Door het land der Skipetaren

Chapter 8

Chapter 84,219 wordsPublic domain

Ik maakte het paard los en voerde het een eind weg. Ik bond het eerst losjes vast, en rende toen in groote haast weg, door struiken en langs boomen, half springend half kruipend, tot ik de kromming van den weg had bereikt waar we langs waren gereden en waar ik nu op den straatweg kon gaan zonder door de roovers te worden gezien. Daar scheurde ik een blad uit mijn notitieboekje en schreef daarop:

--Ajry ajry harzyrlamyn. Osko, Omar jawaschly, Halef böjück dört nal gitir, ileri icki bin ademler tahminen--Rijdt een voor een voorbij, Osko en Omar langzaam. Halef in gestrekten draf ongeveer duizend pas ver.

Dit briefje bevestigde ik met een houten klammer, dien ik sneed, aan den tak van een dicht aan den weg staanden boom, zoodat het bepaald gezien moest worden. Er konden wel is waar ook nog andere menschen langs den weg komen, doch daaraan was niets te doen, misschien lieten zij het briefje wel hangen, en daarenboven kon Halefs komst ieder oogenblik worden tegemoet gezien.

Dat had nauwelijks twee minuten geduurd, en ik rende weer even spoedig naar mijn paard terug om het wat steviger vast te binden en van den knoop te bevrijden. Ik was daarmede nog niet geheel gereed, toen ik reeds voetstappen hoorde. Het was een der Skipetaren die mij kwam zoeken.

--Waar blijft ge zoo lang?--vroeg hij op barschen toon.

--Hier bij het paard!--antwoordde ik terwijl ik hem uiterst verbaasd aankeek.

--Dat zie ik, maar moet dat zoo lang duren!

--Wel, ben ik dan niet mijn eigen baas!

--Neen, niet meer! Ge behoort nu bij ons en hebt u naar ons te schikken!

--Hebt ge mij dan soms gezegd, hoe lang ik mocht wegblijven?

--Doe toch niet zulke dwaze vragen, ezel! Vooruit, maakt dat ge komt, waar wij zitten.

--Als ik er zin in heb!--hernam ik, want in weerwil van mijn rol als Scheriff, begon zijn manier van doen me toch zeer te vervelen.

--Ge behoeft nergens zin in te hebben, begrepen? Wanneer ge niet oogenblikkelijk maakt dat ge weg komt, zal ik je een handje helpen!

Ik trad op hem toe, en zeide:

--Hoor eens, nu maakt ge het toch wat al te bont; gij noemt mij een ezel! Wanneer gij geen eerbied hebt voor de afkomst van een Scheriff, dan verlang ik dien toch tenminste voor mijn persoon. Wanneer gij mij dien weigert, dat zal ik mij dien wel weten te verschaffen.

Dat had hij niet van mij verwacht.

--Welk een brutaliteit!--riep hij uit.--Mensch, wat verbeeldt ge je wel. Ik heb maar naar je te wijzen en je valt om van den schrik.

Hij pakte mij bij mijn linkerarm en drukte dien met zooveel kracht, dat een minder flink persoon dan ik, het zou hebben uitgeschreeuwd van de pijn. Ik lachte hem echter in zijn gezicht uit en antwoordde!--Gij moet mij anders beet pakken, zoo. Ik legde mijn hand zoo op zijn linkerschouder dat de duim op het sleutelbeen terecht kwam, terwijl ik met de vier andere vingers dat deel van het schouderblad beet pakte, dat met den bovenarm in verbinding staat. Wie dien greep kent en hem weet toe te passen, kan den sterksten man met één hand op den grond drukken. Ik drukte mijn hand flink samen. Hij gilde het uit van de pijn en wilde zich los rukken, maar kon niet. Hij voelde de pijn door zijn geheele lichaam, zoodat hij zich machteloos op den grond het vallen.

Op dien schreeuw kwam zijn broer naar ons toe.

--Wat is er gebeurd, Sandar?

