Chapter 31
--Gij zijt, zooals ik nu inzie, zeer toegevend voor ons geweest. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn voor uw reis. Daarom zeg ik u: ik vermoed dat er meer plaatsen zullen zijn met soortgelijken naam, en daarom geef ik u den goeden raad, ga in Uskub naar de Overheid en laat u een Fihristi mekian (kaart van den omtrek) geven, en gij zult terstond zien, hoeveel plaatsen er zijn, die Karanorman heeten en waar zij liggen.
--Ook ik was dat van plan, maar ben tot andere gedachten gekomen, want het Rijk van den Padischah wordt zeer slecht bestuurd. Ik ben overtuigd, dat er in een zoo belangrijke stad als Uskub, of geen terrein-kaart is, of een die niet deugt. Ik rijd in 't geheel niet naar Karanorman Khan.
--Waar dan heen, Effendi?
--Ik neem het briefje en.... verander de O in een I, en de M in een W en rijd dan naar Karanirwan-Khan.
Ik zei dat langzaam en met bizonderen nadruk. Daar ik hem daarbij scherp aanzag, ontging het mij niet dat hij van kleur verschoot en verschrikt met zijn hand naar zijn hoofd greep.
--Scheitan, duivel,--hoorde ik Suef weer zacht sissen.
Ook deze uiting van woede bewees mij dat ik op het rechte spoor was.
--Is er dan een plaats van dien naam?--vroeg Habulam langzaam en op gedempten toon.
--Nirwan is een Perzisch woord; dus zal men die plaats wel nabij de Perzische grens moeten zoeken. Maar weet gij, wat Lissan aramaki (taal-studie) is?
--Neen, Effendi.
--Dan kan ik ook niet verklaren, waarom ik uit de samenstelling van het woord tot het vermoeden kom, dat de plaats naar den hoofd-eigenaar genoemd is.
--Misschien begrijp ik het nu toch wel!
--Dat betwijfel ik toch. De bedoelde eigenaar is een Nirwani, een man uit de Perzische stad Nirwan. Hij heeft een zwarten baard gehad en werd daarom Kara, de zwarte, genoemd. Hij werd hier dus Karanirwan genoemd. Hij bouwde een herberg, een Khan, en het laat zich dus zeer goed begrijpen, dat het huis, naar den eigenaar Karanirwan Khan genoemd werd en nog heden zoo heet.
--Scheitan,--duivel!--siste het wederom vanwaar Suef zich bevond.
Murad Habulam wischte zich het zweet van het voorhoofd en zuchtte:
--Verwonderlijk, hoe gij uit een enkelen naam terstond een heele historie opbouwt! Toch vrees ik voor u dat gij u vergist.
--En ik zou er een eed op durven doen, dat deze Khan niet in een stad of in een dorp gelegen is.
--Waarom?
--Omdat in dat geval de naam van dat dorp of die stad op het briefje zou genoemd zijn. Het huis ligt op een eenzame plek, en het zou vergeefsch werk zijn, zoo iets op een kaart te gaan zoeken.
--Als het zoo eenzaam ligt, zult gij het nooit vinden. Gij zijt een vreemdeling en hebt misschien ook geen tijd om u hier zoo lang op te houden, als noodig zijn zal om zoo omvangrijke navorschingen te doen.
--Dat hebt gij mis; ik hoop integendeel den Khan zeer gemakkelijk te vinden. Kent gij in den omtrek van Kilissely een Pers?
--Neen.
--Dat geloof ik graag. In het land der Skipetaren zijn Perzen zóó zeldzaam dat, als er ergens een is, iedereen van hem gehoord heeft, te meer omdat de Perzen Schiiten zijn en de religieuse gewoonten van dien man, hem wijd en zijd bekend gemaakt hebben. Ik heb dus, al rijdende, maar naar een Pers te vragen, en een ieder zegt mij waar hij woonde of nog woont.
--Maar hij kan ver, zeer ver uit uw richting wonen, zoo dat de menschen, die gij aantreft toch nooit van hem hebben gehoord.
--Maar hij woont toch zonder twijfel in deze richting.
