Chapter 30
Hij viel bijna in zwijm. Ik zag zijn knieën onder hem knikken. Hij was een groot misdadiger, maar een nog grooter lafaard.
--Wees barmhartig!--jammerde hij. Allah zal het u vergelden!
--Neen, Allah zou over mij toornen, indien ik zoo tegen zijn wetten handelde. En wat zouden Suef en Humun zeggen, wanneer ik u de straf schonk, die ik hen deed lijden.
--Op de plank met hem,--riep Suef.
--Geef hem de honderd,--viel Humun in.
--Gij hoort het!--zeide Halef.--Allah wil het, en wij willen het ook. Kom dus hier! Leg de ledematen op de bank, opdat wij u binden.
Hij vatte hem bij den arm, om hem neer te trekken. De bange oude wrong zich als een worm en jammerde als een kind. Ik wenkte Osko en Omar. Zij pakten aan en drukten hem op de bank.
--Houdt op, op, houdt op!--kreet hij. Ik moet er door dood gaan! Als ik bezwijk, dan zal mijn geest verschijnen en u aldoor verontrusten!
--Geef aan uw geest den goeden raad, bij mij niet te komen--plaagde Halef. Wanneer hij bij mij om een hoekje komt kijken, bijt ik hem den neus af.
Hoe hij ook tegenspartelde, hij werd toch gebonden. Zijn naakte knokkige voeten trokken alsof zij nu al de pijn der slagen voelden.
--Wie neemt den stok?--vroeg Halef.
--Gijzelf,--antwoordde ik.
Hij wilde daar tegen opkomen, maar ik wenkte hem, dat hij zwijgen zou, en hij begreep mij.
--Verblijd u, Murad Habulam,--zeide ik,--dat ik het ben, die u de straf oplegt. De honderd zullen zóó zijn, alsof het er duizend waren. Dat zal uw ziel van heel wat zonden ontlasten.
--Barmhartigheid, genade,--smeekte de oude. Ik wil de slagen afkoopen.
--Afkoopen?--lachte Halef. Gij steekt er den gek mee! De gierigheid is uw grootvader en de hebzucht is de moeder uwer voorouders.
--Neen, neen! Ik ben niet gierig; ik betaal alles, alles!
--Dat zal de Effendi niet toestaan; maar ik zou toch wel eens willen weten, hoeveel gij zoudt willen geven om aan die slagen te ontkomen.
--Ik geef u gaarne voor iederen slag een heelen piaster.
--Dus honderd piasters? Zijt ge dol? Van de honderd voetslagen die gij krijgt, hebben wij voor tien duizend piasters voldoening en gij voor tien duizend piasters pijn, met nog eens tien duizend reparatie-kosten van die oude beenen, als ze ooit te repareeren zullen zijn. Dat zijn er dus totaal dertig duizend. En gij biedt er ons honderd! Schaam u!
--Ik geef tweehonderd!
--Zwijg! Ik heb geen tijd om naar die vrekkige woorden te luisteren. Ik moet beginnen.
Hij ging bij de naar boven uitstekende voeten van den oude staan, deed alsof hij met den stok op de te raken plek mikte, en haalde schijnbaar voor den slag uit.
--Allahy fewersin, dôjme, om Godswil, sla niet!--steunde Habulam. Ik geef meer. Ik geef veel, veel meer!
Zeker was de heele geschiedenis, ja de gansche executie geen aesthetische vertooning: ook erken ik dat ik ze niet tot mijn stichting bijwoonde; maar ik verzoek mijn lezers niet van onchristelijkheid of barbaarschheid te spreken. Toegestemd dat de handeling op zich zelve minderwaardig genoemd zou kunnen worden, toch was zij volkomen gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin wij ons bevonden.
