Door het land der Skipetaren

Chapter 6

Chapter 64,184 wordsPublic domain

--Gij zult niet sterven, dat beloof ik u bij den baard van den Profeet!

--Dan zal ik doen wat gij zegt en het beproeven, Effendi!

--O, schiet gerust!

Ik sloeg Toma den bode oplettend gade. Hij kwam nu dichter bij en had geen oog van mij af. De schutter legde op mij aan. Hij stond slechts op tien of elf pas afstand. Maar hij liet het geweer nogmaals zakken en zeide:

--Ik heb nog nooit op een mensch gemikt. Gij vergeeft het mij toch wel, wanneer ik u tref?

--Ik zal u niets te vergeven hebben, want gij treft mij niet!

--Maar als het nu toch eens gebeurde?

--Dan hebt gij u niets te verwijten, want ik heb het u immers bevolen.

Ik hief de rechterhand op en liet daarbij den looden kogel in mijn mouw rollen, toonde toen mijn ledige hand, en zeide:

--Met deze hand zal ik den kogel opvangen. Ik tel dus. Bij drie kunt gij vuren.

Ik liet mijn arm weer zakken en ving daarbij den kogel weer in het holle van de hand op. Er was geen oog, dat niet op mij gevestigd was.

--Een--twee--drie!

Het schot kraakte. Ik greep met mijn hand naar voren, in de richting der geweermonding, alsof ik den kogel wilde opvangen, en nam een looden kogel tusschen duim en wijsvinger.--Hier hebt gij hem. Bekijk hem maar goed, Toma, en zie maar of het niet dezelfde is die in den loop gestoken werd.

Natuurlijk zag hij er volkomen gelijk uit. De bode stond er met open mond bij en staarde mij aan alsof ik een spook was. De uitwerking, die het op de andere menschen had, was niet zoo sterk. Men had wel tot op het laatste oogenblik getwijfeld, maar nu het vermeende wonder dan toch met eigen oogen gezien. De kogel werd rond gegeven. Toen de schutter hem terug kreeg, zeide ik, laad nu nog eens en mik op de plank.

Hij deed het en schoot. De kogel sloeg natuurlijk een gat in het hout.

--Ziet ge? En juist zulk een gat zou ik nu in mijn borst hebben als ik niet kogelvrij was. Nu moogt gij tevens op mijn drie metgezellen schieten.

Dat de kogel de tweede maal de gewone uitwerking had gehad, terwijl ik daarvóór niet getroffen was geworden maar hem opgevangen had, bracht die eenvoudige menschen totaal in de war. Zij kwamen dichterbij om mijn handen te bekijken, en konden geen woorden genoeg vinden om hun verbazing lucht te geven dat ik niet het minste letsel bekomen had.

--Allah onun ile! Allah is met hem!--hoorde ik eenigen zeggen.

--Sheitan sahibi! Hij heult met den duivel,--was de meening van anderen.

--Hoe kan de duivel met hem zijn, daar hij den Koran opeet? Neen, Allah is groot!

Zoo gaf ieder zijn meening te kennen, terwijl ik den schutter drie andere kogels gaf, en Halef, Osko en Omar zich beurtelings voor de plank posteerden.

Misschien hadden die drie de zaak eerst nog niet best vertrouwd maar toen ik niet gedeerd was geworden, lieten zij ook zonder eenige vrees op zich schieten. Alleen het opvangen van de kogels werd achterwege gelaten, daar dit hun misschien niet zou zijn gelukt. Dat wilde ik liever zelf doen. Ik ging dus naast hen staan en ving zoogenaamd den kogel op, waarmede dan in de plank geschoten werd. Toen nu ook mijn metgezellen hadden bewezen dat zij kogelvrij waren, ging er een gejuich op, waaraan geen eind scheen te komen en dat alle beschrijving te boven ging.

