Chapter 28
--Om me van uw boozen blik te laten verderven? Dank je wel! Als ik geweten had, wat een opstoker van dienstvolk gij zijt, ge waart in mijn huis niet gekomen.
--Daarover wil ik het met u wel eens nader hebben. Kom maar binnen!
--Ik zal je danken! Stuur me mijn volk terug! Dat valsche tuig heeft niets bij u te maken!
--Haal ze!
Hij antwoordde niet, maar ik hoorde fluisteren. Hij was dus niet alleen.
--Als hij niet komt, zal ik hem halen,--zeide Halef en vatte de half geopende deur. Ik hoorde het overhalen van een haan en de woorden:
--Terug, hond, of ik schiet je neer!
Halef trad op zij en deed de deur dicht.
--Hebt gij het gehoord, Sihdi?--vroeg hij, veel meer verwonderd dan verschrikt.
--Zeer duidelijk,--antwoordde ik. Dat was de stem van Barud el Amasat.
--Dat geloof ik ook. Er stonden hier tegenover bij de koornschelf twee mannen, die de geweren op mij aanlegden. De sluipmoord is hun niet gelukt, nu willen zij tot een openlijken aanval overgaan.
--Dat betwijfel ik. Ze durven ons maar niet zoo neerschieten; dat zou te algemeen bekend worden. Was het hun ernst geweest, dan hadden zij niet slechts gedreigd maar ook geschoten.
--Zou u dat denken? Maar waarom posteeren die twee zich daar ginds?
--Dat begrijp ik heel goed. Zij willen zich uit de voeten maken. Men heeft de afwezigheid van Janik en Anka opgemerkt en heeft argwaan opgevat. Men heeft ze gezocht en bij ons gevonden. Nu weten de schurken, dat zij het best doen met te vluchten, en opdat wij hun niet zouden hinderen, moeten die twee ons hier binnen houden, onderwijl de anderen alles voor een snelle vlucht gereed maken.
--Dat hebt gij, mijns inziens, goed geraden, Effendi; maar zullen wij ze maar zoo ongehinderd laten wegtrekken?
Ik nam mijn berendooder, stond op en strompelde langs den muur tot aan het luik naast de deur. Omar moest het licht uitblazen, zoodat men mij van buiten af, niet goed zou kunnen zien. Ik trok het luik zachtjes open en keek naar buiten. Het had opgehouden met regenen, en de dag begon te lichten. Tegenover mij, slechts enkele passen van onzen toren af, leunden twee personen. De een had de kolf van zijn geweer op den grond; de andere hield het geweer recht overeind in zijn rechterarm. Daar hij met zijn rechterprofiel naar mij toe stond, liep de loop van zijn geweer langs zijn wang en stak boven zijn hoofd uit. Die twee schenen ernstig met elkaar te redeneeren.
Ik kon mijn berendooder op het raam van het luik laten rusten en was daardoor, ook in mijn kreupelen toestand, volkomen zeker van mijn schot, hoe het ook nog schemerde. Ik mikte op den loop van 's mans geweer, en schoot. Bijna op hetzelfde moment, dat het schot viel, weerklonk een jammerkreet. Mijn kogel had getroffen, waardoor de man met den loop van zijn eigen geweer zulk een geweldigen slag tegen wang en hoofd had gekregen, dat het hem uit de handen vloog.
--Ej mussibet, ej bylekiat! O ramp, gluiperd!--kreet hij. Ik herkende de stem, het was Barud el Amasat.
--Voort, voort!--riep Manach.--Dat schot brengt alle man in huis op de been!
Hij raapte het geweer van den ander op, greep hem bij den arm en trok hem met zich mee. In een oogenblik waren zij verdwenen.
Uit wat Manach zeide, bleek dat zij niet van plan geweest waren om te schieten. Zij wilden niet, dat het dienstpersoneel iets van hun aanwezigheid zou weten.
Nu wendde ik mij tot mijn genooten:
--Vat uw wapens, en vlug naar den stal! Er is gevaar dat die schurken onze paarden zullen meenemen.
