Door het land der Skipetaren

Chapter 4

Chapter 44,114 wordsPublic domain

--Dat moet gij zelf weten. Gij zijt toch Kasa Mufti. Toen de Padischa u dat gewichtig ambt opdroeg, deed hij dat toch zeker in het vertrouwen dat gij daartoe de noodige bekwaamheid zoudt bezitten, en ik veronderstel dat gij dat vertrouwen niet zult willen beschamen!

--O, neen, zeker niet. Ik zal een streng en rechtvaardig rechter zijn. Zou ik zijn vrouw ook arresteeren?

--Neen. Zij heeft haar man moeten gehoorzamen.

Wij gingen nu weer naar buiten, waar wij door de anderen, waaronder ook Halef, werden opgewacht.

De Kasa Mufti stootte mij aan en vroeg:

--Effendi is het nu niet een geschikt oogenblik.

--Waarvoor?

--Om een goed woordje voor mij bij den Hadschi te doen. Of zijt gij niet voornemens uw belofte na te komen?

Zou ik lachen of boos worden? De goede "rechter" interesseerde zich meer voor de onkwetsbaarheid van den Hadschi dan voor de aan hem toevertrouwde rechtszaak.

--Morgen als wij eerst geslapen hebben!--antwoordde ik hem. Nu niet! Nu moet gij uw plicht doen!

--Hoe zoo?

--Daar staat de Kodscha Bascha, en over uw arm hebt gij den kaftan.

--Moet ik hem dien laten kijken?

--Natuurlijk! En ook het geld hebt gij. Deze menschen verwachten allen dat hij door u overtuigd zal worden en zijn schuld bekennen, en nog aarzelt gij! Het schijnt mij toe dat het u weinig toelacht, uw plicht te doen!

--O zeker, Effendi! Gij zult dadelijk ondervinden welk een ernstig en streng rechter ik ben.

--Ik hoop het.

Nadat eenige der vuren weder waren aangestoken, was het pleintje ten minste weer zoo verlicht, dat men de menschen kon onderscheiden.

De rechter trad nu naar voren, en begon zijn toespraak, waarbij hij de schuld van den Kodscha Bascha duidelijk in het licht stelde, maar toch eindigde met de woorden:--En nu vraag ik u, Effendi! hoeveel gij voor het scheuren van den kaftan betalen wilt?

--Allah Akbar!--God is groot! riep Halef, die naast mij stond uit.

Ik was niet minder verbaasd, want ik had, als natuurlijk gevolg van zijn betoog, verwacht dat de Kodscha Bascha gevangen zou zijn genomen, en in plaats daarvan werd van mij geëischt dat ik den kaftan zou vergoeden. Ik antwoordde luid, zoodat iedereen mij kon verstaan:

--Tot mijn groote vreugde hoor ik, o Kasa Mufti, dat uw rechtvaardigheid even groot is als uw scherpzinnigheid, en daarom vraag ik u, wie eigenlijk den kaftan heeft gescheurd?

Het duurde geruimen tijd eer hij zich liet overtuigen dat niet ik doch alleen de Kodscha Bascha zelf daaraan schuld was, daar ik hem alleen vastgehouden, doch hij zich losgerukt en daardoor den kaftan gescheurd had.

Eindelijk keek hij nadenkend naar den grond en riep luide uit:

--Luistert, inwoners van Ostromdscha! Gij zult ondervinden, welk een rechtvaardig man uw rechter is.

--Ik oordeel volgens de wet, die in den Koran is vervat, dat de kaftan van het stuk losgerukt is geworden. Zijt gij dit met mij eens?

Een veelstemmig "ja" was daarop het antwoord.

--En nu moet gij, Effendi, mij nog één vraag beantwoorden. Gij hadt den kaftan moeten betalen, omdat wij meenden, dat gij hem had gescheurd. Zijt gij niet van oordeel, dat degeen die hem scheurde, hem betalen moet?

--Zeer zeker,--antwoordde ik, verheugd over die plotselinge wending der zaak, want ik begreep waar hij heen wilde.

--Wie heeft hem nu gescheurd?