De menschen kwamen naar ons toe om ons te bekijken, te betasten en allerlei vragen te doen. Het zou ons dagen hebben gekost als wij alle inlichtingen, die ons werden gevraagd, hadden willen beantwoorden. Om ons aan een en ander te onttrekken, gingen wij naar onze kamer en sloegen van daaruit den bode gade. Toma was volkomen van zijn ongeloof genezen; dat was duidelijk merkbaar aan de zeer levendige gebaren waarmede hij anderen, die veraf hadden gestaan, trachtte duidelijk te maken wat er gebeurd was. Ik wenkte den Hadschi, wees hem den bode en zeide:

--Verlies hem niet uit het oog, en wanneer hij weggaat volg hem dan om te weten waarheen hij zich begeeft!

--Waarom, Sihdi?

--Omdat ik hem verdenk door de Aladschy's belast te zijn om ons gade te slaan.

--Daarom bekeekt gij hem zoo aandachtig. Ik merkte dadelijk dat gij hem niet vertrouwdet. Maar wat kan hij ons voor kwaad doen?

--Hij zal den beiden Skipetaren gaan vertellen, dat wij tegen den middag vertrekken.

--Hij zeide toch, dat hij niet vertrok.

--Hij heeft gelogen, daar kunt gij zeker van zijn; wanneer hij nu naar huis gaat, dan gaat gij buiten de stad en verstopt u hier of aan den weg die naar Radowitsch voert. En wanneer hij voorbij komt, deelt gij mij dat mede.

--En als hij niet komt?

--Dan komt gij over een uur of twee terug; men kan dan aannemen dat hij inderdaad niet weggaat.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE TWEE ALADSCHY'S.

Mijn eerste werk was nu, een adres te vragen van een kapper- en barbierswinkel, en toen ging ik daarheen om mij haar en baard te laten knippen. De eigenaar van den winkel was mede getuige geweest van onze vertooning. In het oosten zijn de salons van de barbiers de geliefkoosde verzamelplaats voor alle nieuwtjesjagers, en daarom verbaasde het mij geenszins die vol menschen te vinden.

Deze goede luidjes sloegen al mijn bewegingen gade en hielden zich, zoolang de barbier met mij bezig was, zeer rustig.

Een hunner, die achter mij zat, bukte telkens om een der lokken die op den grond vielen, op te rapen, totdat de barbier, die dit met woedende blikken had aangezien, hem een vrij krachtigen trap gaf en uitriep:

--Dief! Wat hier afvalt, is mijn eigendom. Besteel mij niet!

Op den terugweg ging ik een kousenwinkel binnen en ook bij een brillenkoopman. Bij den eerste kocht ik een paar lange kousen die tot boven de knie reikten, bij den laatste een bril met blauwe glazen.

In een derden winkel kocht ik een groenen tulbanddoek, zooals alleen de afstammelingen van den profeet die mogen dragen, en daarmeê had ik alles wat ik noodig had. Ik was ongeveer een uur weg geweest en toen ik terug kwam, was Halef reeds weder thuis.

--Sihdi!--deelde hij mij mede.--Gij hadt gelijk, de kerel is weg!

--Wanneer gegaan?

--Slechts eenige oogenblikken nadat hij thuis was gekomen.

--Dus had hij zich vooruit reeds reisvaardig gemaakt?

--Ja natuurlijk, want anders had hij toch eerst de dieren nog moeten zadelen!

--Welke dieren had hij bij zich?

--Hij reed op een muildier en voerde nog vier beladen ezels mede waarvan de tweede aan den staart van den eerste en zoo vervolgens, was gebonden, terwijl de eerste aan den staart van het muildier gebonden was.

--Reed hij langzaam?

--Neen, het had er alles van of hij groote haast had.

--Hij wil zich zeker gaarne zoo gauw mogelijk van zijn boodschap kwijten. Nu, dat hindert niet. Ik rijd nu verder en gij anderen verlaat Ostromdscha tegen den middag?

--En blijft het dan bij hetgeen gij gisteren, voor het slapen-gaan hebt gezegd?

--Natuurlijk!

--En ik rijd Rih?

--Ja, en ik neem uw paard. Zadel dat en ga dan weer de stad in, maar neem uw gebedspantoffels mede.

--Waarom, Sihdi?

