Door het land der Skipetaren

Chapter 33

Chapter 334,224 wordsPublic domain

Sommige menschen handelen volgens helder scherp overleg. Men zegge mij niet, dat er in zulke oogenblikken van gevaar geen tijd is om in minder dan een seconde te overdenken en een besluit te nemen. Het is veel meer te bewonderen, hoe de algoede Schepper den mensch begiftigd heeft met vermogens die desnoods tijd en ruimte beheerschen. In den droom, bij voorbeeld, doorleeft men in enkele minuten de gebeurtenissen van een geheelen dag, ja! van vele dagen te zamen. Ik droomde eens, dat ik een examen moest doen. Een geheelen dag hadden wij voor ons schriftelijk werk. Ik ging zitten, was er het eerst mee klaar, mocht het gebouw verlaten en maakte een wandeling van vele uren in het gebergte. De twee volgende dagen deed ik het mondeling examen--altijd in denzelfden droom. Aan den avond van den tweeden dag, toen het examen ten einde liep, brak er een bank, waarop vele toehoorders zaten en.... ik ontwaakte. Mijn contubernaal had het venster dicht geslagen. Informeerende naar wat er van mijn droom waar kon zijn, zeide hij dat ik, voor hoogstens drie minuten, hem gezegd had, dat hij mij met vragen niet meer moest ophouden, want dat ik doodmoe was en wilde slapen. Ik had dus in drie minuten die examen-dagen doorgemaakt en dat met zooveel zelfbewustheid, dat ik mij volkomen goed herinnerde wat ik op de vele pagina's van den eersten dag had geschreven en wat ik de twee volgende dagen bij het mondeling examen had geantwoord. Ja, ik wist zelfs, welke personen ik op mijn berg-wandeling had ontmoet en waarover ik met hen had gesproken. Van het in dien droom-nacht doorleefde herinnerde ik mij des anderen daags echter maar bitter weinig.

Wanneer men dus droomende in drie minuten doorleven kan, waarvoor men wakende drie dagen, dat zijn 1400 minuten noodig heeft, dan openbaart zich hierin een vermogen van onzen geest, dat mijne nu volgende handelingen moet beheerscht hebben.

Ik heb mij in omstandigheden bevonden, dat mijn of anderer leven aan een seconde hing, en als dit moment voorbij en het gevaar afgewend was, heb ik altijd geweten, dat ik in deze ééne seconde het gevaar volkomen had doorzien, alle middelen tot afwering mij door het hoofd waren gegaan, en het zekerste door mij gekozen en uitgevoerd was. Dat lijkt onbegrijpelijk, ja een wonder, maar in het dagelijksche leven komen duizenden van zulke wonderen voor, zonder dat men er zich van bewust is. Niet alleen leven wij en bewegen wij ons te midden van wat enkel wonderen Gods zijn, maar wij zelf zijn van al die wonderen ongetwijfeld het grootste. De godloochenaar moge over dit zeggen de schouders ophalen, ik beklaag hem.

Iets dergelijks deed zich hier op de hoog gezwollen rivier voor.

De vrouw, die in den voorsteven van de schuit hurkte, klemde zich, van angst jammerende, aan den boeg van het vaartuig vast, maar de botsing was zóó geweldig, dat zij er uit geslingerd werd. Zij verdween in den wilden drabbigen vloed en--ik met haar.

Hoe ik van mijn paard af ben gekomen, hoeveel tellen ik gebruikt heb, om mij van de geweren, van den inhoud mijner zakken en mijn gordel te ontdoen, kan ik onmogelijk zeggen. Halef beweerde later, dat ik mij reeds vóór de aanvaring van het paard had laten glijden, in het zekere vooruitzicht, dat de vrouw zich niet zou kunnen houden. Hij zou ook getracht hebben mij te weerhouden, maar daar herinner ik mij niets van. Al mijn denken concentreerde zich op een enkel punt.

Zeker weet ik alleen, dat ik de vrouw met één hand greep en mee in de diepte trok, om met haar van onder de schuit èn de praam weg te komen. Die konden voor ons gevaarlijk worden.

