Chapter 7
--Dan kunt gij uw longen stuk praten en u de tering op den hals halen, maar iemand bekeeren, dat niet!
--Wat geschieden moet, zal geschieden. Het is in het boek des levens opgeteekend.
--Gij schijnt dit boek zeer nauwkeurig te kennen.
--Allah alleen kent het en leest het. Ik hoop, dat ik daarin ook eenige bewoners van Skopia vind opgeteekend.
--Dat betwijfel ik zeer. Er moeten daar vele Skipetaren wonen en die deugen niet.
--Dat heb ik helaas ook gehoord!
--Dat de Skipetaren niet deugen?
--Ja!
--Hoe zoo?
--De duivel is vaardig over hen. Ik ken hen niet, maar zij moeten dieven, roovers en moordenaars zijn. De hel moet zelfs nog te goed voor hen wezen.
--Hebt gij dan nog nooit een der Skipetaren gezien?
--Ik heb nog nooit het ongeluk gehad een dergelijk zondaar te ontmoeten,--antwoordde ik met een zucht en zette daarbij het onnoozelste gezicht der wereld. Zij stootten elkander onder de tafel met den voet aan, en schenen zich bijzonder met mijn dwaasheid te vermaken.
--Maar zijt gij dan niet bang voor hen?--vroeg hij verder.
--Waarom zou ik bang voor hen zijn? Zouden zij mij iets anders kunnen doen, dat wat over mij beslist geworden is.
--Hm! Gij reist naar het land der Skipetaren; indien gij nu onderweg eens door een dier roovers werd overvallen?
--Dat zou jammer zijn van zijn moeite, want dit is mijn heele vermogen!
Ik wierp zes piasters op de tafel, en had daarmede ook waarheid gesproken, daar ik al mijn geld aan den kleinen Halef te bewaren had gegeven.
--Dan valt er voor hen bij u niet veel te halen. Maar gij moet toch reisgeld hebben?
--Geld? Waarvoor?
--Wel om te kunnen leven.
--Daarvoor heb ik niets noodig! Heeft de Profeet niet geboden gastvrij te zijn?
--Dus gij bedelt!
--Bedelen, wilt gij een Scheriff beleedigen? Eten, drinken en een nachtverblijf krijg ik overal.
--Waar hebt gij dan den laatsten nacht geslapen?
--In Ostromdscha!
--O daar! Daar stellen wij zeer veel belang in.
Beiden wisselden een blik van verstandhouding en meenden dat ik dien niet bemerkte.
--Waarom? Hoort gij daar soms thuis?
--Dat niet, maar wij hoorden dat daar den vorigen nacht zulk een hevige brand heeft gewoed.
--Hevig? Volstrekt niet.
--De halve stad moet afgebrand zijn.
--Die u dat verteld heeft, is een groote leugenaar. Er is brand geweest, dat is waar, maar volstrekt niet hevig en niet in de stad.
--Waar dan?
--Boven op den berg.
--Maar daar staat toch geen huis?
--Neen, wel een hut.
--Misschien die van den ouden Mubarek?
--Juist.
--Kent men den brandstichter?
--Dat is de Mubarek zelf geweest.
--Dat geloof ik niet; zulk een vroom man kan geen brandstichter wezen.
--Maar hij was ook volstrekt zoo vroom niet als hij zich voordeed!
--Dus was het toch waar, wat wij gehoord hebben!
--Wat hebt gij dan gehoord?
--Dat hij een groote deugniet, niet veel beter dan een misdadiger was.
--Dan heeft men u, wat dát betreft, de waarheid gezegd.
--Weet gij dat zeker?
--Ja want ik was er bij toen hij gevangen werd genomen. Ik was ook bij den brand en overal.
--Dan hebt gij misschien ook de vier vreemdelingen gezien, die dat alles hebben veroorzaakt?
--Ik heb zelfs met hen in dezelfde herberg vertoefd en geslapen.
--Werkelijk? En hebt gij misschien ook wel met hen gesproken?
--Met alle vier.
--Zoudt gij hen weder herkennen, als gij hen ontmoetet?