--Taury hakky--Bij God, dat begrijp ik niet!--antwoordde hij terwijl hij opstond. Die man heeft mij met één hand op den grond geworpen. Ik geloof waarachtig dat ik mijn schouder heb gebroken.

--Heb jelui dan gevochten en waarom dat?

--Omdat ik hem een standje maakte wegens zijn lang wegblijven.

--Alle duivels, kerel, wat denkt ge wel! Zal ik je eens fijn knijpen?

Hij pakte mij bij mijn borst, met het voornemen mij eens flink door elkaar te schudden. Tegenweer paste niet in mijn rol van Scheriff, maar 't was toch ook niet naar mijn smaak om mij als een kleinen jongen door elkaar te laten schudden. Ik pakte hem dus ook bij zijn borst, trok hem eerst naar mij toe, en stootte hem toen op armslengte van mij af, zoodat hij mij los moest laten. Toen bukte ik mij een weinig, hief den kerel in de hoogte en wierp hem op den grond.

Een seconde bleef hij liggen van louter verbazing, toen sprong hij op en balde beide vuisten tegen mij.

--Nog eens?--vroeg ik hem terwijl ik een stap achteruit deed.

Ik was boos geworden en misschien hadden mijn oogen nu ook een andere uitdrukking dan wel paste voor een Scheriff, want de Aladschy deed een stap achteruit, staarde mij aan en riep uit:

--Mensch, gij zijt een reus!

Ik boog deemoedig het hoofd en zeide:

--Dat staat dan zeker wel in het boek des levens geschreven.

Beiden barstten in lachen uit.

--Zeg eens Bibar, de kerel weet zelf niet hoe sterk hij is,--zeide Sandar.

Deze keek mij echter wantrouwend van het hoofd tot de voeten aan en hernam:

--Dat is niet alleen reuzenkracht, maar ook oefening. Deze greep doet men hem slechts na langdurige oefening na. Scheriff, waar hebt gij dien geleerd?

--Bij de huilende Derwischen in Stamboel. In onzen vrijen tijd worstelden wij wel.

--Zoo, zoo! Ik dacht al dat gij een heel ander persoon waart dan gij voorgeeft te zijn. Dat is je geluk, want als gij getracht hadt, ons om den tuin te leiden, gaf ik niet veel meer voor je leven. Nu moet ge echter niet meer naast, maar tusschen ons zitten. Wij moeten voorzichtig met je zijn.

Wij gingen weer naar onze vorige plaats terug en ze namen mij in hun midden. Hun wantrouwen was wakker gemaakt. Mijn toestand was er niet beter op geworden, maar toch was ik niet bevreesd daar ik met de revolvers hen in elk geval toch nog de baas was.

Er werd in het geheel niet meer gesproken. De twee deugnieten schenen van meening te zijn, dat in de gegeven omstandigheden zwijgen het raadzaamste was. Mij was het ook zeer welkom. Wanneer ik ook al eenige vrees koesterde, dan was dat niet voor mij maar voor mijn vrienden. Misschien hadden zij mijn briefje niet gezien of was dit op de een of andere manier verloren gegaan. Mij bleef niet veel anders over dan geduldig af te wachten. Wij hadden reeds geruimen tijd zoo gezeten en ik begon al vrijwel mijn geduld te verliezen, toen wij aan den rechterkant eenig geruisch vernamen.

--Luister, daar komt iemand,--zei Sandar, en greep naar zijn bijl. Misschien zijn zij het wel!

--Neen,--antwoordde zijn broeder. Het is maar een enkele ruiter. Kijk, daar komt hij den hoek om.

Ik keek om en zag mijn vriend Omar aankomen en wel geheel alleen. Zij hadden mijn briefje dus gezien en gelezen. Hij naderde zeer langzaam, het hoofd voorover, als in gedachten verzonken. Hij keek nog rechts noch links.

--Zullen wij?--vroeg Bibar, terwijl hij naar zijn geweer wees.

--Neen,--antwoordde Sandar. Die kerel heeft niets, dat kan men zoo wel zien.

Zij geneerden zich volstrekt niet meer om in mijn tegenwoordigheid over hun eigenlijk handwerk te spreken.

