Door het land der Skipetaren

Chapter 9

Chapter 94,194 wordsPublic domain

--Zien wij er dan als Skipetaren uit?

--Zeker niet! Maar dat zwarte paard heeft mij in de war gebracht. Wanneer de ruiter die het berijdt, wat grooter van gestalte was, zou ik, ofschoon hij niet zoo gekleed is, toch denken dat ik de Skipetaren voor mij had.

--Welke meent gij dan?

--Och Heer, neem mij niet kwalijk, maar daar mag ik niet over spreken.

--Zoo, zoo! Maar ik verzeker je dat het geen enkel braaf mensch zal schaden als gij het ons zegt.

--Misschien toch wel! Want wanneer gij het verder vertelt, zou het den Skipetaren ter oore kunnen komen, en zouden deze die brave menschen nog maar vervolgen!

--Ik zal het aan niemand zeggen! Halef, geef dien ouden man een Bakschisch.

De Hadschi haalde de beurs te voorschijn en wierp den ouden man wat in den schoot.

De oude streek zich nadenkend over het gelaat en zeide toen beslist:

--Heer, gij zijt een afstammeling van den Profeet; ik zou u gaarne van dienst zijn, maar ik mag niet. Mijn geweten verbiedt het mij, want ik heb beloofd te zwijgen. Neem uw geld weer terug.

--Gij kunt dat gerust behouden, want ik zie dat gij arm zijt. Gij hebt naar het schijnt Skipetaren verwacht, die hier langs zouden komen?

--Zoo is het, Heer!

--En hoeveel Skipetaren zouden er komen?

--Vier. Een hunner die hooge laarzen draagt en een grooten zwarten baard heeft, zou op een Arabisch paard rijden. Is deze hengst ook niet een Arabier?

--Jawel!

--Dat dacht ik al, en daarom heb ik u voor die moordenaars aangezien!

--Maar wie heeft u dan gezegd, dat die Skipetaren zouden komen?

--Hm! dat mag ik niet verraden!

--Gij zijt een zeer stilzwijgend mensch!

--Ik zou misschien niet zwijgen, maar gij hebt iets bij u, wat mij zeer verdacht voorkomt.

--Zoo, en wat is dat dan?

--Die beide hooge laarzen, die daar achter aan den zadel zijn gebonden. Het paard is er en de laarzen zie ik ook. Nu ontbreekt alleen degeen die de laarzen dragen en het paard berijden zou. Wanneer gij geen gezegende afstammeling van den Profeet waart, dan----O, daar komt hij weer!

Een jonge man kwam aan en trad op het huisje toe.

--Wie is dat? vroeg ik.

--Mijn zoon, die den gids----O, maar daarover zou ik niet spreken!

Ik begon langzamerhand te begrijpen wat er aan de hand was.

In ieder geval had de Mubarek met zijn drie metgezellen hier halt gehouden, om den jongen man mee te nemen als gids, naar een plaats waarheen zij den weg niet nauwkeurig kenden. Daar zij meenden te mogen aannemen dat wij hier langs zouden komen en inlichtingen zouden inwinnen, wanneer het ons gelukte aan de Aladschy's te ontkomen, hadden zij èn vader èn zoon wat wijs gemaakt, en ons waarschijnlijk als Skipetaren aangeduid. Ik hoopte dat de zoon wat spraakzamer zou zijn dan de vader.

Toen hij dichter bij kwam, zag ik dat hij een zeer verdrietig gezicht trok. Hij groette nauwelijks en wilde de hut binnengaan. De oude greep hem bij zijn kleeren en zeide:

--Waarom zegt ge niets? Hebt ge geen goede fooi gekregen?

--Wat fooi! Ik heb heel wat anders gekregen, maar geen fooi,--antwoordde de zoon die zeer ontstemd scheen. De menschen worden hoe langer hoe slechter! Zelfs heiligen kan men niet meer vertrouwen!

--Gij meent waarschijnlijk den ouden Mubarek?--vroeg ik hem.

--Hoe komt gij daarbij! Zijt gij misschien een goede kennis van hem?