--Op staanden voet!
--Dat is goed, zeer goed! Wij wachten namelijk op hen, en moeten het een en ander met hen bespreken. Daar wij hen echter nog niet hebben gezien, zouden wij ons licht kunnen vergissen. Wilt gij ons dan waarschuwen, wanneer zij komen?
--Zeer gaarne, wanneer ik ten minste niet te lang behoef te wachten.
--Gij hebt toch den tijd?
--Neen, want ik moet overmorgen in Skopia zijn.
--Gij behoeft nog maar ongeveer drie uur te wachten.
--Dat is mij veel te lang.
--Wij zullen er u voor betalen.
--Betalen! Ja, ziet ge, dat verandert de zaak. En hoeveel wilt gij wel uitleggen.
--Vijf piasters, totdat zij komen.
--Wanneer zij tenminste maar niet zóó laat komen dat ik niet verder meer kan rijden, omdat het donker is.
--Dan betalen wij ook uw logies en uw eten.
--Dan blijf ik, maar de vijf piasters moet gij mij onmiddellijk uitbetalen.
--Scheriff, denkt gij misschien dat wij geen geld hebben!
--Neen, maar ik weet dat ik het niet heb, en graag iets op zak zou hebben.
Nu, die kleinigheid kunnen wij u wel uitbetalen.
Hij wierp mij tien piasters toe, en toen ik hem verbaasd aankeek, zeide hij:
--Nu, strijk maar op. Wij zijn rijk genoeg!
Zij waren in elk geval goed bij kas, want hun geldtasch was groot en daarin was goudklank. Nu werd ik over mijzelf ondervraagd. Ik moest een nauwkeurige beschrijving geven van mijn persoon en van mijn reisgenooten, en toen ook vertellen of ik had gezien dat de kogels ons niet hadden getroffen.
Ik deelde alles mede wat was gebeurd, waarna de Skipetaar vroeg:
--En hebt gij niet gehoord, wanneer deze vier mannen wilden opbreken?
--Ik was er bij, toen een hunner het voornemen te kennen gaf om tegen den middag weer op weg te gaan.
--Dat hebben wij ook gehoord, maar wij vermoeden dat zij niet zullen komen.
--Waarom niet?
--Omdat zij bang zullen zijn.
--Die vreemdelingen zien er anders niet naar uit of zij bang zijn. En voor wie zouden zij dan moeten vreezen?
--Voor de Skipetaren.
--Dat geloof ik niet! Want ik ben zelfs niet bang voor hen. En dan die vier! Ge moet de wapens van den een maar eens zien.
--Daar heb ik van gehoord. Men moet hem toch verteld hebben, dat hij door de Skipetaren zal worden opgewacht.
--Daar weet ik niets van. Wel heb ik van de twee roovers hooren spreken.
--Dus toch! En wat was daarmede aan de hand?
--De oude Mubarek heeft twee roovers omgekocht, om de vier vreemdelingen onder weg te vermoorden!
--Hoe wist men dat?
--Uit een gesprek, dat werd afgeluisterd.
--Drommels, hoe onvoorzichtig! En wist men de namen der roovers?
--Neen, ik geloof niet dat men die weet.
--En wat zeiden de vier vreemdelingen daar wel van?
--Zij lachten!
--Allah w' Allah! Zij lachten!--stoof hij op.--Zij lachten om degenen door wie zij zouden worden overvallen.
--Ja, over wie anders!
--Nu, ik geloof dat, als er inderdaad sprake is van echte Skipetaren, het lachen die heeren wel zal vergaan.
--Dat geloof ik niet.
--Wat? Gelooft gij dat niet? Meent gij dan dat de Skipetaren kwajongens zijn?
--Zij mogen zoo sterk zijn als zij willen. Tegen deze vier mannen vermogen zij niets, omdat die kogelvrij zijn!
--Kogelvrij! Wel vervloekt! Ik heb daar nooit aan geloofd en het altijd voor een sprookje gehouden, dat iemand zich kogelvrij kon maken. Hebt gij het goed gezien?
