Door het land der Skipetaren

Chapter 32

Chapter 324,102 wordsPublic domain

--Naar Rumelia?--vroeg Janik. Zij hebben dus den grooten weg verlaten. Wilt gij hen soms volgen, Sihdi?

--Ja. Wij zullen dus moeten scheiden.

Het was een roerend afscheid, dat wij van het jonge bruidspaar namen.

Toen wij nu, in plaats van noordwestelijk, precies westelijk reden en het dorp achter ons hadden, konden wij de sporen der vijf mannen duidelijk op den weeken grond zien. Een eigenlijke weg was er niet.

--Kent gij dit Rumelia?--vroeg mij Halef, die zich weer naast mij bevond.

--Neen. Ik weet alleen dat het een dorp is; ik ben hier nog nooit geweest. Vermoedelijk ligt deze plaats aan den weg, die van Köprili langs de Warder naar Uskub brengt. Aan den anderen kant loopt de spoorweg.

--Ah! Wij konden dan misschien wel een eind per spoor gaan. Wanneer ik bij Hanneh, de mooiste van alle jonge dochters, terug ben, dan zal ik er trotsch op zijn, te kunnen vertellen, dat ik ook eens in een wagen gezeten heb, die door rook getrokken werd.

--Zoo'n wagen wordt niet door rook maar door stoom gedreven.

--Dat is toch hetzelfde?

--Neen; rook kunt gij zien, maar stoom is onzichtbaar.

--Als men stoom niet kan zien, hoe weet gij dan, dat er stoom is?

--Kunt gij muziek zien?

--Neen, Sihdi.

--Dan is er volgens u ook geen muziek. Het is niet goed mogelijk u het wezen en de werking van den stoom te verklaren. Om mij daarbij te kunnen volgen, moet gij eerst meer elementaire kennis hebben.

--Sihdi, wilt gij mij beleedigen? Heb ik niet menigmaal bewezen, dat het mij aan elementaire kennis niet ontbreekt?

--Maar op het gebied der physica zijt gij een volkomen vreemdeling.

--Wat is dat voor een gebied?

--Daartoe behooren de krachten en wetten der natuur.

--O, ik ken alle natuurlijke krachten en wetten. Als iemand mij beleedigt, dan is het toch niet moeielijk te begrijpen, dat de natuurwet zegt, hem daarvoor een oorvijg te geven. En als ik dan volgens de natuurwet dien klap geef, dan is het door de natuurkracht dat 's mans oor tintelt. Of heb ik daarin ongelijk?

--Gij hebt zeer dikwijls gelijk, ook als gij ongelijk hebt, mijn waarde Halef. Overigens spijt het mij, dat gij Hanneh, die bloem aller vrouwen, niet zult kunnen vertellen dat gij in een spoorwagen gereden hebt.

--Waarom niet?

--Eerstens weet ik niet, of de spoorweg al wel bereden wordt, en dan, wij moeten onze vijanden volgen. Die reizen niet per spoor, bij gevolg moeten wij ons dat genoegen ook ontzeggen.

De weg was nu redelijk goed. Wij kwamen dus tamelijk vlug vooruit. Na een half uur zagen wij het dorp voor ons liggen. Rechts ging de weg naar Uskub, en die links ging naar Köprilie over Kapetanli Han.

Toen ik mijn oog over den weg liet gaan, zag ik een ruiter in gestrekten galop van Kapetanli Han aankomen. Iemand die op zulk een drassigen weg zoo snel reed, moest wel veel haast hebben. Ik nam mijn verrekijker.

--Nauwlijks had ik den man gezien, of ik gaf den kijker aan den Hadschi. Hij richtte hem, maar liet hem terstond weer zakken.

--Allah!--riep hij uit.--Dat is Suef, die zich voor een kleermaker uitgaf!

Ik had dus terecht tegen hem beweerd, dat hij Kilissely terstond na ons verlaten zou.

