Chapter 34
--Ternauwernood twee minuten gaans.
--De bewoners van den Konak zullen ons dus zien aankomen?
--Wanneer gij dat niet wilt, zal mijn zwager u zoo leiden, dat niemand u ziet. Overigens zal het stikdonker zijn, wanneer gij er aankomt. Mijn zwager is nog eenigen tijd op het werk. Zoodra hij thuis komt, zal ik hem uw geleide opdragen. Maar nu verzoek ik u mijn gasten te willen zijn. Het is middag, en wij moeten eten. Wij kunnen u iets voorzetten, dat gij in het land der Mahomedanen wel zelden zult zien.
Hij opende een met hooi gevulde kast en haalde er uit.... een ham en een partij gerookte worsten.
--O Allah, Allah! Wat denkt gij, dat wij het achterdeel van een varken en het in den rook gaar gemaakte bloed en vleesch er van zullen eten?--riep Halef uit.--De Profeet heeft ons verboden dat te doen, en wij zouden ons zeer bezondigen, wanneer wij ons met het lijk van een zwijn voor eeuwig en altijd verontreinigden!
--Zoo iets slechts denkt niemand van u, Halef,--zeide ik. Wat mij betreft, ik zal er aan smullen.
--Maar er zijn lintwormen (Dschild kurtlar) in!
--Daar zijn wij niet bang voor.
--Ik mag het ook niet zien eten, want zelfs het zien van varkensvleesch moet ons een gruwel zijn; maar nu Omar en Osko niet hier zijn, heb ik ook geen verwijt te vreezen, als ik uit verkleefdheid aan u, Sihdi, hier stil blijf zitten. Als gij van den ham in uw mond steekt, zal ik mijn oogen dicht doen, of minstens ter zijde kijken.
Onze gastheer bracht ham, worst, brood, peper en zout. Hij nam het mes uit zijn gordel, en ik volgde dit prachtig voorbeeld. Nadat hij voor zich een duchtig stuk had afgesneden, deed ik eveneens, en het gesmul begon. Nooit heeft mij een ham lekkerder gesmaakt dan toen te Rumelia.
Halef zat zijwaarts achter mij; ik kon niet zien of hij mij gadesloeg, maar ik kende mijn kleinen Hadschi te goed, om niet te weten dat de lust om mee te genieten hem brandde tot in het puntje van zijn tong. Hij zag, hoe het mij smaakte, en dat ik een tweede stuk afsneed.
--Hajde scheitani,--Weg duivel!--riep hij uit. Sihdi, wilt gij dan, dat ik alle achting en eerbied voor u zal verliezen! Wanneer ik het gebod van den Profeet opvolgde, zou ik u nooit weer mogen aanraken!
--Dat zou mij werkelijk spijten, mijn waarde Halef, maar nu gehoorzaam ik aan den prikkel van wat onbeschrijfelijk lekker is, en niet aan den Koran.
--Is het dan werkelijk zoo verbazend lekker?
--Er bestaat niets dat lekkerder is.
--Allah! Waarom heeft dan toch de Profeet ham verboden?
--Omdat hij zeker nooit er van geproefd heeft; anders zou hij het de geloovigen ten sterkste aanbevolen hebben.
--Misschien toch ook wel om de lintwormen.
--Maar die zijn er niet in; daar kan ik een eed op doen.
--Dus gij meent, dat men het er op wagen kan?
--Gerust!
Ik hoorde het aan den toon van zijn stem dat hij watertandde. Ook onze gastheer kreeg er schik in. Hij liet echter niets merken, maar at ijverig door, zich alle moeite gevende om dat met klimmende verrukking te doen.
Halef stond op en ging buiten de deur kijken. Ik begreep zeer goed, dat hij rondzag, of Omar en Osko ook in de buurt waren. Toen hij weer binnen kwam, trok hij een zeer vergenoegd gezicht. Hij had die twee dus niet gezien. Zij stonden op de spoorbaan, een locomotief te bewonderen, die juist een zandtrein voortsleepte. Zij hadden geen tijd zich om ons te bekommeren.