Omar reed voorbij zonder op te kijken, hij had begrepen dat dit het allerbeste was.

Na verloop van eenigen tijd zei Sandar:

--Daar komt er weer een.

--Alweer zoo'n kale jakhals!

--Maar moeten wij ze allemaal maar voorbij laten rijden?

--Ja, want ge moet bedenken dat onze schoten gehoord kunnen worden.

--Natuurlijk door de Skipetaren die hier verborgen zijn,--merkte ik onnoozel op. Die merken dan dat wij hier zijn en van plan om hen in de uitoefening van hun bedrijf te storen.

--Domkop,--grijnsde Sandar mij aan.

Nu naderde Osko. Ook hij nam het air aan van een zorgloos onbevangen mensch.

Hij zag er niet uit als een rijkaard, en hij kwam ook zonder ongelukken voorbij.

Nu moest Halef komen. Voor hem had ik alle reden tot bezorgdheid. Het was zeer wel mogelijk, dat zij zouden trachten hem uit den zadel te schieten om zich van het prachtige paard meester te Diaken. Wel is waar, zou ik het daartoe niet hebben laten komen en had ik hun beiden dan liever een kogel gegeven, maar het was toch beter dit te vermijden. Daarom moest ik trachten hun aandacht af te leiden. Ik keek tersluiks doch scherp naar den hoek vanwaar hij komen moest. Nu kwam hij in 't zicht. De twee schelmen bemerkten hem nog niet--ik stond op.

--Waar gaat ge heen? vroeg Sandar ruw.

--Naar mijn paard, hoort gij niet dat het weer onrustig wordt?

--Loop naar den duivel met je paard. Je blijft hier!

--Ge hebt mij niets te bevelen,--antwoordde ik barsch en deed alsof ik weg wilde gaan. Toen sprong hij op en greep mij bij den arm.

--Blijf of ik geef je....

Een uitroep van Bybar deed hem verstommen. Deze had eerst naar ons gekeken, doch werd nu Halef gewaar.

--Stil, een vierde ruiter!--riep bij uit.

Sandar keek naar den straatweg,

--Júk gúrúltú--Duizend donders!--riep hij uit. Wat een prachtig paard! Dat is de vreemdeling, dat moet hij zijn!

--Neen, de ruiter is te klein!

--Maar het paard is een volbloed Arabier. Echt onvervalscht ras. O Allah! Hij vliegt als de wind.

Hij had woordelijk gelijk. De naam van mijn paard was Rih, en dit woord beteekent wind. Honderden malen had ik op zijn rug een wedstrijd gehouden met den wind, maar nooit gezien welk een prachtig gezicht het was, hem zoo in vollen ren gade te slaan.

Zijn lichaam raakte den grond bijna niet. Men zag geen beenen. De manen vlogen den ruiter om het gelaat, en zijn staart lag als een roer lang en recht achteruit. En toch zag ik dat dit voor Rih nog maar spel was. Wanneer ik in den zadel had gezeten, zou hij nog wel anders hebben gerend, wanneer ik namelijk had gebruik gemaakt van zijn geheim om hem tot uitersten spoed aan te zetten.

Mijn kleine dappere stond in de stijgbeugels geheel voorover. Zijn geweer en ook mijn beide vuurwapenen hingen hem over den schouder. Achter het zadel had hij den kaftan en mijn beide hooge rijlaarzen gebonden. Zijn eigen kaftan woei achter hem aan, gedragen door den luchtstroom die door de buitengewone snelheid van het paard ontstond. Hij reed prachtig, onberispelijk. De met groote en kleine steenen bezaaide weg leverde voor zulk een woesten rit tallooze moeilijkheden op. Een enkele misstap, en ruiter en paard braken den hals. Maar mijn Rih had nog nooit zulk een misstap gemaakt. Zijn scherpe blik, zijn elasticiteit, zijn buitengewone lenigheid kwamen ook nu weer op het voordeeligst uit. Wanneer de directeur van een vorstelijke stoeterij aanwezig was geweest, wie weet welk een hooge som hij mij voor den onberispelijken hengst had geboden.