Toen ik weer opdook zag ik, dat wij een tamelijk eind afgedreven waren. Ik hield de vrouw bij de mouw van haar blauw-katoenen Zuava (van voren open geborduurd jakje); zij was bewusteloos, wat voor mij niet anders dan gemakkelijk kon zijn. Ik bevond mij over de halve breedte der rivier, dus voorbij het midden, waar de strooming het ergst was en aan de zijde van de spoorwerkers, en moest nu trachten den oever te bereiken, zonder in den strijd tegen de golven mijn krachten te verspillen. In zulke toestanden mag men niet voorover, maar moet men op zijn rug zwemmen, wat weer dit nadeel heeft, dat men niet voor zich uit kan zien. Maar het heeft dit voordeel, dat men veel meer dragen kan, en het niet zoo vermoeit. Ik lei de vrouw dwars over mij heen, zoo dat haar hoofd boven water bleef, en ik liet mij op den stroom drijven.

Daar ik het lichaam der drenkelinge te dragen had, kwam het mijne diep te liggen. Wat moeite ik mij ook gaf, het gelukte mij slechts nu en dan mond en neus boven water te krijgen om adem te kunnen halen. Tevens deed ik al wat mogelijk was, om den oever te naderen.

Dat was bij lange na zoo gemakkelijk niet, als mijn lezers wellicht zullen denken. De oever brak de strooming en dreef haar in breede golvingen naar het midden der rivier terug. Ik kon alleen naar omhoog en een weinig ter zijde zien, maar in 't geheel niet voor mij uit, en toch moest ik mij in acht nemen voor de vele voorwerpen, die in de rivier dreven of er uit staken. De menschen aan den oever liepen stroom-afwaarts, in dezelfde richting als ik, maar brachten mij door hun schreeuwen in de war. De reden van dat schreeuwen was, dat zij mij moeilijk bij konden houden, want de vloed dreef mij met zoo'n ontzettende vaart voort, dat ik er duizelig van dreigde te worden. En--ik moest al mijn bedaardheid bewaren. Als ik in de vele maalstroomen en draaiïngen, armen of beenen verkeerd uitsloeg, wanneer ik ook maar een oogenblik mijn zelfvertrouwen verloor, dan was het gedaan, èn met mij èn met de vrouw. Met alle kleeren aan te zwemmen, is in stilstaand water al moeilijk, maar in dit onstuimig element, met een drenkeling op mij en met de vroeger zoo welkome maar nu zoo fatale jichtlaarzen aan van den arts van Radowitsch, dat was toch nog iets anders. Zooals later uitkwam, was ik in 't geheel niet lang in het water geweest, maar er in liggende leek het mij een eeuwigheid toe.

Eindelijk was het mij gelukt, uit den mij met geweld meesleurenden stroom, en over de zich aan den oever vormende draaiingen, heen te komen. Ik bevond mij in het meer stilstaande water van het overstroomde land, maar kon, tot mijn verwondering, geen grond voelen. Dat bracht mij in de war; want als ik mij liet zakken om vasten grond te krijgen, zonk ik al dieper en dieper weg. Op eens hoorde ik iemand toeroepen:

--Allahy sewersin! Daha uzak, daha uzak jüz. Orada tschukurlur. Schurada gel!--Om Godswil! Zwem verder, verder! Daar zijn groeven. Kom hierheen!

Men had, bij het ophoogen van den dam, den nabij liggenden grond gebruikt, waardoor natuurlijk diepten en groeven waren ontstaan, boven welke ik mij bevond. Ik kon den roepende niet zien, omdat het water mij over de oogen stroomde; maar ik vermoedde, dat hij op den dam stond, en zwom op het geluid af, naar hem toe. De dam vlakte boven het water, dat, tot bij hem, diep-water was.

Toen ik daar aankwam, strekten tien, twintig handen zich naar mij en naar de drenkelinge uit. Men nam de bewustelooze van mij over. Ik zelf kroop half tegen den dam op, half werd ik er tegen opgetrokken. Eerst nu voelde ik, dat mijn kleeren als lood aan mij kleefden.