--De Kodscha Bascha.

--Dus dan moet die hem betalen; en daar ik hem buitendien er een ernstig verwijt van maak, dat hij, die zulk een hoog en waardig ambt bekleedt, zulk een oud, vies, vuil kleedingstuk durft dragen, veroordeel ik hem tot betaling van een nieuwen in den prijs van vijfhonderd piasters. Wanneer hij zooveel geld niet daar heeft liggen, zal ik het hem op zijn eigendommen voorschieten en van zijn traktement afhouden. Zoo luidt mijn oordeel, dat berust op den heiligen Koran, die het richtsnoer is van ons denken en handelen. En nu moeten ook de Kodscha Bascha en zijn beide bedienden gevangen genomen worden. Zij zullen de wet in al haar strengheid gevoelen!

De Kodscha Bascha had daartegen zeer veel in te brengen, maar ik had er nu meer dan genoeg van en wilde van de zaak liefst niets meer hooren. Ik ging dus met Halef heen, gevolgd door de beide broeders, de herbergiers. Buiten bij de poort stond een vrouw, die zoodra zij mij gewaar werd, naar mij toekwam. Het was Nebatja.

--Heer,--zeide zij, ik heb op u gewacht, want ik was zeer angstig!

--Waarvoor, vreesdet gij voor mij?

--O neen, ik geloof niet dat u iets slechts kan wedervaren, maar ik was bang voor de heeren van het gerecht. Hebt gij verteld dat ik u van alles op de hoogte had gebracht?

--Neen, geen woord!

--Ik dank u. Nu kan ik gerust wezen?

--Zoo gerust mogelijk, en ik zal ook nog op andere wijze aan uw moeilijkheden een einde maken. Zoodra de dag is aangebroken, kom ik u bezoeken.

--Effendi, gij zult mij welkom wezen, want uw verschijnen is voor mij het opgaan der zon geweest. Allah schenke u een rustigen slaap en aangename droomen.

Toen ging zij heen. Ik dacht aan iets, wat mij daarboven op den berg, in de gedachte was gekomen. Ik riep haar terug en vroeg:

--Kent gij die plant, die Hadat (boksdistel) wordt genoemd?

--O, zeer goed. Het is een doornige plant met bittere bessen, die er als pepertjes uitzien.

--Groeit die hier?

--Niet hier in den omtrek, maar in de buurt van Banja.

--Dat is jammer, want ik heb de bladeren van deze plant noodig.

--Die kunt gij wel krijgen.

--Waar dan?

--Bij den Apotheker, voor wien ik boksdistel heb moeten zoeken.

--Tegen welke kwalen wordt die alzoo gebruikt?

--O, tegen velerlei.

--Dank u, ik zal me er wat van halen.

--Zal ik het u brengen, Effendi?

--Neen, dat zal ik zelf doen!

De plant had een eigenaardige uitwerking, waarvan ik gebruik wenschte te maken. Ik was alleen niet zeker of men daarop staat kon maken.

Wij keerden nu naar huis terug en in de herberg aangekomen begaven Halef en ik ons dadelijk naar ons kamertje, maar het was ons niet mogelijk onmiddellijk in te slapen. De dag die achter ons lag was zóó rijk aan gebeurtenissen geweest, dat wij moeilijk tot rust konden komen.

Nog geruimen tijd praatte ik met Halef en deelde hem mede wat ik van den Kasa Mufti omtrent de Aladschy's had vernomen. Ook vertelde ik hem dat de bijgeloovige man zich had laten wijs maken, dat hij niet door kogels was te dooden.

--Sihdi!--merkte hij op,--dat kan gevaarlijk voor mij worden.

--O neen!

--Zeker! want verbeeld u, dat die man mij bij wijze van proef een kogel door den kop jaagt!

--Dat zal hij wel laten, want hij is veel te bang voor uw mes.

--Dat is waar! En bovendien zullen wij hier wel niet zoo heel lang meer blijven, terwijl ik mij zooveel mogelijk in acht zal nemen. Maar ik zou het toch wel eens grappig vinden, als wij hem eens voor den gek konden houden.