--Zeer goed, want ik stond er vlak bij.
--En de kogels troffen niet? En die man ving ze zelfs op in zijn hand?
--Met zijn hand! En wanneer dan ten tweede male met denzelfden kogel werd geschoten, doorboorde die de plank.
--Het is bijna niet te gelooven.
--Er waren echter meer dan vijfhonderd menschen bij, die het geweer en de kogels betast hebben.
--Dan moet men het toch wel voor waar aannemen. Als ik dat kunstje ook kon leeren, wilde ik wel iederen dag een geheelen Koran opeten.
--Dat zal het wel niet alleen zijn, maar ik vermoed dat er nog wel meer geheimen aan zijn verbonden.
--Ja, dat zal wel waar zijn. Het zou mij heel wat waard zijn om dat geheim te weten te komen.
--Dat zal natuurlijk niemand verraden.
--Nu misschien toch wel!
--Dat geloof ik niet.
--En toch weet ik twee menschen, die het misschien te weten kunnen komen.
--En dat zijn?
--De twee roovers, die op hen loeren!
--Die natuurlijk het allerminst.
--Dat begrijpt gij zoo niet, ofschoon gij een Scheriff zijt. Ik wil aannemen dat de Skipetaren die vreemdelingen het leven sparen, maar alleen onder voorwaarde dat zij hun het geheim mededeelen.
--Maar dan vergeet gij toch de hoofdzaak!--merkte ik op.
--En dat is?--vroeg hij haastig.
--Dat die mannen de Skipetaren niet behoeven te vreezen, daar zij kogelvrij zijn, wat gij nu toch zelf voor waar hebt moeten aannemen.
--Dat hebben wij moeten aannemen, want wij hadden dat ook reeds vroeger uit vertrouwbare bron vernomen. Maar zijn zij ook bestand tegen mes en dolksteken?
--Hm! dat weet ik niet.
--Dat zal wel niet zoo wezen, want dan hadden zij zich ook daar wel op beroemd. Men kan hen dus in ieder geval toch nog te lijf gaan, of meent gij soms, dat als wij de Skipetaren waren, wij bang voor die mannen zouden zijn, of voor dien vreemdeling die op een Arabischen hengst rijdt?
--Bij het worstelen geenszins!
--Dus zijn zij nog zoo veilig niet. Maar ik ben overtuigd dat hun niets zal overkomen daar wij hen zullen bijstaan.
--Zoudt gij dat werkelijk doen?--vroeg ik.
--Waarom twijfelt gij daaraan? Wij zijn hen van Radowitsch af tegemoet gereden en zullen hen ontvangen en verrassen. Zij zullen namelijk bij ons een onderkomen vinden. Wij zullen hun gastheeren zijn, en wee degeen die hen een haar durft krenken.
--Hm! dat geloof ik wel, maar zij zouden kunnen worden overvallen, voor zij hier zijn.
--O neen, daarvoor is geen enkele geschikte plaats!
--Weet gij dat zoo precies?--vroeg ik terwijl ik zoo onnoozel mogelijk trachtte te kijken.
--Ja, want ik ben soldaat geweest. Verderop naar Radowitsch is een geschikte plaats, daar waar de weg door het bosch voert. Daar zijn geweldige rotsblokken aan weerszijden van den weg, terwijl het kreupelhout er zoo dicht is, dat men naar links noch naar rechts vluchten kan. Wanneer zij dáár worden aangevallen zijn zij reddeloos verloren.
Gedurende eenige oogenblikken heerschte er een diep stilzwijgen, en terwijl hij nadenkend voor zich keek, hoorde ik een klagelijk gesteun, dat uit het huis tot ons doordrong. Ik had dat reeds vroeger, hoewel niet zoo duidelijk vernomen. Het scheen een kinderstem te zijn. Die zaak kwam mij eerst bedenkelijk voor, maar toch scheen het mij vrij wel onmogelijk dat de Skipetaren hier een misdaad zouden hebben gedaan en dan zoo rustig zouden zijn blijven zitten.