Rondom mij was alles een en al gejubel; slechts twee hieven klaagtonen aan. Zij, die dat deden, meenden dat de vrouw dood was. Ik zei hun echter dat zij onmogelijk verdronken kon zijn, ofschoon het kon zijn dat de botsing haar gedood had. Zij werd stroomopwaarts naar de planken-huizen gedragen.

Nu hoorde ik den hoefslag der mijnen. Mijn drie vrienden kwamen in galop langs de spoorbaan aanrijden. Halef was de voorste.

--Sihdi, Sihdi!--riep hij al van de verte.--Zijt gij dood of leeft gij nog?

--Ik ben springlevend!--antwoordde ik. Ik ben zoo frisch als een hoentje.

--Allah zij geloofd, geprezen en gedankt!

Hij sprong van zijn paard, wierp zich naast mij op den grond, greep beide mijn handen en zeide:

--Maar hoe kan iemand in zulk vuil water springen! En hebt gij daarvan moeten inslikken?

--Ja, en het smaakte bijna als het bier van den waard te Radowitsch.

--Ik zou er liever niet van proeven. Allah, Allah, wat schrikte ik, toen ik u in het water zag verdwijnen! Is dan een vrouw het waard, dat men er zijn leven voor waagt?

--Natuurlijk! Zoudt gij voor Hanneh, de lieflijkste van alle dochters en vrouwen, uw leven niet wagen?

--Voor Hanneh? Zeer zeker en gewis! Maar wat was die vrouw? Uw verloofde of zuster? Had zij u lief, en zou zij uw vrouw worden?

--Zij was een menschenkind, dat in doodsnood verkeerde, en voor water behoefde ik geen vrees te hebben.

--Neen, maar het is vandaag woest onstuimig. Zie maar eens hoe wild het te keer gaat, uit kwaadaardigheid dat die vrouw ontkomen is. Ik heb Rih voor u meegebracht, omdat gij niet loopen kunt. Stijg op. Wij moeten een gelegenheid zoeken, waar gij uw kleeren kunt drogen.

--Waar zijn mijn geweren en verdere zaken?

--Ik heb alles. De geweren hangen ginds aan uw zadel.

--En hoe is het met de andere opvarenden van de schuit gegaan?

--De twee roeiers hebben wij op de praam getrokken; maar de kleermaker was over boord geslagen.

--En is hij verdronken?

--Neen. De Scheitan heeft nog niets van hem willen weten. Ik heb hem met zijn merrie zien zwemmen; we willen eens zien, waar hij te land is gekomen.

Hij stond weer op en keek naar Suef rond. Na een oogenblik wees hij naar het lager einde der rivier.

--Daar zijn de twee beesten, hij en zijn paard.

Ik keek in de aangeduide richting en zag, ver van ons, den bedoelde, die den staart van zijn paard had gegrepen en zich door de merrie liet slepen. Die oude merrie was werkelijk een kostbaar dier.

--Zal ik er heen rijden en hem achterover slaan, als hij uit het water komt?--vroeg Hadschi.

--Neen, hij zal genoeg angst uitgestaan hebben. Dat is voldoende voor hem.

--Maar hij alleen is de schuld, dat gij in het water hebt moeten springen!

--Dat is geen reden om hem dood te slaan.

--Maar hij zal ons ontsnappen! In uw toestand kunt gij hem toch niet volgen.

--Laat hem loopen! Wij halen hem toch nog wel in.

Natuurlijk betuigden Osko en Omar mij hun groote vreugde over het welgelukken van mijn waterexpeditie, die in 't geheel niet op ons programma had gestaan.

Tal van spoorwerkers omringden ons, die met de vreugde-kreten instemden en mij drongen, mee te gaan naar een der hutten, waar een Soba (haard) stond, waarbij ik mijn kleeren spoedig kon drogen. Dat had ik stellig het meeste noodig. Daarom steeg ik te paard en reed terug, juist toen ook de kleermaker den oever bereikt had. Wat hij nu verder ging doen, kon mij voorloopig onverschillig zijn.