--O neen, het tegendeel! Wij zijn de Skipetaren, voor wie hij u heeft gewaarschuwd.

--Allah, Allah,--riep de oude verschrikt uit. Dan was mijn vermoeden toch juist! Heer, ik hoop dat gij ons zult sparen, wij zijn doodarme menschen. Mijn zoon is mandenmaker, hij vlecht het riet, dat mijn kleinzoons daarginds aan de rivier snijden. Ik ben echter nergens meer toe nut, ik kan niet eens de teenen schillen, want zooals gij zien kunt, mijn handen zijn krom van de jicht.

Hij toonde mij zijn handen.

--Wees maar gerust!--antwoordde ik. Hebt gij ooit Skipetaren gezien, die den tulband van den Profeet dragen?

--Neen, nooit!

--Onder de Skipetaren is geen enkele, die van den Profeet afstamt, en ik kan dus geen roover zijn!

--Maar gij zeidet daareven toch, dat gij een der Skipetaren waart waarvoor men ons heeft gewaarschuwd.

--Dat zijn we, maar dat we Skipetaren zijn, is een grove leugen!

--Waar is dan de ruiter die op het paard hoort?

--Dat ben ik. Wij hebben de paarden verwisseld en ik trok andere kleeren aan, om door die menschen, die ik gevangen nemen wil, niet dadelijk te worden herkend! Gij schijnt echter geen aangename ervaringen van den Mubarek te hebben opgedaan.

De zoon tot wien deze vraag was gericht, antwoordde, maar zich tot zijn vader wendende:

--Ja, dat is zoo, maar niet alleen ik, ook mijn zwager. Hebt gij hun paarden gezien?

--Hoe kon ik dat? Ik sliep nog, want 't was nog niet eens dag! De hut was nog geheel in ochtendnevelen gehuld. Wat is er echter met mijn schoonzoon gebeurd?

--Ze hebben hem bestolen!

--Allah, die arme stakker! Die bovendien nog pas kort geleden zijn vrouw, uw zuster en mijn dochter, heeft verloren. Wat hebben ze hem ontstolen?

--Het beste van zijn twee paarden!

--O hemel, ze hadden wel een rijker man zijn paard kunnen afnemen, dat zou Allah welgevalliger zijn geweest. En was er de Mubarek bij? Sedert wanneer zijn heiligen paardendieven geworden?

--Er zijn geen heiligen meer, zooals vroeger. Het is alles list en bedrog! Ik vertrouw niemand meer! Zelfs den vroomsten marabout of den voornaamsten Scheriff niet!

Bij het woord Scheriff wierp hij op mij een onderzoekenden wantrouwenden blik. Ik wist nu wat hij had ondervonden, en kon zoo denken wat er gesproken was geworden. Daarom zei ik tot hem:

--Gij hebt gelijk, er is veel list en bedrog in de wereld. Ik zal echter eerlijk en oprecht met u zijn. Ik ben geen Skipetaar en ook geen Scheriff, maar een Frank, die volstrekt geen recht heeft den tulband te dragen. Zie maar!

Ik nam den tulband af en liet hun mijn haar zien.

--Maar Heer!--riep hij verschrikt uit,--wat zijt gij onvoorzichtig. Gij waagt immers uw leven!

--O, zoo erg is het niet! In Mekka zou het gevaarlijker zijn dan hier, waar zooveel Christenen zijn!

--Gij zijt dus in het geheel geen Muzelman maar een Christen?

--Ik ben een Christen!

--En gij draagt het Hamaïl om den hals, dat men alleen in Mekka kan krijgen?

--Daar heb ik het ook vandaan!

--En toch zijt ge een Christen; dat kan ik haast niet gelooven!

--En toch zal ik het u dadelijk bewijzen, door u te zeggen dat uw Mohammed ver beneden onzen Christus, den Zoon van God, staat en knielen moet om dien te aanbidden. Zou een Muzelman zoo iets zeggen?

--Neen, nooit! Want gij hebt ons geloof aangetast, maar daarmede bewezen dat gij een Christen, een Frank zijt. Misschien zijt gij het wel die Manach el Barsha in den arm heeft geschoten!

