkamer. Boekenrekken en kasten met preparaten langs de muren. Op den achtergrond een uitgang naar de voorkamer; op den voorgrond links de deur naar de huiskamer. In den wand rechts zijn twee ramen waarvan alle ruiten kapot zijn. Midden in de kamer staat Dr.'s schrijftafel, bedekt met boeken en papieren. De kamer is in wanorde. Voormiddag.

Dr. Stockmann in chambercloak en pantoffels en zijn kalotje op, staat gebogen en port met een parapluie onder een van de kasten; eindelijk haalt hij er een steen onderuit.

* * * * *

DR. STOCKMANN (_spreekt door de open deur van de huiskamer_). Hier heb ik er nog een gevonden, Katrine!

MEVR. STOCKMANN (_in de huiskamer_). O, je zult er stellig nog een heeleboel vinden.

DR. STOCKMANN (_legt den steen bij een stapel andere op de tafel_). Die steenen zal ik bewaren als relieken. Ejlif en Morten moeten ze dagelijks voor oogen hebben. En als zij groot zijn zullen zij ze van mij erven (_port onder een boekenrek_). Is zij ... hoe bliksem heet zij nu ook weer ... zij ... die deern ... is zij nog niet naar den glazenmaker geweest?

MEVR. STOCKMANN (_komt binnen_). Jawel, maar hij zei dat hij niet wist of hij van daag zou kunnen komen.

DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij niet durft.

MEVR. STOCKMANN. Neen, Randine dacht ook dat hij niet durfde voor de buren (_spreekt in de huiskamer_). Wat is er Randine? O zoo (_gaat de kamer in en komt dadelijk terug_). Hier is een brief voor je, Thomas.

DR. STOCKMANN. Laat zien (_opent hem en leest_). Jawel.

MEVR. STOCKMANN. Van wie is die?

DR. STOCKMANN. Van den huisbaas. Hij zegt ons de huur op.

MEVR. STOCKMANN. Is 't heusch waar? Hij zoo'n fatsoenlijke man....

DR. STOCKMANN (_kijkt in den brief_). Hij kan niet anders, zegt hij. Hij doet het zeer ongaarne, maar hij durft niet anders ... om zijn medeburgers ... om de publieke opinie ... hij is afhankelijk ... durft niet zekere invloedrijke mannen voor het hoofd te stooten....

MEVR. STOCKMANN. Nu zie je toch eens, Thomas.

DR. STOCKMANN. Jawel, ik zie het wel; ze zijn laf allemaal hier in de stad; niemand durft iets om al de andere menschen (_slingert den brief over den grond_). Maar wat kan ons dat schelen, Katrine. Wij trekken toch naar de nieuwe wereld, en dus....

MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, heb je daar wel goed over nagedacht ... over die reis?

DR. STOCKMANN. Moest ik misschien liever hier blijven, waar ze mij als een volksvijand aan den schandpaal hebben te pronk gesteld en gebrandmerkt, en mijn ruiten hebben ingeslagen! En kijk eens hier, Katrine, ze hebben een groote scheur in mijn zwarte broek ook gemaakt.

MEVR. STOCKMANN. Och Hemel! en dat is nog al je beste!

DR. STOCKMANN. Een mensch moet nooit zijn beste broek aantrekken als hij uitgaat om te strijden voor vrijheid en waarheid. Van die broek kan het mij nu zoo veel niet schelen, zie je; want die kan jij toch wel weer voor mij opknappen. Maar dat het grauw, het gepeupel het waagt mij te lijf te gaan alsof ze mijn gelijken waren ... dat kan ik in der eeuwigheid niet verkroppen!

MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, ze zijn hier afschuwelijk ruw en grof tegen je geweest; maar moeten wij daarom nu heelemaal naar een ander land trekken?

DR. STOCKMANN. Denk je soms dat het plebs in andere steden niet even brutaal is als hier? Och ja, dat is overal lood om oud ijzer. Nou, ze doen maar; laat de straathonden maar keffen; dat is het ergste niet; het ergste is dat alle menschen, het heele land door, partij-slaven zijn. Niet dat het in het vrije Westen misschien niet even erg is; daar voeren de compacte meerderheid en de liberale publieke opinie en de heele andere duivelsche rommel ook al den boventoon. Maar daar gaat alles meer in het groot, zie je; ze kunnen iemand doodslaan, maar hem langzaam martelen doen ze niet; ze binden een vrije ziel niet op de pijnbank vast zooals hier. En als de nood dringt kan je de dingen ten minste ontloopen (_loopt door de kamer_). Als ik maar wist waar ik een oerwoud of een Zuidzee-eilandje voor een prikje koopen kon!...

MEVR. STOCKMANN. Ja maar, de jongens, Thomas?