En hoe lang duurde het, voor het paard met den berijder, van den hoek tot bij ons, waren gekomen? Het ging zoo verbazend snel dat men bijna geen tijd had om aan oogenblikken of seconden te denken. Nauwelijks had ik Halef gezien en die weinige woorden met Sandar gewisseld, of hij was al bij ons en vloog, als een pijl, door den hollen weg.

--Houdt hem! Schiet hem van zijn paard! Gauw, gauw!--riep Sander, terwijl bij naar zijn geweer greep.

Ook Bybar richtte het zijne, trachtte althans het te doen, want de snelheid waarmee het paard voorbij reed, liet er hem geen tijd toe. Ik had ook geen gelegenheid om het schieten te voorkomen. Er werd gevuurd voor ik het kon verhinderen, maar de kogels kwamen, wie weet hoever, achter Halef terecht.

--Hem achterna!--riep Sandar, die buiten zichzelf was bij de gedachte dat het kostbare beest hem zou ontgaan.--Daar ginds houdt het bosch op, en kunnen wij beter mikken!

Hij sprong van de steilte naar beneden en zijn broeder volgde hem, even opgewonden als hij; aan mij dachten zij niet meer. Nu zou ik tijd en gelegenheid hebben gehad om mij uit de voeten te maken. Maar dat mocht niet. Over Halef maakte ik mij niet bevreesd en toch ook wel weer over hem. Ik kon wel denken dat die drie op ongeveer tweeduizend pas niet zouden stilhouden maar in draf verder zouden rijden, en dan konden de Skipetaren hen ongemerkt inhalen en van hun paarden schieten. Wel is waar hadden de struikroovers geen schot meer op hun geweer, maar zij konden snel weer laden. Dus het eenige wat mij te doen stond was, hen te beletten weg te rijden.

Met één flinken sprong was ik bij hun paarden, en in minder dan geen tijd had ik deze losgebonden. Ik nam de zweep uit mijn gordel en sloeg naar hen. Eerst steigerden zij, en renden toen in volle vaart het bosch in, waar zij echter niet verder konden komen daar zij aan hun teugels moesten blijven hangen.

Nu kwam ik weer te voorschijn en riep den beiden Skipetaren toe: Sandar, Bybar, halt! De paarden hebben zich losgerukt!

Dat hielp, zij bleven staan. Zij wilden hun voortreffelijke paarden niet in den steek laten.

--Bindt ze dan weer vast!--riep Sandar terug.

--Maar ze zijn weggeloopen!

--Hel en duivel, waarheen dan?

--Weet ik het, vraag het ze zelf!

--O jou domkop!

Zij renden terug. In hun plaats had ik zulk een haast niet gemaakt, maar mij toch van het paard meester gemaakt.

Zij gingen het boschje in, op mij razend en scheldend. Sandar kwam het eerste boven. Met een enkelen blik overtuigde hij zich dat de paarden inderdaad weg waren. Toen viel hij tegen mij uit en brulde:

--Hond, waarom heb je ze niet vastgehouden?

--Ik heb, evenals gij, niet naar de paarden, maar naar den ruiter gekeken!

--Je hadt toch wel beter kunnen oppassen!

--Ze zijn door uw schoten verschrikt geworden. Waarom schiet gij ook op menschen die u geen stroobreed in den weg leggen! En bovendien, 't waren niet mijn, maar 't waren uw paarden. Ik ben uw knecht niet en behoef er niet op te passen!

--Durft ge dat te zeggen! Daar, dat hebt ge ervoor!

Hij had zijn geweer in de rechterhand genomen en de linker tot een vuist gebald, waarmede hij mij dreigde te slaan. Ik hief den arm op om te pareeren, maar had een steen die achter mij lag niet gemerkt en viel daardoor op den grond.

Nu hief hij de kolf van zijn geweer op en gaf mij een stoot op de borst dien ik slechts half kon afweren. Die stoot benam mij den adem; maar in het volgend oogenblik sprong ik op, pakte hem met beide handen in den gordel, hief hem in de hoogte en smakte hem tegen den stam van een boom, die op grooten afstand stond, waar hij bewusteloos bleef liggen.