Allen ijlden de deur uit. Ik posteerde mij er tegenover en hield mijn berendooder in de hand, om op alles gewapend te zijn.
Ook Anka was mee gegaan. Al spoedig kwam zij met Janik en Omar terug, en ik hoorde, dat Osko en Halef in den stal waren gebleven om op de paarden te passen. Het scheen, dat niemand ze voor zich had willen hebben; er was niemand komen opdagen. Dat stelde mij gerust.
Nu moesten wij vóór alles, weten waar de boomen te zoeken, waar de paarden van onze vijanden ondergebracht waren; maar noch Anka noch Janik wisten het.
--Ik ben er zeker van, dat Humun het weet,--zeide de flinke jongen,--maar hij zal het u niet zeggen.
--O, ik heb een probaat middel, gaf ik hem ten antwoord,--een tang, waarmee ik alles wat ik wil uit hem haal.
--Dan kunt gij meer dan anderen. Hij zal zijn meester en diens bondgenooten nooit verraden.
--Welnu, gij zult er bij zijn, om u te overtuigen, hoe openhartig hij mij zal zeggen wat ik weten wil. Kent gij Afrit, den kleermaker, beter?
--Neen. Wel weet ik, dat hij eigenlijk Suef heet, maar veel weet ik van hem niet. Hij komt zeer dikwijls bij Murad Habulam, en ik verdenk hem sterk dat het geen eerlijke zaken zijn die zij doen. Daarom ben ik hem steeds uit den weg gegaan. Het is beter met zulke menschen niet in aanraking te komen. Het liefst zou ik van hier weggaan en blij zijn, als ik u naar Weicza zou mogen begeleiden. Indien gij nabij of te Karanorman-Khan iets te doen hebt, zou ik u misschien van dienst kunnen zijn.
--Ik zoek daar een groot misdadiger, die waarschijnlijk een vriend en bondgenoot van Habulam is.
--Hoe? Met zulke menschen is mijn Heer bevriend?
--Ja. De mannen, die heden bij hem waren, zijn even groote dieven en moordenaars, en staan ons naar het leven. En wat uw heer is, behoeft gij niet te vragen, daar hij ons heeft willen vergiftigen.
--Dat is zoo. Effendi, ik blijf niet hier! Ik verlaat dit huis, al moest ik ook nog zoo lang zonder werk en verdienste blijven. Ons trouwen moet dan wel langer uitgesteld worden, maar wij wachten liever, dan dat wij zulk een meester zouden dienen.
--Nu, wat dat uitstellen betreft, dat zal zoo lang niet zijn, want gij hebt van mij nog te vorderen, en Anka ook, wat ik u schuldig ben. Gij hebt ons het leven gered. Zonder u leefden wij niet meer. Gij hebt dus van ons een loon te vorderen voor de redding, een loon overeenkomende met wat wij kunnen geven.
--Dat is zoo--werd er bij de deur gezegd.--Wij zullen van ons niet laten zeggen, dat wij ondankbaar zijn, Sihdi!
--Het was Halef, die dat zei. Hij was uit den stal gekomen en had het laatste gedeelte van ons gesprek gehoord. En hij liet er opvolgen:
--Wij zijn, helaas! niet rijk, maar toch is het ons misschien nog wel mogelijk uw uitstel wat te bekorten. Als gij om ons uw dienst verlaat, dan moeten wij er voor zorgen, dat gij niet weer moet gaan dienen. Ik vraag u dus, Janik, krachtens mijn hoogheiligheid als Hadschi, of gij deze Anka, hier tegenwoordig, tot vrouw hebben wilt?
--Natuurlijk!--zei Janik, bij dat vooruitzicht vergenoegd lachende.
--En tegen wanneer?
--Liefst zoo spoedig mogelijk.
--En gij, roos van Kilissely en redster van ons leven, zal deze dienstknecht Janik uw man zijn, wien gij steeds zult gehoorzamen, zoolang hij niet onredelijk is en geen domheden van u vordert?
--Ja, hij zij mijn man!--zei het meisje blozend.