Wij bevonden ons niet in een geciviliseerd land; wij hadden met menschen te doen, die geboren en opgevoed waren onder de beklagenswaardige toestanden van Klein-Azië. En vóór alles houde men in het oog, dat deze menschen behoorden tot een wijdvertakte en hoogst gevaarlijke dieven-bende, die voor geen moord terug deinsde. In Constantinopel zelfs, en van daar af tot hier in Kilissely, hadden wij te doen gehad met sujetten, voor wie niets heilig was. Voortdurend waren wij in levensgevaar geweest, en ook nu nog loerde van alle zijden het verderf op onzen weg. Men had ons met veel overleg en huichelarij in dit huis gelokt, om ons, hoe dan ook, te vermoorden. Geen middel had men daartoe ontzien. Er was op mij geschoten, naar mij gestoken. Was het wonder, dat wij, die altijd door op ons qui vive moesten zijn en voor niets veilig waren, in een bittere stemming waren? In deze omgeving hadden wij op geen regeerings-hulp te rekenen; wij waren geheel op ons zelf aangewezen. Welke straf verdienden de aanslagen, tegen ons gedaan?
Was het een gruwel of bloeddorstig, deze goddelooze godvergeten schurken, die zich in onze handen bevonden, te straffen met een bastonnade, die zij naar 's lands wet hadden verdiend? Zeer zeker niet! Integendeel, ik ben overtuigd, dat wij al te zacht zijn opgetreden.
Dat wij den ouden Habulam, dien giftmenger, eenige benauwde oogenblikken lieten doorleven, wie zal ons dat euvel duiden? Ik had daarmede een goede bedoeling. En wat ik deed, moge in Europa strafbaar zijn, in deze streek stond ik boven de wet en deed wat de omstandigheden eischten.
--Gij wilt meer geven? vroeg Halef.--Hoeveel dan?
--Ik betaal driehonderd--en daar de Hadschi andermaal uithaalde om toe te slaan, voegde hij er ijlings bij--vierhonderd, vijfhonderd piasters! Ik heb niet meer dan vijfhonderd.
--Nu dan, als gij niet meer hebt, dan moet gij er bij nemen, wat onze toorn u wil schenken. Wij zijn werkelijk rijker dan gij. Wij hebben een voorraad stokslagen, groot genoeg om heel Kilissely er van te geven. Om u dat te bewijzen, willen wij allereerst mild zijn jegens u en tellen er u nog vijftig meer toe, zoodat gij er nu honderd vijftig krijgt. Ik vertrouw dat gij onze mildheid dankbaar zult erkennen.
--Neen, neen, ik wil er geen honderd vijftig! Ik wil er zelfs geen honderd!
--Ze zijn u echter beloofd, en daar gij zóó arm zijt dat gij maar vijfhonderd piasters over hebt, is er aan onze belofte niet te veranderen. Omar, kom weer tellen! Ik wil eindelijk beginnen.
Hij haalde uit en gaf den ouden schurk den eersten slag op den rechter voet.
--Allah kerihm!--gilde Habulam. Ik betaal zeshonderd piasters!
--Twee!--kommandeerde Omar.
De slag viel op den linker voet.
--Houd op, houd op! Ik geef achthonderd, negenhonderd, duizend piasters!
Halef wierp mij een vragenden blik toe, en liet, op mijn knikken, den reeds opgeheven stok weer zakken, zeggende:
--Duizend? Heer, wat beveelt gij?
--Dat zal van Habulam afhangen,--antwoordde ik. De vraag is, of hij duizend piasters baar heeft liggen.
--Ik heb ze. Ze liggen daar!--lichtte de oude toe.
--Dan kunnen wij er eens over denken.
--Wat valt daarover te denken? Gij krijgt het geld en kunt er vroolijk van leven.
--Dat hebt gij mis. Gesteld, dat ik zoo genadig ben, u de straf kwijt te schelden voor duizend piasters, dan worden die aan de armen gegeven.
--Doe er mee, wat gij wilt, maar laat mij los!
--Ter wille van de armen, voor wie dat geld bestemd is, zou ik misschien toegeven; mits gij nog op een andere voorwaarde ingaat.
--Nog een voorwaarde? O Allah, Allah! Moet gij nog meer geld hebben?
--Neen. Ik wil slechte dat gij Janik en Anka terstond uit uw dienst ontslaan zult.
--Wat graag! Hoe eer zij oprukken, hoe liever het mij is!
--Maar gij betaalt ze hun loon terstond en zonder eenige korting!