--Die moet gij mij leenen, omdat ik mijn hooge laarzen moet achterlaten.

--Moet ik die soms aantrekken?

--Neen kleintje, want daar zoudt gij geheel in verdwijnen. Nu zal ik u eerst alles geven wat gij te bewaren hebt; vooral de geweren. En dan ga ik afscheid nemen.

Dit laatste werd mij moeilijker gemaakt dan ik gedacht had. De herbergier Ibarek, die nu ook naar huis wilde terugkeeren, beloofde mij den beiden broeders, die zich bij hem hadden genesteld, een behoorlijk pak slaag te zullen geven, maar ik geloof nooit dat de man er den moed toe heeft gehad.

Eindelijk, eindelijk kon ik dan te paard stijgen.

De beide herbergiers waren zeer verbaasd dat ik den hengst niet bereed, maar ik vond het voorzichtiger hun mijn beweegreden daartoe niet mede te deelen.

Even buiten de stad stond Halef en naast hem--Nebatja.

--Heer!--zeide zij,--ik hoorde dat gij ons gaat verlaten en daarom ben ik gekomen om u nog eenmaal de hand te drukken, hier waar niemand het kan zien. Ik zal steeds aan u denken en u nooit vergeten.

Ik drukte haar de hand en reed toen spoedig door. Ik kon haar vochtige oogen niet best zien.

Halef volgde mij nog een eindje tot wij aan een boschje kwamen. Daar steeg ik af en ging de struiken in.

De kleine Hadschi had den pot mede moeten nemen waarin de Sadar-absud was gekookt. Met behulp van een lapje, dat ik tot dit doel had meegenomen, moest hij voorzichtig met dit vocht over mijn haar en baard strijken.

--Sihdi, waarom laat gij u het hoofd met dat kooksel bevochtigen.

--Dat zult gij gauw genoeg zien!

--Zou uw haar er inderdaad door veranderen?

--Ik denk dat gij over de uitwerking verbaasd zult staan.

--Ik ben er zeer nieuwsgierig naar! Maar wat hebt gij daar voor eeuwig lange kousen. Gaat gij die misschien aantrekken?

--Ja, en dan gaan de gebedspantoffels er over heen.

De kleine Hadschi had dit schoeisel altijd bij zich, om het steeds bij de hand te hebben als hij een moskee bezocht, daar hij dan zijn gewone schoenen moest uittrekken. Toen hij met de "zalving" van mijn hoofd gereed was, trok hij mij de rijlaarzen uit, en deed ik in plaats daarvan de kousen aan. Die pantoffels waren mij iets te klein, maar het ging toch. Toen hij daarna weer naar mijn hoofd keek, sloeg hij verbaasd de handen inéén en riep uit:

--O, Allah! wat een wonder! Uw haar begint inderdaad lichtblond te worden.

--Werkelijk? begint het kookseltje reeds te werken?

--Op sommige plaatsen ten minste.

--Dan moeten wij de donkere plaatsen bijwerken. Hier hebt gij een kam om het vocht te verdeelen!

Hij zette zijn aangevangen werk voort, en toen ik mij eenige oogenblikken later in een zakspiegeltje bekeek, was ik inderdaad hoogblond. Toen zette ik de fez op en Halef moest het tulbandddoek er om winden, zóó dat aan den rechterkant de franje afhing.

--Sihdi! daarmede bega ik een groote zonde!--zeide hij verlegen. Alleen de rechte afstammelingen van den Profeet mogen deze onderscheiding dragen. Maar gij zijt nu eenmaal geen aanhanger van den Koran maar van den Kitab el mukaddas (het heilige boek, den bijbel). Zal ik deze ontwijding kunnen verantwoorden, wanneer ik eenmaal over de smalle brug des doods moet gaan?

--Zeker!

--Maar ik twijfel er aan.

--Wees onbezorgd! Een mohammedaan zou daarmede zondigen tegen de nakomelingschap van den Profeet, wanneer hij diens onderscheiding droeg. Maar een christen heeft zich daaraan niet te storen. Een aanhanger van den Bijbel kan zich kleeden zooals hij verkiest.