--Wanneer moet dat gebeurd zijn?

--Gisteren avond bij de hut van den Mubarek!

--Daar ben ik ten minste geweest. Dus dezen man heb ik getroffen? Het was donker en ik kon de personen niet onderscheiden. Dus ook daarvan zijt ge op de hoogte?

--Zij spraken er voortdurend over! Gij zijt dus waarschijnlijk de vreemdelingen die den Mubarek en die drie anderen hebben gevangen genomen!

--Ja, dat zijn wij!

--Heer, neem mij dan niet kwalijk dat ik u beleedigde. Ik heb wel is waar niets dan kwaad over u hooren spreken, maar het kwaad dat slechte menschen over anderen spreken, zet zich gewoonlijk om in alles goeds. Gij zijt de vijanden van die dieven en bedriegers, en daarom zijt ge goede menschen.

--En stelt gij nu vertrouwen in ons?

--Ja, Heer!

--Vertel ons dan eens, hoe gij met die menschen in aanraking zijt gekomen.

--Gaarne, Heer. Stijg af en zet u neer op die bank. Vader zal wel plaats voor u maken en ik zal u vertellen.

--Dank u! Laat hem maar stil blijven zitten. Zijn haar is grijs en ik ben nog jong. Ook heb ik een pijnlijken voet, zoodat ik liever in den zadel blijf zitten. Vertel nu maar!

--Het was van morgen nog zeer vroeg, ik was juist opgestaan om mijn dagwerk te beginnen. De nevel hing nog dik en zwaar zoodat men nog bijna geen hand voor oogen zien kon. Daar hoorde ik ruiters aankomen, die voor mijn hut stil hielden en mij riepen.

--Kenden zij u dan?

--De Mubarek kende mij. Toen ik buiten kwam, zag ik vier ruiters die een met pakken beladen paard bij zich hadden. De een was de Mubarek en in een der anderen herkende ik, toen het wat lichter was geworden en wij reeds op weg waren, Manach el Barscha, de vroegere ontvanger der belastingen te Uskub. Zij wilden naar Taschköj en vroegen mij of ik den weg daarheen kende. Ik antwoordde toestemmend, en nu verzochten zij mij hen daarheen te brengen en beloofden mij een goede belooning van tenminste 30 piasters. Heer, ik ben een arm man en verdien anders nog geen 30 piasters in een heele maand. Ook kende ik den ouden Mubarek en hield hem voor een heilige. Daarom was ik gaarne bereid hen tot gids te dienen.

--Zeiden zij niet waarom zij naar Taschköj wilden?

--Neen, maar zij zeiden dat zij door vier Skipetaren werden achtervolgd, die natuurlijk niet mochten weten waarheen ik hen had gebracht.

--Dat was een leugen!

--Dat heb ik later ook gemerkt.

--En waar ligt dat Taschköj?

De naam beduidt rots- of steendorp, en daarom vermoedde ik dat dit plaatsje wel boven in de bergen zou liggen. De mandenmaker antwoordde:

--Het ligt bijna juist ten noorden van hier. Er is zelfs geen weg van Radowitsch daarheen, en men moet al heel goed bekend zijn in het bosch en in de bergen, om niet te verdwalen. Het dorp is klein en arm, en ligt ongeveer in de richting van Sbiganzy.

Sbiganzy! Dat was immers de plaats die ik noordwaarts van Radowitsch nog wilde bezoeken, om bij den vleeschhouwer Tschurak naar Derekuliba te vragen en nog iets naders omtrent den Shoet [5] te vernemen. Zou de Mubarek daar wellicht ook heen willen? Misschien vonden wij daar het geheele nobele gezelschap bij elkaar!

--En hebben zij, voor ge hier vandaan gingt, u niet gezegd dat gij hen niet mocht verraden?