--In den draf, Halef! Hij wil de anderen waarschuwen; dat mag niet gebeuren. Hij weet, waar zij heen gaan.

--Maar wij kunnen hem niet vóór komen--meende Halef,--hij is al reeds te dicht bij het dorp. Maar aan gene zijde van het dorp kunnen wij hem inhalen.

--Ja, als er ten minste een brug over de rivier ligt. Moeten wij ons laten overzetten, dan heeft hij den voorsprong. Ik rijd vooruit.

--Ik raakte de flanken van mijn paard maar even met mijn sporen aan en op hetzelfde oogenblik schoot het met de snelheid van een expres vooruit. Suef had ons tot nu toe nog niet gezien. Maar nu bemerkte ik dat hij opschrikte; en zijn zweep uithalende, zette hij, met alle macht slaande, zijn paard aan. Hij had mij herkend en wilde mij voorkomen.

Inderdaad was hij dichter bij het dorp dan ik; maar zijn paard kon het onmogelijk tegen mijn Arabier opnemen. Ik liet mijn gefluit hooren, en mijn volbloed verdubbelde de snelheid van zijn gang. In minder dan een minuut was ik op den weg, waarop Suef zich bevond en tusschen hem en het dorp. De vrees voor mij weerhield hem, mij voorbij te rijden. Een omweg bestond er voor hem niet, wijl links van ons de sterk stroomende rivier voorbij schoot.

Ik bleef midden op den weg staan, om op mijn gezellen te wachten. Suef hield ook stand, ongeveer vierhonderd schreden van mij af.

--Dat heeft uw Rih mooi gedaan Sihdi!--zei Halef, terwijl hij lachende aan kwam rijden. Men zou het voor onmogelijk houden, dat een paard zoo snel kon loopen. Maar wat doen wij nu? Zult gij met dien man spreken?

--Geen woord, tenzij ik er toe gedwongen word.

--Maar hij legt het toch, ook nu nog, op ons leven toe!

--Wij hebben hem gestraft. Voor wij daarmede opnieuw beginnen, moet hij weer met vijandelijkheden tegen ons optreden. Wij zullen nu doen, alsof wij hem niet kennen.

--Wij hebben toch een groote fout begaan.

--Welke?

--Dat wij hem de bastonnade hebben gegeven. Want nu kan hij altijd nog rijden. Hadden wij hem met de zweep gegeven, niet op zijn voetzolen, maar op dat lichaamsdeel, waarmee de Padischa zijn troon bedekt als hij er op gaat zitten, dan had hij noch kunnen loopen noch rijden.

--Daar zouden wij niets mee gewonnen hebben, want de oude Mubarek zou een anderen bode gezonden hebben. Voorwaarts dus!

Wij reden verder, en Suef volgde ons langzaam. Zeer zeker was hij grimmig boos over onze tusschenkomst.

Rumelia scheen grooter dan Guriler te zijn. Het strekte zich van den weg af tot aan de rivier uit. De Wardar zag er gevaarlijk uit; het vuile water golfde onstuimig en hoog. De golven hadden zich ver over den oever geworpen en overstroomden de aangrenzende, in weiden afgedeelde grasvlakte. Aan de overzijde der rivier zagen wij de spoorbaan. Men scheen aan haar versterking bezig te zijn. Wij zagen een zandtrein langzaam aankomen, een massa arbeiders waren met spaden en houweelen aan het werk, en nabij den dam stonden lange loodsen, voor tijdelijke woning van het werkvolk.

Een brug was er niet, maar een veer. Het was een breede zware praam, die op touwen liep, welk in de diepte verankerd waren. De praam zelve werd door de schippers met sterke stangen voortgestuwd.

--Wat nu?--vroeg Halef, toen wij bij de eerste huizen van het dorp gekomen waren.--Laten wij ons terstond overzetten?

--Neen,--antwoordde ik. Wij rijden op en neer, en wachten af, wat Suef zal doen, wij volgen hem, waar hij heen rijdt. Wij weten niet, waar Karanirwan ligt; hij zal nu, of hij wil of niet, onze gids zijn.

--Neen, Effendi hij zal slim genoeg zijn, om ons op een dwaalspoor te leiden.

--En wij zullen ons door hem niet op een dwaalspoor laten brengen. Gij moet bedenken, dat zijn voeten hem ontzettend pijn doen. Hij houdt ze wel in de stijgbeugels en behoeft ze niet in te spannen; maar het rijden schudt en schokt ze toch onophoudelijk. Hij zal dus zijn doel zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken, en al zoekt hij ons op een verkeerd spoor te brengen, toch zal hij niet al te ver van zijn richting afwijken.

--Maar hij zal toch al het mogelijke doen om uit ons gezicht te komen!

--En wij zullen al het mogelijke doen om hem dit te beletten. Laten wij ons dus uit de voeten maken!

Wij reden nog een eind verder, zoodat Suef op voldoenden afstand ons voorbij en naar het veer kon komen. Daar hielden wij stil, maar ik zorgde, dat ik hem aldoor in het oog hield. Wij deden echter alsof wij in 't geheel niet op hem letten. Toch kon hij wel begrijpen, dat het tegendeel waar was.

Tegen onze verwachting in, reed hij niet naar het veer. Hij dreef zijn paard nu eens vooruit en dan weer achterwaarts, met groote opmerkzaamheid naar de spoorbaan aan de overzij ziende, alsof het gindsche werk al zijn aandacht trok.

--Hij wil niet bijten,--zeide Halef en lachte.--Hij is slimmer dan wij.

--We zullen zien. Hij doet alsof hij alleen voor den spoorwegarbeid oogen had, maar ik bemerk toch, dat hij telkens zijwaarts kijkt, naar dat witgepleisterde huis ginds. Er is daar voor de deur een ijzeren stang, waarschijnlijk om er een paard aan vast te binden. Misschien is dat gebouw een Khan, en is hij van plan daar te verblijven. Laten wij nu doen, alsof wij wilden overvaren.

Wij reden naar het veer. Er was van planken een pad gemaakt, om droogvoets over den overstroomden oever te komen. Daar dit pad slechts voor voetgangers bestemd was, moesten wij een eind door het water rijden, dat den paarden tot aan den buik kwam.

De overvaart was niet ongevaarlijk. De oude praam scheen half vergaan te zijn. Het touw dat haar hield, was van twijfelachtige sterkte, en het bedienings-personeel, een oude man met drie halfwas jongens, kon geen groot vertrouwen inboezemen. Bovendien was de golfslag vrij sterk. De stroom voerde allerlei voorwerpen mee, die hij van den oever losgewerkt had. Er hadden zich maalstroomen gevormd, waarin men allicht terecht kon komen. Kort en goed, toen wij ons nu op de pont bevonden was ik weinig op mijn gemak.

De oude veerman zat op den rand en rookte. Met aandacht nam hij ons op en knikte veelbeteekenend tegen zijn jonge helpers.

Ik was zóó gaan staan, dat ik Suef in het oog hield. Nauwelijks bevonden wij ons op de praam, of hij draafde weg, naar het aangeduide witte huis toe, steeg af, bond zijn paard vast en strompelde met veel moeite door de deur.

--Halef en Osko, vlug ook naar binnen! Wij moeten weten, wat hij doet en spreekt. Laat hem geen oogenblik alleen!

De beiden drongen hun paarden terstond op den oever terug en reden naar het huis toe. Geen halve minuut, nadat Suef er in was gegaan, waren ook zij er binnen.

Nu wendde ik mij tot den ouden veerman:

--Hoeveel hebben vier ruiters te betalen, om overgezet te worden?

--Twintig piasters,--antwoordde hij, de hand voor mij ophoudende.

Ik gaf er met mijn zweep een tikje op, en zeide:

--En ik betaal u niets.

