Door het land der Skipetaren

Chapter 29

Chapter 294,213 wordsPublic domain

De knecht, een lange sterke kerel, ging naar de bank, nam de rottan-stokken, door de dienstbode meegebracht, en liet ze welgevallig zwiepen.

Murad Habulam nam een trotsche overmoedige houding aan, kuchte en begon, zich tot mij wendende:

--Uw naam is Kara Ben Nemsi?

--Zoo noemt men mij hier,--antwoordde ik.

--Gij zijt de Heer en Gebieder van dezen Hadschi Halef Omar, die naast u staat?

--Niet zijn gebieder, maar zijn vriend.

--Dat komt op hetzelfde neer. Bekent gij, dat hij mij geslagen heeft?

--Ja.

--En ook Humun, mijn dienaar?

--Ja.

--Daar gij het bekent, behoef ik hem niet te ondervragen. Weet gij, hoeveel slagen hij Humun gegeven heeft?

--Ik heb ze niet geteld.

--Het waren er minstens twintig,--riep Humun.

--Goed. Ik heb er wel is waar maar een gekregen, maar----

--Jammer genoeg!--viel Halef hem in de rede.--Ik wou, dat gij er dubbel zooveel als Humun gekregen hadt!

--Zwijg!--beval Habulam met donderende stem.--Gij moogt slechts spreken als u iets gevraagd wordt. Wees Allah dankbaar, dat hij u verhinderd heeft mij nog een tweeden slag te geven. Ik ben hier Heer en Gebieder, en iedere slag, die men mij geeft, telt voor dertig. Dat maakt, met de twintig van Humun, vijftig die gij op uw voetzolen zult ontvangen. Kom naderbij en trek uw schoenen uit!

Bejaz, de knecht, nam de touwen, waarmee Halef op de bank zou gebonden worden. Ik zag naar mijn makkers. Het was een lust om te zien, hoe kalm en vastberaden zij mij aanzagen.

--Kom, vlug!--gebood Habulam. En daar Halef zich niet verroerde beval hij Bejaz:

--Vooruit en haal hem!

De knecht trad op Halef toe. Deze trok een van zijn pistolen uit zijn gordel, en legde aan, terwijl hij met zijn duim de beide hanen overhaalde. Verschrikt sprong Bejaz op zij en riep in grooten angst:

--O, Allah! Heer, de man schiet! Haal hem zelf!

--Lafaard!--antwoordde Habulam. Ge zijt een reus van een kerel en gij zijt bang voor zoo'n dwerg?

--Neen, niet voor hem, maar voor zijn pistolen.

--Hij mag niet schieten. Op, mannen! Grijpt hem! Brengt hem hier!

De dienstknechten keken elkaar bedenkelijk aan. Zij waren bang voor den Hadschi. Een echter bewees dat hij durfde. Dat was Suef, de kleermaker. Hij haalde een pistool uit zijn zak, terwijl wij vroeger zoo'n wapen niet bij hem hadden opgemerkt, en hij trad toe, tot Bejaz zeggende:

--Doe uw plicht! Als hij zijn pistool opheft, schiet ik hem neer!

Gisteren nog was die persoon het meest vredelievende en ongevaarlijkste kleermakertje en nu teekende zijn gezicht een uitdrukking van zoo intensen haat en vastberadenheid, dat andere menschen als wij er niet zonder reden bang voor zouden geworden zijn.

--Gij, kleermaker, gij wilt schieten?--zei Halef lachende.

--Zwijg! ik ben geen kleermaker. Wat hebt gij, vreemdelingen, hier bij ons te maken? Gij wilt ons verhinderen, te handelen, zooals wij dat willen, en gij zijt dom genoeg om mij voor een kleermaker aan te zien! Als gij wist, wie en wat ik ben, gij zoudt sidderen van angst. Maar gij allen, gij zult mij leeren kennen, en met u zal ik beginnen. Als gij niet terstond naar de bank gaat en daar uw schoenen uittrekt, dan zal ik u leeren gehoorzaam te zijn!