--Ja, de Mubarek vertelde mij dat hij onderweg door vier Skipetaren was overvallen, maar dat hij hun had weten te ontkomen. Zij hadden een bloedwraak tegenover hem en zijn begeleiders, en zouden hem waarschijnlijk wel volgen. Hij moest naar het Noorden, maar niet over Radowitsch, omdat hij daar niet wilde gezien worden daar de Skipetaren daar dan inlichtingen zouden kunnen inwinnen omtrent de richting waarin hij zijn weg had voortgezet. Hij beschreef u zeer nauwkeurig, zooals ik nu zie, ofschoon gij andere kleederen aan hebt en ook den hengst niet rijdt; wanneer gij hier langs mocht komen en naar hen vragen, moesten wij u geen aanwijzingen doen. Voor dit stilzwijgen gaf hij ons zijn zegen. Daarna braken wij op. Toen het wat lichter was geworden, zag ik dat het met pakken beladen paard, het paard van mijn zwager was, maar ik kon me vergissen en daarom zeide ik niets!

--Zagen de paarden van die menschen er niet ontzettend afgemat uit?

--Of ze! Toen zij hier voor de deur stil hielden, zweetten zij en stond hun het schuim op den bek!

--Dat kan ik denken, wanneer zij hier reeds zoo vroeg zijn aangekomen, moeten zij hard hebben gereden, wat bij nacht en langs een weg als dezen, vrij wat inspanning vordert! Maar ga verder!

--Zij reden allen. Ik alleen was te voet. Toch bleef ik hun altijd voor. Ik hoorde een groot gedeelte van het gesprek, dat zij op fluisterenden toon voerden. Eerst vernam ik dat zij slechts vier paarden hadden gehad. Ieder had een pak bij zich genomen. Toen zij echter waren aangeland bij de plek waar de weg over den brug gaat, zooals gij weet, hadden zij twee ruiters ontmoet, die hadden hun verteld dat mijn zwager twee paarden achter zijn huis had staan en onder den luifel voor het huis een pakzadel hing.

Ik begon te vermoeden, wie die zwager was en zeide:

--Ik ben daar ook langs gekomen en heb daar maar één huis met een luifel gezien. Als ik mij nog goed herinner, hing daaronder een rijzadel. Het was een soort herberg en lag rechts van de brug.

--Dat is het! Dat is 't!

--Dus die waard is uw zwager.

--Ja, het is de man van mijn zuster, die kort geleden gestorven is.

--Dan ben ik bij hem geweest.

--Gij hebt hem dus gezien en gesproken!

--En dien armen man hebben zij bestolen? Toen ik er was stond er, voor zoover ik zien kon, maar één paard achter het huis.

--Dat is het andere. Hij had er twee. Ook had hij twee zadels een rij- en een pakzadel.

--Hebben zij niets van de twee ruiters gezegd, die zij ontmoet hadden?

--Ja, maar daar kon ik niet uit wijs worden. Zij spraken altijd van twee beesten! En dat zijn toch geen menschen, maar paarden.

--In dit geval waren èn menschen èn paarden bedoeld!

--Die beesten zouden iemand overvallen en dooden!

--Namelijk ons!

--U Heer, en waarom?

--Uit wraak! Die twee zijn namelijk beruchte Skipetaren, die alleen van roof leven!

--Zoo, zoo! En die Skipetaren hebben op u geloerd!

--Ja zeker!

--En toch zijt gij hier! Hoe zijt gij hun ontkomen?

--Door list. Doordien ik mij namelijk verkleed had. Ik ontmoette hen bij uw broeder en ben een paar uur met hen samen geweest. Nu echter zullen zij wel al weten, dat wij hen voor den gek hebben gehouden, en naar ons zoeken.

--Misschien komen zij ook hierheen!

--Best mogelijk!

--En als zij naar u vragen, wat moet ik hun dan antwoorden?

--Ik wil u niet tot leugen verleiden. Als zij hier komen, zeg hun dan dat wij hier zijn geweest en naar Radowitsch zijn gereden. Maar van alles wat wij nu bespreken, behoeft gij hun niets te zeggen.

--Neen Heer, daarvan vertel ik hun geen woord!

--Ga nu verder!