Toen werd ik van achteren beetgepakt.

--Schoft! daar zult ge voor boeten!--riep Sandar die intusschen naderbij gekomen was. Hij had mij om het middel gepakt en wilde me optillen. Dat was nog nooit iemand gelukt. Ik zette mijn beenen ver van elkaar, trok de schouders in en haalde diep adem om me zwaar te maken. Ik voelde echter in het gewricht van mijn linkervoet een stekende pijn. De voet weigerde mij den dienst--ik had dien bij mijn val zeker bezeerd.

De Skipetaar, die achter mij stond, spande al zijn krachten in om mij op te tillen. Hij hijgde van woede en opgewondenheid. Zijn broeder lag bewusteloos onder den boom. Wellicht meende hij dat hij dood was en had het daarom op mijn leven gemunt. Ik voelde dat ik niet langer, door louter volhardingsvermogen, weerstand bieden kon. Het was dus noodzakelijk mij uit zijn greep te bevrijden. Daarom trok ik een mes en gaf mijn tegenstander een steek in de hand.

Hij liet los, brulde van woede en pijn, en gilde knarsetandend:

--Zoo, steek je, dan zal ik schieten!

Natuurlijk had ik mij gauw omgedraaid. Ik zag dat hij de pistolen uit zijn gordel nam. Beide hanen werden overgetrokken. Nog kon ik hem met den revolver voorkomen, maar ik wilde hem immers niet dooden. Hij hief het wapen op. Ik sloeg er tegen, juist toen hij op het punt stond te vuren. Het schot miste. Bliksemsnel gaf ik hem een tweeden vuistslag en wel precies op zijn neus, zoodat zijn hoofd achterover vloog. Met één greep had ik me meester gemaakt van het pistool, dat ik wegwierp.

Hij hield een oogenblik zijn handen voor zijn mond en zijn neus, die beide verwond waren. Toen uitte hij een schellen kreet en wilde op mij toespringen. Maar ik bukte me en pakte hem bij zijn dijbeenen, zoo stevig dat ik geloof dat mijn nagels hem in het vleesch drongen, en wierp hem achter mij neer. Ik keerde mij snel om en gaf hem nog een flinken slag tegen den slaap, zoodat hij met een langen, wegstervenden zucht het bewustzijn verloor.

Ik had inderdaad niet gedacht dat ik de beide Aladschy's de baas zou blijven. Toen ik die reuzenlichamen daar voor mij zag uitgestrekt, kon ik mijn eigen oogen haast niet gelooven. Want zij waren vrij zeker beiden sterker dan ik, maar ik was vlugger geweest dan zij--ik was zeker van mijn greep, dien ik heusch niet bij de Derwischen had geleerd.

Ik onderzocht beiden. Dood waren ze niet--ze zouden weldra weer tot bewustzijn komen, en daarom was het raadzaam, te maken dat ik wegkwam. Om hen echter nog voor eenigen tijd onschadelijk te maken, nam ik hun de kruittasch af, die zij aan hun gordel hadden hangen, en sloeg hun geweren stuk.

Bij die gelegenheid gevoelde ik duidelijk, dat ik mijn voet had bezeerd. Had ik mij eerst mank gehouden, nu moest ik werkelijk hinkend naar mijn paard loopen, nadat ik eerst de gebedspantoffels van den kleinen Hadschi, die mij van de voeten waren gegleden, had opgeraapt en weer aangetrokken. Ik maakte het paard los, en bracht het naar een plek, waar ik gemakkelijk kon opstijgen. De pijn was door het loopen aanmerkelijk verergerd.