--Welnu, dan moge onze zegen op u nederdalen uit den buidel van geluk en dank. Ik ben de roemrijke kassier van ons gezelschap. Het was geld uit den booze, maar wij besloten, het tot engelen-munt te maken, en daartoe stelt gij ons nu in de gelegenheid.
Hij bracht zijn langen geldbuidel te voorschijn, dien wij in den strijd bij de Derekulibe hadden veroverd, en hij deed dien open.
--Draagt het uw goedkeuring weg, Sihdi?--vroeg hij.
--Volkomen!--knikte ik hem toe, benieuwd, hoeveel hij aan hen zou geven.
--Zoo steke dan ieder van u de handen naar mij toe, om daarin den regen der fortuin te ontvangen.
Janik deed terstond wat Halef hem zeide. Hij sloot zijn vingers, bracht de pinken tegen elkaar en strekte de komvorm zijner handen Halef toe. Anka, dat ziende, deed eveneens. De kleine Hadschi tastte in den buidel, en begon te tellen. Hij legde telkens in Janiks en in Anka's handen een goudstuk en telde:
--Bir, iki, aetsch, dourt, besch, alti, jedi, sekiz, dokus, on.... aldus tot tien.
Hij had telkens louter gouden turksche ponden uitgeteld, alzoo hadden Janik en Anka, ieder duizend piasters f 108,--à f 114,--ontvangen, wat voor die menschen een waren schat uitmaakte. Daarna vroeg hij den vroolijk verwonderden:
--Weet gij soms wat Aktsche baschy (agio) is?
--Neen--antwoordde Janik.
--Aktsche baschy is de meerdere waarde van honderd piasters in goud, dan van honderd in zilver. Dat verschil is op dit oogenblik acht piasters op de honderd. Wanneer gij dus een goudstuk van honderd piasters voor zilver wisselt, moet gij honderd en acht zilveren piaster er voor krijgen. Denkt er aan, want dat maakt voor ieder van u een verschil van tachtig piasters.
Die uitlegging was niet overtollig. Want die de meerdere waarde van goud, boven die van zilver, niet kent, komt vooral in het Oosten, allicht bedrogen uit. En die tachtig piasters waren voor onze jongelui een niet te verwerpen som. Zij verstonden echter maar half wat Halef hun zeide. Al hun denken en zinnen concentreerde zich in de beschouwing van al het goud dat zij in hun handen hadden en hun toegeteld was. Dat het werkelijk voor hen was, konden zij niet gelooven. Toen Halef het evenwel niet terugnam, begon Janik te twijfelen en vroeg:
--Heer, het is toch geen ernst, dat gij ons dat geld zoudt laten houden?
--Het is mij volle ernst,--antwoordde Halef.
--Maar dat kan toch niet waar zijn! Duizend piasters voor mij en duizend voor Anka, dat is niet te gelooven!
--Wat gij in uw handen hebt, is van u, en wat ik in de mijne heb, is van mij. Doe nu met uw eigendom, zooals ik met het mijne. Let op!
Hij bond zijn buidel dicht en stak 'm knipoogend in zijn zak. Maar zij aarzelden zijn voorbeeld te volgen.
--Dit geld, allemaal goud!--riep Anka uit.--Zeg het ons nog eens, dat het voor ons is, anders kan ik het niet gelooven.
--Of gij het al dan niet gelooft, is mij hetzelfde. De hoofdzaak is, dat gij het neemt en terstond trouwt. Janik had er zoo'n haast mee, waarom talmt hij nu zoo?
--Toch moet ik het eerst van den Effendi hooren! Het is zoo'n groote som! Wij hebben zooveel niet noodig, want wij hebben ons gespaarde geld nog. Als gij een heel vermogen geeft, wat blijft er dan voor u over?
--Bekommer u over ons maar niet,--zei de kleine Hadschi lachend.--Wij verstaan de kunst om zonder geld te leven. Wij nemen het Jol mihmandarlijkuun (pad der gastvrijheid). En onze grootste vijanden moeten ons de grootste schatting betalen. Of meent gij dat wij uw Heer ook maar een piaster schenken van wat wij hem hebben te betalen voor wat hij ons opgedischt heeft? Dat komt niet in ons op. Ik wil hopen, dat mijn Sihdi mij vergunt hem met een munt te betalen, die gestempeld maar ook geslagen wordt. Zoo als gij ziet, geld hebben wij niet noodig. Gij kunt deze enkele goudstukken dus nemen, zonder te vreezen dat wij gebrek zullen lijden. Bovendien hebben wij ons, sedert eenigen tijd, de loffelijke gewoonte aangewend, om aan iederen schurk te ontnemen wat hij gestolen heeft, en dat aan eerlijke menschen uit te deelen. Naar ik hoop, ontmoeten wij spoedig weer eenige van die schurken! Dan zitten wij weer als een Kusch (vogeltje) in een pirindsch demeti (rijstveld), en prijzen Allah voor Zijn zorg, waarmee Hij het rijk van den Padischa regeert.
Om aan de dankbetuigingen der twee overgelukkigen een einde te maken, droeg ik aan Halef en Janik op, onze bagage te nemen en naar den stal te gaan, waar ze onze paarden moesten opzadelen.
--Gaat ge dus weg, Effendi?--vroeg Janik verschrikt.
--Ja, maar niet terstond. Ik wilde, dat onze paarden in allen gevalle klaar zouden staan. U en Anka neem ik mee.
--Maar dat zal Murad Habulam niet toestaan!
--Ik zal er voor zorgen, dat hij zijn toestemming geeft.
--Dan zullen wij u dubbel dankbaar zijn. Gij zijt hier gekomen, als onze----
--Stil! Ik weet, wat gij wilt zeggen, en dat gij een goede dankbare jongen zijt; daar willen wij het voor het oogenblik bij laten.
Zij gingen, en ik zette mij in den rolstoel van Habulam's vrouw, om met Omar hen te volgen.
De dageraad begon door te breken. Men kon reeds tamelijk ver zien. Het had heelemaal opgehouden met regenen en, aan de lucht te zien, konden wij op mooi weer rekenen.
Om in den stal te komen, moesten wij voorbij een rondom open gebouw. Het dak rustte van achteren op muurwerk en aan de voorzijde op houten zuilen, zoodat men alles wat er in stond, kon overzien. Ik zag een voertuig, niet van den lompen zwaren bouw, als de gewone ossewagens, die Araba worden genoemd, maar een van veel lichteren bouw, meer op een rijtuig gelijkend en dat hier Kotschu of Hintof heet. Er naast hing een Turksch At takymy, (paardetuig), dat evenveel op een Duitsch tuig leek, als de kroeskop van een vetten, zwarten haremwachter op de frisuur van een Franschen balletmeester. Wagen en tuig konden mij dienen voor wat ik voornemens was, te meer omdat ik bij de andere paarden, een flink jong wagenpaard zag, dat in het tuig paste. Ik liet de paarden, onder mijn toezicht, drenken en zadelen, en beval dat men mij naar Habulam zou brengen.
--Moeten Anka en ik ook meegaan?--vroeg mijn knecht.
--Zeker.
--Maar, daar zal wat voor ons op zitten!
--Heb daar geen zorg over. Gij gaat achter mij staan en verlaat die plaats niet zonder dat ik het u zeg.
Toen wij uit den stal kwamen, zagen wij een kerel tegen een stuthout leunen, die ons blijkbaar gade sloeg.
--Wie is dat? vroeg ik Janik.
--Een van de knechten, die waarschijnlijk buiten bij de paarden van uw vijanden de wacht hebben gehouden. Wilt gij hem vragen, waar die boomen ergens staan?
--Hij zal het mij wel niet zeggen.
--Dat geloof ik ook niet.
--Dan wil ik mij de moeite van het vragen besparen, want Humun zegt het mij stellig.
Toen wij bij het voorportaal kwamen, zag ik hem tegen den muur leunen. Hij stond zóó, dat hij door de deur in den stal kon zien. Dus ook hij had ons zijn opmerkzaamheid geschonken.
--Wat wilt gij hier?--snauwde hij ons toe.
--Ik wenschte Murad Habulam, uw Heer, te spreken,--antwoordde ik.
Hij paste wel op, dat hij mij niet behoefde aan te zien want hij was bang voor mijn blik en hield zijn vingers aldoor in de richting, die hem tegen mij beschermen moest.
--Dat kan niet,--zeide hij.
--Waarom niet?
--Omdat hij slaapt.
--Zoo verzoek ik u hem te wekken.
--Dat mag ik niet.
--Maar ik wensch het!
--Met uw wenschen heb ik niets te maken.
--Welnu, dan beveel ik het u!--zei ik met grooten nadruk.
--Gij hebt mij niets te bevelen.
--Halef, de zweep!
Nauwelijks had ik die drie woorden uitgesproken of de nijlpaarden Kurbatsche viel knallend op den rug van den onwillige neer, en wel zoo krachtig, dat hij terstond tegen den grond sloeg. Tegelijk riep Halef hem toe:
--Wie heeft je niets te bevelen, ellendige vlegel? Ik zeg je, dat het geheele gebied van den Sultan en alle landen ter wereld mijn Emir moeten gehoorzamen als ik bij hem ben, ik, die een brullende leeuw ben tegenover zoo'n wurm als gij zijt!
Humun wilde zich nog tegen die slagen verweren, maar zij vielen zoo geducht en dicht, dat hij ze onderworpen in ontvangst moest nemen. Toch stiet hij een gebrul uit, dat doordrong in alle hoeken van het huis. Eindelijk hield Halef op, maar toch hield hij de zweep slagvaardig, terwijl hij vroeg:
--Wilt ge nu soms den Jaschly Uerkeki (het oude ondier) uit zijn bed halen?
--Aanklagen zal ik u! Gevild zult gij worden, gevild bij levenden lijve!--brulde de getuchtigde, terwijl hij wegliep.
--Effendi, dat wordt een leelijk geval,--meende Janik.
--Toch niet,--antwoordde ik.--Het is van daag een groote feestdag, die Jortu guunuu dajakuun (het feest van de zweep) genoemd wordt. Wij willen dat feest met grooten ernst vieren.
--Ik heb van dien feestdag nog nooit gehoord.
--Dan zult gij dien heden leeren kennen,--verzekerde Halef. Sihdi, gij hebt een prachtig, voortreffelijk woord gesproken. De geloovigen zullen zich over u verblijden en de zaligen der drie bovenste hemelen zullen zich over u baden in genot. Eindelijk zult gij dan optreden als het sieraad van het mannelijk geslacht en het hoofd aller helden. Mijn spieren worden tot slangen en mijn vingers als de scharen van een kreeft. Ik zal woeden onder de struikroovers en het bloed drinken der moordenaars. Er zal gehuil worden gehoord in Kilissely en gejammer onder de zonen des verderfs. De moeders en dochters dergenen, wier geweten niet zuiver is, zullen jammeren, en de tantes en zusters der ongerechtigen zullen zich de haren uittrekken en heur sluiers verscheuren. De vergelding opent haar kaken en de gerechtigheid scherpt haar klauwen, want hier staat de richter met de roede der wraak in de hand, de held van het feest van de zweep, Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah!--Hij stond, de rechter geheven, de oogen fonkelend van verrukking, in de houding van een redenaar, die zich bewust is te arbeiden aan de wereldhervorming.
Humun had gelogen, toen hij beweerde dat zijn Heer sliep. Juist toen wij ons gereed maakten, om het vertrek binnen te gaan, waar Habulam ons had ontvangen, kwam hijzelf op ons af en viel grimmig toornend tegen mij uit:
--Mensch, wat krijgt gij in uw hoofd, mijn knecht te laten slaan! Ik heb grooten lust u allemaal te laten ranselen!
Hij was niet alleen, maar Humun en de kleermaker Suef, die zich Afrit genoemd had, waren bij hem, en achter deze groep kwamen nog vijf of zes knechten en vrouwelijke dienstboden.
Ik antwoordde niet, maar gaf Omar een wenk, om mij bedaard wat dichterbij te rijden. De woede van Habulam scheen door mijn zwijgen nog grimmiger te worden, want voor ons heen en weer loopende, brulde hij bedreigingen, wier volvoering, ons volkomen zou hebben vernietigd. Toen wij bij de bekende deur waren en Halef die wilde openen, ging Habulam er voor staan, en schreeuwde bevelend:
--Hier komt niemand binnen! Ik verbied het u!
--Gij!--vroeg Halef. Mensch, zijt ge dol? Gij hebt hier niets te bevelen.
--Ik ben in deze afdeeling, het hoofd der politie en opperste rechter!
--Daar kan het lieve Kilissely tevreden mee zijn! Wanneer de hoogste magistraat zelf steelt en moordt, wat zullen dan wel de onderdanen doen! Wees nu zoo beleefd en ga uit den weg, anders krijgt gij een Oepisch (kus) van mijn zweep, die op een Scheftalay (smakkert) zal lijken. Begrepen?
Halef hief zijn zweep op, en daar Habulam niet uit den weg ging, kreeg hij een zoo geduchten slag, dat hij wegvloog met een sprong, zooals een circus-clown hem moeilijk had kunnen verbeteren. Daarbij gilde hij:
--Hij slaat mij! Allah heeft het gezien en gij ook! Grijpt hem! Voor den grond met hem! Bindt hem!
Dit bevel gold de knechten, maar niet een waagde het, ook Humun en Suef niet, om de hand naar den kleinen Hadschi uit te steken. En deze verwaardigde zich evenmin, naar hen om te zien, maar deed de deur open en ging naar binnen. Wij volgden. Habulam kwam ons na en de anderen drongen achter hem op. Midden in de kamer bleef hij staan en riep:
--Dat is ongehoord! Ik zal het ten strengste straffen! Ik ben de Chef van de Dschesah mehkemeleri (crimineele rechtbank) alhier.
--Kilissely is maar een dorp, waar zulk een rechtbank niet bestaat,--antwoordde ik.
--Maar ik ben de Mollao (rechter) van deze plaats!
--Dat geloof ik niet. Waar hebt gij dan gestudeerd?
--Dat is daar niet voor noodig.
--Oho! Om Mollao te kunnen zijn, moet gij allereerst tot uw twaalfde jaar een Subjahn mekteb, (Lagere school), en voorts een Medresseh (kweekschool) bezocht hebben, om den titel van Softa te krijgen. Hebt gij dien behaald?
--Dat gaat u niets aan!
--Toch wel. Die ons richten wil, moet kunnen bewijzen, dat hij het recht en de bekwaamdheid er toe heeft. Kunt gij Arabisch spreken en schrijven?
--Ook Perzisch?
--Ja.
--En kent gij den Koran heelemaal van buiten. Dat alles moet een Softa kennen.
--Ik ken den Koran van buiten.
--Bewijs het mij dan! Zeg mij de zes en veertigste Sure, die el Ahkaf genoemd word, eens op.
--Hoe begint die?--vroeg hij verlegen.
--Natuurlijk met de woorden: 'In naam van den barmhartigen God', zooals iedere Sure.
--Maar dat is niet de zakelijke aanvang.
--Welnu, zij luidt: De openbaring van dit boek is van God, den Almachtige en Alwijze. Den hemel en de aarde, met wat daar tusschen is, hebben wij op een bepaalden tijd geschapen, maar de ongeloovigen wenden zich af van de nadrukkelijke waarschuwing, die hun geworden is.--Nu gij verder!
Hij krabde zich achter zijn oor, en zeide toen:
--Maar wie geeft u het recht om mij te examineeren? Ik ben Softa geweest, en dat hebt gij te gelooven!--Pas op de deur, opdat niet een van die aangeklaagde vreemdelingen ontvluchte! En breng terstond de Kötek aleti (bastonnade-bank) hier!
Hij had dit bevel aan zijn eigen volk gegeven, en dat haastte zich het te doen. Humun en Suef plaatsten zich aan weerskanten van hem, en de anderen stelden zich op, tusschen ons en de deur, om ons het vluchten te beletten. Een van de vrouwelijke dienstboden ging om de noodige instrumenten te halen.
Toen zette zich Habulam in het midden der kamer en wenkte de twee om naast hem te komen zitten.
--Gij zijt de Schehadedschiler en Imdadlar, (getuigen en bijzitter),--zeide hij. Gij zult mijn vonnis bevestigen.
De drie sukkels zetten zulke ernstige ambtsgezichten, dat het mij moeite kostte niet hardop te gaan lachen.
--Sihdi,--vroeg Halef fluisterend,--zullen wij nu ook niet een woordje gaan meepraten? Het is toch eigenlijk een schande voor ons.
--Geen schande, Halef, maar een aardige komedie tot inleiding van het treurspel, dat wij straks zullen opvoeren. Wij zijn al zoo dikwijls van beschuldigden aanklagers geworden, en dat zullen wij ook nu vertoonen.
--Stilte!--riep Habulam mij toe.--Als de misdadiger voor zijn rechter staat, heeft hij te zwijgen. Janik, Anka, wat hebt gij daar achter die boosdoeners te staan? Later zult gij gestraft worden, omdat gij tegen mijn bevelen in hebt gehandeld. Gaat nu voorloopig daar van daan.
Het werd toch al te gek! Wij hadden natuurlijk onze wapens bij ons, en die oude zondaar dacht werkelijk dat wij ons aan zijn uitspraak zouden onderwerpen. Janik bleef met Anka bij ons staan; daarom herhaalde Habulam zijn bevel op nog strengeren toon.
--Neem me niet kwalijk,--zei ik,--maar deze personen zijn, sedert vandaag, in mijn dienst.
--Daar weet ik niets van.
--Maar nu zeg ik het u, dus weet gij het.
--Dat begrijp ik. Ze hebben zich laten omkoopen om mij ontrouw te worden; maar dat laat ik niet toe en zal ze ook daarvoor straffen.
--Daar zullen wij het nader over hebben,--antwoordde ik bedaard.--Maar zooals gij ziet, de rechtzitting kan beginnen.
Hij wees op de teruggekeerde dienstbode, die de bastonnade-bank bracht en voor hem neerzette.
Men moet zich zulk een bank voorstellen als oorspronkelijk vier pooten gehad te hebben, waarvan er nu één paar ontbrak, zoodat er nu nog maar twee aan het uiteinde waren. Die bank wordt nu omgekeerd op den grond gelegd, zoodat de twee bij elkaar zijnde pooten omhoog steken. Aan die pooten worden de voeten van den delinquent vastgebonden en hij zelf aan het lager eind, in gestrekte houding. Zoo gerekt en gestrekt, krijgt hij dan, op zijn naakte voetzolen, de hem toegedachte slagen of bloedende striemen.
Wat vreeselijke pijn dat doet, zal men begrijpen uit het feit, dat veeltijds reeds bij den eersten slag de voetzool openspringt. Een geoefend Khawasz slaat dwars op de smalle vlakte der zolen; hij begint bij de hielen en eindigt bij de teenen, zorgende dat de slagen opvolgend naast elkaar terecht komen. De eerste slag valt op den rechter, de tweede op den linkervoetzool, en zoo vervolgens. Zijn beide zolen van af de teenen tot de zolen opengeslagen, zonder dat de vereischte slagen gegeven zijn, dan moeten de overige rechthoekig op de vorige vallen. Dat noemt de Turk, die zoo'n executie wel aardig vindt, schaakbord slaan. (Satrandsch tachtassy wurmak).
Murad Habulam knipoogde welbehaaglijk tegen de bank, als zag hij een vriendelijken vriend. Daarna keek hij ons veelbeteekenend aan en riep een der achter ons staande knechten, zeggende:
--Bejaz, gij zijt de sterkste. Kom hier! Gij moogt uw kracht toonen bij de bastonnade.