De Hadschi ging weer zitten en zeide:
--Sihdi, ik weet dat gij niet graag over ons geloof spreekt; maar is het niet ook uw gevoelen, dat de Profeet soms wel een klein beetje ongelijk heeft?
--Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Maar hij heeft toch den geheelen Koran van den aartsengel Gabriël ontvangen.
--Maar kan een engel ook wel niet eens zich vergissen?
--Dat zal toch wel niet waar zijn, mijn lieve Halef.
--Of zou de Profeet den engel ook verkeerd hebben kunnen verstaan? Als ik zoo nadenk, dan komt het mij voor, dat Allah de varkens niet zou geschapen hebben, als Hij wilde dat wij ze niet zouden eten.
--Met die redeneering van u ben ik het geheel eens.
Hij haalde diep adem. Mijn tweede stuk ham was op, en in navolging van mijn gastheer begon ik nu aan de worst. Halef begon te begrijpen, dat wij klaar zouden zijn, voor hij zijn bezwaren zou overwonnen hebben.
--Zeg eens in alle oprechtheid, Sihdi, smaakt het vleesch werkelijk zoo lekker als op uw gezicht te lezen staat?
--Nog oneindig beter dan mijn gezicht uitdrukken kan.
--Laat het mij dan eens ruiken.
--Wilt gij dan uw neus verontreinigen?
--O neen! Ik zal hem dicht houden.
Dat was zeker nog al dwaas, maar ik sneed een stukje ham af, stak het op de punt van mijn mes en reikte het hem toe, zonder hem aan te kijken. Ook de opzichter was zoo verstandig, niet naar hem te kijken.
--Ah! Oh! Dat is als een geur van het Paradijs!--riep de kleine. Zoo krachtgevend, geurig, tandtergend! Hoe jammer, dat de Profeet het verboden heeft! Hier hebt gij uw mes weer, Effendi.
Hij reikte het mij toe, het stukje ham was verdwenen.
--Neen maar, waar is de ham?--vroeg ik verwonderd.
--Wel aan het mes!
--Het is er af.
--Dan moet het er afgevallen zijn.
--Dat zou zonde zijn. Maar, Halef, ik geloof, ik zie u kauwen. Ik keek hem scherp aan. Hij trok een grappig gezicht en antwoordde:
--Ik moet wel kauwen, want het stuk was van uw mes in mijn mond gevallen, of dacht gij dat ik het zoo maar zou doorslikken?
--Neen. Hoe smaakt het?
--Zoo verbazend lekker, dat ik u wel iets zou willen vragen.
--Vraag op.
--Mag ik.... de deur sluiten?
--Gelooft gij dat men ons zou kunnen overvallen?
--Neen. Maar Omar en Osko hebben de wetten van den Profeet niet zoo diepzinnig bestudeerd als ik. Zij zouden in verzoeking kunnen komen, als zij nu binnen kwamen; dat wilde ik voorkomen. Zij moeten zich niet te verwijten hebben, dat zij hun zielen verontreinigden met de lucht van vleesch en bloed, dat in de darmen gestopt en daarin gerookt werd.
Hij stond op, grendelde de deur van binnen, ging toen bij ons zitten, nam zijn mes en... sneed voor zich een stuk van een half pond, van de ham af, dat verbazend gauw onder zijn snorretje--van rechts zes en links zeven haren,--verdween. Daarna streek hij, met innig welgevallen over zijn buik en zeide:
--Gij ziet, Effendi, hoe groot het vertrouwen is, dat ik in u stel.
--Wat ik gezien heb, Halef, dat was vooral uw smakelijk eten.
--Dat was een gevolg van mijn goed vertrouwen in uw voorgaan. Wat mijn Effendi eet, dat kan mij niet buiten den zevenden hemel houden, en ik vertrouw op uw stilzwijgendheid, dat gij aan Omar en Osko niet zult vertellen, dat uw oordeel bij mij even hoog staat als de wetten der heilige Khalifen.
--Ik zie niet in, waarom ik zou uitbazuinen, dat gij ook wel iets lust dat lekker is.