--Dan blijft gij aan den verkeerden kant!

--Neen, gij zult ons overzetten. Maar gij hebt den vijfvoudigen prijs gevorderd. Dat moet bestraft worden. Nu zult gij eerst ons overvaren, en dan krijgt gij, aan den overkant, voor iederen piaster een slag op uw voetzolen. Kijk dezen Firman van den Padischa eens! Zoo ziet gij, dat ik geen man ben, die zich laat bedriegen.

Hij zag het zegel, nam zijn pijp uit zijn mond, vouwde de handen over zijn borst, boog en zei op eerbiedigen toon:

--Heer, wat Allah ons zendt, is goed. Ik zal u overvaren en daarvoor twintig zoolslagen ontvangen. Allah zegene den Padischa en zijn kindskinderen!

Zoo gaat het daar achter in Turkije toe! Maar ik was geen Turk, nam twintig piasters, gaf ze hem en zeide:

--De slagen zal ik u schenken, want ik heb medelijden met de dagen der jaren uws levens. De rivier is gezwollen en de overtocht moeilijk en niet zonder gevaar, daarom moogt gij wel iets meer dan gewoonlijk vragen; maar al te veel moogt gij toch niet vorderen.

Hij aarzelde, het geld aan te nemen en met open mond keek hij mij vol verbazing aan.

--Nu, hoe is het, moet ik het geld weer bij mij steken?--vroeg ik.

Die vraag bracht hem weer tot zich zelf. Hij kwam met een sprong naar mij toe, greep mij het geld uit de hand en riep:

--Hoe? Wat? Gij betaalt mij, ofschoon gij in de schaduw staat van den Grooten Heer en zijn Eersten Vizier?

--Moeten niet juist die menschen rechtvaardig zijn?

--O Heer, o Agha, o Effendi, o Emir, zij zijn het gewoonlijk niet! Maar uw oogen stralen vol genade en uw woorden vloeien over van barmhartigheid en vriendelijken zin. Daarom zegene Allah u in uw eigen persoon, in uw ouders en voorouders, ook in uw kinderen en kindskinderen! Ja, zooveel genade als gij mij bewijst, valt ons maar zelden ten deel, ofschoon wij een zuur verdiend en karig stuk brood gewinnen.

--Maar ginds zijn toch tal van menschen aan het werk. Gij verdient door hun aanwezigheid toch meer dan vroeger, toen zij er niet waren.

--Nog minder, nog veel minder verdien ik nu, want die menschen hebben hooger op, een tweede veer aangelegd en varen met een groote schuit. Dat doet mij natuurlijk veel afbreuk en mijn pacht blijft even hoog.

--Wagen zich die menschen dan ook bij ongunstig getij in den fellen stroom?

--Vandaag hebben zij het nog niet gedurfd, want het was al te gevaarlijk; men zou een dubbel getal roeiers noodig hebben.

--Maar gij hebt heden toch al heel wat menschen overgezet. Waren daar ook vijf ruiters bij, waarvan er twee op sjek-paarden zaten?

--Ja, Heer. Een scheen gewond te zijn. Zij kwamen uit de herberg daar ginds, waar zij een poos te voren afgestegen waren.

Hij wees, dat zeggende, naar het door mij opgemerkte witgepleisterde huis.

--Hoe lang is het geleden, dat gij hem zaagt?

--Zeker al een paar uur. Beter was het voor mij geweest, indien ik ze nooit had gezien!

--Waarom?

--Omdat zij mij bedrogen hebben. Toen wij aan de overzij waren, en ik om het veergeld vroeg, kreeg ik zweepslagen in plaats van geld. En dan hadden zij mij nog wel een opdracht gegeven, die ik nu niet uitvoeren wil. Die mij niet betaalt, voor dien doe ik uit vriendelijkheid ook niets.

--Mag ik soms weten, voor wien zij u iets hebben opgedragen?

--Met alle liefde. Zij gaven mij een boodschap voor den man, die straks zoo dicht bij u was, en daarna in de herberg ging.

--Dus kent gij hem?

--Wel ja! Iedereen kent den kleermaker.

--Is hij werkelijk een kleermaker?

--Men zegt het, maar ik ken hier niemand, voor wien hij een kleedingstuk gemaakt heeft.

--Hm! En hoe luidde de boodschap?

--Hij moest zich haasten, want dat zij maar tot morgen op hem konden wachten.

Waar? Dat wist hij niet, en van de vijf ruiters kende hij alleen den vroegeren ontvanger uit Uskub, die de menschen het bloed uitgezogen had.

--Allah zegene hem met ontelbare lichaams-kwalen, en voege er dubbel zooveel ziele-ellende aan toe!--voegde hij er bij.

Hij wilde nog meer zeggen, maar er was iets, dat zijn bizondere aandacht trok. Uit de herberg kwamen twee mannen naar buiten, die ieder twee riemen droegen. Zij gingen naar het water en liepen toen stroomopwaarts verder.

--O Allah,--riep hij uit.--Zullen die onvoorzichtigen het werkelijk wagen, met de schuit over te varen?

--Waar is die schuit?

--Ginds, hooger op, waar die vrouw staat. Gij kunt de schuit niet zien, want ze ligt achter de biezen.

De beide mannen kwamen bij de aangeduide plek, wisselden met de vrouw enkele woorden en verdwenen toen achter de biezen.

--Werkelijk, zij wagen het!--zei de oude. Wel, als Allah ze in zijn hoede neemt, dan kan het hun gelukken. Maar zonder hulp varen zij in geen geval over, en hun passagier zal hun heel wat geld moeten betalen. Hij kon bij mij goedkooper terecht.

--Dat zal die vrouw betalen.

Ik zei dat, omdat de vrouw insgelijks achter de biezen verdween; zij was dus mee in de schuit gegaan. De oude schudde van neen en zei:

--Die geeft geen duit. Zij behoort tot de arbeiders van het werk en gaat voor niet mee. Die vrouw heeft daar al van den vroegen morgen af gewacht, maar er voer niemand over. Maar wat is dat? Zou die kleermaker----

Terwijl de oude veerman met mij had staan praten, was Suef uit de herberg gekomen en opgestegen. Zonder opzettelijk naar ons te kijken, had hij toch zijn oog over ons laten gaan en was toen naar de plek gereden, waar de schuit lag. Daar ging hij er in.

--Allah il Allah! De kleermaker in de schuit!--riep de oude. Hij mag ter dege oppassen, of hij krijgt meer water te slikken dan hij verdragen kan. Ik weet, dat hij zeer arm is en zou hem voor een kleinigheid, of ook wel voor niet meegenomen hebben. Waarom komt hij niet bij mij?

Ik vond het niet noodig, aan den oude de reden te zeggen, waarom Suef ditmaal niet in zijn praam kwam. Ik vermoedde dat Suef mijn doel had doorzien en met de schuit eerder hoopte aan te komen dan wij dit met de praam zouden kunnen. Als hij dan vlug te paard steeg, kon hij in vollen galop rijdende, ons nog uit het gezicht komen. Aan de sporen, die hij zou achterlaten, dacht hij niet.

Intusschen kwamen ook Halef en Osko ijlings naar mij toe.

--Sihdi, de schurk vaart met een schuit over,--meldde Halef. Hij heeft dertig piasters geboden, als zij hem wilden overzetten.

--Hebt gij nog iets meer gezien of gehoord?

--Ja, maar niet veel. Juist toen wij binnen kwamen, sprak hij met den waard over de vijf ruiters. Hij gaf hem terstond een wenk, om te zwijgen, maar deze was midden in een zin en voleindigde dien, met wat wij hoorden.

--En wat hebt gij gehoord!

--Dat die vijf den kleermaker in Treska-Konak zouden opwachten.

--Waar ligt die plaats?