Dat was inderdaad ernstig gemeend. Halef keek hem schuins aan, nam zijn pistool in de linkerhand, waaruit ik begreep wat hij zou doen, en vroeg hoogst vriendelijk:

--En, als ik u vragen mag, hoe zoudt gij dat doen?

--Zoo, op deze manier!

Suef strekte den arm, om den Hadschi in de borst te grijpen, maar deze haalde bliksemsnel uit en gaf hem een zóó geweldige oorvijg, dat de man zijn pistool liet vallen en hals over kop tegen den grond sloeg. Voor hij tijd had om op te staan, zat Halef, die terstond zijn pistool bij zich had gestoken, geknield op hem, en bewerkte hem met zijn vuisten, zoo treffend en ongelooflijk vlug, dat de man geen tijd had om aan tegenweer te denken.

Habulam was van zijn plaats opgesprongen en brulde van woede. Humun gesticuleerde als een razende, maar waagde het niet, Suef ter hulp te komen. Het dienstpersoneel schreeuwde moord en brand, maar bleef op eerbiedigen afstand. Het was een helsch kabaal, tot Halef eindelijk opstond.

Suef hinkte naar de plek, waar zijn pistool te land was gekomen, maar de Hadschi was hem te vlug af en schopte het weg, zoodat het tegen mijn stoel vloog en daar bleef liggen. Suef sprong het achterna om het op te rapen en kwam zoodoende binnen mijn bereik. Juist toen hij bukte, vatte ik hem bij zijn nek en haalde hem omhoog. Mijn greep had ten gevolge dat hij z'n armen slap liet hangen en angstig naar lucht hapte. Osko raapte het pistool op en stak het bij zich. Ik gaf den kleermaker een slag, met mijn linkerhand, op zijn hoofd en zette hem op den grond voor mij neer.

--Hier blijft gij zitten, en verroert u niet,--beval ik hem. Zoodra gij de minste mine maakt, om zonder mijn verlof op te staan, knijp ik uw hersenpan, als een eidop te gruizel.

Hij liet zijn hoofd en armen zakken, en bewoog zich niet. Alle aanwezigen schreeuwden en gilden nog om het hardst.

--Neem uw zweep, Halef, en breng den boel tot bedaren!

Nauwelijks had ik het gezegd, of de zweep van den kleine streelde allergevoeligst Habulams rug. De oude schurk was terstond stil, ook Humun zweeg, en de anderen volgden oogenblikkelijk zijn voorbeeld.

--Ga daar zitten!--gebood ik, op strengen toon, onzen rechter en hij gehoorzaamde.

--Weg daar van de deur!--gebood ik den knechten.--Gaat in gindschen hoek en blijft daar staan, tot ik u zeg, dat gij gaan kunt.

Zij haastten zich te gehoorzamen. Wij hadden nu niemand meer achter ons en konden alles en allen overzien.

Blijkbaar wist Habulam niet wat hij zeggen of hoe hij zich houden moest. Fronsend wendde hij zich naar alle kanten, van den een naar den ander. Hij had de vuisten gebald en de lippen stijf op elkaar. Eindelijk opende hij den mond om in toorn tegen mij uit te varen.

--Zwijg, anders krijg je weer met de zweep!--riep ik hem toe. Nu is het mijn beurt. Denkt gij soms, dat wij u hier zijn komen zoeken, om ons de zolen door u te laten stuk slaan? Verbeeldt gij u dat wij personen zijn, die gij oordeelen of beoordeelen moogt? Wij zullen u vonnissen en dat voltrekken. Gij hebt de bastonnade-bank hier laten brengen, en wij zullen er ons van bedienen.

--Wat krijgt gij in uw hoofd. Wilt gij mij hier in mijn eigen huis----

--Stil--viel ik in. Als ik spreek, moet gij zwijgen. Uw huis is een moordenaarshol, en denkt gij dat----

Ook ik werd nu gestoord en gestuit. Osko gaf een schreeuw en vloog op den pseudo-kleermaker af. Maar ofschoon ik Humun meer bizonder in het oog hield, toch was mij de verdachte beweging van Suef niet ontgaan. Hij was inderdaad een hoogst gevaarlijk sujet.