--Daar heb ik ook al aan gedacht. Dit zou ons bovendien van groot voordeel kunnen wezen.

--Gelooft gij dat?

--Ja, onze vijanden zullen ons wel laten gadeslaan en het zou dan van groot gewicht voor ons wezen als ten minste twee of drie van ons werden beschouwd als zijnde onkwetsbaar door middel van kogels.

--Is daar iets op te vinden, Effendi?

Die gedachte had mijn goeden Hadschi dermate geëlectriseerd dat hij opeens recht overeind in zijn bed zat.

--Hm! Misschien!--antwoordde ik.

--Zeg nu maar niet "misschien", want ik ken u. Wanneer gij op dien toon spreekt, hebt gij reeds lang een vast plan in het hoofd, en reeds een besluit genomen. Is hier niet een goocheltoer in toepassing te brengen?

--O, verscheidene zelfs!

--Vertel mij die eens.

--Men zou bijvoorbeeld het geweer kunnen laden met speciaal daarvoor vervaardigde patronen, maar dat deugt niet, want dat zou achterdocht opwekken.

--Nu verder!

--Men laadt het geweer en laat eerst den kogel kijken. Terwijl men dien inwikkelt, laat men den kogel in de mouw glijden en stopt alleen het vetlapje in den loop. Maar de kogel kan al heel licht op zij vallen en dan komt het bedrog aan het licht.

--Dat gaat dus ook niet. Degeen die op zich laat schieten mag niet zelf laden. De ongeloovige moet laden. Hij en alle anderen moeten overtuigd zijn, dat er werkelijk een kogel in den loop wordt gedaan en die moet daar ook inderdaad in zijn.

--Misschien!

--Men zou een pantser moeten hebben!

--Dan zou de klank dat verraden. En dan moest zulk een pantser eens niet goed zijn gemaakt!

--O, Allah! dan was het met uw armen goeden Halef gedaan, Sihdi!

--Ja, en natuurlijk dat mag niet.

--En toch weet ik dat gij nog een ander kunstje kent. Ik zie het aan uw gezicht!

--Ja, dat is ook zoo, maar ik geloof niet dat ik hier zal kunnen krijgen wat ik er voor noodig heb.

--Wat is dat dan?

--Er bestaan twee metalen die, wanneer zij in de juiste hoeveelheid worden vermengd, een vasten harden kogel opleveren die er volkomen als een looden kogel uitziet en ook ongeveer even zwaar is. Bij het schieten echter spat het mengsel, ongeveer twee voet voor de monding van het geweer, uiteen en wel in onzichtbare deeltjes.

--En welke metalen zijn dat?

--Kwikzilver en bismuth. Dit laatste kent gij niet? Het is zeer duur en zal hier wel niet te krijgen zijn.

--En waar moet men dat halen?

--In een apotheek. Zoodra wij morgen wakker zijn, zal ik er eens heengaan.

--En zijt gij er heel zeker van, dat de kogel uit elkander vliegt? Want anders was het toch met uw armen Hadschi gedaan!

--Wees maar niet bang, want ik zou toch eerst een proef nemen. Ik heb het kunststuk in een tooverboek gelezen en het toen dadelijk geprobeerd. Het gelukt uitstekend!

--Maar zijn dan de stukjes metaal niet te zien?

--Neen. Het metaal vervliegt in zeer kleine, nagenoeg onzichtbare deeltjes. Het kunststuk zou nog meer effect maken, wanneer gij een werkelijken looden kogel in de hand hieldt. Bij het afgaan van het schot zou men dan moeten doen, alsof men den kogel uit de monding wilde opvangen en inplaats daarvan toont men dan natuurlijk den anderen, dien men op den grond werpt.

--Dat zullen wij doen, Sihdi!

--Ja, wanneer ik ten minste bismuth kan krijgen; anders is het natuurlijk onmogelijk.

--Denkt gij dat de Skipetaren het te weten zullen komen, dat kogels mij niet kunnen treffen?

--Ik geloof dat zij hier bepaald iemand hebben die hen van een en ander op de hoogte houdt.