--Ze zullen alles hebben.
--Goed, maar èn aan hem èn aan haar geeft gij een zeer aanbevelend getuigschrift!
--Ook dat.
--Mooi! Zij verlaten uw huis, tegelijk met mij. Uskub ligt te ver van hier om er heen te loopen. Ook kunnen zij niet dragen, wat hun toebehoort. Daarom verlang ik, dat ze er heen rijden in den wagen, die ginds in de schuur staat.
--Wai sana! Daar denk ik niet aan!
--Zoo als gij wilt. Halef, ga voort! Geef den derden slag.
--Halt, halt!--gilde de oude, toen hij zag dat Halef uithaalde. Het is toch onmogelijk, hun den wagen te geven!
--Waarom?
--Zij zouden dien niet teruggeven.
--Janik en Anka zijn eerlijke menschen. Overigens kunt gij hen door de rechtbank tot teruggeven dwingen.
--Maar Uskub is te ver van hier!
--Hebt gij niet gezegd, dat uw vrouw op het oogenblik daar is?
Hij spartelde nog een poos tegen, maar eindelijk stond hij toch toe, dat Janik en Anka met zijn wagen en paard tot Uskub zouden rijden, waar deze aan zijn vrouw zouden afgegeven worden.
--Nu zijn wij het toch eindelijk eens?--vroeg hij met een diepen zucht.
--Nog niet. Gij moet mij een schriftelijke bekentenis geven van wat gij met ons hebt willen doen.
--Wat wilt gij met die bekentenis doen?
--Die stel ik aan Janik ter hand. Zoodra gij vijandig tegen hem optreedt, dient hij die bij de rechtbank in.
--Dat is mij te gevaarlijk!
--Halef, neem den stok!
--Wacht toch wat!--riep de oude. Bedenk toch, dat hij die bekentenis tegen mij gebruiken kan, ook wanneer ik in 't geheel niets tegen hem doe!
--En gij moogt bedenken, dat uw gevaar er niets grooter door wordt. Al uw dienstpersoneel, zooals het hier staat, heeft uw bekentenis gehoord. Zij allen weten, wat er voorgevallen is, en al spoedig zullen alle bewoners van deze streek weten, dat wij vermoord moesten worden, en dat gij een giftmenger zijt. Alle menschen zullen u verachten en mijden. Juist dit, wat u wacht, heeft mij doen besluiten u te sparen. Gij krijgt uw straf, zonder dat ik wraak neem. De schriftelijke bekentenis, die ik van u eisch, bespoedigt of verzwaart die straf niet. Bezin u dus niet lang, ik heb geen tijd.
Halef bevestigde mijn woorden, door met den stok over de gewonde voeten van den oude te kriewelen, alsof hij op nieuw zou beginnen. Dat werkte.
--Gij zult het papier hebben,--zeide Habulam. Maak mij dan nu los.
Het geschiedde, en hij werd onder toezicht van Halef en Osko naar zijn woning gebracht, waar hij het geld moest halen, als ook het schrijfmateriaal.
Hij strompelde zachtjes aan naar binnen, en zijn twee wachters gingen mee. De achteraf staande knechten en vrouwen fluisterden met elkaar. Een uit hun midden trad vooruit en zeide:
--Effendi, wij willen niet langer bij Habulam blijven; maar hij zal ons niet goedschiks laten gaan, en nu zouden wij u willen verzoeken, hem er toe te dwingen.
--Dat kan ik niet.
--Gij hebt het toch voor Janik en Anka in orde gebracht!
--Hun was ik dank verschuldigd. Zij hebben ons het leven gered. Gij waart de gewillige dienaren van de moordenaars.
--Dat is niet zoo, Effendi!
--Hebt gij dan niet op hun paarden gepast?
--Ja, maar wij hebben den ganschen nacht in den regen gestaan en wij verwachtten een fooi; toen de mannen echter weggingen, waren zij ontzettend boos en beloonden ons met eenige geduchte klappen.
--Wanneer zijn ze weggereden?
--Toen het even begon te schemeren.
--In wat richting?
--Zij volgden den Uskuber straatweg.