Hij was de eenige die het gewaagd had om naar de wapens te grijpen. Nu kon hij gelooven, dat ik geen acht op hem sloeg. Hij had, met zijn rechterhand in den binnenzak van zijn vest gegrepen en een mes er uit gehaald. Bliksemsnel opspringende, wilde hij mij het blank geslepen lemmet in de borst stooten; maar het gelukte hem niet. Osko had hem nog te rechter tijd bij de gewapende hand gegrepen, en ook ik hem bij zijn strot gepakt.

Halef was ook terstond bij mij en wrong den andermaal overweldigde het mes uit de hand.

--Doorzoek alles wat hij aan heeft en op zijn lijf kan hebben, terwijl ik hem vast heb!--zeide ik.

Hij deed het en haalde een geladen tweeloops pistooltje, allerlei kleinigheden en een welgevulden geldzak voor den dag, dien hij opende, vragende:

--Ziet gij al die goudstukken? En die kerel deed zich voor, als een arme, die de dorpen afreisde en als kleermaker met moeite zijn brood verdienen kon! Dit geld is niet verdiend, maar zeker gestolen of geroofd. Wat zullen wij er mee doen?

--Doe het weer in zijn zak. Het komt ons niet toe; maar de wapens nemen wij hem af, opdat hij er geen onheil mede aanrichte.

Ik zette den kerel weer op den grond. Hij knarste van woede op zijn tanden. Wie en wat was hij eigenlijk? Als wij het hoorden, zouden wij van angst sidderen,--had hij gezegd. Ik moest hem voor ons onschadelijk maken en om dat gedaan te krijgen, behoefde ik geen gelijk met gelijk, geen moord met moord te vergelden. Een gevoelige straf moest hij hebben, een straf die hem tevens buiten staat zou maken, zich vooreerst met ons te bemoeien.

--Halef, Osko, Omar, bindt hem daar op de bank!--was mijn besluit.

De kerel had zich gehouden, alsof hij volkomen machteloos was geworden door mijn hem vastgrijpen bij zijn strot, maar nauwlijks had ik bevolen hem op de bank te binden of hij vloog op, was met twee sprongen bij Habulam, trok hem te gelijk mes en pistolen uit den gordel, wendde zich naar mij om en riep:

--Mij bastonneeren! Dat is het laatste woord, dat gij gesproken hebt!

Hij lei op mij aan, de haan knakte en het schot knalde. Ik had ter nauwer nood tijd, om met alle kracht, die mij ten dienste stond, mij op zij te werpen, zoodat ik met stoel en al om en op den grond viel. Ik was niet getroffen, maar zooals bleek, de kogel was tusschen Janik en Anka, die achter mij stonden, doorgevlogen en in de deur te recht gekomen.

Hoe ik het gedaan heb, met mijn voet in gips-verband, weet ik ook nu nog niet; maar ik had nauwlijks den grond geraakt, of ik vloog overeind en op den moordenaar af, niet met een sprong, neen, met een echten salto mortale duikelde ik over mijn handen weg. Juist waar de kerel stond, kwam ik neer, pakte den schurk met beide handen en viel met mijn aldus gevangene neer.

Murad Habulam en de zijnen stonden van schrik verstomd, onbeweeglijk en zonder geluid. Suef lag onder mij. Mijn knieën hield ik dwars op zijn schouders en zijn hoofd drukte ik achterover. Het afgeschoten pistool, dat gelukkig eenloops was, hield hij nog in de hand en in zijn rechter het mes. Dit zou mij gevaarlijk hebben kunnen worden, maar Halef met zijn onverstoorbare tegenwoordigheid van geest, knielde reeds naast mij en had de hand met het mes gegrepen.

--Osko, hier!--riep hij.--Op de bank met hem, zoodat hij geen vin meer kan verroeren!

In minder dan geen tijd was Suef op de bank gebonden, zooals dat voor de bastonnade noodig was. Janik bracht mijn stoel, en ik zette mij.

--Ziet gij nu wel, dat uw huis werkelijk een moordenaarshol is, zooals u daar straks gezegd is?--zeide Halef tot den oude op hoogen toon. Was onze Effendi niet zoo gewoon aan den strijd, had hij niet zooveel tegenwoordigheid van geest, dan lag hij nu dood voor den grond. Maar dan hadt gij eens wat gezien! Nu is alleen ons geduld ten einde. Nu zult gij ondervinden, wat het zeggen wil, op ons te schieten en ons vergiftigde spijzen voor te zetten!

--Daar weet ik niets van,--beweerde de oude.

--Zwijg! Straks komt de beurt aan u. Wij beginnen nu met dezen ellendeling. Hij heeft ons naar dit moordhol gebracht. Hij heeft geweten, dat men hier ons vermoorden zou. Sihdi, hij heeft naar u gestoken en op u geschoten, bepaal wat er met hem gebeuren zal! Zijt gij niet van oordeel dat hij den dood verdiend heeft?

--Ja, hij heeft den dood verdiend. Maar wij willen hem laten leven. Het zou kunnen zijn dat hij nog een ander mensch werd. Om hem tot die verandering aan te sporen, zal hij de bastonnade krijgen, die u toegedacht was.

--Hoeveel slagen?

--Dertig.

--Dat is te weinig; hij moest er vijftig hebben.

--Dertig is genoeg.

--Dan mogen ze ter dege raak zijn. Wie zal ze hem toedienen?

--Natuurlijk gij. Gij hebt er u op verheugd, Halef!

Ofschoon hij bij sommige gelegenheden dolgraag met zijn zweep te werk ging, toch verwachtte ik dat hij dit werk beneden zich zou achten. Ik had mij in mijn braven knaap niet vergist, want hij zei, zich trotsch afkeerende:

--Dank u, Effendi! Wanneer het er op aankomt respect in te boezemen met mijn zweep, dan ben ik bereid, maar een beulsknecht wil ik niet zijn. De zweep is een teeken van heerschappij; haar hanteer ik, maar geen stok. Een beul voltrekt een vonnis, en dat ben ik niet en wil het niet zijn.

--Goed gezegd! Bepaal dan zelf, wie het doen zal.

--Dat doe ik met genoegen. Het liefst zie ik, dat vrienden en kameraden elkander geven wat ieder hunner toekomt. Humun is de bloedsbroeder van den kleermaker. Hij mag hem de dertig slagen geven als een bewijs van hoogachting en broederliefde.

Die aanwijzing had mijn volle instemming. Ik toonde het door een vriendelijk knikje, wat ten gevolge had, dat Halef zich tot Humun wendde:

--Hebt gij gehoord, wat wij zeiden? Kom dus nader en stort over uw genooten de weldaden uit van de gerechtigheid!

--Dat doe ik niet!--luidde 's mans weigering.

--Dat kan u geen ernst zijn. Ik raad u, denk aan u zelf. De dertig worden uitgeteld. Als gij ze hem niet geeft, krijgt gij ze zelf. Dat beloof ik u bij den baard van mijn vader. Vooruit dus! Draal niet of ik leer u, hoe te beginnen!

Humun begreep, dat hij er niet aan ontkomen kon. Hij ging naar de bank en nam een van de stokken op. Het was hem echter aan te zien, dat hij van plan was geen scherpe scherprechter te zijn. Daarom waarschuwde Halef hem:

--Maar ik zeg u, telkens als gij, naar mijn oordeel te zacht slaat, krijgt gij er een met mijn zweep. Doe dus uw uiterste best! Osko, vraag de zweep van den Effendi en ga aan de andere zijde van dezen al te zachtzinnigen man staan! Zoodra ik mijn Kurbatsche op hem laat neerdalen, doet gij hetzelfde met de uwe. Dat zal hem opwekken, om onze tevredenheid gaande te houden. Omar mag tellen en commandeeren.

Humun bevond zich in een pijnlijken toestand. Hij zou Suef gaarne gespaard hebben, maar rechts van hem stond Halef, links Osko, met de zweep in de hand! Hij was dus zelf in dreigend gevaar en zag in, dat hij gehoorzamen moest. In allen geval was het niet voor het eerst, dat hij dat werk deed; men zag het terstond aan de manier, waarop hij den stok even op de plek legde, die hij wilde raken.