--Ik hoorde dus, dat zij mijn broer het paard en zadel afgenomen hadden en daarop hun bagage geladen hadden. Bijzonderheden verstond ik niet, daarvoor spraken zij te zacht, en er waren zelfs oogenblikken dat ik in het geheel niets kon verstaan. Maar toch hoorde ik genoeg om daaruit te besluiten dat de Mubarek een groote dief en roover moet zijn geweest. Het beste van hetgeen hij door roof had bemachtigd, was op het paard geladen, alles wat minder waarde had en veel plaats innam, had hij met zijn hut verbrand. Het meest verheugden zij er zich echter over, dat zij die beide andere schurken zoo te juister tijd hadden ontmoet. Zij beschouwen hun vervolgers, dus u, zooals ik nu weet verloren!

--Dan vergissen zij zich gelukkig geducht! Zij zullen ons niet ontkomen, want wij volgen hen op de hielen!

--O, als u dat eens mocht gelukken!

--Waarom?--vroeg ik.

--Omdat zij mijn broeder bestolen en mij mijn fooi hebben onthouden!

--Dat is sterk! Zijt gij tot Taschköj met hen medegegaan?

--O, nog een heel eind verder.

--Hoe ver is het daarheen?

--Wij hebben er vijf volle uren over gedaan!

--En waar zijn zij toen heengegaan?

--Zij wilden naar het dal der Bregalnitza, verder heb ik niet vernomen.

--Dan kan ik me voorstellen, waarheen zij wilden gaan! En hebt gij er niet op aangedrongen om uw loon te ontvangen?

--Natuurlijk! Zij waren zoo slim geweest om mij verder dan Taschköj mee te nemen. Dáár zou ik wel hulp hebben gevonden en hen hebben gedwongen mij te betalen. Maar ze hielden midden in het bosch stil, om mij te vertellen dat zij mij niet meer noodig hadden. Ik vroeg hen om mijn loon, maar zij lachten mij uit. Ik werd boos en vroeg het paard van mijn broeder terug. Toen sprongen zij van hun paarden, twee wierpen zich op mij en hielden mij vast, en de derde sloeg mij met zijn zweep. Ik moest het dulden, want ik kon tegen die drie niet op. Heer, nog nooit had iemand mij geslagen! Nu heb ik twaalf uur ingespannen geloopen. Mijn rug is stuk van de slagen. Ik heb een geheelen dag arbeid verzuimd, mijn tong kleeft aan mijn verhemelte van den dorst, ik heb ergen honger. In plaats van dertig piasters meê naar huis te brengen, heb ik geen duit meer. Wat moet ik eten en wat moet ik vader en de kinderen geven, als ik niets heb! Was ik thuis gebleven, dan had ik naar Radowitsch kunnen gaan om een paar manden te verkoopen. Daarvan hadden we dan tenminste voedsel kunnen koopen!

--Troost u!--zeide zijn vader.--Ik heb van dezen Scheriff, die helaas geen Scheriff is, vijf piasters gekregen. Gij kunt naar Radowitsch gaan, en brood koopen.

--Heer, ik dank u!--zei de mandenmaker.--Ik heb u voor een slecht mensch gehouden, maar gij doet ons niets dan goed. Ik zou u gaarne een dienst bewijzen!

Voor ik nog iets kon antwoorden, nam Halef het woord. Hij had zich in den zadel omgedraaid en was nu bezig aan mijn hooge laarzen die er zoo glad en rond uitzagen, alsof mijn beenen er in zaten.

Onder ons gesprek waren de kinderen van den mandenmaker terug gekomen, beladen met de teenen die zij hadden gesneden.

--Hebt gij honger, klein volkje?--vroeg hij.

De grooteren knikten, de kleinste begon echter te schreien. Dat gaat in Turkije al precies als bij ons. Wanneer men zoo'n kindje van twee jaar naar zijn eetlust vraagt, komen er dadelijk waterlanders.

--Nu, haal dan maar eens een mand!--beval de kleine Hadschi aan den vader van deze hongerige schaar.--Maar hij moet niet al te klein zijn!

--Waarvoor?--vroeg de man.

--Ik wil deze laarzen gaarne uitschudden.