--Wie kreunt daar zoo?--vroeg ik.
--Dat weten wij niet.
--Is dit huis een logement?
--Alleen een kleine herberg.
--Waar is de waard?
--Daar in de kamer!
--Dan zal ik eens gaan kijken!--zeide ik, opstaande, en ging naar de deur.
--Halt!--waar gaat ge heen? vroeg de een.
--Naar binnen, naar den waard.
--Ga dan naar het raam.
Ik begreep dadelijk dat hij mij niet alleen met den waard wilde laten spreken. Hij kende hen en zij waren bevreesd dat hij hen zou verraden. Ik hinkte dus naar het open venster, stak het hoofd naar binnen en riep:
--Konakdschy ... waard!
--Hier!--antwoordde een mannelijke stem.
--Wie kreunt daar binnen zoo?
--Mijn dochtertje.
--Waarom?
--Zij heeft kiespijn.
--Hoe oud is zij?
--Twaalf jaar.
--Zijt gij al eens met haar naar den dokter geweest?
--Neen daar ben ik te arm voor.
--Dan zal ik haar helpen. Ik kom binnen!
De beide Aladschy's hadden ieder woord verstaan, en toen ik mij nu gereed maakte om binnen te gaan, stonden zij op en volgden mij.
De kamer zag er, zelfs volgens de daar heerschende begrippen, zeer armoedig uit. Er was niemand dan de waard en de kleine patiënte die maar steeds doorkreunde.
De man zat op een bankje, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen gesteund, en keek ons in 't geheel niet aan.
--Dus zijt gij de waard?--vroeg ik hem.--En waar is de waardin?
--Dood,--antwoordde hij zonder op te kijken.
--Dan zijt gij wel te beklagen. Hebt gij nog andere kinderen?
--Ja, nog drie kleinere.
--Waar zijn die?
--Buiten aan de rivier.
--Hoe onvoorzichtig! Men moet kinderen niet zonder toezicht bij water laten!
Nu hief hij het hoofd op en keek mij verwonderd aan. Het scheen dat hij zooveel deelname niet had verwacht.
--Waarom haalt gij hen niet hierheen?--vroeg ik verder.
--Ik kan niet.
--Waarom niet?
--Ik mag niet naar buiten!
--Wie zal u dat beletten?
Hij wierp een somberen blik op de Aladschy's, en dadelijk bemerkte ik dat een hunner hem met den vinger dreigde. Ik deed alsof ik het niet had gezien en ging naar den hoek, zeide eenige vriendelijke woorden tot de kleine en nam haar mede naar het open raam.
--Kom eens hier!--zei ik vriendelijk om haar vertrouwen te winnen.--Ik zal die pijn dadelijk wegnemen. Doe den mond maar eens open en laat mij den tand maar eens zien.
Zij voldeed zonder aarzelen aan mijn verlangen. Aan den tand was niets te zien en het leek mij dat het een rheumatische aandoening was. Daar was geen middel tegen te vinden. Maar ik wist uit ervaring van hoeveel invloed, vooral bij kinderen, de verbeelding is. Voor alles moest er een eind komen aan het schreien.
--Doe nu den mond maar weer dicht, en antwoord me maar met knikjes,--zeide ik.
--Hebt gij nog pijn?
Zij knikte toestemmend.
--Let dan goed op. Ik zal mijn hand een poosje tegen uw wang leggen en dan is de pijn weg.
Ik trok het hoofdje van de kleine patiënte naar mij toe en legde den binnenkant van mijn hand tegen de bewuste wang, en wreef die zachtkens. Van magnetisme heb ik weliswaar in het geheel geen verstand, maar ik vertrouwde op de verbeelding van het kind en op het weldadige gevoel, wanneer een vriendelijke warme hand een pijnlijke plaats zachtkens streelt.
--En nu is de pijn weg?--vroeg ik na eenige oogenblikken.
Wederom knikte ze toestemmend.
--Heelemaal weg?
--Ja, heelemaal!--antwoordde ze blij glimlachend en mij vriendelijk dankbaar aankijkende.