Suef zei geen woord. Bewegen kon hij zich niet. Maar als de blikken, die hij ons toewierp, lemmetten waren geweest, had hij duizend dooden doen sterven.

Murad Habulam wendde het oog niet af, van wat er gebeurde. Zijn lippen trilden van beving! Telkens scheen hij te zullen spreken, maar telkens bedwong hij zich. Maar toen Humun den eersten haal deed, kon hij zich niet langer inhouden; hij riep:

--Houd op! Ik beveel 't!

--Zwijg! Geen woord meer!--gebood ik. Ik wil u genadiger behandelen, dan gij het met ons van zins waart; maar zegt gij nog een enkel woord zonder mijn vergunning, dan neem ik u mee naar Uskub en lever u over aan 't gerecht. Wij kunnen bewijzen, dat gij ons hebt willen vermoorden, en als ge soms denkt dat na onze verwijdering de rechters van dit land u zullen vrij laten, dan maak ik er u opmerkzaam op, dat in Uskub vele Balioslar (Consuls) zijn, die de macht hebben de strengste straffen voor u te vorderen. Wees dus verstandig en zwijg!

Als een, wien alle moed ontzinkt, zonk hij ineen. Hij kende de macht der hem genoemde Balioslar van de Mogendheden en was er bang voor; daarom zeide hij nu ook geen woord meer.

Suef kreeg zijn dertig slagen. Hij beet de tanden op elkaar en gaf geen enkel geluid, behalve dat van zijn knarstanden. Zoodra Humun de eerste bloedige striem zag, scheen hij er niet meer aan te denken, dat hij Suef had willen sparen. Er zijn menschen bij wie, door het zien van bloed, de bloedgierigheid komt. Wilden schijnen er dronken van te worden.

Ik had terstond bij den eersten slag, mijn oogen dicht gedaan. Het is allesbehalve aangenaam, een executie bij te wonen; maar ik verbeeldde mij nu, dat ik het aan Vrouwe Justitia en aan de menschheid verschuldigd was, hier geen genade te oefenen, en het vervolg heeft geleerd, dat Suef deze tuchtiging rijkelijk verdiende.

Hij had geen geluid gegeven; maar nauwelijks was de laatste slag gevallen, of hij riep:

--Raki, raki tabanlar Uzerinde dokyn, tschapuk, tschapuk,--raki, raki op mijn voeten, vlug, vlug!

Nu waagde Habulam het, om te spreken. Hij beval Anka, raki te halen. Zij bracht een flesch vol, Humun nam ze en stak allereerst hem den hals in den mond. Suef slikte een paar teugen, waarna het bijtende vocht in de wonden werd gegoten. Hij liet niets als een sterk gesis door zijn tanden hooren. Die man moest zenuwen van ijzerdraad hebben. Of had hij de hem toegediende straf reeds zóó dikwijls gekregen, dat zijn zenuwen er grootendeels aan gewend waren?

Hij werd van de plank losgemaakt en kroop naar Habulam. Daar ging hij met de beenen kruiselings zitten, liet het hoofd tusschen de knieën rusten en keek ons verachtelijk aan, waarna hij ons den rug toekeerde.

--Effendi, met den dieë hebben wij afgerekend,--zeide Halef. Wie komt nu aan de beurt?

--Humun--antwoordde ik kortaf.

--Hoeveel?

--Twintig.

--Van wien?

--Dat moogt gij bepalen!

--Murad Habulam!

De Hadschi was ook niet van gisteren. Door den eenen schurk te dwingen den andere te executeeren, zaaide hij haat en wraak onder die bende.

Habulam wilde zich onttrekken, zeggende:

--Humun is altoos mijn trouwe dienaar geweest, hoe kan ik hem dan bastonneeren!

--Juist omdat hij u trouw gediend heeft, moet gij hem dit handtastelijk bewijs uwer tevredenheid geven,--zeide Halef.

--Ik laat mij niet dwingen!

--Wanneer gij hem de twintig niet wilt geven,--besliste ik--dan krijgt gijzelf er veertig.

Dat werkte. Humun spartelde tegen toen hij op de bank gebonden werd, maar het hielp hem niets. Zijn heer en meester stond op en vatte aarzelend den stok; maar de twee zweepen sterkten zijn arm, zoodat de knecht zijn volle loon kreeg.