--Dan zou het goed zijn, indien zij dachten dat ook gij tegen kogels bestand waart.

--Dat kon waar zijn!

--Laat dus ook eens op u schieten!

--Dat zal er van afhangen hoeveel munitie wij kunnen krijgen. Overigens moeten wij tegenover die listige menschen bijzonder op onze hoede zijn. Ik zal hen morgen, wat mij betreft, op een dwaalspoor brengen.

--Hoe zoo, Sihdi?

--Morgen zal ik een blonden baard en blond haar hebben.

--Hoe zult ge dat aanleggen?

--Er bestaat een plant die, in loog gekookt, aan het donkerste haar een tijd lang een lichte kleur geeft. De bladeren zijn in de apotheek hier te krijgen.

--O, dat is dus de plant waarover gij met Nebatja hebt gesproken!

--Juist, en zoo zullen wij hen op een dwaalspoor brengen. Buitendien zal ik vooruitrijden om den weg te verkennen.

--Maar zij zullen u toch herkennen, want men zal hun wel vertellen dat gij rijdt op een echten Arabischen hengst met roode neusgaten!

--Maar ik zal hem niet berijden!

--Hoe zoo?

--Omdat ik uw paard neem, en gij den hengst berijden zult.

Nauwelijks had ik die woorden gezegd of Halef was met éen sprong zijn bed uit en zat op den rand van het mijne, terwijl hij buiten zichzelf was van vreugde over het feit dat ik eenigen tijd het mooie edele dier aan zijn zorgen toevertrouwde. Als hij had kunnen vermoeden dat ik plan had om, bij onze scheiding, hem het paard ten geschenke te geven, zou hij zeker nog opgewondener zijn geworden.

Na eenige oogenblikken keerde hij weer naar zijn eigen slaapplaats terug en ging op den rand van zijn bed zitten.

--Maar waarom moet ik zóo lang op den hengst rijden. Zult gij dan niet bij ons zijn?

--Op die vraag kan ik u nu nog geen antwoord geven, omdat ik zelf nog niet weet wat er gebeuren zal. Ik zal mijn best doen, mijn uiterlijk zooveel mogelijk te veranderen en dan....

--O, men zal u toch wel herkennen.

--Dat betwijfel ik, want de Aladschy's hebben mij nog nooit gezien en kennen mij alleen uit de beschrijving.

--Dan is het mogelijk dat gij er in slaagt hen te misleiden, maar zouden zij niet zelf naar Ostromdscha komen?

--Dat is niet waarschijnlijk.

--Waarom niet? Denkt gij dat hun veiligheid hier gevaar loopt?

--Dat niet. Zooals men hen mij beschreven heeft, zouden zij eerder in staat zijn de heele laffe bevolking hier vrees in te boezemen. Maar zij durven zich hier niet aan mij vertoonen en zullen ons daarom langs den weg opwachten. Dat is zeker! Ik neem zelfs mijn geweren niet mede en laat die bij u achter. Ik rijd geheel alleen, en doe alsof ik een inwoner van dit land ben. In ieder geval krijg ik hen te zien.

--En wanneer zij zich verborgen hebben?

--Ook dan. Wanneer ik aan een plaats kom, die mij geschikt lijkt voor een overval, dan zal ik naar sporen zoeken en hen zeker vinden. En wat dan gebeuren zal, kan ik nu inderdaad nog niet zeggen.

--Maar wij moeten toch weten, wat wij doen moeten.

--Natuurlijk. Gij rijdt doodkalm en in matigen draf den weg naar Radowitsch langs. Na twee uur gaans, moet gij de rivier over, en dan nog hoogstens drie uur en gij zijt te Radowitsch. Is er onder weg niets gebeurd en hebt gij niets bijzonders gezien, dan neemt gij uw intrek in de eerste herberg, aan uw rechterhand. Er kunnen zich drie gevallen voordoen. Ten eerste ben ik er misschien nog.

--Dan is alles in orde, Sihdi!

--Misschien ben ik reeds weer weg.