--Praat dan niet, en haal een poosje door je neus adem, dan komt de pijn niet terug.
Dat was alles zoo doodeenvoudig, zooals van zelf sprekend, en toch trad, toen ik weer naar buiten wilde gaan, de man op mij toe, vatte mijn hand en zei:
--Heer, zij heeft al van gisteren af, voortdurend geschreid; het was niet om uit te houden en daarom heb ik de andere kinderen weggestuurd. Gij kunt wonderen doen!
--Neen, 't is volstrekt geen wonder. Het is een zeer eenvoudig middel, dat ik heb aangewend en het zal zeker helpen wanneer gij uw dochtertje vandaag nog in de kamer houdt. Uw andere kinderen zal ik gaan halen.
--Gij, Heer, gij?--vroeg hij.
--Natuurlijk, want gij kunt het niet doen!
De beide Aladschy's wierpen hem woedende blikken toe. Hij bukte zich echter, alsof hij iets wilde oprapen, kwam daardoor wat dichter bij mij en fluisterde mij, terwijl hij zich weder oprichtte, toe:
--Neem u in acht, het zijn de Aladschy's.
--Wat was dat daar?--schreeuwde een hunner, die wellicht het gefluister had vernomen.--Wat hebt ge daar gezegd?
--Ik? Niets!--antwoordde de man zoo onbevangen mogelijk.
--Ik heb het toch gehoord!
--Dan vergist ge u!
--Hond, lieg niet of ik sla je dood!
De Skipetaar hief de vuist op maar ik pakte zijn arm beet en zeide:
--Vriend! wat doet ge? Weet ge dan niet dat de Profeet den geloovige verboden heeft zich door drift te laten medeslepen?
--Wat gaat mij uw profeet aan!
--Ik begrijp u niet. Gij stelt u aan als een woesteling, en ge wilt de vriend zijn van die vier vreemden, die geen worm leed doen!
Hij liet den arm zinken, keek den waard dreigend aan en antwoordde mij:
--Ge hebt gelijk, Scheriff. Maar ik heb de waarheid lief en haat den leugen. Daarom werd ik zoo boos. Kom weer buiten!
Ik volgde hem, en buiten deed ik alsof het van zelf sprak dat ik mij vrij bewoog, en hinkte naar de rivier. Er viel niet aan te twijfelen of de Aladschy's beschouwden mij zoo half en half als hun gevangene. Achter zich konden ze mij niet laten, en ook niet vooruit laten gaan, omdat ik hen dan licht zou kunnen verraden, zelfs al kende ik hen in 't geheel niet en al lag geenerlei verraad in mijn bedoeling. Daarom moesten ze mij in het oog houden. Een eind verder dicht bij het water, zaten drie kinderen, welke ik voor die van den waard hield. Ik zei hun dat ze weer bij hun vader konden komen, daar hun zusje weer geheel beter was. Juichend sprongen ze op, klauterden tegen den kant naar boven en liepen het huis in. Toen ik nu weer aan de tafel ging zitten, zag ik het de Aladschy's aan, dat zij een besluit hadden genomen.
Hier waren ze niet geheel veilig voor gevaarlijke ontmoetingen en ook naderde de tijd waarop wij hier verwacht konden worden. Daarom vermoedde ik, dat zij waren overeen gekomen om op te breken. En inderdaad al heel gauw begon degeen die het meeste had gesproken:
--Ik heb u reeds meegedeeld, dat er maar één enkele plaats is waar die vreemdelingen kunnen worden overvallen. Zeg ons nu eens eerlijk en oprecht, hoe gij hun gezind zijt! Vijandig?
--Waarom zou ik vijandig tegenover die menschen staan! Ze hebben mij immers niets gedaan!
--Dus vriendschappelijk?
--Ja.
--Dat doet me genoegen, want nu kunt ge ons behulpzaam zijn in het zorgen voor hun veiligheid en tegelijkertijd die van u zelf in het oog houden.
--Dat zal me aangenaam zijn, ofschoon ik niet zou weten, wie de moeite nemen zou mijn veiligheid te bedreigen. Zeg me maar wat ik doen moet.