--Waar stonden hun paarden?
--Buiten het dorp, bij de Aiwa aghadschylar (kweeboomen).
--Als gij er mij heenbrengt, wil ik trachten uw ontslag te verkrijgen.
--Dan doe ik het graag.--Op dat oogenblik kwam Habulam met zijn twee begeleiders terug, Omar droeg papier, inkt en pennen. Halef kwam met een zak en zeide:
--Hier zijn de duizend piasters, Sihdi. Ik heb ze nauwkeurig geteld.
Ik stak den zak bij mij.
Habulam was naar Janik en Anka gestrompeld. Hij gaf beiden hun geld en zeide op grimmigen toon:
--Maakt dat gij wegkomt en geeft den wagen eerlijk terug. Ik zal dagelijks Allah bidden, rampen en tweedracht over uw huwelijk uit te storten.
Die woorden maakten den toorn van Janik gaande. Hij stak het geld bij zich en antwoordde:
--Gij vervloekt ons, maar zelf zijt gij een booswicht, zooals er geen tweede op aarde is. Ditmaal zijt gij den beul ontkomen, omdat de Effendi een Christen is en genade voor recht heeft laten gelden, maar de dag is nabij, dat uw geheele bende haar welverdiende straf zal ondergaan. Uw dagen zijn geteld, want uw aanvoerder zal vallen door de dapperheid van den Effendi.
--Laat hij hem maar zoeken!--zei Habulam hoonend.
--O, hij zal hem vinden; hij weet al, waar hij zit!
--Ah, weet hij dat werkelijk?
--Denkt gij, dat het ons niet bekend is? Ik zelf zal met hem meegaan naar Karanorman-Khan, om den Effendi bij te staan.
Daar was het woord er uit! Ik had den onvoorzichtige gewenkt; hij zag het niet. Ik wilde hem in zijn vloed van woorden stuiten, maar hij sprak te rad, dan dat het mij kon gelukken. En ik, die het geheim wilde houden, dat de naam mij bekend was!!!
Habulam luisterde aandachtig toe. Zijn gezicht had een zekere spanning.
--Kara--nor--man--Khan!--riep hij,--de beide lettergrepen, nor man afzonderlijk intoneerende. Wat is dit voor een plaats?
--Een plaats bij Weicza, waar uw aanvoerder zich ophoudt.
--Kara--norman--Khan! Ah, die is goed! Wat zegt gij er van, Suef?
Dat zeggende stiet hij een hoonend gelach uit.
De gewaande kleermaker had zich omgekeerd, toen hij den naam hoorde, en Janik scherp aangezien. Op de vraag van Habulam barstte hij in lachen uit, en antwoordde:
--Neen maar! Die is prachtig! Laten zij er heengaan en hem zoeken. Ik zou er wel eens bij willen zijn, om te zien, wat voor gezichten zij trokken, als zij den aanvoerder daar vonden.
Deze houding verraste mij. Ik dacht, zij zouden schrikken, en... zij lachten mij uit. Het was aan hen te zien en te hooren, dat zij niet veinsden. Daaruit wist ik met zekerheid, dat de aanvoerder zich niet te Karanorman Khan bevond.
Maar ik had toch op het papiertje gelezen, dat Barud el Amasat daar ter plaatse besteld was. Of was er een plek, met een gelijksoortigen naam?
Dat vermoeden kon ik thans niet verder uitwerken. Ik had mijn tijd noodig om te schrijven. Dat deed ik op Oostersche manier, namelijk op mijn knie. De anderen hielden zich stil, om mij niet te storen.
Murad Habulam had zich naast Suef gezet, en zij beiden fluisterden met elkaar. Wanneer ik bij wijlen van ter zijde opkeek, merkte ik op, dat zij zich boosaardig vroolijk over ons maakten. En die stille vroolijkheid ging eindelijk in luid gegrinnik over. Die onbeschoftheid ergerde mij.
--Ga naar de schuur, en span het paard voor den wagen, beval ik Janik. Laad uw goed op, wij vertrekken al gauw.
--Zal ik onze paarden voorbrengen?--vroeg nu Halef.