DR. STOCKMANN (_staat stil_). Wat ben je toch een rare, Katrine! Wou je liever dat de jongens hier zouden opgroeien in zoo'n maatschappij als de onze? Je zei toch zelf gisteren avond dat de helft van het volk stapelgek is; en als de andere helft het nog niet is, dan komt dat omdat het stom vee is dat geen verstand te verliezen heeft.

MEVR. STOCKMANN. Ja, maar, Thomas-lief, je bent ook zoo onvoorzichtig in je spreken.

DR. STOCKMANN. Wat! Is het misschien niet waar wat ik zeg? Keeren ze niet alle begrippen onderste boven? Roeren ze niet recht en onrecht in een pot door elkaar? Noemen ze niet alles leugen wat ik _weet_ dat waarheid is? Maar het allerdolste is dat hier troepen volwassen menschen rondloopen die zichzelf en anderen wijsmaken dat ze vrijzinnig zijn. Heb je ooit zoo iets meer gehoord, Katrine?

MEVR. STOCKMANN. Ja, ja, zeker, dat is gewoon gek, maar....

(_Petra komt de huiskamer binnen_).

MEVR. STOCKMANN. Ben je nu al terug van school?

PETRA. Ja; ik heb mijn congé gekregen.

MEVR. STOCKMANN. Je congé!

DR. STOCKMANN. Jij ook al!

PETRA. Mevrouw Busch zei dat ze mij ontslaan moest; en toen vond ik het maar beter om dadelijk te gaan.

DR. STOCKMANN. Daaraan heb je goed gedaan, waarachtig.

MEVR. STOCKMANN. Wie zou gedacht hebben dat die mevrouw Busch zoo slecht was!

PETRA. Och moeder, mevrouw Busch is heusch niet slecht; ik zag duidelijk hoeveel verdriet het haar deed. Maar zij durfde niet anders, zei zij; en dus kreeg ik mijn ontslag.

DR. STOCKMANN (_wrijft zich lachend de handen_). Zij durfde niet anders, zij ook al niet! O dat is prachtig!

MEVR. STOCKMANN. Och ja, dat gemeene spektakel van gisteren....

PETRA. Dat was het niet alleen. Nu moet je eens hooren, vader!

DR. STOCKMANN. Wel?

PETRA. Mevrouw Busch liet mij niet minder dan drie brieven zien, die zij van morgen gekregen had....

DR. STOCKMANN. Zeker zonder onderteekening?

PETRA. Ja.

DR. STOCKMANN. Ja, want zij _durven_ hun naam er niet onder zetten, Katrine!

PETRA. En in twee daarvan stond, dat een heer die hier aan huis komt, gisteren avond in de club verteld had, dat ik zulke verregaand vrije begrippen had over verschillende dingen....

DR. STOCKMANN. En dat ontkende je zeker niet?

PETRA. Neen, dat kan je begrijpen. Mevrouw Busch heeft zelf ook nog al vrije begrippen, als we onder vier oogen zijn; maar nu dit van mij bekend geworden is, durfde zij mij niet langer houden.

MEVR. STOCKMANN. En te denken dat het iemand is die hier aan huis komt! Nu zie je eens wat je terugkrijgt voor je gastvrijheid, Thomas!

DR. STOCKMANN. We blijven niet langer in dien smeerboel. Pak den boel maar in, zoo gauw je kunt, Katrine; laten wij er hoe eer hoe beter uit trekken!

MEVR. STOCKMANN. Stil eens; ik geloof dat er iemand in de gang is. Ga eens even kijken, Petra.

PETRA (_doet de deur open_). O, is u het, kapitein? Kom binnen alsjeblieft.

HORSTER (_uit de voorkamer_). Goeden dag. Ik dacht ik moest toch eens even gaan kijken hoe u het heeft.

DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Dank u; dat is heel vriendelijk.

MEVR. STOCKMANN. En dank u nog wel dat u ons er door hielp, kapitein.

PETRA. Maar hoe is ù nog thuis gekomen?

HORSTER. O, dat ging wel. Ik ben nog al pootig uitgevallen en de meesten zijn toch maar helden met hun mond.

DR. STOCKMANN. Ja, zeg, is het niet merkwaardig dat ze zoo beroerd laf zijn? Kom eens hier, dan zal ik u wat laten zien! Kijk, hier liggen al de steenen die ze door de glazen gesmeten hebben. Bekijk ze maar eens! Er zijn waarachtig in den heelen hoop, niet meer dan twee ordentelijke flinke keisteenen,... de rest is niets anders dan gruis,... enkel klein grut; en toch stonden zij daarbuiten te krijschen en te zweren dat ze mij zouden vermoorden. Maar handelen ... handelen ... neen, daarvan zie je hier niet veel!