Humun verdroeg zijn tuchtiging niet zoo moedig als Suef. Hij gilde bij iederen slag, maar ik merkte op, dat op iederen gil de anderen bedienden vergenoegd knipoogden en met zekeren dank het aanzagen. Hij was de gunsteling van Habulam en had ongetwijfeld het dienstvolk gebeuld.

Ook hij liet brandewijn in de wonden aanbrengen en kroop toen achter in een hoek, waar hij ineengedoken neerzat.

--En wie nu?--vroeg Halef.

--Murad Habulam!--luidde mijn antwoord.

De genoemde stond nog naast de bank, met den stok in de hand. Verschrikt sprong hij achteruit en gilde:

--Wat? Hoe? Ook ik zal gebastonneerd worden!

--Natuurlijk.

--Maar niemand heeft daar het recht toe!

--Dat hebt gij mis. Ik ben het, die er het recht toe heb. Ik weet alles. Hebt gij uw huis niet gegeven, opdat wij er vermoord zouden worden!

--Dat is een gemeene leugen!

--Is niet uw broeder Manach el Barscha, de afgezette ontvanger van Uskub, gisteren in de vroegte, bij u geweest, om u onze komst en ook die zijner genooten te berichten?

--Dat moet gij gedroomd hebben; ik heb geen broeder!

--Dan heb ik zeker ook gedroomd, wat gij met hem hebt afgesproken; wij zouden in den toren, waar de oude moeder spookt, ingekwartierd worden, en uw knecht Humun zou voor spook spelen?

--Heer, van alles, wat gij vertelt, begrijp ik niets!

--Maar Humun weet dit alles heel goed, zooals ik aan den verwonderden blik zag, dien hij daar juist op mij richtte, omdat ik dit geheim ken. Het plan van het spoken moest opgegeven worden, en toen zijt gij op de gedachte gekomen, den toren te beklimmen en ons te vermoorden.

--Allah, Allah! Gij verzint allerlei dingen.

--Ook, dat de twee Aladschy's mij zouden dooden? Barud el Amasat wilde Osko vermoorden, omdat er een veete tusschen hen bestaat van wege de ontvoering van Senitza. Uw broeder Manach nam Halef voor zijn rekening, en Humun verklaarde zich bereid, Omar om te brengen. De Miridiet trok zich terug, omdat hij vrede met mij gesloten en mij zijn Czakan gegeven had, die hier in mijn gordel steekt.

--Allah akbar! Hij weet alles! De booze blik heeft het hem gezegd!--kwam Humun over de lippen, verschrikt als hij was.

--Neen, hij weet niets, in 't geheel niets!--schreeuwde Habulam. Ik ken niet een van al de mannen, wier naam gij zoo even hebt genoemd.

--Zij waren met u boven op den toren, en een paar uren vroeger waart gij allen, negen in aantal, binnen in de holle koornschelf, die nabij den toren staat.

--Er is bij mij geen holle schelf!

--Dan wil ik u die toonen en u zeggen, dat ik zelf tusschen de garven gekropen ben en u gezien en beluisterd heb. Ik heb ieder woord verstaan, ieder woord!

Hij ging achteruit en staarde mij vol schrik aan.

--Heeft de Miridiet, voor hij wegging, niet het mes getrokken tegen den ouden Mubarek?

--Ik--ik--ik weet van niets,--stamelde hij.

--Wel, dan wil ik er dien Suef eens op hooren, misschien weet hij het. En als hij niet antwoordt, dan maakt nog een dertigtal slagen hem de tong misschien wel los.

Op dat woord keerde de genoemde zich naar mij toe, liet zijn tanden zien, als een wild beest, wierp mij een grimmigen blik toe en siste:

--Hond! Wat geef ik om u of om die bastonnade! Hebt gij mij soms één klacht hooren uiten? Meent gij, dat ik bang voor u ben, zoodat ik door slaag gedwongen kan worden, om u de waarheid te zeggen?

--Zeg die dan, als gij werkelijk zoo moedig zijt als gij beweert.