--Dat weet ik niet, en wij konden het ook van den waard niet te weten komen. Die man houdt het beslist met den kleermaker.

--Werd er verder niets gezegd?

--Zij spraken alleen nog over het veer.

--Zoo, dat gij het kondt hooren?

--Ja. En die Suef keek ons daarbij zoo boosaardig lachende aan, alsof hij er in groeide ons te kunnen ergeren. Het liefst had ik hem met mijn zweep wat gegeven. Hij verkneukelt zich in de gedachte, dat hij nu vóór ons zal aankomen.

--En gij hebt hem niets gezegd?

--Geen woord.

--Best! Kijk, hij heeft zijn paard aan den teugel, achter zich aan. Hij zelf gaat in de schuit en de merrie mag hem nazwemmen. Die zal het kwaad te verantwoorden hebben.

--O Sihdi, ik heb het dier gisteren bij de vervolging, nauwkeurig gade geslagen. Het is veel, veel beter dan het er uitziet. Dat paard heeft den Scheitan in zijn bloed.

--Welnu, ondanks alles wat er gebeurd is, zou het mij toch spijten, als er een ongeluk gebeurde, vooral om de vrouw, die mee in de schuit is gegaan. Laten wij nu overvaren, liefst zoo gauw mogelijk. Voorwaarts!

Dit laatste gold den veerlui.

De oude had juist zijn pijp leeggeklopt en haalde zijn tabak te voorschijn, om opnieuw te stoppen. Ondanks mijn bevel ging hij bedaard zijn gang.

--Hebt gij mij begrepen?--vroeg ik hem. Leg die pijp weg! Het zal een enkelen keer ook wel eens zonder rooken gaan.

--Neen, Heer,--antwoordde hij kalm. Bij mijn werk behoort een Tschibuk; zonder dat gaat het niet. Mijn leven lang is dat zoo geweest en zal het ook zoo blijven tot ik zelf overgezet word.

--Maar ik wil eerder aan den overkant zijn dan de schuit.

--Heb daar geen zorg over, Heer. De schuit komt waarschijnlijk in 't geheel niet aan de overzij.

Met de grootste bedaardheid stopte de oude zijn pijp verder, en nam toen met zijn bloote vingers een kooltje uit een klein vuurtje, dat op een steen lag te gloren, alleen om den baas te dienen, bij het aansteken. Toen hij eenige trekken gedaan had, riep hij op den toon van een generaal-veldmaarschalk: Op! Vat aan, dappere jongens! Wij moeten de piasters verdienen, die wij gekregen hebben.

Te zelfder tijd zagen wij, hooger op, de schuit uit de biezen vooruit schieten. Voorop zat de vrouw; in het midden spanden de twee roeiers alle krachten in, en achter aan hurkte Suef, met de teugels in de hand. De kop van het paard stak boven het water uit. Een roer was er aan het vaartuig niet.

Toen Suef ons zag, hief hij den arm op en maakte een spottende handbeweging. Als hij die vaart behield, dan was hij zeer zeker over, voor wij halverwege waren, want de drie dappere jongens van onzen veerman schenen geen merg in zich te hebben. Ze maakten de praam hoogst voorzichtig van den ketting los, namen toen de boomen ter hand en staken daarmee in het water rond, alsof zij een speld op den bodem wilden vinden. Tot overmaat van ramp waren onze paarden aan zulk overgezet-worden niet gewoon. Wij moesten dus in den zadel blijven om ze rustig te houden; anders had ik mijn gezellen gezegd de handen mee aan het werk te slaan.

Halef kwam op een goede gedachte om onzen overtocht te bespoedigen. Hij haalde zijn zweep uit zijn gordel en zeide tot den bij hem staanden veerknecht:

--Wat vlugger!