--Goed, dan wil ik ook nog wat van deze Sudschuk (worst) nemen, nu de Domuz pastyrmassy (ham) zoo heerlijk was. Onze gastheer zal het mij vergunnen, want wat de herbergzaamheid iemand geeft, geeft Allah honderdvoudig terug.
De opzichter knikte aanmoedigend hem toe, en Halef gaf zich alle moeite om te bewijzen dat hij vandaag om het gebod van den Profeet niets gaf. Toen hij volop genoten had, veegde hij zijn mes aan zijn broek af, stak het in zijn gordel en zeide:
--Er zijn creaturen, die van de ondankbaarheid der menschen veel te lijden hebben. Het varken heeft gewis niets gedaan, om de verachting te verdienen, waarmede de geloovigen het aanzien. Was ik in de plaats van den Profeet geweest, toen hem voorgezegd werd wat hij in den Koran moest schrijven, ik zou beter opgelet hebben. Dan zouden juist die dieren het meest in aanzien zijn, die de aangenaamste spijs opleverden. En nu onze maaltijd geëindigd is, kan ik de deur weer open doen, zonder te moeten vreezen dat onze vrienden schade zullen lijden aan hun ziel.
Hij stond op en schoof den grendel weg, juist toen een flink, welgebouwd jonkman op het punt stond binnen te komen.
--Israd,--riep de opzichter hem tegemoet, zoodra hij hem zag,--gij hebt vandaag niet meer te arbeiden; ik geef u vrij. Deze Effendi wil naar Treska-Konak rijden, en gij zult hem langs den kortsten weg, er heen brengen.
De jonkman was de broer van de vrouw, die ik had mogen redden. En deze nam die gelegenheid waar, om mij voor wat ik gedaan had, allerhartelijkst te bedanken, en was blij dat hij mij een wederdienst kon bewijzen.
--Maar hebt gij wel een paard?--vroeg ik hem. Gij kunt toch niet loopen, terwijl wij hard rijden.
--Ik leen er ginds in het dorp een,--zeide hij. Wanneer wilt gij op weg gaan, Effendi?
--Zoo spoedig mogelijk.
--Gij zult nog een heelen tijd moeten wachten, want uw kleeren zijn nog lang niet droog. Intusschen zorg ik voor een paard.
Hij ging terstond weer weg.
--Gij zult aan hem een goeden gids hebben,--zeide zijn zwager, en hij kan u omtrent alles inlichten.
--Dan is hij mij dubbel welkom, want ik zal hem omtrent een en ander nog al wat te vragen hebben.
--Kunt gij mij dat niet vragen?
--Voor alles wilde ik gaarne weten, waar Karanirwan Khan ligt.
--Karanirwan Khan? Hm! Waarom wilt gij dat weten?
--Omdat de vijf mannen, die wij vervolgen, daar heen willen rijden.
--Ik ken helaas, geen plaats van dien naam. Er bestaat wel een Karanorman Khan; dat ligt bij Weicza in de Schar Dagh.
--Dat weet ik, maar dat is de plaats niet, die ik zoek. Karanirwan Khan moet een alleen-staand huis zijn, een Konak, het eigendom van een Pers.
--Perzen vindt men hier maar zeldzaam.
--Kent gij er niet een?
--Eén, ja.
--Hoe heet hij?
--Zijn waren naam ken ik niet. Hij heeft een grooten zwarten volbaard, en daarom noemen wij hem altijd Kara Adschemt, den zwarten Perziër.
--Ah! Dat is misschien juist de man, dien ik zoek. Een zwaren zwarten volbaard moet hij hebben, omdat hij juist Kara Nirwan heet. Vanwaar is hij, dien gij bedoelt?
--Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Hij moet achter in de bergstreek van Jalicza of Luma thuis hooren. Ik herinner mij, dat hij ons van een beer vertelde, die hem bij den Zsalezs-berg tegemoet kwam. Deze berg ligt echter bij de genoemde plaatsen.
--Zijn er dan ook beren in de Schar Dagh?
--Nog maar hoogst zelden. Vroeger kwamen zij meer voor, zooals mijn vader dikwijls vertelt. Nu duurt het soms jaren, voor er weer zoo'n dier hierheen verdwaalt.