--Gij gelooft misschien ook wel dat die vreemdelingen zullen worden overvallen?
--Ik heb het althans voor zeker hooren vertellen!
--Dan kunnen de Skipetaren zich alleen schuil houden op de plaats die ik op het oog had. Mijn broeder meent, en ik ben het volkomen met hem eens, dat het zeer goed zou wezen, wanneer wij ons daar ook verborgen. Dan kunnen wij de aangevallenen ter hulp komen. Zijt gij daartoe bereid?
--Hm! Ik heb eigenlijk met de geheele zaak niets te maken.
--Wel zeker! Wanneer de Skipetaren daar op den loer liggen, zullen ze ook u aanvallen, zoodra gij verder rijdt. Bovendien willen we u eens een echt Skipetarenstukje laten zien, waarvan ge dan kunt verhalen, als ge te Skopia komt.
--Ge maakt me inderdaad nieuwsgierig, ik rijd mee!
--Stijg dan op!
--Hebt ge den Raki betaald?
--Neen, dien heeft de waard ons voor niets gegeven!
Voor niets moeten geven! Dát was de waarheid. Ik ging naar het venster en wierp mijn weinige piasters naar binnen. Natuurlijk werd ik door beiden uitgelachen. De een ging achter het huis, om de paarden te halen en de ander bleef bij mij, opdat ik hun niet zou ontsnappen. Toen we over de brug reden, keek ik nog eens om en zag den waard in de deur staan, die waarschuwend de hand ophief. Ik dacht niet dat ik hem zou weerzien.
Aan gene zijde van de brug, voerde de weg eerst midden door velden, daarna kwamen weiden, vervolgens kreupelhout en eindelijk reden wij een dicht bosch in.
Er werd geen woord gesproken.
De Skipetaren hielden mij klaarblijkelijk voor een weinig ontwikkeld persoon met zeer weinig oordeel en opmerkingsgave, want alles wat ze deden en zeiden was voortdurend met elkaar in tegenspraak, wat zelfs den meest eenvoudigen mensch moest opvallen.
Indien werkelijk vijanden in het bosch waren verborgen, was het toch een groote domheid geweest, dat wij de bedreigden wilden redden door ons zelf eveneens te verstoppen, om eerst op het oogenblik dat de strijd begon, te voorschijn te komen. We zouden dan natuurlijk beter hebben gedaan, de roovers in hun schuilplaats te overvallen en zoo de bedreigden te redden. Misschien was het hun dan mogelijk geweest de gevaarlijke plek te mijden, en indien dit door de dichtheid van het bosch al ondoenlijk mocht zijn, konden wij te voet er vereenigd de Skipetaren in den rug aanvallen en een machtige nederlaag doen lijden.
Midden in het bosch liep de weg naar beneden en maakte tevens een scherpe bocht. Rechts en links waren rotsblokken, waar achter men zich kon verbergen en dan van boven af den hollen weg beschieten. Dat was een plekje als geschapen voor een overval, en beiden hielden hier dan ook werkelijk halt.
--Hier is 't!--zeide de een.--Hier moeten we ons verbergen. Laten we links rijden in de richting van dat boschje!
Hij sprak zachtjes om mij te doen gelooven, dat hij werkelijk meende, dat hier ergens Skipetaren waren verborgen. Dan moesten zij ons immers hooren en zien, en niet wij hen. Ik kwam tot de overtuiging dat moeder Natuur mij met geen bijzonder snugger gezicht had begiftigd, want in de kunst van veinzen, had ik het niet zoover gebracht dat ik mij zoo van den domme kon houden, en dom moest men zijn, om die mannen niet onmiddellijk te doorzien.
Daar boven aan den rand van den weg stonden op deze plaats de boomen minder dicht op elkaar, zoodat wij nog een eindje konden rijden; toen moesten we de paarden echter bij den teugel leiden.