--Dan hebt gij het aangenamer en gemakkelijker dan wij. Maar een zonde bega ik, dat is zeker. Wanneer gij zelf het doek er om legt, behoeft gij uw geweten niet bezwaard te gevoelen, maar als ik het doe, een geloovig zoon van den Profeet, dan zal ik wel strafbaar zijn.

--Wees onbezorgd! Ik zal die zonde wel op mijn geweten nemen.

--En in mijn plaats branden in de hel?

--Ja.

--Neen, Sihdi, dat wil ik niet, daarvoor heb ik u te lief. Dan brand ik toch maar liever zelf, want ik geloof dat ik er beter tegen kan dan gij.

--Schrijft gij uzelf meer kracht toe dan mij?

--Neen maar ik ben veel kleiner dan gij en kan misschien wel een plaatsje vinden om mij tusschen de vlammen in te vlijen dat zij mij geen pijn doen!

De schalk meende het met zijn bezwaren lang zoo ernstig niet, want ik wist heel goed dat hij in zijn hart reeds lang een christen was geworden. Om de vermomming te voltooien, zette ik nu den bril op, en sloeg de reisdeken om de schouders, zoo ongeveer als een Mexicaan zijn Serape draagt.

--Müdschüzat allahi! Wonder Gods!--riep Halef uit.--Sihdi, gij zijt geheel en al veranderd!

--Inderdaad?

--Ja, ik weet niet of ik u herkennen zou, wanneer gij mij voorbijreedt. Ik geloof dat ik het alleen aan uw houding zou zien, dat gij het waart.

--O, maar die wordt ook anders. Maar dat is feitelijk niet eens noodig, want de Aladschy's hebben mij nog nooit gezien. Zij kennen mij alleen door de beschrijvingen, en dus is het gemakkelijk genoeg hen te misleiden.

--Maar de bode kent u!

--Dien zal ik wel niet meer aantreffen!

--Ik denk toch, dat hij wel bij hen wezen zal.

--Dat is moeilijk aan te nemen. Zij willen ons tusschen hier en Radowitsch opwachten, en hij heeft de ezels bij zich met de goederen die hij daarginds moet afleveren. Hij was van plan om naar Radowitsch te rijden. Het is dus aan te nemen, dat hij hun bericht zal brengen en dan verder gaan.

--En gelooft gij werkelijk, dat gij het alleen met hen zult klaarspelen?

--Ja zeker!

--Maar de Aladschy's zijn berucht. Misschien was het beter als ik met u medeging. Ik ben immers uw vriend en beschermer?

--Maar nu moet gij Osko en Omar beschermen. Deze beiden vertrouw ik aan uw zorgen toe.

Dat troostte hem en deed hem goed. Hij hernam dan ook dadelijk:

--Gij hebt volkomen gelijk, Sihdi! Wat zouden die twee moeten beginnen zonder uw kleinen dapperen Hadschi Halef Omar? Niets--totaal niets! Overigens heb ik ook nog voor Rih te zorgen! Gij vertrouwt mij zeer veel toe, Sihdi!

--Maak u dat vertrouwen waardig. Weet gij nog alles, wat wij hebben afgesproken?

--Alles. Mijn geheugen is als de muil van een leeuw, die alles vasthoudt wat eenmaal daar binnen is.

--Dan zullen wij nu afscheid nemen. Vaarwel en doe geen dwaasheden!

--Sihdi, krenk mij niet met dergelijke vermaningen. Ik ben een man, een held, en weet wat ik te doen heb.

Hij wierp den pot, dien wij nu niet meer noodig hadden, tusschen de struiken, hing mijn hooge laarzen over zijn schouder en ging naar de stad terug. Ik echter reed naar het Noordwesten, een gevaarvolle en misschien noodlottige samenkomst tegemoet.

Ik had echter voorloopig geen gevaar te duchten, wanneer de Aladschy's mij kenden en gewaar werden, zou allicht een kogel uit een hinderlaag mij hebben kunnen treffen. Maar zooals de zaken stonden, had ik hoogstens een openlijken aanval van roovers te wachten waaraan ook iedere andere reiziger bloot staat. En daarbij kwam nog dat ik er op het oogenblik geenszins aanlokkend uitzag.