--Ja, dien moed heb ik. Het is juist zooals gij hebt verteld. Wij hebben u willen dooden. Het is niet gelukt; maar bij Allah!--voor gij ver van hier zijt, hebben de kraaien uw lijken te pakken!

--Hij ijlt, hij ijlt!--riep Habulam. De wondkoorts doet hem ijlen!

--Lafaard!--schold schuimbekkend van woede Suef.

--Sihdi, vraag toch Humun ook,--zeide Halef. En als die soms wil zwijgen, dan zal ik dien knaap, met een nieuwe twintig, wel eens van de tongriem snijden.

Hij trad op den knecht toe, en nam hem bij den arm.

--Laat mij met rust, Hadschi van den Satan! Ik beken alles, alles!--gilde Humun.

--Is het, zooals de Effendi zei?

--Ja, ja, precies zoo!

--Ook hij ijlt van de wondkoorts!--riep Habulam.

--Welnu, dan wil ik twee andere getuigen voortbrengen. Janik zeg de waarheid! Is Habulam onschuldig?

--Hij heeft u willen vermoorden,--antwoordde de knecht.

--Schurk,--schreeuwde Habulam. Gij verwacht straf van mij voor uw ongehoorzaamheid en wilt u wreken!

--Anka,--ging ik door,--hebt gij gezien dat uw Heer rottekruid in onzen eierkoek heeft gedaan?

--Ja, antwoordde zij. Ik heb het duidelijk gezien.

--O Allah, wat een leugen! Heer, ik zweer bij den Profeet en bij alle heilige Khalifen, dat ik volkomen onschuldig ben!

--Nu hebt gij nog bovendien een afschuwelijken meineed gezworen die----

Ik werd in de rede gevallen. Dat Habulam den Naam van den Profeet en het aandenken der Khalifen door zulk een valschen eed ontheiligde, dat maakte de aanwezige Mohammedanen woedend. Halef greep naar zijn zweep; een toornige uiting werd rondom gehoord. Humun was op zijn wonde voeten opgestaan, kwam aanstrompelen, spoog zijn Heer in het gelaat en zeide:

--Pfui-Hadje! Zijt vervloekt tot in alle eeuwigheid! Uw lafheid brengt u in de Dschenna! Ik heb een Heer gediend, dien Allah zal doen verzinken in de diepste diepte der verdoemenis. Ik verlaat u. Maar eerst rekenen wij af.

En daar stond ook Suef bij den oude, spoog hem eveneens en zeide:

--Schande over u en over de dagen uwer grijsheid! Uw ziel ga verloren en uw gedachtenis uitgeroeid bij alle geloovigen! Weg van mij, ellendeling! Ik wil niets meer met u te doen hebben!

Beiden wankelden weer naar hun plaatsen. Een moord namen zij zonder eenig bezwaar op hun geweten, maar tegen een lastering van den Profeet en zijn opvolgers kwam al wat in hem was, op.

Habulam stond, alsof de donder hem had getroffen. Hij hield de handen aan zijn voorhoofd. Plotseling hief hij de armen omhoog en riep:

--Allah Allah! Ik heb misdaan! Maar ik vlek mijn misdaad uit. Ik beken, dat gij zoudt vermoord worden, en ik vergif in uw eten deed!

--Allah il Allah, Muhammed rassuhl Allah!--weerklonk het aan alle kanten.

En Halef trad op hem toe, legde hem nadrukkelijk de hand op den schouder en zeide:

--Gelukkig voor u, dat gij dien eed weer terug genomen hebt! Mijn Effendi zou het mij niet toegestaan hebben, maar ik zweer het u bij den baard van den Profeet, dat de zon van uw leven zou ondergegaan zijn, voor ik dit huis had verlaten! Ge bekent dus uw schuld?

--Ja.

--Dan zult gij ook de straf ondergaan, die wij u opleggen. Effendi, hoeveel slagen moet hij hebben?--vroeg Halef.

--Honderd,--antwoordde ik.

--Honderd! kreunde de oude. Dat overleef ik niet!

--Dat is uw zaak! Gij krijgt honderd slagen op uw voetzolen!