--Weet gij niet zoo eenigermate, wat die Perziër is?
--Paardenhandelaar is hij, en wel een zeer beduidende. Ook moet hij rijk zijn. Ik heb hem dikwijls, met meer dan tien knechten en een ware kudde van paarden bij onzen buurman zien komen, bij wien hij gewoonlijk zijn intrek neemt.
--Wat gij mij daar vertelt, is voor mij hoogst belangrijk, want ik kan er allerlei gevolgtrekkingen uit maken. Deze paardenkoopman is een Perziër, en hij heet Kara. Hij neemt zijn intrek bij den Konakdschi, bij wien ook Manach el Barscha en de vier anderen willen zijn. Het is zeer waarschijnlijk, dat deze man de persoon is, dien wij zoeken.
--Ik zou heel blij zijn, als ik u op het spoor had gebracht.
--Zou uw zwager nog iets meer weten?
--Hiervan niet. Hij is, even als ik, in langen tijd niet bij ons thuis geweest. Maar als gij van avond bij mijn vader komt, dan kunt gij hem en mijn broeder nadere inlichtingen vragen. Die twee kunnen u misschien beter inlichten.
--Is uw vader met zijn buurman bevriend?
--Vrienden zijn ze niet, maar ook geen vijanden. Ze zijn buren, door den nood gedwongen, het met elkaar te kunnen vinden. De Konakdschi heeft iets valsch en geheimzinnigs over zich.
--Weet gij soms of hij ook in betrekking staat tot personen te slechter naam en faam bekend?
--In een zoo eenzaam gelegen Konak komen allerlei menschen. Ik kan dus geen stellig antwoord op uw vraag geven. Alleen weet ik dat hij met den ouden Scharka omgaat. En dat is geen goed teeken.
--En wie is deze Scharka?
--Een kolenhandelaar, die met eenige helpers boven in de bergen huist. Hij moet in een diep en donker hol wonen en men fluistert, dat er dicht bij, menigeen begraven ligt, die geen natuurlijken dood is gestorven. Het eenzame pad door het gebergte loopt over zijn gronden, en het is eigenaardig, dat zoo veel reizigers het wel opgaan maar nooit terugkeeren. En altijd zijn het personen, die veel geld of geldswaardige zaken bij zich hadden.
--Dan is het een waar moordenaarshol! Heeft men dan de misdaden van dezen man nooit kunnen naspeuren?
--Neen; want men waagt zich liefst niet in zijn nabijheid. Zijn helpers zijn ruwe ijzersterke kerels, tegen wie men niet bestand is. Eens is er een afdeeling van dertig soldaten heen gezonden, om de Aladschy's te vangen, die zich bij hen ophielden. De soldaten zijn onverrichter zake teruggekomen, nadat zij het zwaar te verantwoorden hadden gehad.
--Wie waren hun aanvallers?
--Dat wisten zij niet. Zij werden altijd bij nacht overvallen, door menschen die zij nooit goed te zien kregen.
--De Aladschy's waren dus ook bij den kolenhandelaar! Kent gij hen?
--Neen,--antwoordde hij.
--En toch hebt gij ze vandaag nog gezien. Die twee kerels op gevlekte paarden, die Manach el Barscha vergezelden, waren het. De naam dier twee beruchte broeders, stemt met de kleur hunner paarden.
--Neen maar! Wie had dat kunnen denken! Dat waren dus de Aladschy's! Nu verwondert het mij ook niet, dat de veerman door hen met zweepslagen betaald is geworden. Zij rijden naar Treska-Khan; daar blijven zij in allen gevalle niet. Misschien willen zij den kolenhandelaar weer bezoeken.
--Dat is hoogstwaarschijnlijk.
--Dan bid ik u, rijd ze in Godsnaam niet achterna! De kolenhandelaar en zijn gezellen moeten halve wilden zijn, die den sterksten wolf met de hand wurgen.
--Ik ken menschen, die dat ook kunnen, ofschoon zij geen halve en ook geen heele wilden zijn.
--Maar het is toch beter, zulke sujetten te vermijden!