--Waaruit maakt gij dat op?
--Het briefje zegt het mij.
--Heer, dat begrijp ik niet. Ik heb het toch ook gelezen, woord voor woord, en daar toch niets van gezien.
--O, Murad Habulam, wat een ontzettende domheid hebt gij nu weer begaan.
--Ik?--vroeg hij verschrikt.
--Ja, gij! Hebt gij niet beweerd, dat gij het briefje niet kondt lezen? En nu zegt gij, het woord voor woord gelezen te hebben. Hoe is dat te rijmen?
--Heer,--zeide hij verlegen,--ik heb het gelezen, maar niet begrepen!
--Gij hebt gezegd, niets te hebben gevonden! En het briefje bevat slechts lettergrepen. Hoe kunt gij dan zeggen het woord voor woord gelezen te hebben? Murad Habulam, denk er aan, dat een leugenaar een sterk geheugen moet hebben, als hij zich niet telkens tegenspreken zal. Hoor dus, wat ik u zeggen en vragen wil! Ik heb u reeds gezegd, dat het briefje mij alles verried. Het werd door Hamd el Amasat te Skutari geschreven, en wel aan zijn broeder Barud el Amasat te Edreneh. De eerste schrijft aan den laatste, dat hij naar hem toe moet komen en over Menelik reizen. Hamd el Amasat zal hem tot Karanirwan Khan te gemoet reizen. Zeg mij nu of het te verwachten is, dat die twee groote en onnoodige omwegen zullen maken?
--Neen, dat doen zij niet.
--Zij zullen dus den korten weg, den rechten nemen?
--Zeker, Effendi!
--Deze rechte lijn loopt dus van Edreneh over Menelik naar Skutari, en op die lijn moet, tusschen de uiterste punten Karanirwan Khan liggen. Dat is voor mij zoo zeker, alsof ik het al zag liggen.
Voor de vierde maal hoorde ik Suef zijn 'Sheitan' zachtjes sissen. De pseudo-kleermaker scheen zich deze vervloeking dus aangewend te hebben. Ik deed echter, alsof ik hem niet gehoord had. Die herhaalde vervloeking bewees mij echter dat ik mij niet vergiste.
--Effendi,--bracht Habulam in,--wat gij zegt, klinkt allemaal heel mooi, en ik mag lijden, dat gij den juisten weg opgaat, maar ik voor mij, geloof het niet. Laten wij liever over wat anders praten! Wilt gij dat vergift en de overblijfselen van dien eierkoek werkelijk mee naar Uskub nemen? Ik heb toch mijn boete betaald met nog bovendien twee slagen, die mij een verschrikkelijke pijn doen; daarbij kunt gij het toch laten blijven.
--Gij hebt uw boete betaald, maar ons later uitgelachen. Nu zult gij, naar ik meen, inzien, hoe onverstandig dat hoonend lachen was. Ik zal dien Khan ook zonder u vinden. Maar dat gij het gewaagd hebt, om ons te lachen, dat moet ik straffen. Ik ben niet de man, die met zich laat spotten. Ik geef te Uskub het vergift met de brokken aan den politie-apotheker.
--Ik wil aan de armen nog honderd piasters geven, Effendi.
--En al boodt gij er mij duizend, ik ging er niet op in.
--Ik bid u, denk eens na, of er werkelijk niets is, dat u zou kunnen bewegen om van uw voornemen af te zien.
--Hm!--bromde ik, alsof ik mij bezon.
Dat gaf hem hoop. Hij zag, dat ik er over nadacht.
--Bezin u eens!--herhaalde hij op dringenden toon.
--Misschien, ja, misschien zouden wij tot een vergelijk kunnen komen. Zeg mij eerst eens, of het hier in deze streek moeilijk is dienstpersoneel te krijgen.
--Personen die in dienst willen komen, zijn er in overvloed,--antwoordde hij haastig.
--Gij hebt er dus geen moeite mee, om knechts en dienstmeisjes te krijgen?
--Volstrekt niet. Ik behoef maar te willen.
--Welnu, wil dan eens!
--Hoe bedoelt gij dat?
--Zie ginds al die menschen! Zij wenschen door u ontslagen te worden.
Dat had hij niet verwacht. Hij keerde zich om en wierp zijn personeel een dreigenden blik toe. Toen vroeg hij:
--Hoe weet gij dat?
--Ze hebben het mij gezegd.
--Allah! Ontslag? Er op slaan, zal ik! Met de zweep zullen ze hebben!
--Dat zult gij niet doen. Zijt ge soms vergeten dat slaan pijn doet? Ik raad u ten beste, ernstig na te denken en een ander leven te beginnen. Waarom wilt gij dien menschen hun ontslag niet geven?
--Omdat ik er geen zin in heb.
--Begrepen. Ook ik heb geen zin om het zakje met vergift en de resten van uw ommelet achter te laten, en neem ze daarom mee naar Uskub. Halef, zijn de paarden klaar?
--Ja, Effendi--antwoordde de gevraagde. Wij kunnen ze terstond voorbrengen. Janik zal ook wel ingespannen hebben.
--Dan willen wij vertrekken. Rol mij tot voor de deur!
--Halt!--riep Habulam.--Wat zijt gij toch een opvliegend mensch, Effendi!
--Maak het kort,--zeide ik driftig. Geef uw volk hun loon en laat ze gaan.
--Ik zou het wel doen, maar ik kan toch niet zonder goede bedienden!
--Neem dan tijdelijk daglooners. Ik heb geen tijd om nog langer te redeneeren. Hier zijn de papieren voor Janik, Anka en mij. Lees ze door, om ze te onderteekenen.
Hij nam de papieren, en zette zich om ze door te lezen. De inhoud beviel hem niet; hij wilde allerlei wijzigingen, maar ik wilde van geen verandering weten, en eindelijk teekende hij. Halef nam de beide getuigschriften en ook de bekentenis, om deze documenten aan Janik te geven.
--En....? Hoe nu met het andere volk?--vroeg ik.
Habulam antwoordde niet terstond. Dat gedraai begon Halef te vervelen, en driftig riep hij.
--Laat ze naar den Scheitan loopen! Gij kunt anderen krijgen, die niets afweten van wat er vroeger gebeurd is. Jaag ze weg! En hoe verder ze van hier gaan hoe beter!
Dat gaf den doorslag. Habulam ging om het geld te halen, en ik bleef, tot hij de menschen afbetaald had. Toen gaf ik hem het vergif en de brokken, en liet de paarden voorbrengen.
Men kan zich voorstellen, hoe weinig hartelijk het afscheid was. tusschen ons en onzen gastheer. Hij verontschuldigde zich, dat hij ons geen uitgeleide kon doen, van wege de pijn aan zijn voeten.
--Gij ondervindt nu,--zeide ik,--dat Allah zelfs de grootste leugen tot waarheid kan maken. Gisteren, toen wij kwamen, hebt gij beweerd, niet te kunnen loopen; dat was een leugen. Heden is die tot waarheid geworden. Ik wil u niet vermanen, deze les ter harte te nemen. Is uw hart versteend, ik kan het niet gevoelig maken. Voor bewezen gastvrijheid heb ik u niet te bedanken. Suef zou mij in een herbergzame woning brengen; hij heeft mij bedrogen en ons, met boos overleg, naar u toegebracht. In een gewone herberg zou ik betaald hebben; maar u bied ik niets aan. Alles bij elkaar genomen, zijn wij voor heden quitte, en ik hoop dat wij geen nieuwe rekening zullen krijgen.
--Maar wij zijn nog niet quitte!--krijschte Suef.--Mijn rekening van heden zult gij mij betalen.
--Met alle genoegen! In alle gevallen, weer met voetzool-slagen!
--Toch niet! Den volgenden keer vliegen de kogels!
--Ook dat is mij goed. Ik ben ten volle overtuigd, dat wij elkaar nog zullen weerzien. Ik heb u leeren kennen en kan mij in u niet meer vergissen.
--O, gij kent mij nog lang niet!--dreigde hij.
--Dat zal later blijken. Ik weet zeer goed, dat gij enkele minuten na mij dit huis ook zult verlaten.
--Kan ik soms gaan?
--Neen, gij zult rijden.
--Man, gij weet alles! Maar indien gij werkelijk zoo slim zijt, als gij u voordoet, zeg mij dan ook eens, waar ik heen rijden zal.
--De anderen achterna.
--Waartoe?
--Om ze te zeggen, dat ik Karanirwan zoek. Groet ze van mij en zeg hun, dat zij een volgenden keer zich niet in water, maar zich zeker, in hun eigen bloed, zullen baden.
Osko hielp mij naar buiten. Daar stonden de paarden, en wij stegen op. Ook de wagen met Janik en Anka was voor de deur.
Het weinige, dat zij hadden, lag achter hen, en hun gezichten straalden van vreugd.
--Wij rijden eerst naar de plaats, waar de paarden verborgen zijn geweest, en komen u dan achterna!--riep ik ze toe.
De knecht, die er ons zou brengen, stond gereed. Wij gingen niet door het dorp, en in vijf minuten had hij ons op de plek gebracht en nam toen afscheid. Hem de hand reikende, vroeg ik, om de hoofdzaak niet te vergeten, hoeveel mannen van daar weggereden waren. Zij waren met hun vijven, maar alleen Manach el Barscha, den broeder van Habulam, kende hij. Ik liet mij de vier anderen beschrijven: Barud el Amasat, de oude Mubarek en de beide Aladschy's waren het geweest. De gewonde Mubarek had rechtop in den zadel gezeten; de oude moest werkelijk een nijlpaardennatuur bezitten.
Om mijn voet, wilde ik niet afstijgen en droeg aan de anderen op, de vele hoef-indrukken te onderzoeken.
--Waartoe moet dat dienen? vroeg Osko.
--Om de paarden te herkennen. Misschien komen wij in den onaangenamen toestand, niet zeker te weten, wie voor ons uit rijden. In dat geval is het van groot belang indien een der paarden iets eigenaardigs aan den hoef heeft, dat zich in het prent afdrukt. Wij kunnen dan altijd het paard aan dat teeken herkennen.
Het was een grasvlakte, waar wij ons op bevonden. In de schaduw van zeer vele reusachtige platanen stonden tallooze struiken en boompjes van kweeën, waartusschen de grond plat getrapt was. Sporen waren er dus genoeg, maar geen enkel, dat eigenaardig genoeg was om het later uit andere te herkennen. Onverrichter zake gingen wij dus weer op weg.
De regen had den grond zóó week gemaakt, dat het niets geen moeite kostte het spoor te volgen. Het leidde naar den weg, waarlangs men over Guriler en Kavadschinova naar Uskub komt. Ook op dien weg was het spoor duidelijk te zien, omdat er veel slik op lag en alleen ons wild dien bereden had.
Wij haalden den wagen van het gelukkige jonge paar al spoedig in, en toen wij nu niet meer gezien konden worden door de bewoners van Habulams vervallen slot, gaf ik ook de duizend piasters van Habulam zelf aan den verwonderden Janik, als huwelijksgeschenk. De goede jongen stribbelde wel tegen, om ook dit present nog aan te nemen, maar hij moest het eindelijk toch bij zich steken. Hij en zij waren onuitgesproken in hun dank. Wij hadden twee menschen gelukkig gemaakt, en dat woog rijkelijk op tegen de minder aangename uren die wij hadden doorleefd.
De weg lag zoo vol modder, dat wij slechts langzaam konden rijden. Geen stroompje zoo klein of het was buiten zijn oevers getreden. Gelukkig lachte boven ons een heldere hemel.
Halef trachtte mij op zij te komen, en begon:
--Gij wilt onze vijanden inhalen, Sihdi, zal ons dat gelukken?
--Neen, want ik heb besloten het niet te doen. Zoo lang ik meende dat onze vijanden naar Karanorman bij Weicza gingen en dat dus ook onze weg derwaarts leidde, achtte ik het in ons voordeel daar vóór hen aan te komen. Sedert het echter gebleken is dat ik mij heb vergist, weten wij niet waar wij heen moeten, en zullen derhalve hun spoor moeten volgen. Ik geloof echter, dat het mij al gauw zal gelukken te ontdekken, waar Karanirwan Khan ligt.
--In elk geval toch achter Uskub. Meent gij dat ook niet?
--Ja, want anders moest het tusschen hier en die stad liggen, wat ik voor hoogst onwaarschijnlijk houd.
--Is Uskub een groote stad?
--Volgens mijn schatting wonen daar nagenoeg dertig duizend menschen.
--Daar zullen wij het spoor der vervolgden wel kwijt raken.
--Stambul is nog veel grooter, en hebben wij daar niet gevonden wat wij zochten? Ik vermoed echter, dat wij in Uskub niet zullen komen, omdat onze lievelingen die stad wel zullen mijden. Het is voor hen daar te gevaarlijk. Gij moet niet vergeten, Halef, dat Manach el Barscha daar ontvanger is geweest. Hij is daar uit zijn ambt weggejaagd; het laat zich dus veronderstellen dat hij er iets misdadigs uitgevoerd heeft, reden waarom hij zich aldaar liefst niet zal vertoonen. Toch zou het kunnen, dat zij, ter wille van Mubarek, de stad zullen binnengaan om door een betrouwbaar arts diens wond te laten verbinden. Wij moeten op die mogelijkheid verdacht zijn. Het waarschijnlijkste is echter, dat zij in een wijden boog om Uskub heen rijden en aan gindsche zijde weer naar den weg van Kakandelen afslaan. Als mijn vermoeden mij niet bedriegt, dan moeten wij Karanirwan Khan, achter deze laatste plaats, in de eenzame dalen van den Schar Dagh zoeken.
Wij hadden nu de Kriva Rjeka bereikt, die zoo gezwollen was, dat het water de beide oevers overstroomde. Als de zijtakken van de Warda zulke watermassa's aanvoerden van de bergen, dan moest de hoofdrivier gevaarlijk stroomen. Het was volstrekt niet ongevaarlijk over de oude brug te gaan, die bijna onder stond en welker pilaren bedenkelijk zwiepten onder het geweld der opdringende golven. Het water stond aan beide zijden meer dan vijf- en zeventig centimeters op den weg. De geweldige buien van gisteren schenen over het geheele gebied van de Schar en de Kurbecska losgebarsten te zijn.
Wij bevonden ons nu in het midden van de, wegens haar vruchtbaarheid, beroemde vlakte van Mustafa, en bereikten, na een goed half uur, het dorp Guriler, dat aan een zijtak van de Kriva Rjeka lag.
Ook deze was buiten haar oevers getreden en scheen tamelijk veel onheil aangericht te hebben. De bewoners stonden buiten hun huizen in het water, zij werkten met alle macht, om ze in te dammen.
Om naar Uskub te komen, zouden wij onze richting tot Karadschi Nova moeten houden. De weg liep in een rechte lijn verder.
Hier, waar zooveel menschen over den weg waren gegaan, waren de sporen van die wij vervolgden, uitgewischt. Deze konden eerst weder aan gene zijde van het dorp te voorschijn komen. Maar toen wij het achter den rug hadden, waren er geen sporen meer te bekennen.
Voor zoover ik wist, was er geen tweede weg, die van hier naar elders leidde. Zouden zij, die wij zochten, zich misschien nog ergens in het dorp bevinden? Er was nog een kleine Konak in. Wij hadden een huis gezien, maar waren er voorbij gereden. Er bleef mij niets anders over, dan terug te rijden en navraag te doen.
Het huis stond zoo dicht aan 't water, dat dit bijna de deur bereikte. Een man was bezig er een dam voor op te werpen. Toen ik hem groette, dankte hij mij nauwelijks en keek mij slechts even zeer weinig vriendelijk, aan.
--Dat is geen welkome gast, die u is komen bezoeken,--zeide ik op het water wijzende.
--O, er zijn nog wel slimmer bezoekers,--antwoordde hij op stekelachtigen toon.
--Wat kan erger zijn dan watersnood en brand?
--Menschen!
--Ik wil hopen, dat gij daar geen ervaring van hebt opgedaan.
--Al meer dan mij lief is, en vandaag op nieuw.
--Vandaag? Zijt gij de bewoner van dit huis?
--Ja. Zoudt gij soms bij mij willen zijn? Ik heb u zien voorbij rijden. Waarom zijt gij teruggekeerd? Rij gerust door.
Hij leunde op zijn houweel en keek mij van ter zijde wantrouwend aan. De man had een open, eerlijk gelaat, en zag er niet als een menschen-hater uit. Zijn afwijzende houding moest een bizondere reden hebben, die ik giste. Daarom vroeg ik:
--Gij schijnt tegen mij ingenomen te zijn. Waarmede heb ik de onvriendelijkheid verdiend, waarmee gij mij antwoordt?
--Tschelebilik duzen kischunun dir, (hoffelijkheid is een sieraad van den mensch), dat is waar, maar er zijn personen, voor wie dat spreekwoord niet geldt.
--Meent gij, dat ik tot die menschen behoor?
--Ja.
--Dan zeg ik u, dat gij u grootelijks vergist. Men heeft mij bij u belasterd.
--Van waar weet gij, dat men van u gesproken heeft?
--Uit uw spreken leid ik dat af.
--Juist die argwaan zegt mij, dat men mij niet belogen heeft. Rij dus door! Ik heb niets met u te maken.
--Maar ik wel met u!
--Geef u geen moeite, ik ken u,--zeide hij met een verachtelijke handbeweging. Indien gij verstandig zijt, dan verlaat gij ons dorp. Gij zijt hier in een afgelegen streek, waar men u en de uwen te vreezen heeft, omdat men op geen hulp kan rekenen. Maar, zie dien man eens. Gij ziet dat ik mannen van den Padischa bij mij heb.
Een half en half als militair gekleede persoon was in de deurpost verschenen. Aan de gezichten was te zien, dat die twee broers waren. Ook hij leek mij iemand te zijn, dien men met geen vriendelijke praatjes moest aankomen.
--Wat is er? Wat wil die vreemdeling?--vroeg hij den huisheer.
--Ik weet het niet,--antwoordde deze. Ik begeer het ook niet te weten. Ik heb hem al gezegd, dat hij verder moest rijden.
--Dat zal ik ook doen,--antwoordde ik. Maar ik zoek eenig naricht in te winnen, en ik hoop, dat gij een beleefde vraag wel zult willen beantwoorden.
--Dat zullen wij doen, als uw vraag een zoodanige is, die men beantwoorden kan,--zeide de militair.--Ik ben Hekim askeri (officier van gezondheid) in Uskub en ben hier bij mijn broeder op bezoek. Dat wil ik u zeggen, voor gij iets vraagt.
Nu was mij alles duidelijk. Daarom vroeg ik:
--Er zijn van morgen vijf mannen te paard hier geweest?
Hij stemde het toe.
--De een was gewond en gij hebt hem verbonden?
--Zoo is het! Weet gij misschien, wie hem zoo gewond heeft?
--Ik zelf.
--Dus is het waar, wat deze menschen ons hebben verteld.
--Wat hebben zij dan verteld?
--Dat zult gij zelf beter weten dan wij. Als gij verder niets te vragen hebt, kunnen wij het gesprek wel afbreken.
Hij wendde zich van ons af.
--Halt, wacht nog even!--zeide ik. Ik kan mij voorstellen, dat men u belogen heeft; maar hoe, weet ik niet. Daar gij echter een militaire arts zijt, moet gij kunnen lezen. Zie dit papier eens in.
Ik haalde mijn Firman te voorschijn. Nauwelijks was zijn oog op het schrift en op het zegel gevallen, of hij maakte een diepe buiging en zei verbaasd:
--Maar dat is het schrift en het zegel van den Grootvizier! Zulk een document wordt alleen met bizondere vergunning van den Padischa gegeven.
--Juist! En ik ben blij dat gij dit zoo goed weet.
--En gij zijt de rechtmatige bezitter van dezen Firman?
--Ja; overtuig u door het signalement met mijn persoon te vergelijken.
Hij deed het, schudde het hoofd en zei tot zijn broeder!
--Het schijnt, dat wij dezen Effendi ten onrechte verdacht hebben. Hij is niet, wat men van hem gezegd heeft.
--Ik ben overtuigd dat men grove onwaarheid over mij verteld heeft,--voegde ik er bij. Misschien hebt gij de goedheid mij te zeggen, wat men wel van mij gezegd heeft.
--Gij zijt dus werkelijk een Effendi uit Alemanja, waar de groote Keizer Guillem regeert?
Toen ik dat toegestemd had, vervolgde hij:
--Hier hebt gij uw Firman terug. Men heeft ons werkelijk belogen; men heeft ons gezegd dat gij roovers waart.
--Zoo iets heb ik vermoed. Maar juist zij, die hier bij u geweest zijn, waren dieven en moordenaars.
--Zij gedroegen zich toch heel anders.
--Wat wonder! Zij hadden uw hulp noodig, en moesten dus wel stil zijn.
--En een was er bij, dien ik kende.
--Manach el Barscha?
--Ja. Hij was vroeger ontvanger van de personeele belasting in Uskub.
--Moet gij hem nog ontzien? Hij is toch afgezet!
--Ja, maar hij behoefde toch geen bandiet te worden!
--Toch is hij het. Hebt gij wel eens van de beide Aladschy's gehoord?
--Heel dikwijls. Het zijn twee struikroovers, die het gansche gebied van de Kerubi- en Bastrik-bergen, tot aan Dovanitza Planina onveilig maken. Men heeft tevergeefs getracht hen te vangen. Waarom vraagt gij naar die menschen?
--Omdat zij hier bij u zijn geweest. Hebt gij geen acht geslagen op de paarden van die vijf ruiters?
--Ja. Er waren twee sjekken bij, twee prachtige paarden die--
Hij zweeg op eens en keek verlegen mij aan. Zijn mond bleef open. Hij was tot besef van de waarheid gekomen.
--Welnu, vertel verder!--drong ik.
--Allah!--riep hij uit. Daar bedenk ik wat! Die twee struikroovers rijden sjek-paarden en worden daarom Aladschy genoemd.
--Nu, en wat volgt daaruit?
--Dat zij het waren, die hier in huis zijn geweest.
--Juist! Gij hebt de beide Aladschy's bij u ontvangen, en de drie anderen zijn even groote boeven.
--Dat had ik niet gedacht! En die bandieten hebben u er van beschuldigd. Zij vertelden, gij waart bergroovers (Kimesneler daghlarde) en ze beweerden, u in het Konak van Kilissely aangetroffen te hebben. Naar aanleiding van een twist, hadt gij op hen geloerd en geschoten. Ik heb den oude, die twee kogels in zijn arm had, verbonden.
In korte trekken vertelde ik, wat er voorgevallen was en vernam van hem, dat zij den weg naar Uskub waren opgegaan.
--Maar op den weg zijn hun sporen niet te zien,--merkte ik aan.
--Zij sloegen den weg naar Rumelia in. Naar hun meening was de groote weg te modderig. Tot Rumelia konden zij aldoor over grasvlakte rijden.
--Maar zij maken een grooten omweg, wat voor een gewonde nog al iets beteekent. Ik zeg u, dat zij in 't geheel niet naar Uskub willen gaan. Daar zouden zij gevaar loopen, opgepakt te worden. Zij vluchten voor ons. Daarom hebben zij u wat voorgelogen, opdat gij aan ons niet zoudt verraden, waarheen zij reden. Is de weg van hier naar Rumelia moeilijk te vinden?
--In 't geheel niet. Die loopt nog een klein eind langs de rivier en gaat dan rechtsaf. Gij zult de sporen van de vijf ruiters gemakkelijk vinden, want de weg is tamelijk zacht.
Nu nam ik afscheid en ging naar mijn wachtende metgezellen terug.
--Onze vluchtelingen gaan niet naar Uskub; zij zijn naar Rumelia gereden.