Ik behoefde mijn paard niet te mennen; daar zorgden de arbeiders voor. Zij grepen de teugels, ja zelfs de stijgbeugels. De anderen liepen voor, naast en achter mij, en zoo werd ik in triomf weggeleid, een natte triomftocht, want het water sijpelde door mijn kleeren tot in mijn jicht-laarzen. Even omziende, zag ik, dat Suef dwars door het veld heen, weggaloppeerde. Paard en ruiter schenen dus heelhuids er af gekomen te zijn.

Ook nu had Halef mijn voorbeeld gevolgd en omgekeken. Suef ziende, hief de kleine Hadschi zich op in den zadel, balde toornend de vuist en zeide:

--Kem lahana uzuw ümri war; lakin Allah war eder, Allah jog eder.--Onkruid houdt het lang, maar Allah geeft en neemt het leven.

Hij wilde in zijn toorn zeggen, dat de kleermaker, dat onkruid, uitgeroeid moest worden en het ons, zoodra Allah het wilde, gelukken zou.

Daar, waar de veerschuit, dat wil zeggen de praam, op den rechter oever was geland, stond de oude veerman met zijn drie helpers. Toen hij mij zag komen, verhief hij zijn stem en riep op pathetischen toon:

--Duizendmaal dank den heiligen Khalifen, tienduizendmaal geloofd zij de Profeet en honderdduizendmaal geprezen zij Allah, de Almachtige, die u behoed heeft in de ure des gevaars. Toen ik u in den stroom zag verdwijnen, versteende mij het hart van den schrik en schreide mijn ziel bloedige tranen. Maar nu ik u behouden mag weerzien, is mijn geest vol jubel en gejuich, want gij zult uw woord gestand doen en ons de bakschisch geven, ons door u beloofd.

De bakschisch was het dus, waartoe de lange rede moest dienen. Ik schudde het hoofd en antwoordde:

--Ik weet van geen belofte, die ik u zou hebben gedaan.

--Dan heeft het water u in de war gebracht. Bedenk, wat gesproken is, toen uw begeleider ons met zijn zweep vermaande, om vlugger te zijn.

--Mijn geheugen heeft niet geleden; ik herinner mij ieder woord. Gij hebt een fooi verlangd, maar ik heb niets gezegd.

--O Emir, wat beklaag ik u! Uw hoofd is verzwakt! Juist uw zwijgen bewees uw toestemming van wat ik vroeg. Hadt gij de bakschisch willen weigeren, dan hadt gij dat duidelijk moeten zeggen. Omdat gij gezwegen hebt, daarom hebben wij er recht op.

--En als ik nu blijf weigeren?

--Dan dwingt gij ons u te straffen, en u te houden voor een man, die zijn woord geeft en het niet lost.

Met die bedreiging kwam hij verkeerd uit, niet bij mij, maar bij de spoorwerkers. Dat hij om een fooi dwong, die ik hem in 't geheel niet had beloofd, en dat in bewoordingen deed, die mij moesten kwetsen, maakte hen boos. Zij hadden hem terstond bij de kladden en twintig vuisten sloegen op hem los.

--Halt! Laat hem los!--riep ik boven het rumoer uit, dat de mannen maakten. Ik wil hem zijn bakschisch geven.

--Dat is niet noodig,--riep een hunner,--wij geven die al, zooals gij ziet.

--Houdt op, houdt op!--gilde de oude. Ik wil geen betaling, ik heb de fooi al!

Hij rukte zich los en vloog naar zijn praam, waarheen zijn drie helpers reeds waren gevlucht. Hijzelf ontwikkelde daarbij een vlugheid, die het tegenovergestelde was van de flegmatieke bedaardheid, die hij vroeger getoond had. Hij vergat zoowaar er aan te denken, dat het zijn stelregel was, om niets te doen zonder zijn pijp. Dat onmisbare voorwerp had hij laten vallen, en hij liet het in den steek. Een van de arbeiders raapte het op en wierp het hem op de praam achterna. En hij greep.... niet naar zijn pijp, maar naar den ketting, om de veerschuit zoo spoedig mogelijk van den oever los te maken. Zoodra er echter een streepje water was tusschen hem en ons, begon hij te schelden en mij voor een vrek en woordbreker uit te maken.

Halef ging naar den oever, legde zijn geweer aan en dreigde:

--Sekiut dur, joksa atarim--zwijg, of ik schiet!

Maar de oude bleef schelden. Hij kon zich niet voorstellen, dat de Hadschi zijn bedreiging zou uitvoeren. Hij had den duwboom in de hand zonder dien te gebruiken. Op eens drukte Halef los. Hij had op den boom gemikt, en de kogel trof dien dicht bij de hand van den oude, zoodat de splinters er afvlogen. De veerman gaf een gil, liet den duwboom over boord vallen, en plofte plat op den bodem van de praam neer, waarschijnlijk denkende daar veilig te zijn voor een tweeden kogel.

Er brak een algemeen gelach van de arbeiders los, om de behendigheid waarmee de anders zoo langzame veerman nu wegdook.

Nu kwamen wij al spoedig bij de planken-woningen, waar wij stilhielden. Ik steeg af en werd er binnen gebracht.

Het was een groot, ruim vertrek. Aan de wanden hingen de weinige eigendommen der arbeiders. Rondom waren planken aangebracht, die dienden om er op te zitten en op te slapen. In den achtersten hoek stond een groote kookkachel van een constructie zooals ik nog nooit had gezien.

Er waren vier kookketels op, en de vuurhaard was allergeschiktst om natte kleeren te drogen.

Ik was nauwelijks binnen gekomen, of uit een andere hut kwam een jonge krachtvolle man naar mij toe, die mij terstond toeriep:

--Heer, gij hadt gelijk. Zij is niet dood, maar zij leeft! Zij haalt weer adem. Ik heb mij gehaast om het u te komen zeggen en u mijn dank te betuigen.

--Is zij een verwante van u?

--Ze is mijn vrouw. Ik ben de Baschi ischdshiji (Opzichter). Zij heeft den overtocht gewaagd, omdat ik haar gezegd had, dat zij van morgen vroeg hier moest zijn. Maar gij moet u uitkleeden. Ik zal terstond mijn Ziaset esbaby (Zondagskleeren) halen.

Hij ging en kwam terstond terug met een broek, buis, vest en een paar pantoffels. Ik trok mij achter een beschotje terug, om mij te verkleeden. Halef hielp mij daarbij. Onderwijl hij mij de natte kleeren uittrok, jammerde hij:

--Effendi, nu is het uit met de waardigheid van uw rang en de bekoorlijkheid uwer figuur. Dit mooie pak heeft u in Stambul over de zeshonderd piasters gekost, en nu heeft het water er al den glans aan ontnomen. Zie eens, wat een ontzettende scheur gij met zwemmen, in de pijp van uw broek hebt gemaakt. Die moet dicht gemaakt worden, opdat de liefelijkheid uwer leden niet lijde. Garen en naalden heb ik wel altijd bij mij, maar of hier een ütü (strijkijzer) zal zijn, om uw pak weer op te fleuren, dat betwijfel ik.

Men moet zich van mijn voorkomen en gestalte geen voorstelling maken uit wat mijn Hadschi er van zegt. Het was nu eenmaal zijn gewoonte zich zoo uit te drukken.

--Vraag eens rond, misschien is er wel een kleermaker onder de arbeiders.

Hij ging met mijn kleeren weg, en ik hoorde hem luide vragen:

--Hoort, gij zonen en kleinzonen van den spoorweg, is er onder u ook een die kleermaker is?

--Hier!--riep een stem.

--Allah zegene u, mijn vriend, dat gij in de jaren uwer jeugd op de gedachte gekomen zijt, de producten van het weefgetouw met garen aaneen te naaien, zoodat de mannen van uw volk hun armen en beenen er kunnen insteken! Maar kunt gij ook scheuren dicht naaien?

--Zóó netjes, dat het kleedingstuk er nog mooier uitziet dan vroeger!

--Dus zijt gij een groote Ustaljnenün (ridder van de naald). Maar hebt gij ook een strijkijzer bij u?

--Twee zelfs!

--Dan geef ik aan uw verantwoording de kleeren over, van mijn vriend en gebieder. Gij moet ze drogen en opstrijken, en de scheur onzichtbaar maken. Als gij dat zoo doet, dat niemand die zien kan, dan krijgt gij een bakschisch, en de geloovigen van alle landen zullen zich verblijden in uw kunstvaardigheid, en uw roem verbreiden tot waar het heelal ten einde loopt. Hier, neem de kleeren in uw armen, en de geest van den Profeet verlichte u!

Ik moest lachen, want ik kon mij zoo voorstellen met wat ernstig gezicht hij deze tirade voorgedragen had. Toen hij bij mij terugkwam, vond hij mij met het onderzoeken van het gipsverband bezig.

--Men behoeft ook niet te vragen of die in het water geweest is!--zeide hij.--Is het losgeweekt?

--Neen, maar ik zou het wel willen afdoen. Het zit er, weliswaar, nog maar enkele dagen om, maar ik geloof, het wel te kunnen wagen.

Met onze messen verwijderden wij het verband, zonder er eenige pijn van te hebben. Dat was een gunstig verschijnsel. Toen de voet geheel buiten alle gipsverband was, beproefde ik er op te staan. Het ging boven alle verwachting goed. Ik ging eenige passen op en neer, en voelde, dat ik er gerust op kon loopen. De verstuiking was minder erg geweest dan ik had gedacht.

--Nu trekt gij toch zeker die jichtlaarzen niet meer aan?--vroeg de Hadschi op de genoemde voetbekleeding wijzende, die door het water er hoogst treurig uitzagen.

--Neen; ik laat ze hier.

--Dan willen wij ze aan de arbeiders present doen, die ze als koffietrechters kunnen gebruiken, want in deze streek laten de menschen de koffie door een zak loopen, omdat die anders hun te goed zou smaken. Allah heeft wonderlijke kostgangers in zijn rijk. Nu kunt gij weer uw hooge laarzen dragen en ziet gij er weer heel anders uit. Met de jichtlaarzen zaagt gij er uit als een Noachiet, die reeds voor den zondvloed zijn tanden verloor. Zal ik de hooge leeren halen? Ze hangen aan mijn zadelknop!

Ik gaf mijn toestemming en vond dat mijn voet in deze laarzen voldoenden steun had. Daar ik het grootste gedeelte van den dag te paard zat, behoefde ik van mijn voet niet veel te vorderen.

De mij geleende kleeren pasten mij vrij goed, daar de eigenaar van mijn grootte was. Hij vond dat grappig en prettig, tevens verzocht hij mij met hem naar zijn woning te gaan, waar zijn vrouw mij zelf wilde bedanken.

De spoorwegwerkers zaten samen te eten. Hun middagmaal bestond uit een dikke brij van maïsmeel in enkel water gekookt. Daarmee zijn die luidjes dag aan dag tevreden.

De vrouw wilde, toen wij binnen kwamen, mij met een stroom van dankbetuigingen ontvangen; ik verzocht haar dit liever niet te doen. Naast haar zat haar man, en die was zoo innig gelukkig met haar redding, dat ik niet behoefde te vragen of ze elkaar ook liefhadden. In den loop van het gesprek bleek mij dat zij Christenen waren.

--Ik ben blij dat ook gij een Christen zijt,--zeide mij de man.

--Hoe weet gij dat?--vroeg ik hem.

--Uw twee gezellen zeiden het mij, onderwijl gij u verkleeddet. Ik heb ook gehoord dat gij geen onderdaan van den Sultan zijt, maar tot het volk behoort dat den roemrijken oorlog tegen de Fransyler gevoerd heeft.