Te gelijkertijd gaf hij hem een slag over zijn rug, en nauwelijks was die gevallen, of de oude schreeuwde:

--O Allah, o weemoed, o noodlot! Pakt aan, gij jongelingen! Duwt, stoot, gij mannen! Met alle kracht er op, gij sterken! Hoe eer wij over komen, des te grooter de bakschisch, die wij van die vier beroemde Scheiks en Emirs ontvangen.

Dit heerlijke vooruitzicht wond de drie jongens zóó op, dat zij zich bovenmate inspanden. Het tempo hunner handbeweging verdubbelde in snelheid. Natuurlijk verloren wij de schuit niet uit het oog. Om recht tegenover de plek van afvaart aan te komen, moesten de roeiers de schuit richten alsof zij stroomop wilden varen. Hoe meer zij echter het midden der rivier naderden, des te meer moesten zij zich inspannen. En toch dreef de schuit zóó beduidend af, dat het landingspunt, in plaats van hen te naderen, des te meer van hen afweek. Dit afdrijven maakte Suef ongerust. Uit de gebaren, die hij maakte, zagen wij, dat hij zijn roeiers tot nog grootere kracht-inspanning aanvuurde.

Ook onze mannen moesten trekken wat zij konden. De kracht van den stroom was zoo groot, dat de spantouwen doffe tonen lieten hooren. Wanneer een van deze knapte, waren wij aan het geweld van den stroom overgegeven. De oude veerman zocht zijn ganschen woordenschat bijeen, om zijn helpers tot verdubbelde inspanning van krachten op te winden.

De roeiers van Suef's schuit hadden zich in den aanvang wel door den stroom laten meesleepen, maar ook zij hadden alle krachten ingespannen en naderden al meer en meer de lijn, waarop de praam, aan het ankertouw verbonden, zich bewoog. Reeds kon men Suef en zijn helpers duidelijk onderscheiden. De oude veerman volgde met een zaakkundigen blik den gang der schuit.

--Zij halen den overkant niet,--zeide hij. Of de riemen breken, of---ah, Allah, Allah, zij halen het toch! Bij den Scheitan, er zit kracht in die kerels! Het gelukt ze toch nog, want---wee, o wee! Nu zijn ze verloren!

Hij had goed gezien. De rechter riem van een der roeiers was uit den dol geglipt en uit 's mans hand gevlogen. Door de pijn van zijn eigen val had hij ook den linker riem laten gaan, zoodat zij beide door den stroom meegevoerd werden. Er bleef dus maar één roeier over en.... die kon de schuit onmogelijk alleen regeeren.

De spoorwegwerkers waren allen toegesneld, om den afloop te zien. In de grootste spanning hadden zij den strijd tusschen praam en schuit gevolgd. Ook wij waren nu midden op de rivier, waar deze het onstuimigst en dus het gevaarlijkst was. Onze praam helde zóó naar een zijde over, dat zij allicht vol loopen kon, en dan waren ook wij verloren. Het waren oogenblikken van de grootste spanning en doodsgevaar.

De overgebleven roeier van de schuit moest den strijd opgeven. De krachten begaven hem. Hij haalde zijn riemen in, en legde de handen in zijn schoot. De stroom pakte de schuit en stuwde haar recht op onze praam af. In woeste vaart schoot zij op ons af. Van de overzijde klonk de angstige kreet:

--Vrouw, vrouw, houd u vast!

Op hetzelfde oogenblik was het gevreesde gebeurd. Een enkele krak, en de schuit botste tegen onze praam. Op hetzelfde oogenblik weerklonk er een hartverscheurende gil. Het was een eenstemmige kreet van de arbeiders aan den kant, van de vier opvarenden der schuit en van ons, die in de praam waren. Die krijtende gil kwam van zoo vele lippen en was een eenparige uiting van den grootsten schrik.

In zulke oogenblikken handelen velen naar een instinctieven drang, die ons dan tot het juiste beweegt, buiten alle overlegging om. Oogenblikkelijk doen zij wat gedaan moet worden, en weten dan later niet te zeggen, waarom zij zoo en niet anders hebben gehandeld.