De mandenmaker haalde een mand waaraan hij bezig was, en die reeds het een en ander kon bevatten. Hij hield dien in de hoogte. Nu schudde de Hadschi uit een der laarzen vruchten, vleesch en gebak in den korf, zoodat deze nagenoeg geheel gevuld was.

--Zoo!--zeide hij.--Geef nu uw kinderen te eten en dat Allah u zegene!

--Maar Heer!--riep de man uit, terwijl hij hem de hand kuste.--Is dat alles voor ons?

--Ja, zeker!

--Maar daar kunnen wij wel meer dan een week van eten!

--Nu, niemand zegt immers dat ge dat niet doen moogt. Bewaar het maar goed en eet, als 't je blieft, de mand niet mee op.

--Heer, ik dank u! Uw hart is vol goedertierenheid en uw mond vloeit over van lieflijkheid.

--Dat wil ik nu niet bepaald zeggen. Al te vroolijk ben ik niet gestemd, maar mijn hart bloedt, als ik deze ledige laarzen aanschouw. In ieder daarvan was een gebraden hoen, zóó bruin en malsch als ze slechts in het Paradijs worden gebraden. Mijn geheele ziel hangt aan zulke hoenders, en dat ik van hen moet scheiden, vervult mijn ziel met treurigheid en mijn oogen met tranen. Daar deze hoenders nu toch eenmaal hun leven hebben moeten laten om opgegeten te worden, is het op stuk van zaken toch volkomen gelijk in wiens maag zij terecht komen. Proef ze dus met aandacht en eet ze met smaak, en bewaar de beentjes tot ik weer terug kom.

Hij sprak zoo ernstig en vol waardigheid dat wij in lachen uitbarstten.

--Maar Halef, hoe kwaamt ge er toch bij, zóóveel proviand mee te nemen en mijn laarzen voor voorraadschuur te gebruiken?

--Ik ben niet zelf op die kostelijke gedachte gekomen. Toen ik den waard wilde betalen, zooals gij mij hadt opgedragen, zeide hij dat hij ons schuldig was en wij niet hem. Voor den dienst namelijk dien wij zijn broeder Ibarek hadden bewezen. Hier blijkt alweer dat Allah iedere goede daad dubbel beloont, want ook bij Ibarek hebben wij niets mogen betalen!

--Ga verder!

--Ja, verder! Voorzichtigheidshalve had ik me zoo laten ontvallen dat gebraden hoenders mijn lievelingskostje waren....

--O jou ondeugd!

--Neem mij niet kwalijk, Sihdi! Men heeft den mond niet gekregen om te zwijgen maar om te spreken. De waard had een open oor gehad en het gebraden hoen in zijn gedachte opgeschreven. Toen ik nu ons goed bij elkaar pakte, bracht hij de beide hoenders met den wensch dat ik ze in welstand zou nuttigen. Toen zeide ik hem dat het iemand nog veel beter zou bekomen, wanneer hij bij het hoen nog andere spijzen gebruikte.

--Maar Halef, als dat toch waar is, verdient ge een pak slaag!

--Ik verdien uw dank, Sihdi, verder niets. Wanneer gij mij dien geeft, ben ik even tevreden, als ik het was toen de waard mij al de toespijzen bracht, die gij hier in dezen mand, in roerende eendracht, ziet bijeengevoegd.

--Gij hadt niets mogen aannemen!

--Neem mij niet kwalijk, Sihdi! maar als ik niets had aangenomen, hadden wij nu ook niets kunnen geven.

--Wij hadden toch wel wat kunnen geven!