--En dan hebt gij een boodschap voor ons achter gelaten.

--Of ik ben er nog niet en dan wacht gij op mij.

--Maar wanneer gij nu niet komt?

--Ik kom zeker.

--Gij zijt een mensch en kunt u vergissen. Er kan u iets overkomen, waardoor gij onze hulp zoudt behoeven!

--Dan rijdt gij terug, maar gij alleen én eerst den volgenden dag, doch niet vóór den middag en niet op den hengst. Deze moet dan in de herberg blijven bij Osko en Omar. Hen wil ik niet aan eenig gevaar blootstellen. Op dien terugweg zult gij wel eenig teeken van mij vinden. Dat is hetgeen, wat wij vooruit moeten afspreken. Iets naders valt echter niet vast te stellen. Maar nu zullen wij ons gesprek eindigen, want wij hebben rust noodig en zullen trachten ons door den slaap te verkwikken.

--Maar ik kan niet slapen. Ik zal te veel denken aan de vertooning met de kogels en het feit dat ik den hengst berijden mag. Goeden nacht, Sihdi!

--Goeden nacht!

Ik geloof gaarne dat de goede kerel niet slapen zou, want hij was uitermate opgewonden. Er waren drie schepsels in de wereld aan wie hij met zijn geheele hart hing, en dat ik daarin de eerste plaats bekleedde, wist ik wel zeker. Dan kwam Hanneh "het sieraad aller vrouwen en meisjes" en eindelijk Rih, de hengst. Dat hij dien zou berijden, was voor hem zulk een groote vreugde, dat ik overtuigd was dat hij den slaap niet zou kunnen vatten.

Ook ik lag nog geruimen tijd wakker, peinzend over den zonderlingen samenloop der omstandigheden, tot dat ik eindelijk insluimerde.

VIJFDE HOOFDSTUK.

IN DE APOTHEEK.

Toen ik den volgenden morgen wakker werd en de luiken open deed was het reeds helder dag. Mijn horloge zeide mij dat ik twee en een half uur had geslapen. Halef was reeds opgestaan. Ik vond hem beneden in den stal, waar hij bezig was den hengst te poetsen en te borstelen. Hij was daarmee zoo druk bezig, dat hij mijn komst niet bemerkte. Toen hij mij eindelijk gewaar werd, zeide hij:

--Zoo, ook reeds op! In huis is alles nog in diepe rust. Maar het is goed dat gij vroeg bij de hand zijt, want er is veel te doen.

--Zoo? Wat dan?--vroeg ik, ofschoon ik zeer goed begreep wat hij bedoelde.

--Gij moet naar de apotheek.

--Dat heeft den tijd nog.

--Neen, Sihdi. Want het duurt geruimen tijd voordat zulke kogels gereed zijn.

--Hoe weet ge dat?

--O, ik ben niet zoo dom als gij wel denkt, Sihdi!

--Nu, misschien hebt gij wel gelijk, daar ik de bladeren ook nog moet koken, maar ik weet in het geheel niet waar de apotheek is en in de geheele stad zal nog wel niemand op zijn, die mij het huis kan wijzen.

--Maar iemand als gij, kan toch de apotheek wel vinden!

--Ik zal het beproeven!

En daarna deed ik de poort open en ging naar buiten. Ik had reeds bij mij zelf overlegd, dat de apotheek natuurlijk niet in een achterbuurt maar in een hoofdstraat, in het hart van het plaatsje moest zijn te vinden, en daar was ik.

Toen ik de huizen stuk voor stuk eens goed opnam, viel mijn oog op een oud, bouwvallig krot, dat den naam van huis nagenoeg niet meer verdiende. Aan twee, ook al niet zeer stevig bevestigde haken, wiegelde een houten bord heen en weer, waarop gelukkig nog vrij duidelijk te lezen stond.

"Hadschi Omrak Doktor hakemi we bazar bahari."

Dit was met witte letters op groenen achtergrond geschilderd en beteekent zooveel als: "De Mekka pelgrim Omrak, doktor in de medicijnen en handel in geneesmiddelen." Deze Hadschi was dus een arts, die zich den doctorstitel aanmatigde of daarop misschien inderdaad recht had.