--Dat kan ik niet. Ik heb u reeds gezegd, dat ik een misdaad moet voorkomen. En ook heb ik een gruwelijke misdaad te wreken. Die wraak geldt personen, die vrienden van mijn vrienden zijn.
--Kunt gij dat niet aan anderen opdragen?
--Neen, die zouden bang zijn.
--Maar laat dan de politie het doen!
--O wee! Die zou nog banger zijn. Neen, ik moet die vijf mannen achtervolgen, al kwam ik ook in conflict met alle kolenhandelaars van de wereld.
--Dan ben ik angstig en bang om uwentwille. Die Scharka is een ware duivel. Hij moet behaard zijn als een aap en het gebit hebben van een panter.
--Dat zal toch wel wat overdreven zijn.
--Neen. Ik weet het van menschen, die hem hebben gezien. Gij zijt werkelijk niet tegen hem bestand.
--List en moed gaan alle lichaamskracht te boven,--bracht ik daartegen in.--Maar als het u gerust kan stellen, doe mij dan dit eens na.
Er lag een spoorstaaf op den grond. Ik nam die op, niet in het midden, en reikte hem die met uitgestrekten arm toe. Hij sprong achteruit en riep:
--Effendi, zijt gij--zijt gij... alle drommels, ja, als het zoo is, dan knijpt gij ook gemakkelijk een wolf dood!
--Pah! Die zich op zijn kracht verlaat, vindt allicht een sterkere. Een weinig nadenken is beter dan de grootste lichaamskracht. Overigens zijn wij zoo goed gewapend, dat wij voor niemand bevreesd behoeven te zijn.
--En--voegde Halef er op hoogen toon bij, op zichzelf wijzende,--mijn Effendi is niet alleen, maar hij heeft mij, zijn trouwen vriend en beschermer, bij zich. Laten ontelbare vijanden het wagen, ons aan te vallen! Wij vermorzelen ze, zooals het wilde zwijn de muggen vertreedt.
Dat klonk al te potsierlijk. Zijn kleine figuur kwam allerminst overeen met de zelfverheffing, die uit zijn hooge woorden sprak.
Ik bleef ernstig, omdat ik mijn kleinen Hadschi kende, maar de opzichter moest, zijns ondanks, lachen.
--Lacht gij?--vroeg Halef.--Ik duld geen beleediging! Zelfs niet van hen, wiens ham en worst ik gegeten heb. Als gij mij nader kendet, zoudt gij voor mijn toorn sidderen en voor mijn grimmigheid beven!
--Ik beef bijna al,--verzekerde de opzichter, zoo ernstig mogelijk kijkende.
--O, zulk beven, als gij nu doet, beteekent niets! Gij moet beven, dat uw hart tegen de wanden van uw lichaam klappert en trilt. Gij weet niet, met welke dieren en menschen wij al gestreden hebben. Wij hebben den leeuw, den koning der woestijn, gedood en met vijanden gestreden, bij wier verschijning gij, in de kast bij de gerookte achterdeelen van het zwijn, wegkruipen zoudt. Wij hebben daden verricht, die ons onsterfelijk maken. Onze namen zullen geschreven staan in het boek der helden en op het perkament der onoverwinnelijken. Wij laten niet om ons lachen, vergeet dat niet! Weet gij misschien hoe mijn naam luidt?
--Neen; maar ik heb den Effendi u als Halef hooren aanspreken.
--Halef!--zei de kleine op minachtenden toon. Wat is Halef? Niets niemendal. Hoeveel menschen heeten niet zoo. Maar zijn die Halefs ook Hadschi's? Kunnen zij op tallooze voorouders bogen, die allen Hadschi waren? Ik zeg u, ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn voorouders behoorden tot de helden, die voor zóó langen tijd leefden, dat geen mensch meer iets van hen weet; ik zelf ook niet. Kunt gij dat soms ook van uw voorouders zeggen?
--Ja.
--Wat?
--Dat ik ook niets van hen weet.
De opzichter zei dat met ironischen ernst. Halef keek hem zwijgend en toornig aan, maakte een minachtende handbeweging, keerde zich om en ging weg met de woorden:
--Zwijg dan! Die van zijn voorouders niets weet, kan zich dan ook met mij niet vergelijken!