Nu mijn paard zich in beweging zette, haalde ik verruimd adem. Ik was met mijn reisgenooten aan een groot gevaar ontkomen en dankte dat de goede Nebatja. Wanneer ik haar een vertrouwden bode had kunnen zenden, dan had ik zeer zeker den Aladschy het haar afgestolen geld afgenomen en het aan haar teruggezonden. Nu moest ik het hun wel laten. Er bestond geen andere meer rechtmatige bezitter. En het aan de overheid overgeven? Daarvan had ik te Ostromdscha geen al te aangename ervaringen opgedaan. Met een zeker genoegen dacht ik er aan, wat de Skipetaren wel zouden zeggen, wanneer zij te weten kwamen, wie eigenlijk de domme Scheriff was geweest.

Nadat ik een poosje had gereden, hield het bosch op. De weg liep nu langs de bedding der rivier, deze laatste links latende liggen. Op niet al te grooten afstand zag ik Halef, Osko en Omar stil houden. Zij hadden mij dadelijk herkend en uitten luide vreugdekreten. Ik gaf mijn paard niet de sporen maar de pantoffels, en galoppeerde naar hen toe.

--O, Sihdi! wat hebben we om u in angst gezeten!--riep Halef mij al uit de verte toe.--Waar hebt ge toch gezeten?

--Daar ginder in het bosch, zooals ge nu hebt kunnen zien, want ik kom er uit.

--Dat dachten wij al dadelijk toen wij uw briefje lazen.

--Gij hebt dat toch weggenomen?

--Ja, maar ook weer op z'n plaats gestoken!

--Waarom?

--Uit plaagzucht! Wij dachten, of liever ik dacht, dat de schurken zich zouden ergeren als zij later bemerkten hoe wij het hadden aangelegd om hun een kool te stoven. Had ik daar geen gelijk in?

--Een fout is het niet, in elk geval vinden zij het briefje en zullen zich duchtig ergeren, te meer wanneer zij uit den inhoud opmaken, dat ik, op wien het eigenlijk gemunt was, gedurende verscheidene uren bij hen was.

--Wat! Zijt gij bij hen geweest!

--Ik heb met hen gesproken, gedronken en zelfs gevochten! En nu liggen zij bewusteloos in het bosch.

--Sihdi, dan moeten we toch heel gauw weer naar hen toegaan opdat ik ook een woordje met hen spreken kan.

--Dat is niet noodig, ze hebben van mij al meer dan genoeg gehoord. Ik heb door mijn vuist met hen gesproken!

--Toe, vertel ons dat dan toch!

--Ja, dadelijk, maar we kunnen inmiddels wel doorrijden.

--Kom, rijdt gij dan nu verder Rih!

--Neen, ik blijf in den zadel. En gij zult Rih berijden tot Radowitsch, als belooning dat gij hem zoo prachtig gereden hebt!

--Hebt gij mij dan gezien?

--Zeer goed zelfs! Gij zijt dicht langs ons heen gereden!

--En zat ik goed in den zadel?

--Prachtig, nog beter dan ik!

--Neen Sihdi, dat is spotternij! Gij moogt mij niet voor den gek houden!

--Nu dan zal ik alleen maar zeggen, dat ik u met groot genoegen heb gadegeslagen. Maar hebt gij ook gehoord dat men op u heeft geschoten?

--Neen, daarvan had ik geen flauw vermoeden.

--Alleen de vlugheid van uw paard heeft u gered. De beide Aladschy's hebben op u geschoten. Zij wilden u van het paard schieten om dit te kunnen bemachtigen!

Hij hield zijn paard in en riep:

--Maar dan moeten wij noodzakelijk naar het bosch terugkeeren, opdat ik die twee schavuiten voor hun kogels kan bedanken. Maar ik zal hen met mijn zweep zoo toetakelen, dat zij er uitzien als een paar oude vaandels, die honderd veldslagen hebben meegemaakt.

--Bah! kom, kleintje! Die Aladschy's zijn geen personen om mee te spotten. 't Zijn ware reuzen en kunnen je met twee vingers wurgen.

--Dat zou ik dan toch wel eens willen zien! Maar wanneer gij denkt dat het beter is hen niet op te zoeken, dan gehoorzaam ik u. Misschien ontmoet ik hen nog wel eens op mijn weg, en dan zal ik hun eens toonen hoe wij met dergelijke lui omspringen.