Ik had in mijn uiterlijk alles van een armen afstammeling van Mohammed, bij wien niet veel was te halen, en al had ik ook mijn geweren achtergelaten, mijn revolvers had ik bij mij en deze waren ruim voldoende om mij ook nog meer dan twee aanranders van het lijf te houden. Dezen konden alleen mijn mes zien en moesten dus wel aannemen, dat ik verder ongewapend was. Dat zou hen in ieder geval hebben verleid tot een zorgeloosheid die gevaarlijk voor hen kon worden.

Op mijn weg ontmoette ik niemand, en eerst na verloop van een uur kwam ik een Bulgaar tegen, die bleef staan en boog, om mij eerbiedig te laten voorbij gaan. Ook de rijkste moslem eert den armsten en meest armoedigen Scheriff. Hij vereert in hem den afstammeling van den Profeet, wien het gedurende zijn leven vergund was een blik in Allah's hemel te slaan.

Ik hield mijn paard in, beantwoordde zijn eerbiedigen groet en zeide:

--Allah zegene uw reis, broeder! Van waar komt gij?

--Ik kom van Radowitsch!

--En waar gaat gij heen?

--Naar Ostromdscha, waar ik gelukkig zal aankomen, wanneer uw zegen op mij rust.

--Die begeleide u op uw wegen! Zijt gij geen andere reizigers tegen gekomen?

--Neen, de weg was zoo eenzaam en verlaten, dat ik rustig heb kunnen nadenken over Allah's zegeningen.

--Hebt gij dus niemand gezien?

--Op den straatweg slechts één mensch, namelijk den bode Toma uit Ostromdscha.

--Kent gij dien man?

--Iedereen in Radowitsch kent hem, daar hij boodschappen doet tusschen deze beide plaatsen.

--Hebt gij hem gesproken!

--Ik wisselde enkele woorden met hem. Hij was in het kleine gehucht, dat gij spoedig zien zult, dáár waar uw weg over de rivier leidt.

--Hebt gij daar ook vertoefd?

--Daar had ik geen tijd voor.

--Weet gij misschien ook waar de bode verblijft, wanneer hij naar Radowitsch gaat?

--Wenscht gij hem te treffen?

--Misschien.

--Hij vertoeft, zooals gij wel denken kunt, nooit in een herberg, maar bij vrienden en verwanten. Al zeide ik u hun namen ook, toch zoudt gij hen zonder hulp niet kunnen vinden, daar ik u de straten niet zoo nauwkeurig beschrijven kan. Daarom zou ik u aanraden in Radowitsch nog maar eens na te vragen.

--Ik dank u. Allah zij met u!

--En u opene hij zijn hemel!

Hij ging verder, en ook ik vervolgde mijn weg even kalm als te voren.

Nu kon ik mij voorstellen hoe de zaken stonden. In Radowitsch hielden de beide Aladschy's zich niet op, daar dit gevaarlijk voor hen zou zijn geweest. Zij hadden dus den bode in het gehucht opgewacht, en wat zij verder zouden doen, hing af van hetgeen hij hun zou mededeelen. Zij schenen in elk geval geen lust te hebben in een openlijken aanval, en dat zij mij onverhoeds met kogels zouden begroeten, was niet wel aan te nemen daar zij ons voor kogelvrij hielden.

Het was nog geen middag, en ik vermoedde dus dat ik hen nog wel in het gehuchtje zou aantreffen. De bode had hun zeker medegedeeld, dat wij eerst tegen dien tijd zouden opbreken. En dus hadden zij nog tijd genoeg om een schuilhoek op te zoeken. Ik verheugde er mij natuurlijk op, hen snip te doen vangen en voorbij te komen, zonder door hen te worden lastig gevallen.