--Maar,--riep de ander lachend hem achterna,--gij hebt zelf, daar straks nog, ook bekend, dat gij evenmin van de uwe iets weet!
--Dat zijn de mijnen, maar de uwen niet. Van hen behoef ik niets te weten, want zij zijn zóó beroemd, dat het onnoodig is iets van hen te weten!--schreeuwde de Hadschi in grooten toorn.
--Dat is een zonderling ventje, dat gij bij u hebt,--zei de opzichter hartelijk lachende.
--Een eerlijk mensch, trouw, bij de hand en zonder vrees, antwoordde ik. Voor dien kolenhandelaar is hij werkelijk niet bang. Dat heeft hij u willen zeggen, en hij deed het op zijn manier. Hij is eigenlijk een woestijnbewoner en die menschen houden er van, zich zoo uit te drukken. Nu zou ik wel eens willen gaan zien, hoe het met mijn kleeren gesteld is. Misschien is de kleermaker-spoorwegwerker er wel mee klaar.
--En ik moet den arbeiders hun werk aanwijzen. Gij zult mij dus toestaan, dat ik mij verwijder, Effendi!
Wij verlieten zijn woning. Juist toen ik de andere binnen wilde gaan, hoorde ik achter de deur een heftig gekijf, en met zooveel geweld werd de deur open gestooten, dat ze mij bijna tegen het gezicht sloeg. Er kwamen twee mannen uit, die tegen mij aanbonsden, en wel Halef, die in de eene hand mijn broek had en in de andere den man, die zijn kleermakerstalent er op vertoonen zou. Halef sleepte hem achter zich aan, zoodat hij met zijn rug naar mij gekeerd was, en dus niet zag, tegen wien hij aankwam. Zich half omwendende, riep hij driftig:
--Stommerik, heb je dan geen oogen in je hoofd!
--Zeker heb ik oogen, Halef!
Hij beerde zich nu om, en toen hij mij zag, zeide hij:
--Ah, Sihdi, ik wilde juist naar u toe!
Hij was buiten zichzelf van opgewondenheid, trok den armen drommel naar mij toe, hield mij de broek voor en vroeg:
--Sihdi, hoeveel hebt gij voor deze broek betaald?
--Honderd dertig piasters.
--Dat is dom geweest, zóó dom, dat ik medelijden met u heb!
--Waarom?
--Omdat gij honderd dertig piasters betaald hebt, voor iets dat een broek moet zijn, maar het niet is!
--Wat is het dan?
--Een zak, een heel gewone zak, waarin gij alles kunt doen, wat gij maar wilt: erwten, maïs, aardappelen, voor mijn part ook hagedissen en kikvorschen. Gelooft gij het soms niet?
Zóó grimmig keek hij mij daarbij aan, dat ik bijna bang zou geworden zijn. Ik werd het echter niet, maar antwoordde bedaard:
--Hoe komt gij er toe, mijn broek een zak te noemen?
--Hoe ik daar toe kom? Zie eens hier!
Hij stak zijn vuist in de pijp, die opengescheurd was geweest maar kon er zijn hand niet door krijgen. De kleermaker had de scheur te stevig willen hechten en daarom de voor- en achterzijde vastgenaaid.
--Ziet gij het? Ziet gij de verrassing, de oorzaak van mijn zielsverdriet?
--Ja, Halef, ik zie het!
--Steek er uw been eens in!
--Dat zal ik wel laten.
--Maar er in wilt gij toch, er in moet gij toch, daar is de broek voor, waaruit nu zoo'n ellendigen zak is gemaakt. Nu blijft u niets anders over, dan met één bloot en met één bekleed been de wereld rond te reizen. Wat zullen de menschen zeggen, als ze u zien, u, den beroemden Effendi en Emir! En waar zult gij hier in dit ellendige dorp een andere broek krijgen!
--Maar heb ik dan een andere noodig?
--Wel, natuurlijk. Gij kunt deze toch niet aantrekken!
--Zeker kan ik de broek aantrekken.