--Nog niet. Maar ga nog eens naar den toren. Ik heb gezien dat daar nog stukken zijn van de vergiftigde ommelet, brokken waarvan de doode musschen hebben gegeten. Zamel die voorzichtig bijeen; misschien hebben wij ze nog noodig.
De kleine scherpzinnige Hadschi begreep mij terstond en zeide duidelijk:
--Ik heb ook nog het peperhuisje met rottekruid, dat wij onzen vriendelijken gastheer Habulam afnamen.
--Dat is probatum. Habulam schijnt zich over ons vroolijk te maken; ik zal er voor zorgen, dat hij wat ernstiger wordt.
Halef, Janik en Anka verwijderden zich. De eerste kwam terug, toen ik met mijn schrijverij gereed was. Hij had een verzameling grootere en kleinere stukken,--voor een scheikundige onderzoeking meer dan voldoende.
--Effendi, wat wilt gij met die dingen doen?--vroeg Habulam, nu niet meer lachende.
--Ik breng ze te Uskub naar den apotheker van de politie, om te laten uitmaken, dat er uit dit vergift-zakje in de ommelet gedaan is.
--Maar het is toch nu volkomen onnoodig om dat te laten uitmaken!
--Volstrekt niet. Ik wil daarmee een eind maken aan uw onbeschaamd gegrinnik.
--Wij hebben niet gelachen!
--Lieg niet! Gij maakt daarmee de zaak slechts erger.
--Wij moesten over dat Karanorman Khan lachen.
--Waarom?
--Omdat wij het in 't geheel niet kennen.
--Is dat een reden om zoo te grinniken?
--Neen, maar Janik sprak van een hoofdman, van wien wij niet het minste weten, en de plaats Karanorman kan ons nog minder schelen.
--Zoo....? Gij weet dus niets van den Sjoet af?
--Neen--antwoordde hij, ofschoon hem een beweging van schrik ontsnapte, toen ik dien naam noemde.--Ik ken noch hem noch de plaats, waarvan gij hebt gesproken.
--Kent gij dan ook geen plaats, met een soortgelijken naam?
Ik keek hem scherp aan. Hij kuchte en slikte, sloeg de oogen neer en antwoordde:
--Neen, ik ken er zoo geen een.
--Zie, ik merk weer aan u dat gij liegt. Gij kunt u niet zoo goed houden, als noodig is om mij van de wijs te brengen. Wij willen toch eens zien, hoe ver wij het met uw geheugen brengen.
Ik haalde mijn portefeuille te voorschijn. In een der vakken was het briefje, dat Hamud el Amasat aan zijn broeder Barud el Amasat had geschreven en dat in mijn handen was gevallen. Ik nam het er uit en bekeek het op nieuw met alle opmerkzaamheid.
Met de gedachte, dat het woord Karanorman Khan onduidelijk kon geschreven zijn, had ik het nog niet bekeken, en daarom had ik steeds geloofd, het goed gelezen te hebben. Maar nu viel mijn oog nauwelijks op den bewusten naam, of ik wist, waar ik aan toe was.
Het Arabische schrift heeft namelijk geen letters voor de vokalen; deze worden meer door de zoogenaamde Hareket (leesteekens) aangeduid. Dat zijn streepjes of haakjes, die boven of onder de bijbehoorende consonanten worden gesteld. Zoo beteekent b.v. een streepje (--), dat Ustum of Esre genoemd wordt, a of e, wanneer het boven een consonant of medeklinker staat. De zoogenaamde Oeturu, een haakje, zooals dit: ' staande boven een letter, beteekent o of u of te wel ö of ü. Er kan dus, vooral bij onduidelijk schrift, allicht een verwisseling voorkomen. Dat was ook mij bij het lezen van het briefje gebeurd.
Ik had namelijk een klein zwart plekje op het papier voor een Oeturu gehouden en een dwarsstreepje onder de letter niet opgemerkt, omdat het zóó klein was uitgevallen dat het nauwelijks te zien was. Er moest dus geen o, maar een i gelezen worden. De naam luidde alzoo niet Karanorman, maar Karanirwan Khan. Want de schrijver had ook door slordig schrift, de figuur van de W aan die van de M gelijk gemaakt.