Ongeveer na verloop van een half uur bereikte ik het gehucht dat slechts uit enkele huizen bestond. De weg maakte hier een rechten hoek naar de brug toe, en ik kreeg daardoor vrij uitzicht op den achterkant van een huis dat in de onmiddellijke nabijheid van de brug stond. Daar weidden twee koeien, eenige schapen en ook drie paarden waarvan twee gezadeld waren en---wit en donkerbruin gevlekt.

Ik zag dadelijk dat de dieren halfbloed waren en waarschijnlijk afkomstig uit een Mescherdi-stoeterij.

Zouden dat de twee paarden der Aladschy's zijn; en zouden die twee zich ophouden in het huis, dat ik wel voorbij moest.

Het was voor mij van veel belang met hen te spreken, maar dat moest zooveel mogelijk gebeuren zonder dat het opviel en daardoor hun argwaan werd opgewekt.

Toen ik de kromming voorbij was, kon ik ook den voorkant van het huis zien. Daar was een afdak dat op vier houten palen rustte en waaronder ruw houten tafels en banken stonden. Die waren leeg op één na, waarop twee mannen zaten. Zij zagen mij aankomen. Zij schenen zorgvuldig en oplettend naar alle kanten te hebben rondgekeken, want menschen van hun slag moeten steeds op hun hoede zijn.

Ik zag met welke wantrouwende en scherpe blikken zij mij gadesloegen en deed alsof ik voorbij wilde rijden. Toen stonden zij op en bleven een paar pas voor mij staan.

--Dür--halt!--begon de een, terwijl hij gebiedend de hand ophief. Wilt gij niet een glaasje Raki met ons drinken?

Ik was overtuigd dat ik de gezochten voor mij had. Zij moesten bepaald broers zijn en leken op elkaar als twee druppels water. Beiden waren flink en breed gebouwd, en langer en sterker dan ik. Hun dichte lange baarden en door weer en wind gebruinde gezichten gaven aan hun uiterlijk iets zeer krijgshaftigs. Hun geweren stonden tegen de tafel. In hun gordels glinsterden messen en pistolen en aan den linkerkant had ieder hunner, bij wijze van sabel, een hakbijl hangen.

Ik zette mijn bril recht op den neus en keek hen aan als een schoolmeester een ondeugenden brutalen jongen, en vroeg:

--Wie zijt gij eigenlijk, dat gij het durft wagen een nakomeling van den Profeet in zijn vrome overpeinzingen te storen?

--Wij zijn even als gij vrome zonen van den Profeet en wilden u eer bewijzen door u een verfrissching aan te bieden.

--Raki! Noemt gij dat een verfrissching? Kent gij dan het woord van den Koran niet, dat het gebruik van Raki verbiedt.

--Daar weet ik niets van!

--Ga dan naar een uitlegger der heilige boeken en laat hij u onderwijzen.

--Daar hebben wij geen tijd voor. Maar wilt gij het niet liever zelf doen?

--Wanneer gij het verlangt, ben ik er gaarne toe bereid, want de Profeet zegt: wie een ziel verlost uit de hel, komt bij zijn dood dadelijk in den derden Hemel, maar wie twee zielen redt, krijgt dadelijk een plaats in den vijfden.

--Verdien dan uw plaats in den vijfden. Wij zijn bereid u er in te helpen. Stijg dus af, o heilige man, en maak ons even vroom als gij zijt!

Hij hield mij den stijgbeugel vast, en de ander pakte mij bij den arm en trok mij naar beneden om verdere weigering te voorkomen. Toen ik uit den zadel was, hinkte ik plechtstatig naar de tafel waaraan zij hadden gezeten en ook nu weder plaats namen.

--Uw eene been sleept achter u aan!--merkte de een op.--Hebt gij u bezeerd?

--Neen! Het is mijn kismet!--antwoordde ik kortaf.

--Dus gij zijt lam geboren. Dan heeft Allah het goed met u voor gehad, want wie hij liefheeft bezoekt hij. Wilt gij ons onwaardige zondaars ook uw heiligen naam zeggen?

--Wanneer gij de tabellen der Nakyb-el-Eschraf, die in iedere stad worden bijgehouden, naslaat, zult gij hem daarin vinden.

--Dat willen wij gaarne gelooven, maar daar wij die tabellen hier niet hebben, zult gij zeker wel zoo goed willen zijn ons uw naam te zeggen.

--Jawel. Ik ben Scheriff Hadschi Schehab Eddin Abd el Khadar Ben Hadschi Gazali al Farabi Hu Tabit Mereman Abel Achmed Abu Baschar Chatid esch Schonahar!

De beide spitsboeven hielden zich de handen voor de ooren en barstten in een luid gelach uit. Zij schenen niet den minsten zin te hebben zich ook maar eenigermate door mijn waardigheid van Scheriff te laten imponeeren. Indien zij Grieksch-katholieke Skipetaren geweest waren, had mij dit in het minst niet verwonderd maar daar ik uit hun kleeding moest opmaken dat zij Mohammedanen waren, was het vrij wel aan te nemen, dat zij zich om de leer en de voorschriften van den Profeet al heel weinig bekommerden.

--Waar komt gij dan wel van daan met uw ellenlangen naam, dien niemand kan onthouden?--vroeg de een verder.

Ik keek hem over mijn bril heen, lang en ernstig, zelfs eenigszins verwijtend aan en antwoordde:

--Dien niemand onthouden kan?!--Heb ik u dan zooeven mijn naam niet genoemd?

--Zeker!

--Dus moet ik hem toch weten en kunnen onthouden.

Beiden begonnen weer te lachen.

--Ja gij! Het zou toch ook al te gek zijn, als gij uw eigen naam niet meer wist. Maar gij zult ook wel de eenige zijn, die hem kan onthouden.

--Hij kan nooit worden vergeten, daar hij is ingeschreven in het boek des levens!

--Ah zoo! Gij zijt Scheriff en geen uwer komt ooit in de hel terecht. Maar daar wildet gij ons ook voor behoeden, en ons uitleggen dat de Raki verboden is.

--Dat is ook zoo, en zelfs streng verboden!

--En dat staat in den Koran?

--Wis en zeker!

--Bestond er dan reeds Raki, toen de Profeet zijn voorschriften gaf en openbaringen deed?

--Neen, daarvan staat in geen enkele natuur- of wereldgeschiedenis iets te lezen!

--En dus kan die ook niet verboden zijn!

--O zeker wel! Het bewuste woord luidt: Kullu muskürüm haram!--alles wat dronken maakt is verboden, is vervloekt! En dus is ook de Raki vervloekt.

--Maar die maakt ons niet dronken!

--Nu, dan is die u ook niet verboden!

--En ook wijn is voor ons niet gevaarlijk!

--Geniet dien dan met verstand en met mate!

--Dat is goed! Zoo mag ik het hooren. Gij lijkt mij geen kwaad uitlegger, wordt gij dan dronken van Raki?

--Wanneer ik hier slechts weinig van drink, niet!

--En wat noemt gij weinig?

--Een vingerhoed vol, verdund met zulk een flesch water,--antwoordde ik naar de groote dikke borrelflesch wijzende die vóór hen op tafel stond.

--Ja, dan kunt gij in ieder geval niet beschonken worden. Ik zal water halen, dan kunt gij tenminste met ons meêdrinken, zonder u aan de voorschriften van den Koran te bezondigen. Allah zegene uw leven!

Hij zette nu de flesch aan den mond en nam er een lange teug uit, waarna hij haar aan zijn broeder toereikte, die zich op dezelfde wijze bediende. Ik raakte het glas even met mijn lippen aan.

Terwijl de een zwijgend bleef toekijken, nam de ander telkens het woord en vroeg al heel spoedig:

--Dus, waar komt gij vandaan?

--Eigenlijk van Avret Hissar.

--En waar wilt gij heen?

--Naar Skopia, om de geloovigen dáár te onderrichten in de wetten en regels van den Koran.

--In Skopia? Daar zult ge niet veel vreugde van beleven!

--Waarom?--vroeg ik in onnoozele verbazing.

--Weet gij dan niet, dat men dáár met alle vroomheid den draak steekt.

--Ik heb dat vernomen en juist daarom wil ik er heen gaan.