--Hoe dan? Toch maar met één been.
--Neen, met beide beenen. Onze handige kleermaker mag zijn naaisel weer lostornen en dan de scheur eenvoudiger dichtnaaien.
--Het naaisel lostornen!--stamelde Halef, mij verbaasd aanstarende. Daarna barstte hij in luid gelach los en zei:
--Sihdi, gij hebt gelijk. Daar had ik in mijn boosheid niet aan gedacht, lostornen, dat is het ware!
Het angstige en verlegen gezicht van den kleermaker helderde weer op; maar hij kwam er toch niet zoo goed af, als hij gedacht had, want de Hadschi viel tegen hem uit:
--Kerel, ziet ge dan eindelijk in, wat ongehoorde domheid gij begaan hebt! Eerst naait gij de broek dicht, en dan weet gij geen manier om die weer open te krijgen!
--Daar had ik wel raad op geweten, maar gij liet mij niet aan het woord komen,--verdedigde zich de arme schelm.
--O Allah, Allah, wat onbeschaamde menschen zijn er toch! Ik heb u in alle bedaardheid gevraagd, hoe die fout te verhelpen was; ik heb met engelengeduld op uw antwoord gewacht; maar gij stondt daar alsof gij een kameel hadt ingeslikt wiens hals in uw keel was blijven steken, en toen heb ik u bij uw eigen keel gepakt om u naar den Effendi te brengen. Zoo zit de zaak in elkaar. En hoe is het nu, kunt gij dien naad weer lostornen?
--Ja,--antwoorde de kleermaker op bedeesden toon.
--En hoeveel tijd hebt gij daarvoor noodig?
--Twee of drie uren.
--O Allah! Wij zullen dus, voor uw geknoei, tot van avond moeten wachten? Dat gaat niet, zooveel tijd kunnen wij u niet geven.
--Zoolang zal het niet duren, want ik zelf zal hem er bij helpen,--zei ik.
--Maar dat komt niet overeen met de waardigheid van uw roeping en met de majesteit van uw persoon!
--Dat zal zich best schikken. Ik ga met dezen goeden man, die een bedroefde kleermaker is, hier in huis. Onderwijl hij mijn andere kleeren uitstrijkt en waarschijnlijk verbrandt, zal ik mijn broek in orde brengen. Zeg eens, gij ridder van de naald, zijt gij werkelijk een kleermaker?
De man krabde zich achter zijn oor, en antwoordde eindelijk:
--Effendi, eigenlijk niet.
--Zoo! Wat zijt gij dan eigenlijk wel?
--Een Dürger doghramadschy (schrijnwerker).
--Maar hoe komt gij op de dolle gedachte om u voor een kleermaker uit te geven?
--Omdat ik twee strijkijzers heb.
--Hoe komt gij daar aan?
--Die heb ik van mijn grootvader, die werkelijk kleermaker was. Die zijn het eenige, dat ik van hem heb geërfd. Nu heb ik er wat naalden en garen bij gekocht, en als de gelegenheid zich voordoet, dan herstel ik de kleeren van de menschen, omdat er voor mij als schrijnwerker niets te verdienen valt. Uit armoe werk ik dan ook hier aan den spoorweg.
--Gij zijt dus een veelzijdig man. Uw hoofdvak is echter hersteller van kleeren, Doet gij dat altijd zoo, als nu met mijn broek?
--Neen, Effendi! Dat was een vergissing.
--Gij hebt dus inderdaad twee strijkijzers? Kunt gij strijken?
--Uitstekend!
--Welnu, dan willen wij allebei aan 't werk gaan. Maar kijk, wat is dat?
Ik trok het door hem genaaide van elkaar en liet het hem zien. Hij begreep echter niet wat ik bedoelde, en zag mij vragend aan.
--Wat kleur heeft de stof?
--Donkerblauw, Heer!
--En welke kleur heeft het garen, dat gij gebruikt hebt?
--Dat is wit garen.
--Maar dat kleurt niet! Hebt gij geen donkerkleurig of zwart garen?
--Overvloedig!
--Waarom hebt gij dat dan niet genomen?