De deur was gesloten maar met een stevigen duw verschafte ik mij toegang. Een bel was nergens te zien, maar aan de beide uiteinden van een touw waren twee planken bevestigd, juist zoo hoog dat een volwassen persoon er bij kon. In de veronderstelling dat dit als klopper moest dienst doen, sloeg ik de plankjes op elkaar, wat een geluid maakte, wel in staat om slapenden te doen ontwaken.

Ik moest dit echter verscheiden malen herhalen voor ik gehoor kreeg, maar eindelijk verscheen eerst een kale knikker, waskleurig met een uit louter rimpels bestaand voorhoofd, twee kleine slaperig knippende oogjes, een neus die veel overeenkomst had met de tuit van een grooten bruinen aarden koffiepot, zooals men ze nog wel in de dorpen aantreft, een breede mond met dunne kleurlooze lippen, een gebogen kin, lang zoo breed niet als de neus, en eindelijk klonk het:

--Krui dir?--Wie is daar?

--Een patiënt,--antwoordde ik.

--Waaraan lijdt gij?

--Ik heb mijn maag gebroken,--antwoordde ik zonder aarzelen.

--Schimdi, tez!--Dadelijk, dadelijk!--schreeuwde de "dokter" met een stem, die mij deed vermoeden dat zulk een interessant geval nog nimmer bij hem voorgekomen was.

Het hoofd verdween en eenige oogenblikken later vernam ik, van achter een deur, een lawaai alsof een aardbeving in aantocht was. Eenige katten miauwden, een hond blafte, vaatwerk werd omvergeworpen en toen vloog iets, misschien wel de dokter in hoogst eigen persoon, tegen de deur, die open ging, waarna de geleerde heer met een diepe, zeer diepe buiging nader kwam.

Wat een rare persoonlijkheid vertoonde zich daar aan mijn oog. Hij zou inderdaad als vogelverschrikker een uitstekend figuur hebben gemaakt en alle velden en boomgaarden uitstekend voor ongewenschte gasten hebben gevrijwaard.

Van dichtbij bekeken, was zijn gezicht nog leelijker. Het was vol naden en rimpels, er was geen glad plekje te bekennen. Zijn morgentoilet bestond uit een kleedingstuk dat veel overeenkomst had met een hemd. Het reikte wel is waar van den hals tot aan de enkels maar zat vol scheuren en gaten. Aan den eenen voet droeg hij een platgetrapte rood lederen pantoffel, en aan den anderen een reislaars van zwart vilt. Maar ook deze vertoonden luchtgaatjes en de teenen staken er door. Op zijn kalen schedel droeg hij een vrouwen-nachtmuts, die tengevolge van de haast, waarmede hij mij en mijn gebroken maag te hulp wilde komen, het achterste vóór op zijn hoofd terecht was gekomen.

--Heer, treed nader! Mijn geheele armzalige apotheek is tot uw dienst!

Hij boog zóó diep, dat hij met zijn hoofd bijna op den grond terecht kwam en trad in die houding eenige passen achteruit.

--O jazik--o wee! Kojun, basar sen nassirlarmüz üzeri--Schaapskop, ge trapt op mijn eksteroogen!

Hij ging op zij, en nu kreeg ik het beminnelijke wezen te zien, dat deze vriendelijke woorden had gelispeld.

Dit schepsel scheen te bestaan uit een hoofd, een stuk oud tapijt en twee bloote, ontzettend vuile voeten. Toch waren die voeten nog te verkiezen boven het gezicht. De eigenaar van de apotheek was een nog veel aantrekkelijker persoonlijkheid dan zijn vrouwtje. Liefst zwijg ik maar over haar bekoorlijkheden.

Zij kwam naderbij en boog even diep als haar heer gemaal.

--Chosch geldiniz Sultanum!--Wees gegroet, edele heer!--aldus begroette zij mij.--Wij zijn gelukkig uw aangezicht te aanschouwen. De stroomen onzer gehoorzaamheid zullen voor u vloeien!