--Zijt gij uit deze streken?--vroeg ik hem.

--O neen! Wij zijn bijna allemaal uit het gebergte, waar zoo veel arme menschen zijn. De mannen van hier hebben geen zin om aan den spoorweg te werken. Toen het bekend werd, dat bij dezen aanleg brood te verdienen was, trokken vele mannen van bij ons, hier heen. En daar ik voor architect geleerd heb, nam ik de leiding op mij en ben nog altijd hun opzichter.

--Gij hebt dus een hoogere burgerschool bezocht?--vroeg ik hem.

--Neen. Ik ben de tweede zoon van mijn vader. Mijn oudste broer erft de ouderlijke woning, en dat maakte bij mij den zin wakker om er voor mijzelf een te bouwen. Daarom heb ik dan ook mijzelf lezen, schrijven en teekenen geleerd, en ben naar een bouwkundige in Uskub gegaan, om daar verder te leeren. Mijn vader is scheper (tschoban), ongeveer acht uur van hier.

--Waar?

--Het is geen dorp, niet eens een vlek. Daar zijn maar twee huizen, die aan een zijtakje van de Treska liggen, en omdat onze buurman een konak houdt, zoo wordt die kleine nederzetting Treska-Konak genoemd.

--Neen maar! Die is goed! Het kon niet beter!--riep ik uit.

--Waarom?

--Omdat ik dezen Treska-Konak zoek.

--Wilt gij er soms naar toe rijden? Naar mijn vader of naar den Konakdischi?

--Naar den laatste, geloof ik.

--Gelooft gij? Gij weet het dus zelf niet?--vroeg hij verwonderd.

--Neen. De man die met uw vrouw in de schuit overvoer, wil er heen, en dien wil ik achterna. Hij gaat daar personen bezoeken, met wie ik ook nog een woordje te verhandelen heb.

--Dat klinkt alsof dat minder vriendelijke woordjes zullen zijn.

--Goed geraden. Er zijn heden vijf mannen heen gereden, die iets misdadigs in hun schild voeren, wat wij verhinderen willen. Ze moeten met de veerpraam overgevaren zijn.

--Ah! Kan er ook een zekere Manach el Barscha bij geweest zijn, die vroeger ontvanger in Uskub was?

--Juist.

--Dan heb ik ze gezien. Ik stond bij het veer, toen zij kwamen. Ze hadden ruzie met den veerman, dien zij zweepslagen gaven in plaats van zijn geld. Toen Manach mij voorbij reed, dreigde hij ook mij.

--Waarom?

--Omdat hij mij haat. Hij had den hoofdelijken omslag der Christenen te innen en vorderde van mij het tien- en twaalfvoud van wat ik schuldig was, en dat wilde ik niet meer betalen. Anderen ging het evenzoo, en wij overlegden en klaagden hem aan. Hij heeft de Christenen voor een groot bedrag opgelicht.

--Wat straf is hem opgelegd?

--Geen. Hij vluchtte, en men zegt dat hij de heele ontvang-kas meegenomen heeft. Hij durft zich in Uskub niet meer laten zien. Dus die menschen zoekt gij? Hij is altijd met onzen Konakdischi bevriend geweest en zal ook nu wel bij hem thuis zijn.

--Kunt gij mij den weg zeggen, dien ik te nemen heb om naar Treska-Konak te komen?

--Men moet de streek goed kennen, om zonder af te dwalen, er te komen. Een beschrijving van den te volgen weg bracht u zeker in de war. Als het u aangenaam is, geef ik u gaarne een volkomen betrouwbaren man mee, die den weg even goed kent als ik. Hij zal het een groote eer achten, u naar mijn vader te mogen geleiden, en daar hij dezen vertellen zal, hoe gij mijn vrouw gered hebt, kunt gij zeker zijn van een hartelijke ontvangst.

Zeer gaarne nam ik dat voorstel aan en vroeg:

--Ligt uw ouderlijk huis ver van den Konak?