Terwijl wij verder reden, vertelde ik mijn reisgenooten mijn ontmoeting met de Skipetaren. Zij luisterden natuurlijk aandachtig toe. Toen ik zweeg, zeide Halef:

--En gelooft ge, Heer, dat die lieve beste Bakadschi Toma zich nog daarginds te Radowitsch bevindt.

--Natuurlijk, anders waren wij hem stellig tegengekomen.

--Zullen wij hem niet eens opzoeken? Ik zou hem zoo gaarne mijn dank betuigen voor zijn gedrag. Men moet toch niet van mij kunnen zeggen, dat ik niet weet, hoe het hoort!

--Dat verwijt zal u niet treffen. Ik kan u de verzekering geven dat gij in veel andere gevallen, zeer beleefd zijt geweest, onder andere tegenover de Khawassen te Selim en tegen den Kodscha Bascha te Ostromdscha, die op zeer aangename manier kennis hebben gemaakt met uw zweep!

--Dus gaan wij hem niet opzoeken, Sihdi?

--Neen, maar wanneer wij hem toevallig tegen komen, doen wij juist alsof we hem niet kennen.

--Sihdi, dat strijdt eigenlijk tegen mijn gemoed. Zeg me tenminste, hoe lang wij te Radowitsch zullen blijven!

--Dat weet ik helaas nog niet precies! 't Was in ieder geval het allerbeste dat wij, zonder er ons op te houden door het stadje konden rijden, maar ik moet eerst mijn voet onderzoeken. Misschien moet die worden behandeld en moet ik daarvoor blijven. Ik denk dat ik hem bij mijn val heb verstuikt en dat hij zal moeten worden verbonden.

--Als dat zoo is, Sihdi, moet die beste brave kerel maken dat hij niet onder mijn handen komt, want anders leg ik hem een verband om zijn rug, dat hem zijn leven lang zal heugen. Trouwens er waren daar in Ostromdscha wel al menschen, die ik graag zoo iets had toegediend!

--Wie waren dat dan?

--De beide broeders die ons vervolgden en onze aankomst boven bij de ruïne zouden melden!

--Die bij den herbergier Ibarek waren ingekwartierd?

--Ja. Zij moeten echter hun roes eerder hebben uitgeslapen dan wij dachten, want gij waart nauwelijks weg toen zij kwamen.

--Waar hebt gij hen gezien?

--Daar in denzelfden Konak waar wij zijn gebleven. Zij hadden geen flauw vermoeden van hetgeen er gebeurd was en zijn dadelijk naar boven gereden. Nadat zij daar niets dan puinhoopen hadden gevonden, kwamen zij in den Konak terug om berichten in te winnen. Gij kunt u voorstellen welke gezichten zij trokken, toen zij vernamen, wat er was geschied?

--Hebt gij met hen gesproken?

--Neen, zij hadden hun paarden in den stal gezet en waren toen verdwenen. Ze kwamen ook niet, voor ons vertrek, terug!

--Hm! Zij zullen inlichtingen hebben ingewonnen, misschien zien wij hen weer terug!

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN HEKIM.

De voet, dien ik in den strijd met de Aladschy's had bezeerd, begon mij pijn te doen. Het was zeer noodzakelijk dien te onderzoeken. Daarom liet ik de paarden in galop zetten, om zoo spoedig mogelijk het doel van de reis te bereiken. Toen wij dicht bij Radowitsch weer vlak langs de rivier reden, zag ik een klein onooglijk huisje, en daarvoor zat een oude man die ons op opvallende wijze aankeek. Hij had iets aarzelends in zijn manier van doen.

Zonder er eigenlijk een bepaalde reden voor te hebben, hield ik mijn paard in en groette hem. Hij stond op en dankte mij eerbiedig, vermoedelijk ter wille van mijn groenen tulband.

--Kent gij ons misschien, vadertje?--vroeg ik hem.

--O neen, ik heb u nog nooit gezien!--antwoordde hij.

--Gij kijkt ons zoo vreemd aan! Hebt ge daar wellicht reden voor?

--Ik hield u voor booze, slechte Skipetaren.