--Maar niet iets wat den honger van deze kleinen dadelijk stillen kan. Overigens heb ik geweigerd, totdat ik er bijna mijn leven bij inschoot. Ik zeide hem dat ik daartoe uw vergunning noodig had en niets kon aannemen, omdat gij er niet meer waart. Ik maakte alle tegenwerpingen, die alle kaliffen bij elkaar maar kunnen uitdenken, maar de waard wilde zijn wil doordrijven. Hij verklaarde dat hij 't niet mij, maar u ten geschenke gaf. Dat roerde mijn gevoelig hart, en ik gaf toe. Maar om me er nu volkomen buiten te houden, ging ik een eind weg. De goede gaven waren voor u bestemd, en daar de waard ze u niet zelf kon overhandigen, stelde ik hem, als uw plaatsvervanger en vertegenwoordiger uw laarzen ter hand en ging heen. Toen ik ze daarna tot mijn vreugde weer zag, waren ze dik en vet geworden, door allerlei heerlijke voortbrengselen uit de dieren- en plantenwereld. Ik betuigde den waard namens u, mijn dank in een welsprekende rede, stopte de laarzen van boven dicht en bond ze achter aan het zadel. Wanneer ik kwaad gedaan heb, verzoek ik u mij dit genadiglijk te willen vergeven!

Men kon niet boos worden op den goeden kleine. Ik was overtuigd, dat hij door geen enkel woord den waard tot het schenken van dit alles had bewogen, daartoe was Halef niet in staat, en daarvoor was zijn eergevoel te sterk ontwikkeld. Maar hij kibbelde graag een beetje met mij, en als ik daarop, inging, deed ik hem bijzonder veel genoegen.

--Ik zal je later wel zeggen, welke straf ik je er voor heb toegedacht,--dreigde ik hem. Ge zult u tenminste langen tijd moeten spenen van je lievelingsgerecht, want om uwentwil zal voorloopig geen hen van haar lieve kiekens worden van daan gehaald.

--O, ik wil ook wel met jonge haantjes tevreden zijn, Sihdi, en die zullen mij even goed smaken als dezen kleinen de appels!

De kinderen waren rondom de mand gaan zitten en hadden het allereerst naar de appels gegrepen. Het was een lust om te zien met welk een graagte zij toetastten. Den ouden man stonden van louter vreugde de tranen in de oogen. Zijn zoon had hem een stuk vleesch in de hand gedrukt, maar hij at niet. Hij vergat zichzelf uit louter vreugde dat zijn kleinkinderen zoo smulden, en zich te goed deden.

De mandenmaker gaf ons ieder de hand en zeide:

--Heer ik herhaal het, dat het mij hoogst aangenaam wezen zou, als ik u een dienst bewijzen kon. Is dat niet mogelijk?

--Ja, ik zou u zelfs wel gaarne om een dienst willen verzoeken.

--En dat is?

--Mij naar Taschköj te brengen!

--Gaarne! zeer gaarne! Wanneer, Heer?

--Dat weet ik nog niet. Kom morgen vroeg naar Radowitsch, dáár zal ik 't u zeggen!

--Waar kan ik u vinden?

--Och, dat weet ik nog niet. Kunt gij mij geen konak zeggen waar men goed verblijven kan?

--Het beste zult u terecht kunnen komen in de herberg, "de Hooge poort". Ik ken den waard en zal er u heenbrengen.

--Dat mag ik niet toestaan. Gij zijt vermoeid.

--O naar Radowitsch kan ik nog gemakkelijk gaan. In een kwartiertje zijn we er. Ik moet u bij den waard aanbevelen. Ik werk er soms en hij houdt van mij, ofschoon ik maar een arm man ben. Morgen vroeg zal ik dan bij u komen om te vernemen, wanneer gij naar Taschköj wilt gaan.

--Dat zal van mijn voet afhangen, dien ik bezeerd heb. Is er in de stad niet een goede dokter, dien men vertrouwen kan?

--Wanneer gij een chirurgijn meent, dan is er een die wijd en zijd beroemd is en alle verwondingen van menschen en dieren heelt. Hij kent zelfs het inenten tegen de pokken, wat verder niemand kent.

--Dat is zeer zeker een wonderdokter! Maar nu moeten wij nog afspreken, hoeveel gij verdienen moet.

--Waarmede, Heer?

--Met ons naar Taschköj te brengen.

--Heer, daarvoor wil ik niets hebben!

--En ik wil het niet voor niets hebben.

--Gij hebt mij reeds zooveel gegeven!

--Dat was een geschenk. Maar het andere moet gij verdienen. Ge moet het een niet met het ander verwisselen.

--Maar ik kan toch geen geld van u vragen! Ik zou mij dood schamen.