Toen werd halt gehouden. De paarden zouden bij elkander worden vastgebonden. Dit beviel me niet, want het lag in mijn voornemen om mij later ongemerkt te verwijderen. Daarom moest mijn paard een eind van de anderen afstaan, zoodat de Skipetaren het niet konden zien. Ik had een grooten, en aan de eene zijde tamelijk spitsen boordenknoop in mijn zak. Dezen haalde ik ongemerkt te voorschijn. Toen deed ik alsof ik den zadelriem van mijn paard, dat bij de hunne aan een boom stond vastgebonden, wat losser wilde maken om het paard wat meer op zijn gemak te brengen, doch haalde dien integendeel zoo stevig aan als ik maar kon, nadat ik er den knoop tusschen had gelegd, zoodat de spitse zijde tegen het lichaam van het paard drukte. Die knoop moest het dier pijn doen en het overige moest ik nu afwachten.
Intusschen hadden de Aladschy's een geschikt plekje opgezocht, van waar zij een deel van den straatweg, die achter ons lag, konden overzien, zonder zelf gezien te worden. Hun geweren lagen naast hen en ze gespten nu ook hun werpbijlen los.
Ik begreep wat zij van plan waren. Zij meenden dat zij ons met hun kogels niet zouden kunnen treffen en wilden ons nu met hun bijlen dooden.
Deze menschen zijn bijzonder handig in het werpen met deze wapens, en toch geloofde ik, ofschoon ik er nog nooit een in handen had gehad, het hen dadelijk te kunnen nadoen, daar ik een tamelijke vaardigheid bezat in het werpen met den tomahawk.
Ik ging bij hen zitten en het gesprek werd nu op gedempten toon gevoerd. Zij hielden zich, alsof zij bereid waren den strijd te aanvaarden om de vreemdelingen, dus ons, van de Skipetaren te bevrijden. Het Skipetarenstukje dat zij mij wilden laten zien, bestond natuurlijk alleen daarin dat zij zich van mijn medewerking hadden verzekerd, ofschoon zij zelf de moordenaars waren. Op het oogenblik dat de overval plaats greep, moest ik daarover zeer ontsteld zijn, en kon daarvan dan verhalen en mij om mijn domheid laten uitlachen.
Mijn knoop had reeds lang gewerkt. Het paard van Halef begon onrustig te worden, het snoof en sloeg om zich heen.
--Wat heeft uw paard?--vroegen ze mij.
--O niets!--antwoordde ik kalm.
--Noemt ge dat niets! Het zou ons kunnen verraden!
--Hoezoo?
--Wanneer het voort gaat te doen zooals nu, dan kunt ge bijna zeker zijn dat de hier verborgen Skipetaren het leven hooren, en dan zijn wij verloren.
Hij meende echter, dat de vreemdelingen die zij verwachtten het leven hooren en daardoor tot voorzichtigheid zouden kunnen worden aangespoord.
--O, dat zal nog wel erger worden!--zeide ik.
--Waarom?
--Mijn paard kan er niet tegen, om vlak bij andere paarden vastgebonden te staan. Dat is een kuur, die ik het maar niet kan afleeren. Ik moet hem altijd een heel eind uit de buurt van andere zetten!
--Breng hem dan weg!
Ik stond op.
--Halt! wacht wat! laat uw mantel, uw lange mes en uw tulband hier!
--Waarom?
--Opdat wij er zeker van zouden zijn, dat gij terugkomt. Zet uw tulband af!
Dat zou wat moois zijn geweest! Dan zouden zij hebben gezien dat ik al mijn haar had en dus geen goed muzelman, nog veel minder een Scheriff wezen kon. Daarom antwoordde ik met voorgewende kalmte:
--Hoe komt ge er bij! Kan een Scheriff ooit het hoofd ontblooten. Ik ken de Mukteka el Ebhur en de Mischkat al Masabih [3] en de beroemde Fetavi van Alem Gtoiri en van Hamadan [4] op mijn duimpje. Ik weet heel goed wat den geloovigen verboden is, en nu zal ik mijn ziel overgeven aan het spel der winden, zoodat de storm haar zou verdrijven?
--Laat 't dan blijven bij den mantel en het mes! Ga nu!