Toen ik van het briefje opzag, bemerkte ik tot mijn verwondering, dat Habulam met gretige oogen er naar tuurde.
--Wat hebt gij daar, Heer?--vroeg hij.
--Een briefje, zooals gij ziet.
--Ja, maar wat staat er op dat papier?
--Wel, ik lees er den naam Karanorman Khan op.
--Mag ik even zien?
Kende hij Hamd el Amasat? Was hij bekend met het geheim dat wij naspeurden? Dan zou hij ongetwijfeld het briefje willen vernietigen. Maar neen, dat zou hem niets baten, daar ik den inhoud immers kende!
Het leek mij dus meer geraden toe, hem het briefje te laten zien. Wanneer ik hem dan tevens scherp gadesloeg, kon ik wellicht door de uitdrukking op zijn gezicht, tot eenige gevolgtrekking komen.
--Hier hebt gij het,--zeide ik. Maar pas op, want ik heb het nog noodig.
Hij nam het papier en bekeek het. Ik zag, dat hij verbleekte. Tegelijk hoorde ik een zacht, maar beteekenisvol keelgeschraap van Halef. Er was iets, waarop hij mijn aandacht wilde vestigen. Zonder eenig merkbare beweging keek ik naar zijn kant en hij wenkte mij, dat ik op Suef moest letten. Toen ik nu mijn oog, even snel als onverschillig, naar den aangeduide liet dwalen, zag ik, dat hij zich ter halve hoogte, op één knie oprichtte en het voor hem belangrijke trachtte te zien en te hooren. Zijn oogen waren strak op Habulam gericht, en zijn gelaat was in de grootste spanning om toch geen toon of teeken zich te laten ontgaan.
Toen werd het mij duidelijk, dat die twee van dat briefje meer wisten, dan ik had kunnen vermoeden, en nu speet het mij, dat ik van mijn spoedig weggaan had gesproken. Had ik nog langer hier kunnen blijven, dan was het mij misschien mogelijk geweest, hun betrekking tot den Shoet te weten te komen. Daar was, helaas, nu niets aan te veranderen.
Intusschen was Habulam tot bezinning gekomen. Hij schudde met het hoofd en zeide:
--Wie zou dat kunnen lezen? Ik niet. Dat is geen taal!
--Toch wel!--antwoordde ik.
--Ja, lettergrepen zijn het, maar die vormen geen woorden!
--Zoo als zij volgen, behooren ze ook niet bij elkaar. Leest men ze in een andere volgorde, dan krijgt men een duidelijken zin.
--Kunt gij dat?
--Zeker.
--Doe het dan eens!
--Gij schijnt veel belang te stellen in dit briefje.
--Omdat ik niet geloof, dat iemand het lezen kan en gij het tegendeel beweert. Voeg de lettergrepen juist bijeen en lees mij voor, wat er geschreven is.
Op het papier ziende, maar tevens hem en Suef scherp waarnemende, zeide ik:
--De woorden, uit de verspreide lettergrepen gebouwd, luiden: IN PRIPEH BESTE LA KARANORMAN CHAN ALI SA PANAJIR MENELIKDE. Verstaat gij dat?
--Slechts enkele woorden.
Ik had verstaanbaar gelezen, zooals een plotselijke trekking op zijn gelaat verried. Suef was verschrikt tot zijn loerende houding teruggedoken. Ik wist nu waar ik aan toe was, en zeide:
--Het is een menging van Turksch, Servisch en Rumeensch.
--Maar waartoe die menging? Waarom heeft de schrijver zich niet van een enkele taal bediend?
--Omdat de inhoud van dit briefje niet voor jan-en-alleman bestemd is. De Shoet en zijn bondgenooten hebben onder elkaar een geheimschrift. Zij ontleenen hun woorden aan de drie genoemde talen en zetten de lettergrepen wel naar een vasten regel van elkaar, maar toch schijnbaar zoo door elkaar, dat een oningewijde hun schrift niet kan lezen.
--Scheitan, duivel!--kwam zachtjes over Suefs lippen.