--Sen güzel tscha ilahessi bunum hejranli tschaghlagnün!--En gij zijt de schoonste nymph dezer wateren!--antwoordde ik beleefd terwijl ik mij ook voor haar boog.

Zij liet een goedkeurend gemompel hooren, knikte heur heer gemaal toe, hief vermanend de rechterhand op en zeide, terwijl zij hem met den wijsvinger op het voorhoofd tikte:

--Luister eens! Hij noemt mij schoon! Zijn smaak is beter dan de uwe!

En zich daarna weder tot mij wendende zeide zij, op haar vriendelijksten en meest onderdanigen toon:

--Uw mond kan aangename dingen zeggen, én gij zijt niet blind voor de bekoorlijkheden uwer medemenschen. Dat kon ik van u ook wel denken!

--Hoe zoo? Kent gij mij dan?

--Zeer goed. Gij hebt gesproken met Nohuda, mijn boezemvriendin en met Nebatja, die ons kruiden brengt, en zij hebben ons veel van u verteld. Daarna hebben wij u bij den Bascha gezien. De wereld is vol van uw lof en ons hart slaat u tegen. Wij weenen bittere tranen, dat ziekte u tot ons voert, maar wij hebben alle iki bin bir iladschlar, (alle tienduizend en één artsenijen) bestudeerd en zullen u van uw lijden verlossen. Er is nog niemand van hier gegaan, zonder hulp of genezing te hebben gevonden. Daarom kunt gij u gerust aan ons toevertrouwen!

Dat beloofde veel. Zij zag er juist uit, alsof zij de tienduizend en één artsenijen niet alleen bestudeerd maar ook ingenomen had en nog aan de werking daarvan leed. En aan die beide menschen had ik mij nu ingeval van ziekte moeten toevertrouwen!

Daarom zeide ik:

--Vergeef mij, O Gunesch esche schifa (Zon der geneeskunst) wanneer ik van uw vriendelijke hulp geen gebruik maak. Ik ben zelf een Hekim Bascha (een eerste dokter) in mijn vaderland, en ik ken mijn lichaam. Daarvoor zijn andere middelen noodig dan voor de inwoners dezer landen. Ik ben alleen gekomen om de middelen te halen, die ik voor mijn genezing noodig heb.

--Jazyk adschynadschak.--Dat is jammer, zeer jammer!--riep zij uit.--Wij zouden de wond in uw maag nauwkeurig hebben onderzocht en opgemeten. Wij bezitten een Mide-melhemi (maagpleister), die wij voor u op een stuk doek van een tulband zouden hebben uitgestreken. Indien gij er die dan op had gelegd, zou de wond in een paar uren geheeld zijn geweest.

--Misschien is uw pleister wel volkomen gelijk aan de mijne, want die werkt even snel. Maar veroorloof mij die zelf gereed te maken.

--Uw wil is de onze. Kom dus binnen, ga in de kamer der wonderzalven en zoek uit wat uw hart begeert.

Zij deed een zijdeur open en ging mij voor. Ik volgde haar en achter mij kwam de gelukkige eigenaar der apotheek en de benijdenswaardige echtgenoot der schoone nymph.

Wat ik zag, deed mij de gewaarwording gevoelen, die men gewoonlijk bestempelt met den naam van onpasselijk.

Ik bevond me in een vertrek dat beter voor hoenderstal dan voor apotheek kon dienen. Ik stootte mijn hoofd aan de zoldering, en de bodem bestond uit lieve moeder aarde, terwijl de wanden waren saamgesteld uit planken, die men niet eens van de schors had ontdaan. Aan spijkers hingen een aantal kleine linnen zakjes, en in het midden van het vertrek hing aan een touw een reusachtige klisteerspuit. Op een blad lagen verschillende scharen van de meest wonderlijke vormen, gereedschap om koppen te zetten, barbiers bekkens, en tangen, lomp en grof voor het trekken van tanden. Op den grond stonden allerlei potjes en pannetjes, meest geschonden en gebroken, terwijl het geheele vertrek vervuld was van een onbeschrijfelijken geur.