Hij was zich toch niet geheel meester kunnen blijven, verrast als hij werd, door mijn bekendheid met hun geheimschrift. Zijn uitroep zeide mij, dat ik volkomen juist had vermoed.
--Maar gij hebt het kunnen lezen!--wierp Habulam mij tegen terwijl zijn stem van innerlijke ontroering beefde.
--Dat ziet ge.
--Dan zijt ge een eedgenoot van den Shoet?
--Gij vergeet, dat ik een Westerling ben.
--Gij wilt zeggen, dat gij slimmer zijt dan wij?
--Ja.
--Heer, dat is nog al stout gesproken!
--Het is volkomen waar. Voor u is dit geheimschrift voldoende, maar omdat het zoo dom verzonnen is, is het gemakkelijk te ontcijferen.
--Maar wat beteekenen dan die voor mij onbegrijpelijke woorden?
Hij wilde zich alleen overtuigen, of ik ze al dan niet begreep, want hij zelf had ze zeer goed kunnen lezen.
--Ze zeggen: "Zeer spoedig bericht in Karanorman Khan, maar na de jaarmarkt in Menelik."
--Dus moet het heusch zoo gelezen worden?--vroeg hij met kinderlijke verwondering. Is dit briefje voor u zoo belangrijk, dat gij mij waarschuwen moest het niet weg te laten gaan?
--Ja, want ik zoek den Shoet en hoop hem met behulp van dit briefje te vinden.
--Gij waart dus op de jaarmarkt te Menelik en wilt nu naar Karanorman Khan?
Ik beaamde dit terstond en zóó onbevangen, dat hij mij wel houden moest voor iemand die zich gaarne liet uithooren. Hij viel in den strik en informeerde verder:
--Maar wie heeft toch dit briefje geschreven?
--Een kennis van u, en wel Hamd el Amasat. Hij is de broer van Barud el Amasat, die nog dezen nacht bij u in huis is geweest.
--En toch heb ik nog nooit over hem hooren spreken. Waar hangt hij dan uit?
--Hij was betrokken bij de zaak van den handelaar Galingré in Skutari. Maar nu is hij niet meer bij hem. Hij wilde naar den Shoet, bij wien hij met zijn broeder Barud overleggen wil.
--Hoe weet gij dat?
--Het briefje zegt het mij.
--Effendi, gij hebt een scherp verstand. Wat gij mij van uw boozen blik hebt verteld, moest alleen dienen om mij in de war te brengen. Gij bezit den boozen blik in 't geheel niet. Uw scherpzinnigheid heeft u alles gezegd. Vermoedelijk zult gij ook nog wel dat Karanorman Khan vinden, dat gij zoekt.
--Ik heb het al gevonden.
--O neen! De plaats door u genoemd is de rechte niet.
--Habulam, gij hebt daar een groote domheid begaan.
--Ik zou niet weten, welke, Effendi!
--Gij hebt u zelf gelogenstraft. Eerst hebt gij beweerd, den Shoet niet te kennen, en nu hebt gij toegegeven, dat gij weet waar hij woont.
--Ah! geen woord heb ik gezegd.
--Toch wel! Gij hebt mij gezegd, dat de Karanorman Khan bij Weicza niet de plaats was, waar hij woonde; bij gevolg moet gij zijn ware woonplaats weten.
--Heer, dat is maar een vermoeden, een ongerechtvaardigde gevolgtrekking van u.
--Ik ben overtuigd, dat ik een zeer juiste gevolgtrekking heb gemaakt.
--Laat het voor het oogenblik zoo zijn, dan kunt gij nog niet beweren, dat gij het ware Karanorman Khan gevonden hebt. Gij weet alleen nog maar dat de plaats door u genoemd, de ware niet is.
Hij zette een gewichtig gezicht, als een meerdere in wetenschap. Hij had een zeer vertrouwelijken toon aangeslagen, en daar ik schijnbaar argeloos antwoordde, had een oningewijde kunnen denken, dat wij de beste vrienden waren en over een onverschillig onderwerp gemoedelijk keuvelden. Hij legde nadenkend den vinger op den neus en zeide: